Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Kostenvergoeding ° Dagvergoeding ° Voorwerp ° Ambtenaar op proef, die eerst hulpfunctionaris en vervolgens tijdelijk functionaris is geweest ° Beperking van duur van betaling ° Uitsluiting
(Ambtenarenstatuut, art. 71; bijlage VII, art. 10; Regeling die van toepassing is op andere personeelsleden)
Samenvatting
De indiensttreding van de ambtenaar doet voor hem ingevolge artikel 71 van het Statuut het recht op betaling van de dagvergoeding ontstaan onder de in artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut gestelde voorwaarden, ook al kwam hij eerder, overeenkomstig de op andere personeelsleden toepasselijke bepalingen, bij indiensttreding als hulpfunctionaris of als tijdelijk functionaris in aanmerking voor dezelfde vergoedingen.
Wanneer artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut aan de betaling van de dagvergoedingen de voorwaarde verbindt, dat de ambtenaar genoodzaakt is van woonplaats te veranderen om te voldoen aan zijn statutaire verplichtingen, ziet het op de woonplaats waar de betrokkene het centrum van zijn belangen heeft, zodat de ambtenaar, zodra hij niet in die vroegere woonplaats kan blijven wonen, recht op de dagvergoedingen heeft. Deze vergoedingen beogen namelijk voor de ambtenaar op proef de nadelen te compenseren die voortvloeien uit het onzekere karakter van de dienstbetrekking. Hij kan deze onzekerheid voordien reeds als tijdelijk functionaris of als hulpfunctionaris hebben meegemaakt, terwijl hij in die verschillende statussen het centrum van zijn belangen in de vroegere woonplaats heeft gehandhaafd.
Partijen
In zaak C-43/94 P,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door E. Perillo, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, bij zijn secretariaat-generaal, Centre européen, Kirchberg,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest op 30 november 1993 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) gewezen in zaak T-15/93 (Vienne/Europees Parlement, Jurispr. 1993, blz. II-1327), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Ph. Vienne, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij SARL Fiduciaire Myson, Rue Glesener 1,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, D. A. O. Edward en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 1 februari 1994, heeft het Europees Parlement (hierna: "Parlement") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest op 30 november 1993 door het Gerecht van eerste aanleg gewezen in zaak T-15/93 tussen Vienne en het Parlement (Jurispr. 1993, blz. II-1327), voor zover het Gerecht het besluit van het Parlement van 2 februari 1993 heeft nietigverklaard, houdende afwijzing van de klacht waarmee Vienne had verzocht om toekenning, gedurende de gehele duur van zijn proeftijd plus één maand, van de dagvergoedingen bedoeld in artikel 10 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut, en het Parlement heeft veroordeeld tot betaling aan verzoeker van een bedrag van 170 239 BFR, vermeerderd met vertragingsrente.
2 Blijkens het bestreden arrest liggen aan de zaak de volgende feiten ten grondslag:
"1 Op 1 november 1990 werd verzoeker ° destijds wonende te Brussel-Anderlecht ° door het Europees Parlement (hierna: 'Parlement' ) aangeworven als hulpfunctionaris op een overeenkomst voor onbepaalde tijd en tewerkgesteld te Luxemburg. Op grond van artikel 69 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: 'RAP' ) ontving hij de dagvergoeding bedoeld in artikel 10 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut. Na zijn aanstelling vestigde verzoeker zich te Messancy, dicht bij de Belgisch-Luxemburgse grens, om te voldoen aan de in de artikelen 54 RAP en 20 Ambtenarenstatuut bedoelde woonplicht, terwijl zijn echtgenote en kinderen in Anderlecht bleven wonen.
2 Op 1 januari 1991 werd verzoeker door het Parlement aangesteld als tijdelijk functionaris op een overeenkomst voor onbepaalde tijd en een proeftijd van zes maanden. Op basis van artikel 25 RAP bleef hij vorenbedoelde dagvergoedingen ontvangen, waarop hij vanaf die datum recht had voor de duur van zijn proeftijd, dat wil zeggen gedurende zes maanden.
3 Op 16 december 1991 werd verzoeker door het Parlement aangesteld als ambtenaar op proef in de rang B 5, nog steeds met tewerkstelling te Luxemburg. Na zijn aanstelling in vaste dienst in oktober 1992 trof hij voorbereidingen voor het vertrek van zijn gezin uit Anderlecht.
4 Op 16 december 1991 werd verzoekers recht op de dagvergoedingen als ambtenaar op proef verlengd voor een periode van 128 dagen, dus tot en met 21 april 1992. Daarmee beperkte de administratie de totale periode waarover zij hem dit recht toekende, tot twaalf maanden (of 365 dagen), waarbij zij de volgende berekening toepaste:
° totaal van de perioden van toekenning vóór de aanstelling van verzoeker
° als hulpfunctionaris van 5 november 1990-31 december 1990 (twee maanden of 57 dagen),
° als tijdelijk functionaris van 1 januari 1991-30 juni 1991 (zes maanden of 180 dagen),
te zamen acht maanden of 237 dagen;
° saldo ten opzichte van het maximum van twaalf maanden (of 365 dagen):
365 dagen ° 237 dagen = 128 dagen.
5 Op verzoekers salarisafrekening van juni 1992 bleek voor de eerste keer, dat de betaling van dagvergoedingen met terugwerkende kracht per 22 april 1992 was stopgezet. Toen verzoeker de dienst Afrekeningen mondeling om uitleg dienaangaande vroeg, werd hem geantwoord, dat het secretariaat-generaal van het Parlement volgens een vaste administratieve praktijk de verschillende door de rechthebbende als hulpfunctionaris, tijdelijk functionaris en ambtenaar op proef gewerkte perioden bij elkaar optelde; zodoende betaalde de administratie de dagvergoedingen voor een periode van maximaal twaalf maanden.
6 Bij nota van 7 juli 1992, ingeschreven bij het secretariaat-generaal van het Parlement op 13 juli daaraanvolgend, diende verzoeker tegen zijn salarisafrekening van juni 1992 een klacht in, strekkende tot betaling van de dagvergoedingen tot en met 15 oktober 1992 (de duur van zijn proeftijd plus één maand). Verzoeker beriep zich hiervoor met name op de bewoordingen van artikel 10 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut en betoogde, dat de praktijk van het Parlement om, rekening houdend met de eerdere statussen van de betrokkene, de gecumuleerde totale duur van de betaling van dagvergoedingen tot één jaar te beperken, in strijd was zowel met de letter als met de geest van het Ambtenarenstatuut. Dagvergoedingen zouden worden toegekend om de ambtenaar in staat te stellen de buitengewone kosten te dragen die het hebben van twee woningen met zich brengt. Daar de gelaakte beperking bij andere gemeenschapsinstellingen niet werd toegepast, zou de praktijk van het secretariaat-generaal ter zake bovendien discriminerend zijn voor de ambtenaren van het Parlement.
7 Bij brief van 3 december 1992 deelde de secretaris-generaal van het Parlement verzoeker mee, dat zijn klacht werd onderzocht en dat het aan de orde gestelde probleem onder de aandacht was gebracht van het college van hoofden van administratie teneinde tot een eenvormige oplossing te komen, daar hij van de verschillende betrokken instellingen uiteenlopende antwoorden had gekregen.
8 Nadat verzoeker op 28 januari 1993 een herinneringsbrief aan de secretaris-generaal van het Parlement had gezonden, ontving hij op 2 februari 1993 een besluit waarbij zijn klacht uitdrukkelijk werd afgewezen. Na te hebben vermeld, dat hij nog niet beschikte over de zienswijze van de andere instellingen over een gemeenschappelijke oplossing, merkte de secretaris-generaal op, dat de bepalingen van artikel 10 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut krachtens artikel 25 RAP ook van toepassing zijn op personeelsleden die onder de RAP vallen, en dat de voorschriften inzake de toekenning van dagvergoedingen derhalve op gelijke en coherente wijze moeten worden uitgelegd en toegepast. Wat de dagvergoedingen betreft, voorzag zowel artikel 25 RAP betreffende tijdelijke functionarissen als artikel 65 RAP betreffende hulpfunctionarissen ° dat wil zeggen voor de zowel juridisch als materieel meest onzekere dienstbetrekkingen bij de Gemeenschappen ° in een maximumduur van één jaar. Uit deze bepalingen bleek, dat de dagvergoedingen bedoeld worden als een eerste-hulpmaatregel, die terecht tijdelijk van aard was en bovendien op een vermoeden gebaseerd, daar van de belanghebbende niet wordt verlangd dat hij de gemaakte kosten aantoont. De aldus toegekende vergoeding hing ook niet af van de statutaire positie van de rechthebbende en daarom kon na afloop van de in de regeling bepaalde maximumtermijn de betaling van de vergoeding niet worden voortgezet enkel omdat de aard van de dienstbetrekking tussen de rechthebbende en de instelling was veranderd."
3 Nadat het Parlement zijn klacht had afgewezen, stelde verzoeker op 9 februari 1993 beroep in bij het Gerecht, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 2 februari 1993 en tot veroordeling van het Parlement tot betaling van een bedrag van 170 239 BFR, vermeerderd met vertragingsrente.
4 In het bestreden arrest heeft het Gerecht dit beroep toegewezen.
5 Tot staving van zijn hogere voorziening voert het Parlement een aantal middelen aan, ontleend aan schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. In de eerste plaats is het Parlement van mening, dat het bestreden arrest een rechtsdwaling bevat bij de uitlegging van artikel 71 Ambtenarenstatuut, en in de tweede plaats een aantal rechtsdwalingen bij de toepassing van artikel 10 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut.
Het middel inzake verkeerde uitlegging van artikel 71 Ambtenarenstatuut
6 Artikel 71 van het Statuut bepaalt:
"Overeenkomstig het bepaalde in bijlage VII heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten door hem gemaakt bij indiensttreding (...)"
7 Het Parlement verwijt het Gerecht te hebben gedwaald ten aanzien van het recht, door het begrip "indiensttreding" in artikel 71 van het Statuut "aldus uit te leggen, dat het enkel ziet op de indiensttreding na de formele aanstelling als ambtenaar" (r.o. 32 van het arrest).
8 Het betoogt, dat niet alleen bij ambtenaren na hun formele aanstelling, maar ook bij tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen sprake is van "indiensttreding", en dat de toekenning van dagvergoedingen dus afhankelijk moet zijn van de allereerste indiensttreding van het personeelslid bij de Gemeenschappen, om te voorkomen dat dezelfde vergoeding tweemaal aan dezelfde persoon om dezelfde reden wordt uitbetaald.
9 In rechtsoverweging 32 van zijn arrest oordeelt het Gerecht:
"luidens artikel 72 van het Statuut heeft de ambtenaar overeenkomstig het bepaalde in bijlage VII recht op vergoeding van de kosten door hem gemaakt bij, onder meer, 'indiensttreding' . De dienst van een ambtenaar kan juridisch echter worden onderscheiden van de dienst van een tijdelijk functionaris of een hulpfunctionaris, aangezien zij zich in een verschillende statutaire situatie bevinden (zie arrest Sperber, reeds aangehaald, r.o. 8). Het begrip 'indiensttreding' kan derhalve aldus worden uitgelegd, dat het enkel ziet op de indiensttreding na de formele aanstelling als ambtenaar (...)"
10 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de kostenvergoeding voor respectievelijk ambtenaren, tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen door verschillende bepalingen wordt geregeld. Zo regelt artikel 71 van het Statuut de kostenvergoeding enkel voor ambtenaren. De RAP bevat de bepalingen betreffende de kostenvergoeding voor tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen. Artikel 22 RAP bepaalt uitdrukkelijk, dat de tijdelijk functionaris recht heeft "op vergoeding van de kosten door hem gemaakt bij indiensttreding", en verklaart met name artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut van toepassing. Ingevolge artikel 69 RAP geniet ook de hulpfunctionaris de in dat artikel bedoelde dagvergoeding. Elk van de drie indiensttredingen geeft dus recht op dagvergoedingen onder de in elk van deze artikelen genoemde voorwaarden. Derhalve heeft het Gerecht terecht geoordeeld, dat artikel 71 van het Statuut slechts ziet op de indiensttreding van ambtenaren.
11 Het Parlement kan zich niet baseren op 's Hofs arrest van 15 juli 1960 (gevoegde zaken 27/59 en 39/59, Campolongo, Jurispr. 1960, blz. 819). Het daarin bevestigde beginsel van de functionele eenheid van de Gemeenschappen kan niet van toepassing zijn op opeenvolgende dienstverbanden bij een zelfde instelling. In de zaak Campolongo ontzegde het Hof een vordering tot toekenning van een herinrichtingsvergoeding bij vertrek, op grond dat die herinrichting tegelijkertijd een inrichting nabij een andere instelling was, die daarvoor reeds een vergoeding aan de betrokkene had toegekend. In casu daarentegen zijn de verschillende indiensttredingen aan te merken als opeenvolgende gebeurtenissen, die elk voor zich grond voor een kostenvergoeding opleveren.
12 Dit middel faalt derhalve.
De middelen inzake rechtsdwalingen bij de toepassing van artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut
13 Artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut bepaalt:
"De ambtenaar die aantoont dat hij genoodzaakt is van woonplaats te veranderen om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 20 van het Statuut, heeft gedurende een in lid 2 bepaalde periode recht op een dagvergoeding (...)"
14 In de eerste plaats is het Parlement van mening, dat het Gerecht heeft gedwaald ten aanzien van het recht, door als voorwaarde voor de toekenning van dagvergoedingen te stellen dat geen inrichtingsvergoeding wordt toegekend, dan wel door die voorwaarde niet toe te passen. Ofwel heeft het Gerecht, aldus het Parlement, terecht geoordeeld dat die voorwaarde bleek uit artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut, in welk geval het heeft verzuimd ze toe te passen op de situatie van Vienne, die blijkens de processtukken en anders dan in het arrest wordt verklaard, een inrichtingsvergoeding heeft ontvangen, ofwel heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld, dat die voorwaarde uit artikel 10 van bijlage VII bleek. Het Parlement verwijst dienaangaande naar rechtsoverweging 27 van het bestreden arrest.
15 In rechtsoverweging 27 van zijn arrest overweegt het Gerecht:
"Om te beginnen zij opgemerkt, dat het in casu enkel gaat om de vraag, of verzoeker, die als ambtenaar op proef nog niet was verhuisd en evenmin een inrichtingsvergoeding had ontvangen, voor het laatste gedeelte van zijn proeftijd plus één maand recht heeft op betaling van de dagvergoedingen bedoeld in artikel 10, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Statuut. De artikelen 25 en 69 RAP ° in het bijzonder de gestelde tijdlimiet ° zijn in casu niet van toepassing; deze artikelen regelen immers de betaling van dagvergoedingen gedurende de perioden voorafgaand aan die welke thans in geding is (...)"
16 De lezing die het Parlement aan rechtsoverweging 27 van het arrest wenst te geven, is onjuist, want het Gerecht bepaalt daarin geen enkele voorwaarde voor de toekenning van dagvergoedingen. De zinsnede waarin de inrichtingsvergoeding wordt vermeld en die slechts feitelijke constateringen bevat, die in hogere voorziening niet kunnen worden bestreden, heeft een zuiver verhalend karakter. De enige rechtsvraag waarop rechtsoverweging 27 betrekking heeft, is, welke bepaling van toepassing is op de toekenning van dagvergoedingen aan ambtenaren op proef.
17 Bijgevolg moet dit middel worden afgewezen.
18 In de tweede plaats stelt het Parlement, dat het Gerecht heeft gedwaald ten aanzien van het recht, door de stelling te verwerpen, dat Vienne niet in aanmerking kwam voor de dagvergoedingen omdat hij niet voldeed aan de voorwaarde van artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut, volgens welke hij moest aantonen dat hij genoodzaakt was van woonplaats te veranderen. Vienne was, aldus het Parlement, reeds bij zijn eerste indiensttreding van woonplaats veranderd.
19 In rechtsoverweging 31 van het bestreden arrest oordeelt het Gerecht:
"dat deze stelling voorbijgaat aan de duurzame en blijvende aard van de vergoedingsverplichting die genoemde bepaling de instellingen ten opzichte van hun ambtenaren oplegt".
20 Deze beoordeling van het Gerecht kan niet worden betwist.
21 De woonplaats die in het kader van artikel 10 van bijlage VII in aanmerking moet worden genomen, is de woonplaats waar de betrokkene het centrum van zijn belangen heeft. Om recht op de dagvergoedingen te hebben, volstaat het, dat hij niet in die vroegere woonplaats kan blijven wonen. Deze uitlegging ligt voor de hand, omdat de dagvergoedingen de nadelen beogen te compenseren die het gevolg zijn van de onzekere dienstbetrekking van de betrokkene. Gelijk het Gerecht terecht heeft opgemerkt, blijft dit onzekere karakter bestaan gedurende elk van de drie perioden die het Ambtenarenstatuut en de RAP onderscheiden.
22 Het tweede middel, ontleend aan artikel 10 van bijlage VII, moet mitsdien worden afgewezen.
23 Ten slotte verwijt het Parlement het Gerecht, dat het heeft gedwaald ten aanzien van het recht bij de beoordeling van het doel van de dagvergoedingen, door artikel 9 van bijlage VII bij het Statuut als argument te gebruiken.
24 In rechtsoverweging 34 van het bestreden arrest verklaart het Gerecht:
"het lijkt redelijk de betrokkene ertoe te brengen, te wachten met een verhuizing die, zo hij niet in vaste dienst wordt aangesteld, voorbarig zou blijken te zijn en die overeenkomstig artikel 9, leden 1 en 2, van bijlage VII bij het Statuut ertoe zou leiden dat, wanneer de betrokkene de dienst verlaat, tweemaal verhuiskosten moeten worden vergoed (...)".
25 Volgens het Parlement zou deze dubbele vergoeding reeds zijn uitgesloten door de volgende, in artikel 9, lid 3, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut genoemde voorwaarde:
"De ambtenaar in vaste dienst moet binnen één jaar na het verstrijken van de proeftijd verhuizen."
26 Het Parlement legt deze bepaling aldus uit, dat de ambtenaar zijn vaste aanstelling moet afwachten, voordat hij kan verhuizen en de kosten daarvan hem kunnen worden vergoed. De uitlegging die het Gerecht geeft aan artikel 9, zou bijgevolg aan artikel 10 een strekking toedichten die het niet bezit.
27 Vastgesteld zij, dat het onderhavige geding geen betrekking heeft op de toepassing van artikel 9 van bijlage VII bij het Statuut. Niettemin moet de uitlegging ervan leiden tot een andere conclusie dan die welke het Parlement eruit wil trekken. Lid 3, eerste alinea, van deze bepaling impliceert duidelijk, dat de dienstbetrekking van de betrokkene tot het eind van de proefperiode onzeker blijft. De situatie van de ambtenaar wordt immers pas na zijn vaste aanstelling zeker.
28 De juiste uitlegging van artikel 9, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut levert dus enkel een extra argument voor de voortgezette toekenning van dagvergoedingen gedurende die gehele periode van onzekerheid.
29 Bijgevolg kan dit middel evenmin slagen.
30 Uit het voorgaande volgt, dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst het Parlement in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy