Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Schape- en geitevlees ° Jaarlijkse premie per ooi ° Rundvlees ° Premie voor handhaving van zoogkoeienbestand ° Invoering van stelsel van producentgebonden en overdraagbare premierechten ° Toepassingsbepalingen ° Verplichting van Lid-Staten tot invoering van regeling ter compensatie van schade die eigenaren van landbouwgronden lijden ° Geen ° Eigendomsrecht ° Schending ° Geen
(EG-Verdrag, art. 5; verordeningen van de Raad nr. 805/68, art. 4e, lid 5, en nr. 3013/89, art. 5 bis, lid 4, sub f; verordeningen van de Commissie nr. 3567/92, art. 13 en 15, en nr. 3886/92, art. 39 en 55)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Schape- en geitevlees ° Jaarlijkse premie per ooi ° Rundvlees ° Premie voor handhaving van zoogkoeienbestand ° Invoering van stelsel van producentgebonden en overdraagbare premierechten ° Uitvoeringsverordening van Commissie tot vaststelling van grenzen van aan Lid-Staten verleende bevoegdheid tot oplossing van problemen die in contractuele betrekkingen zijn ontstaan door overdraagbaarheid van premierecht ° Geldigheid
(Verordeningen van de Raad nr. 805/68, art. 4e, lid 5, en nr. 3013/89, art. 5 bis, lid 4, sub f; verordeningen van de Commissie nr. 3567/92, art. 13 en 15, en nr. 3886/92, art. 39 en 55)
Samenvatting
1. De artikelen 13 en 15 van verordening nr. 3567/92 houdende toepassingsbepalingen inzake het maximumaantal premies per producent, de nationale reserves en de overdracht van premierechten waarin is voorzien bij verordening nr. 3013/89 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees, noch de artikelen 39 en 55 van verordening nr. 3886/92 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening nr. 805/68 houdende gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen nr. 1244/82 en nr. 714/89, noch enig algemeen beginsel van gemeenschapsrecht verplichten de Lid-Staten ertoe, een regeling te treffen ter compensatie van de schade die de eigenaren van landbouwgronden lijden door de invoering van een stelsel van premierechten gebonden aan de producenten van schape- en geitevlees of van rundvlees, ook niet wanneer het premierecht wordt overgedragen door producenten die geen eigenaar zijn van de door hun bedrijf gebruikte oppervlakten.
In het bijzonder kan een dergelijke verplichting niet worden afgeleid uit het beginsel van bescherming van het eigendomsrecht, want de invoering van een stelsel van producentgebonden premierechten doet, zelfs wanneer dit stelsel een nadelige invloed op de kapitaalwaarde van de grond heeft in geval van overdracht van het premierecht door producenten die geen eigenaar zijn van de door hun bedrijf gebruikte oppervlakten, geen afbreuk aan het eigendomsrecht, omdat de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening toegekende voordelen niet kunnen worden opgevat als een recht dat uit het eigendom of uit de beroepsactiviteit van de betrokkenen voortvloeit, waardoor de toekenning of overdracht ervan gepaard zou moeten gaan met een verplichting tot compensatie door de ene of de andere partij bij de pachtovereenkomst.
2. De artikelen 13 en 15 van verordening nr. 3567/92 van de Commissie houdende toepassingsbepalingen inzake het maximumaantal premies per producent, de nationale reserves en de overdracht van premierechten waarin is voorzien bij verordening nr. 3013/89 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees, noch de artikelen 39 en 55 van verordening nr. 3886/92 van de Commissie tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening nr. 805/68 houdende gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, die de aan de Lid-Staten verleende bevoegdheid beperken tot het treffen van maatregelen ter oplossing van problemen die zich voordoen in op het moment van hun inwerkingtreding bestaande contractuele betrekkingen, zijn niet in strijd met de verordeningen nr. 3013/89 en nr. 805/68 van de Raad waarvan zij de toepassing verzekeren en die niet een dergelijke beperking bevatten.
Wanneer de contractuele betrekkingen na de inwerkingtreding van de verordeningen zijn aangegaan, kunnen de partijen immers rekening houden met de gevolgen van de invoering van de genoemde premieregelingen en de daarmee verbonden problemen contractueel regelen.
Partijen
In zaak C-38/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, Divisional Court, in het aldaar aanhangig geding tussen
The Queen
en
Minister of Agriculture, Fisheries and Food,
ex parte: Country Landowners Association,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van de artikelen 13 en 15 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie van 10 december 1992 houdende toepassingsbepalingen inzake het maximumaantal premies per producent, de nationale reserves en de overdracht van premierechten waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees (PB 1992, L 362, blz. 41), en van de artikelen 39 en 55 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89 (PB 1992, L 391, blz. 20),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), waarnemend voor de kamerpresident, C. Gulmann en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Country Landowners Association, vertegenwoordigd door Dawson & Co, Solicitors,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. L. Hudson van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door K. Parker, QC, en E. Sharpston, Barrister,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J.-L. Falconi, secretaris buitenlandse zaken bij dezelfde directie, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur T. van Rijn en X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Country Landowners Association, vertegenwoordigd door R. Gordon, QC; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Nicoll van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door K. Parker en E. Sharpston; en de Commissie, vertegenwoordigd door T. van Rijn en P. Oliver, lid van haar juridische dienst, ter terechtzitting van 30 maart 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 januari 1994, ingekomen bij het Hof op 28 januari daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, Divisional Court, krachtens artikel 177 EG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van de artikelen 13 en 15 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie van 10 december 1992 houdende toepassingsbepalingen inzake het maximumaantal premies per producent, de nationale reserves en de overdracht van premierechten waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees (PB 1992, L 362, blz. 41; hierna: "verordening nr. 3567/92"), en van de artikelen 39 en 55 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89 (PB 1992, L 391, blz. 20; hierna: "verordening nr. 3886/92").
2 Die vragen zijn gerezen in een beroep ingesteld door de Country Landowners Association (hierna: "CLA") en strekkende tot rechterlijke toetsing van de wijze waarop genoemde verordeningen ten uitvoer zijn gelegd in Statutory Instrument 1993 nr. 1626 Agriculture ° Sheep Annual Premium and Suckler Cow Premium Regulations 1993.
3 De gemeenschappelijke ordeningen der markten in de sector schape- en geitevlees en in de sector rundvlees zijn in 1992 gewijzigd, teneinde het recht op de jaarlijks aan producenten van schape- en geitevlees uitbetaalde premie en het recht op de zoogkoeienpremie te beperken door een stelsel van individuele quota.
4 Daartoe bepaalt artikel 5 bis van verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad van 25 september 1989 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees (PB 1989, L 289, blz. 1; hierna: "verordening nr. 3013/89"), dat is ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 2069/92 van de Raad van 30 juni 1992 (PB 1992, L 215, blz. 59), het volgende:
"1. De in artikel 5 bedoelde premie wordt slechts voor een per producent verschillend maximumaantal dieren toegekend.
(...)
4. a) Het premierecht is verbonden aan de producenten die de premie over het verkoopseizoen 1991 hebben ontvangen en die eveneens een premie over het verkoopseizoen 1992 hebben aangevraagd.
b) Wanneer een producent zijn bedrijf verkoopt of anderszins overdraagt, kan hij al zijn premierechten aan degene die zijn bedrijf overneemt overdragen.
Hij kan zijn rechten ook geheel of gedeeltelijk aan andere producenten overdragen zonder zijn bedrijf over te dragen. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 30 bijzondere regels vaststellen betreffende het minimumaantal rechten dat voor een gedeeltelijke overdracht in aanmerking kan komen.
In het geval van overdracht zonder overdracht van bedrijf wordt een bepaald deel van zijn rechten zonder betaling afgestaan aan de nationale reserve van de Lid-Staat waar zijn bedrijf gevestigd is. Dat deel mag niet meer dan 15 % bedragen. De zonder betaling door de nationale reserve verkregen rechten worden gratis toegewezen aan nieuwe producenten of andere producenten als bedoeld in artikel 5 ter, lid 2, die voorrang hebben.
c) De Lid-Staten:
° nemen de nodige maatregelen om te voorkomen dat de premierechten worden onttrokken aan de gevoelige gebieden of regio' s waar de schapenhouderij bijzonder belangrijk is voor de plaatselijke economie;
° kunnen bepalen dat de overdracht van rechten zonder overdracht van het bedrijf hetzij rechtstreeks tussen producenten hetzij via de nationale reserves plaatsvinden.
(...)
f) De Commissie stelt de bepalingen ter uitvoering van dit lid volgens de procedure van artikel 30 vast, en met name (...) die bepalingen die het de Lid-Staten mogelijk maken de bijzondere problemen op te lossen die zijn verbonden aan de overdracht van premierechten door producenten die geen eigenaar zijn van de door hun bedrijven gebruikte oppervlakten."
5 Het bij dezelfde verordening ingevoegde artikel 5 ter bepaalt voorts:
"1. Elke Lid-Staat legt een nationale reserve aan die aanvankelijk gelijk is aan minstens 1 % en hoogstens 3 % van de som van de individuele maximumaantallen van de producenten wier bedrijven op zijn grondgebied zijn gevestigd. De nationale reserve wordt eveneens gevormd met de overeenkomstig artikel 5 bis, lid 4, onder b), verworven rechten."
6 Artikel 13 van verordening nr. 3567/92, waarbij de Commissie de uitvoeringsmaatregelen van verordening nr. 3013/89 heeft vastgesteld, bepaalt:
"De Lid-Staten nemen, zo nodig, overgangsmaatregelen om een billijke oplossing te vinden voor de problemen die zich in bij de inwerkingtreding van deze verordening bestaande contractuele verhoudingen tussen producenten die geen eigenaar van alle door hen geëxploiteerde grond zijn en de eigenaars van deze grond bij overdracht van premierechten of bij andere rechtshandelingen die hetzelfde rechtsgevolg hebben, zouden kunnen voordoen. Dergelijke maatregelen mogen slechts worden genomen om met de invoering van een regeling inzake een producentgebonden premierecht verband houdende moeilijkheden op te lossen, en mogen in geen geval aan de principes van het producentgebonden premierecht afbreuk doen."
7 Artikel 15 van dezelfde verordening bepaalt:
"De Lid-Staten nemen alle overige geëigende maatregelen die nodig zijn om de deugdelijke toepassing van de regeling van het maximumaantal premies per producent. Zij delen deze maatregelen aan de Commissie mede."
8 Artikel 4e, lid 5, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1968, L 148, blz. 24; hierna: "verordening nr. 805/68"), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2066/92 van de Raad van 30 juni 1992 (PB 1992, L 215, blz. 49), is in wezen identiek aan artikel 5 bis, lid 4, sub f, van verordening nr. 3013/89, terwijl de artikelen 39 en 55 van de toepassingsverordening nr. 3886/92 overeenkomst vertonen met de artikelen 13 en 15 van verordening nr. 3567/92.
9 Voor de nationale rechter betoogt de CLA, dat deze verordeningen, die enkel produktiequota aan afzonderlijke producenten toekennen en die hen toestaan deze quota aan een ander bedrijf of een andere producent over te dragen, een nadelig gevolg hebben voor de waarde van de gronden die voor het fokken van schapen en geiten of voor de produktie van zoogkoeien worden gebruikt. Artikel 13 van verordening nr. 3567/92 en artikel 39 van verordening nr. 3886/92 zouden de Lid-Staten dan ook verplichten een regeling ter compensatie van de aldus ontstane schade in te voeren, hetgeen het Verenigd Koninkrijk niet heeft gedaan.
10 De Minister of Agriculture, Fisheries and Food (hierna: "Minister") is daarentegen van mening, dat de betrokken verordeningen de Lid-Staten enkel toestaan maatregelen te nemen ter oplossing van de problemen die voor eigenaren voortvloeien uit de quotaoverdracht of uit andere handelingen met dezelfde werking, en dat de daarvoor vereiste maatregelen zijn genomen. Zo is de "afstand" aan de nationale reserve van een gedeelte van het los van het bedrijf overgedragen quotum vastgesteld op het maximum, dat wil zeggen 15 %, wordt binnen alle categorieën van aanvragen bij de nationale reserve voorrang gegeven aan producenten die grond overnemen waarvan het quotum door de vertrekkende pachter is meegenomen, en is ten slotte een regeling ingesteld om te verhinderen dat quotumrechten uit bijzonder gevoelige gebieden verdwijnen.
11 Onder deze omstandigheden heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moeten artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie (...) en/of artikel 39 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie (...) aldus worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat alleen dan machtigen en/of verplichten een compensatieregeling in te voeren voor eigenaren van landbouwgrond, wanneer die grondeigenaren nadeel ondervinden van een overdracht van premierechten uit het bedrijf van de grondeigenaar door de pachter-producent?
2) Moeten artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie en/of artikel 39 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie aldus worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat machtigen en/of verplichten een compensatieregeling in te voeren voor de eigenaren van landbouwgrond in gevallen waarin een bijzonder probleem rijst
i) in verband met de overdraagbaarheid, of
ii) bij of na de overdracht
van premierechten uit het bedrijf van de eigenaar door de pachter-producent, voortvloeiend uit de invoering en toekenning van quota aan de pachters-producenten, wat voor hen heeft geresulteerd in het ontstaan van een vermogenswaarde?
3) Moeten artikel 15 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie en/of artikel 55 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie aldus worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten, naast de in artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie en/of artikel 39 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie bedoelde bevoegdheden en/of verplichtingen, verdere bevoegdheden en/of verplichtingen verlenen en/of opleggen om een compensatieregeling voor grondeigenaren in te voeren?
4) Zijn artikel 5 bis, lid 4, sub f, van verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad, ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 2069/92 van de Raad, en/of artikel 4e, lid 5, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad, ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 2066/92 van de Raad, van invloed op de uitlegging en/of geldigheid van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie en/of artikel 39 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie en/of artikel 15 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie en/of artikel 55 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie?
5) Afhankelijk van het antwoord op de vragen 1, 2, 3 of 4: welke beginselen dienen de Lid-Staten toe te passen bij het ontwerpen van een dergelijke compensatieregeling?"
De eerste drie vragen
12 Met zijn eerste drie vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 13 en 15 van verordening nr. 3567/92 en de artikelen 39 en 55 van verordening nr. 3886/92 de Lid-Staten verplichten tot invoering van een regeling ter compensatie van de schade die eigenaren van landbouwgronden lijden door de invoering van een stelsel van premierechten die gebonden zijn aan de producenten van schape- en geitevlees of van rundvlees, in het bijzonder wanneer het premierecht wordt overgedragen door producenten die geen eigenaar zijn van de door hun bedrijf gebruikte oppervlakten.
13 Volgens de verwijzende rechter erkent de Minister, dat de toekenning van vrij overdraagbare quota aan pachters-producenten een nadelige invloed heeft op de kapitaalwaarde van de voor de schape- en geitefokkerij en voor de produktie van zoogkoeien gebruikte grond. De vraag is dus, of het gemeenschapsrecht de verplichting oplegt dergelijke schade te vergoeden.
14 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat geen enkel door de communautaire rechtsorde gewaarborgd algemeen rechtsbeginsel, en in het bijzonder niet de bescherming van het eigendomsrecht, de verplichting van een dergelijke compensatie inhoudt. Immers, volgens 's Hofs arrest van 24 maart 1994 (zaak C-2/92, Bostock, Jurispr. 1994, blz. I-955) kunnen voordelen als de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening toegekende referentiehoeveelheden niet worden opgevat als een recht dat uit het eigendom of uit de beroepsactiviteit van de betrokkenen voortvloeit, waardoor de toekenning of overdracht ervan gepaard zou moeten gaan met een verplichting tot compensatie voor de ene of de andere partij bij de pachtovereenkomst. Hetzelfde geldt voor de individuele quota afhankelijk waarvan de premie wordt toegekend en die door de betrokken regeling aan de pachters-producenten zijn gebonden.
15 Een verplichting voor de Lid-Staten om een regeling in te voeren ter compensatie van de schade geleden door de eigenaren van de voor het fokken van schapen en geiten of voor de produktie van zoogkoeien gebruikte gronden, volgt evenmin uit de verordeningen betreffende de betrokken marktordeningen.
16 In de eerste plaats hebben artikel 5 bis, lid 4, sub f, van verordening nr. 3013/89 en artikel 4e, lid 5, van verordening nr. 805/68 enkel betrekking op de bijzondere problemen die verbonden zijn aan de overdracht van premierechten door producenten die geen eigenaar zijn van de door hun bedrijf gebruikte oppervlakten, en niet meer in het algemeen op de waardevermindering van die gronden door de invoering van het nieuwe premiestelsel.
17 Hetzelfde geldt voor de toepassingsverordeningen van de Commissie. Zo staat artikel 13 van verordening nr. 3567/92 de Lid-Staten toe, zo nodig passende overgangsmaatregelen te nemen "bij overdracht van premierechten". Het is juist, dat het slot van dit artikel bepaalt, dat "dergelijke maatregelen slechts mogen worden genomen om met de invoering van een regeling inzake een producentgebonden premierecht verband houdende moeilijkheden op te lossen". Het gaat daarbij evenwel om de maatregelen genoemd in het eerste gedeelte van de bepaling, dat uitdrukkelijk betrekking heeft op de overdracht van premierechten.
18 In de tweede plaats zijn de Lid-Staten op grond van de betrokken bepalingen niet verplicht een regeling in te voeren ter compensatie van de schade die die eigenaren door de overdracht van premierechten lijden. Zij mogen enkel maatregelen nemen om de met de overdracht verband houdende bijzondere moeilijkheden op te lossen en om de beginselen vast te stellen die daarbij in acht moeten worden genomen.
19 Elke Lid-Staat moet de noodzaak van dergelijke maatregelen zelf beoordelen, met name gelet op de nationale uitvoeringsmaatregelen die hij heeft vastgesteld, en op de nationale regels die de rechtsbetrekkingen tussen verpachter en pachter beheersen.
20 Wat artikel 15 van verordening nr. 3567/92 en artikel 55 van verordening nr. 3886/92 betreft, deze bepalen enkel, dat de Lid-Staten alle overige geëigende maatregelen nemen en aan de Commissie meedelen, die nodig zijn om de deugdelijke toepassing van de regeling van het maximumaantal premies per producent te verzekeren. Deze artikelen geven toepassing aan artikel 5 van het Verdrag en leggen op zich geen verplichting op om een regeling te treffen ter compensatie van de schade die de eigenaren door de invoering van het quotastelsel lijden.
21 Op de eerste drie vragen moet mitsdien worden geantwoord, dat de artikelen 13 en 15 van verordening nr. 3567/92, noch de artikelen 39 en 55 van verordening nr. 3886/92 noch enig algemeen beginsel van gemeenschapsrecht de Lid-Staten ertoe verplichten, een regeling te treffen ter compensatie van de schade die de eigenaren van landbouwgronden lijden door de invoering van een stelsel van premierechten gebonden aan de producenten van schape- en geitevlees of van rundvlees, ook niet wanneer het premierecht wordt overgedragen door producenten die geen eigenaar zijn van de door hun bedrijf gebruikte oppervlakten.
De vierde vraag
22 Gezien het antwoord op de eerste vraag, moet de vierde vraag aldus worden verstaan: zijn de artikelen 13 en 15 van verordening nr. 3567/92 en de artikelen 39 en 55 van verordening nr. 3886/92 geldig, gelet op artikel 5 bis, lid 4, sub f, van verordening nr. 3013/89 respectievelijk artikel 4e, lid 5, van verordening nr. 805/68, die er de rechtsgrondslag van vormen.
23 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat het enige verschil tussen de betrokken bepalingen van de toepassingsverordeningen van de Commissie en die van de verordeningen van de Raad die er de rechtsgrondslag van vormen, het toepassingsgebied betreft van de maatregelen die de Lid-Staten mogen treffen. Terwijl de verordeningen van de Raad geen enkel onderscheid maken, worden de Lid-Staten in de verordeningen van de Commissie enkel gemachtigd tot het treffen van maatregelen ter oplossing van problemen die zich voordoen in op het moment van hun inwerkingtreding bestaande contractuele betrekkingen.
24 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kunnen problemen in verband met de invoering van het premiestelsel enkel rijzen in het kader van reeds bij de inwerkingtreding van de verordeningen bestaande rechtsbetrekkingen. Wanneer de rechtsbetrekkingen later zijn aangegaan, kunnen de partijen immers rekening houden met de eventuele overdracht van premierechten zonder overdracht van het bedrijf.
25 In elk geval erkent verzoekster in het hoofdgeding zelf, dat compensatiemaatregelen slechts zouden moeten gelden voor bestaande rechtsbetrekkingen.
26 Op de vierde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat bij onderzoek van de artikelen 13 en 15 van verordening nr. 3567/92 en de artikelen 39 en 55 van verordening nr. 3886/92 niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
De vijfde vraag
27 Gezien de antwoorden op de voorgaande vragen behoeft de vijfde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, Divisional Court, bij beschikking van 12 januari 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De artikelen 13 en 15 van verordening (EEG) nr. 3567/92 van de Commissie van 10 december 1992 houdende toepassingsbepalingen inzake het maximumaantal premies per producent, de nationale reserves en de overdracht van premierechten waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees, noch de artikelen 39 en 55 van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89, noch enig algemeen beginsel van gemeenschapsrecht verplichten de Lid-Staten ertoe, een regeling te treffen ter compensatie van de schade die de eigenaren van landbouwgronden lijden door de invoering van een stelsel van premierechten gebonden aan de producenten van schape- en geitevlees of van rundvlees, ook niet wanneer het premierecht wordt overgedragen door producenten die geen eigenaar zijn van de door hun bedrijf gebruikte oppervlakten.
2) Bij onderzoek van de artikelen 13 en 15 van verordening nr. 3567/92, en van de artikelen 39 en 55 van verordening nr. 3886/92 is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
Full & Egal Universal Law Academy