Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Suiker ° Verevening van opslagkosten ° Verplichte bijdrage van fabrikanten ° Ontstaan van betalingsverplichting ° Afzet van suiker
(Verordeningen van de Raad nr. 3330/74, art. 8, lid 1, derde alinea, sub a, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, nr. 1358/77, art. 6, lid 4, en nr. 1785/81, art. 8, lid 2, derde alinea, sub a)
Samenvatting
Artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening nr. 3330/74 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, en het gelijkluidende artikel 8, lid 2, derde alinea, sub a, van verordening nr. 1785/81, die in de plaats is gekomen van verordening nr. 3330/74, alsmede artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1358/77 houdende algemene voorschriften inzake verevening van de opslagkosten in de sector suiker, moeten aldus worden uitgelegd, dat eerst op het moment van de afzet van de suiker is voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de opslagbijdrage.
Partijen
In zaak C-19/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour administrative d' appel de Nantes (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
SA des sucreries de Fontaine-le-Dun-Bolbec-Auffay (SAFBA)
en
Ministre du Budget,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 8, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1981, L 177, blz. 4), van verordening (EEG) nr. 1358/77 van de Raad van 20 juni 1977 houdende algemene voorschriften inzake verevening van de opslagkosten in de sector suiker en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 750/68 (PB 1977, L 156, blz. 4), en van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1998/78 van de Commissie van 18 augustus 1978 houdende vaststelling van de wijze van toepassing van de vereveningsregeling voor opslagkosten in de sector suiker (PB 1978, L 231, blz. 5),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° SA des sucreries de Fontaine-le-Dun-Bolbec-Auffay (SAFBA), vertegenwoordigd door P. Rousselin, président-directeur général,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onder-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J.-L. Falconi, secretaris buitenlandse zaken bij dezelfde directie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March en G. Berscheid, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van SA des sucreries de Fontaine-le-Dun-Bolbec-Auffay (SAFBA), vertegenwoordigd door O. Laurent, advocaat te Parijs, de Franse regering, vertegenwoordigd door J.-L. Falconi, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. Berscheid, ter terechtzitting van 12 januari 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 februari 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 31 december 1993, ingekomen ten Hove op 18 januari 1994, heeft de Cour administrative d' appel de Nantes (Frankrijk) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 8, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1981, L 177, blz. 4), van verordening (EEG) nr. 1358/77 van de Raad van 20 juni 1977 houdende algemene voorschriften inzake verevening van de opslagkosten in de sector suiker en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 750/68 (PB 1977, L 156, blz. 4), en van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1998/78 van de Commissie van 18 augustus 1978 houdende vaststelling van de wijze van toepassing van de vereveningsregeling voor opslagkosten in de sector suiker (PB 1978, L 231, blz. 5).
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen de SA des sucreries de Fontaine-le-Dun-Bolbec-Auffay (hierna: "SAFBA"), gevestigd te Fontaine-le-Dun (Seine-Maritime, Frankrijk), en de minister van Begroting en heeft betrekking op de wettigheid van de gewijzigde aanslagen waarbij de Franse belastingdienst aanvullende vennootschapsbelasting van SAFBA heeft gevorderd.
3 Uit de stukken blijkt, dat de wettigheid van de gewijzigde aanslagen verband houdt met de vraag, of de bedragen die een suikerproducerende onderneming als bijdrage in de opslagkosten in de sector suiker moet betalen, als schuldvorderingen van derden kunnen worden afgetrokken van de grondslag van heffing van de vennootschapsbelasting in het verkoopseizoen waarin de suiker is geproduceerd, of eerst in het verkoopseizoen waarin de geproduceerde suiker is afgezet.
4 De produktie van suiker is een seizoengebonden activiteit en de tijdens een verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheden kunnen tijdens datzelfde verkoopseizoen doorgaans niet volledig worden afgezet, zodat zij moeten worden opgeslagen. De bijdrage aan de opslagkosten is voorzien in de communautaire regeling betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, welke regeling een vereveningsstelsel van de opslagkosten omvat. Krachtens dit stelsel worden voor bepaalde soorten suiker de opslagkosten door de Lid-Staten forfaitair in de vorm van premies terugbetaald. Deze premies worden gefinancierd door middel van de bijdrage aan de opslagkosten, die de Lid-Staten van de suikerfabrikanten heffen.
5 SAFBA houdt zich bezig met de produktie van bietsuiker. In de jaren 1981 tot en met 1983 trok zij aan het eind van elk belastingjaar de bijdrage die zij verschuldigd was aan het met het beheer van het vereveningsstelsel van de opslagkosten belaste Franse orgaan, af van haar belastbaar inkomen, afhankelijk van de hoeveelheden suiker die zij in de loop van het betrokken verkoopseizoen had geproduceerd.
6 Na een boekhoudkundig onderzoek in 1984, dat betrekking had op de op 30 juni van de jaren 1981, 1982 en 1983 beëindigde verkoopseizoenen, vorderde de belastingdienst van SAFBA aanvullende vennootschapsbelasting, omdat zij de op grond van de opslagbijdrage verschuldigde bedragen ten onrechte had afgetrokken van de inkomsten in het verkoopseizoen waarin de suiker was geproduceerd.
7 Volgens de belastingdienst zijn deze bedragen aftrekbaar van het inkomen in het verkoopseizoen waarin de suiker is afgezet, want het feit dat de verplichting tot betaling van de bijdrage doet ontstaan, is niet de produktie maar de afzet van de suiker. Volgens de rechtspraak van de Conseil d' État immers worden de bijdragen in beginsel pas op de dag van de afzet met zekerheid verschuldigd.
8 Voor het Tribunal administratif de Rouen vorderde SAFBA een verklaring, dat zij de haar opgelegde aanvullende belasting niet verschuldigd was. Nadat dit gerecht bij vonnis van 5 november 1991 haar vordering had afgewezen, ging SAFBA in beroep bij de Cour administrative d' appel de Nantes.
9 Van oordeel dat uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk is om het geschil te kunnen beslechten, heeft de Cour administrative d' appel de Nantes de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
"Welk feit doet de verplichting ontstaan tot betaling van de bijdrage bedoeld in genoemde bepalingen?"
10 Uit het verwijzingsarrest blijkt dat de "genoemde bepalingen" zijn: a) artikel 8, lid 2, van verordening nr. 1785/81, b) de tiende overweging van de considerans van verordening nr. 1358/77, en c) artikel 12 van verordening nr. 1998/78.
11 Vooraf moet worden opgemerkt, dat "het feit dat de verplichting tot betaling (van de opslagbijdrage) doet ontstaan", waarnaar de nationale rechter verwijst, geen begrip is van de betrokken gemeenschapsregeling, maar van het Franse belastingrecht. Het staat echter niet aan het Hof een uitspraak te doen over de strekking van een begrip van nationaal recht. In het kader van de samenwerking met de nationale rechterlijke instanties dient het Hof evenwel de relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht uit te leggen, zodat duidelijk wordt vanaf welk moment is voldaan aan de door deze bepalingen vereiste voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de bijdrage. Vervolgens moet de nationale rechter op basis van deze uitlegging van het Hof het nationale belastingrecht toepassen.
De gemeenschapsregeling
12 Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding (belastingjaren 1981-1983) waren achtereenvolgens de volgende regelingen van kracht.
13 Tot 30 juni 1981 werd de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker geregeld door basisverordening (EEG) nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 (PB 1974, L 359, blz. 1).
14 In artikel 8, lid 1, derde alinea, van deze verordening in de ten tijde van de feiten geldende versie [zie artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1396/78 van de Raad van 20 juni 1978 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3330/74 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1978, L 170, blz. 1)] werd bepaald:
"De Lid-Staten heffen al naar het geval een bijdrage:
a) van iedere suikerfabrikant, naargelang van het geval:
° per gewichtseenheid geproduceerde suiker,
° per gewichtseenheid in een tussenstadium van de produktie van vaste suiker vervaardigde en als zodanig afgezette stropen, als bedoeld in de eerste alinea;
(...)"
15 Ingevolge verordening nr. 3330/74 werd verordening nr. 1358/77 vastgesteld.
16 Artikel 6, lid 4, van deze verordening bepaalt:
"De Lid-Staat int de bijdrage van elke suikerfabrikant voor de hoeveelheden witte of ruwe suiker, en de (...) stropen, die binnen zijn maxiumquota zijn geproduceerd en afgezet. De bijdrage wordt evenwel niet geïnd wanneer de witte of ruwe suiker wordt aangekocht door een interventiebureau."
17 Als motivering van deze bepaling wordt in de tiende overweging van de considerans van de verordening verklaard:
"(...) dat bij de afzet van de suiker een doeltreffende controle op de produktie kan plaatsvinden; dat het wenselijk is de bijdrage in het stadium van de produktie te heffen op het moment van de afzet".
18 Verordening nr. 1998/78 van de Commissie is eveneens vastgesteld ter uitvoering van basisverordening nr. 3330/74 van de Raad.
19 Artikel 12, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1998/78 bepaalt:
"De bijdrage is verschuldigd voor de in artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening (EEG) nr. 3330/74 bedoelde produkten zodra deze zijn afgezet."
20 In de tweede alinea van deze bepaling wordt als "afzet" beschouwd de uitslag van de suiker uit de fabriek of uit de erkende opslagplaats van de fabrikant, de eigendomsoverdracht van suiker zonder dat deze suiker de erkende opslagplaats van de fabrikant verlaat, alsmede diverse verwerkingen en denaturering van de suiker.
21 Per 1 juli 1981 werd basisverordening nr. 3330/74 vervangen door basisverordening nr. 1785/81.
22 Artikel 8, lid 2, derde alinea, sub a, van deze verordening heeft dezelfde inhoud als artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van de oude basisverordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78 (zie r.o. 14 supra).
23 Bovendien gelden krachtens artikel 49, lid 4, van de nieuwe basisverordening nr. 1785/81 de aanhalingen van en verwijzingen naar onder meer verordening nr. 3330/74, die in de handelingen ter uitvoering van die verordening voorkomen, als aanhalingen van en verwijzingen naar verordening nr. 1785/81. Bijgevolg zijn de verordeningen nrs. 1358/77 en 1998/78 van kracht gebleven.
De prejudiciële vraag
24 Gelet op het voorgaande, moet de vraag van de nationale rechter aldus worden verstaan, dat hij wenst te vernemen of artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, artikel 8, lid 2, derde alinea, sub a, van verordening nr. 1785/81 en artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1358/77 aldus moeten worden uitgelegd, dat eerst op het moment van de afzet van de suiker is voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de opslagbijdrage.
25 Volgens SAFBA moet onderscheid worden gemaakt tussen het feit dat de verplichting tot betaling van de bijdrage doet ontstaan, en de opeisbaarheid van de bijdrage.
26 Uit artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, en uit artikel 8, lid 2, derde alinea, sub a, van verordening nr. 1785/81 zou volgen, dat de produktie van de suiker het feit vormt dat de verplichting tot betaling van de bijdrage doet ontstaan.
27 Bij artikel 12, sub 1, eerste alinea, van verordening nr. 1998/78 zou het daarentegen gaan om de opeisbaarheid van de bijdrage, die om praktische redenen in verband met de doeltreffendheid van de controle, aan de afzet van de suiker is gekoppeld. De tiende overweging van de considerans van verordening nr. 1358/77 zou deze zienswijze bevestigen.
28 De Franse regering en de Commissie zijn daarentegen van mening, dat de genoemde bepalingen van de verordeningen nrs. 3330/74 en 1785/81 enkel tot doel hebben, de belastingplichtigen en de grondslag van de bijdrage vast te stellen. Het feit dat de verplichting tot betaling van de bijdrage doet ontstaan, zou zijn vastgesteld in artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1358/77 en zou dus bestaan in de afzet van de suiker.
29 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat ingevolge artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening nr. 3330/74 en artikel 8, lid 2, derde alinea, sub a, van verordening nr. 1785/81 de bijdrage is verschuldigd door de suikerfabrikanten. De produktie van suiker is dus een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de bijdrage.
30 Dit is evenwel niet de enige voorwaarde die de regeling stelt. Het is immers ook noodzakelijk om het bedrag van de bijdrage vast te stellen, teneinde de juiste omvang te kunnen bepalen van de verplichting, die anders niet kan worden geacht te zijn ontstaan.
31 Artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1358/77 bevat derhalve een tweede voorwaarde. Deze bepaling vereist, dat de bijdrage wordt geïnd voor de hoeveelheden suiker die zijn geproduceerd "en afgezet". In de tiende overweging van de considerans van deze verordening wordt verklaard, dat het wenselijk is de bijdrage in het stadium van de produktie te heffen op het moment van de afzet, omdat dan een doeltreffende controle op de produktie kan plaatsvinden.
32 Hieruit volgt, dat eerst op het moment van de afzet van de suiker is voldaan aan alle noodzakelijke voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de bijdrage.
33 Dit is precies het uitgangspunt van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1998/78, waarin in de eerste plaats wordt bepaald, dat voor bijdrageplichtige produkten de bijdrage verschuldigd is op het moment van de afzet (eerste alinea), en in de tweede plaats wordt vastgesteld, wat onder "afzet" moet worden verstaan (tweede alinea).
34 Om dezelfde reden wordt in punt I van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3016/78 van de Commissie van 20 december 1978 houdende vaststelling van sommige bepalingen voor de toepassing van de wisselkoersen in de sectoren suiker en isoglucose (PB 1978, L 359, blz. 11), die is vastgesteld onder meer ter uitvoering van verordening nr. 3330/74 van de Raad, als wisselkoers die bij de omrekening van de opslagbijdrage in de nationale munteenheid moet worden toegepast, gekozen voor de representatieve koers die op de dag van de afzet geldt.
35 Ten slotte, zoals de advocaat-generaal in punt 10 van zijn conclusie opmerkt, is de geldstroom in het kader van de produktie en de afzet van suiker een element dat eveneens pleit voor de hiervóór gegeven uitlegging. Voor de produktie van suiker behoeven immers geen extra kosten te worden gemaakt, maar het zijn de uitgaven voor de opslag die door de forfaitaire vergoeding van de daarmee gepaard gaande kosten worden verminderd. Deze vergoeding wordt gefinancierd uit de bijdrage die van de fabrikant wordt geheven bij de afzet van de suiker, bij voorbeeld bij de verkoop aan een koper, maar die via het algemene prijsmechanisme uiteindelijk door de consument wordt gedragen. Het is dus normaal, dat het ontstaan van de verplichting tot betaling van de bijdrage is gekoppeld aan de afzet en niet aan de enkele produktie van suiker.
36 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, artikel 8, lid 2, derde alinea, sub a, van verordening nr. 1785/81 en artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1358/77 aldus moeten worden uitgelegd, dat eerst op het moment van de afzet van de suiker is voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de opslagbijdrage.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door de Cour administrative d' appel de Nantes bij arrest van 31 december 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening (EEG) nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1396/78 van de Raad van 20 juni 1978, artikel 8, lid 2, derde alinea, sub a, van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, en artikel 6, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1358/77 van de Raad van 20 juni 1977 houdende algemene voorschriften inzake verevening van de opslagkosten in de sector suiker en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 750/68, moeten aldus worden uitgelegd, dat eerst op het moment van de afzet van de suiker is voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de opslagbijdrage.
Full & Egal Universal Law Academy