Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Steun voor room, boter en boterconcentraat bestemd voor vervaardiging van banketbakkerswaar, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen ° Toekenningsvoorwaarden ° Samenstelling van produkt
(Verordening nr. 570/88 van de Commissie, art. 4, punt 1, formule A, sub a, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1157/91, en punt 3, formule C, sub a.1, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 1048/89 en 1157/91)
Samenvatting
Artikel 4, punt 1, formule A, sub a, van verordening nr. 570/88 betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter en de toekenning van steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1157/91, moet aldus worden uitgelegd, dat interventieboter, verwerkt in diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken, niet voor steun in aanmerking komt. Het meelgehalte van dit deeg is voor de toepassing van deze bepaling niet beslissend.
Ook artikel 4, punt 3, formule C, sub a.1, van verordening nr. 570/88, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 1048/89 en 1157/91, moet aldus worden uitgelegd, dat interventieboter, verwerkt in diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken, niet voor steun in aanmerking komt.
Partijen
In zaak C-12/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Oberlandesgericht Hamm (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Uelzena Milchwerke eG
en
Willi Antpoehler GmbH & Co. KG,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 570/88 van de Commissie van 16 februari 1988 betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter en de toekenning van steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (PB 1988, L 55, blz. 31), zoals gewijzigd bij verordeningen (EEG) van de Commissie nrs. 1048/89 van 21 april 1989 (PB 1989, L 111, blz. 24) en 1157/91 van 3 mei 1991 (PB 1991, L 112, blz. 57),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini (rapporteur) en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Uelzena Milchwerke eG, vertegenwoordigd door J. Herrmann, advocaat te Hamm,
° Willi Antpoehler GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door J. Apel, advocaat te Hamm,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Uelzena Milchwerke eG, vertegenwoordigd door J. Herrmann en J. Guendisch, advocaat te Hamburg, Willi Antpoehler GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door V. Schiller, advocaat te Keulen, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Schmidt en U. Woelker, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, ter terechtzitting van 23 maart 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 9 december 1993, ingekomen ten Hove op 13 januari 1994, heeft het Oberlandesgericht Hamm (Duitsland) krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 570/88 van de Commissie van 16 februari 1988 betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter en de toekenning van steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (PB 1988, L 55, blz. 31), zoals gewijzigd bij verordeningen (EEG) van de Commissie nrs. 1048/89 van 21 april 1989 (PB 1989, L 111, blz. 24) en 1157/91 van de Commissie van 3 mei 1991 (PB 1991, L 112, blz. 57).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Uelzena Milchwerke eG (hierna: "Uelzena") en Willi Antpoehler GmbH & Co. KG (hierna: "Antpoehler") over een schadevordering van Uelzena.
3 Uelzena had boter uit interventie verkocht, en daarvoor na zekerheidstelling steun ontvangen. Antpoehler had bij haar boterconcentraat gekocht en gebruikt voor de vervaardiging van diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken.
4 Van oordeel dat voor de verwerking van de boter door Antpoehler geen recht op steun bestond, heeft de Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung (hierna: "BALM") de door Uelzena gestelde zekerheden verbeurd verklaard. Daarop heeft deze een schadevordering ingeleid tegen Antpoehler, die volgens haar aansprakelijk was wegens niet-uitvoering van haar verbintenis de boter overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 570/88, te verwerken "in de in artikel 4 [daarvan] bedoelde eindprodukten".
5 Volgens Antpoehler komt de in haar produkten verwerkte boter krachtens artikel 4, punt 1, formule A, of punt 3, formule C, in aanmerking voor steun. Naar luid van dit artikel
"gelden als eindprodukten:
1. Formule A:
a) produkten van de GN-codes 1905 20, 1905 30, 1905 90 40, 1905 90 45, 1905 90 55, 1905 90 60 en 1905 90 90;
(...)
3. Formule C:
Produkten van de GN-codes 1901 20 00 en 1901 90 90:
a) in de vorm van:
1. ongebakken deeg:
i) voor 51 % of meer van het gewicht van alle andere bestanddelen dan water bestaande uit meel, waaraan botervet en andere ingrediënten, zoals suiker (saccharose), eieren of eigeel, melkpoeder, zout, enz., zijn toegevoegd en dat ten opzichte van het totale vetgehalte meer dan 90 gewichtspercenten botervet bevat, de vetstoffen die tot de normale samenstelling van de ingrediënten behoren, niet inbegrepen;
ii) waarvan de ingrediënten goed zijn vermengd en de vetstoffen zo zijn geëmulgeerd dat afscheiding van het botervet door welke fysische bewerking dan ook onmogelijk is geworden;
(...)"
6 Hoofdstuk 19 van bijlage I, "Gecombineerde Nomenclatuur", bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1) betreft de "bereidingen van graan, van meel, van zetmeel of van melk; gebak". Onder postonderverdeling 1901 20 00 vallen "mengsels en deeg, voor de bereiding van bakkerswaren bedoeld bij post 1905". Post 1905 omvat "brood, gebak, biscuits (...)" en postonderverdeling 1905 30 meer in het bijzonder "koekjes en biscuits, gezoet; wafels en wafeltjes".
7 Van oordeel dat het geschil vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht deed rijzen, heeft het Oberlandesgericht Hamm de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moet artikel 4, punt 1, formule A, sub a, van verordening (EEG) nr. 570/88 van de Commissie van 16 februari 1988 betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter en de toekenning van steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen, zoals gewijzigd bij verordeningen (EEG) nrs. 949/88, 2951/88, 352/89, 1048/89, 1157/91 en 2675/91, in samenhang met post 1905 30 van de gecombineerde nomenclatuur, aldus worden uitgelegd, dat een produkt, bestaande uit diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg (' Buttermuerbeteigstangen' ) in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 %, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken, voor steun in aanmerking komt?
Is het meelgehalte van een produkt beslissend voor de indeling ervan onder artikel 4, punt 1, formule A, van verordening nr. 570/88?
2) In geval van een ontkennend antwoord op een of op beide onderdelen van vraag 1, moet dan artikel 4, punt 3, formule C, sub a.1, van verordening nr. 570/88 aldus worden uitgelegd, dat een produkt als omschreven in vraag 1 niet voor steun in aanmerking komt wanneer het voor minder dan 51 % van het gewicht uit meel bestaat?"
De eerste vraag
8 Met het eerste onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 4, punt 1, formule A, sub a, van verordening nr. 570/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1157/91, aldus moet worden uitgelegd, dat interventieboter, verwerkt in diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken, in aanmerking komt voor steun.
9 Volgens de duidelijke tekst van dit artikel komt alleen de in de produkten van de postonderverdelingen 1905 20, 1905 30, 1905 90 40, 1905 90 45, 1905 90 55, 1905 90 60 en 1905 90 90 van de gecombineerde nomenclatuur verwerkte boter in aanmerking voor steun.
10 Het is vaste rechtspraak dat het gemeenschappelijk douanetarief bij voorkeur gebruik maakt van indelingscriteria gebaseerd op de objectieve kenmerken van de produkten, zoals deze in de tekst van de posten van het gemeenschappelijk douanetarief en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn vastgelegd (arrest van 16 juni 1994, zaak C-35/93, Develop Dr. Eisbein, Jurispr. 1994, blz. I-2655, r.o. 18).
11 Wegens zijn meelgehalte valt boterzandkoekdeeg onder hoofdstuk 19 van de gecombineerde nomenclatuur, met als opschrift "Bereidingen van (...) meel (...)".
12 Volgens de inlichtingen van de verwijzende rechter is het deeg bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker in de oven te worden gebakken. Het is dus niet gebakken of voorgebakken. Nu kan een produkt slechts in post 1905, "brood, gebak, biscuits (...)", alsmede in postonderverdeling 1905 30, "koekjes en biscuits, gezoet; wafels en wafeltjes", worden ingedeeld indien het ten minste één keer is gebakken. Het betrokken boterzandkoekdeeg valt dus niet onder postonderverdeling 1905 30 van de gecombineerde nomenclatuur.
13 Nu het deeg enkel in de oven behoeft te worden gezet om een eindprodukt te worden in de zin van post 1905, valt het onder postonderverdeling 1901 20 00, "mengsels en deeg, voor de bereiding van bakkerswaren bedoeld bij post 1905".
14 Aangezien deze postonderverdeling in artikel 4, punt 1, formule A, sub a, van verordening nr. 570/88 niet is vermeld, komt de in het deeg verwerkte boter niet voor steun in aanmerking.
15 Met het tweede onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het meelgehalte van een produkt beslissend is voor de toepassing van artikel 4, punt 1, formule A, van verordening nr. 570/88, zoals gewijzigd.
16 In dit verband kan worden volstaan met vast te stellen, dat geen van de in punt 1, formule A, bedoelde posten of postonderverdelingen voor de indeling van een produkt verwijst naar het meelgehalte ervan. Voor de toepassing van de betrokken bepaling is het meelgehalte dus niet beslissend.
17 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 4, punt 1, formule A, sub a, van verordening nr. 570/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1157/91, aldus moet worden uitgelegd, dat interventieboter, verwerkt in diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken, niet voor steun in aanmerking komt. Het meelgehalte van dit deeg is voor de toepassing van deze bepaling niet beslissend.
De tweede vraag
18 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 4, punt 3, formule C, sub a.1, van verordening nr. 570/88, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 1048/89 en 1157/91, aldus moet worden uitgelegd, dat de boter, verwerkt in diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de verbruiker te worden gebakken, in aanmerking komt voor steun.
19 Zoals vastgesteld in rechtsoverweging 13, vallen dergelijke produkten onder postonderverdeling 1901 20 00 van de gecombineerde nomenclatuur.
20 Krachtens artikel 4, punt 3, formule C, sub a.1.i, komt boter, verwerkt in ongebakken deeg op basis van meel, in aanmerking voor steun indien met name het meelgehalte van dit deeg "51 % of meer van het gewicht van [de] bestanddelen" bedraagt.
21 Vaststaat dat het boterzandkoekdeeg dat in het hoofdgeding aan de orde is, een gemiddeld meelgehalte van slechts 46 % heeft.
22 Met een meelgehalte van minder dan 51 % van het gewicht van de bestanddelen, kan de in het produkt verwerkte boter niet in aanmerking komen voor steun, ook al voldoet dit produkt voor het overige aan de andere voorwaarden van formule C voor ongebakken deeg.
23 Aan alle voorwaarden dient te zijn voldaan om te voorkomen, dat de boter aan haar bestemming wordt onttrokken, welke doelstelling is geformuleerd in de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 570/88. Onbetwist is immers, dat de afscheiding van de in deze massa verwerkte boter vanaf een meelgehalte van 51 % van het gewicht van de bestanddelen fysisch onmogelijk is, zodat het hergebruik en de aanwending van de boter voor andere bestemmingen dan die waarvoor zij is aangekocht, uitgesloten zijn.
24 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 4, punt 3, formule C, sub a.1, van verordening nr. 570/88, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 1048/89 en 1157/91, aldus moet worden uitgelegd, dat de boter, verwerkt in diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken, niet voor steun in aanmerking komt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Oberlandesgericht Hamm bij beschikking van 9 december 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 4, punt 1, formule A, sub a, van verordening (EEG) nr. 570/88 van de Commissie van 16 februari 1988 betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter en de toekenning van steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1157/91 van de Commissie van 3 mei 1991, moet aldus worden uitgelegd, dat interventieboter, verwerkt in diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken, niet voor steun in aanmerking komt. Het meelgehalte van dit deeg is voor de toepassing van deze bepaling niet beslissend.
2) Artikel 4, punt 3, formule C, sub a.1, van verordening nr. 570/88, zoals gewijzigd bij verordeningen (EEG) van de Commissie nrs. 1048/89 van 21 april 1989 en 1157/91, moet aldus worden uitgelegd, dat boter, verwerkt in diepgevroren, bakklaar boterzandkoekdeeg in de vorm van biscuits, met een gemiddeld meelgehalte van 46 % van het gewicht van de bestanddelen, en bestemd om voor het eerst door de eindverbruiker te worden gebakken, niet voor steun in aanmerking komt.
Full & Egal Universal Law Academy