Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek ° Harmonisatie van wetgevingen ° Overgang van ondernemingen ° Behoud van rechten van werknemers ° Richtlijn 77/187 ° Werkingssfeer ° Overname van personeel en materiaal om met toestemming van opdrachtgever door andere onderneming begonnen werk te voltooien ° Daarvan uitgesloten
(Richtlijn 77/187 van de Raad, art. 1, lid 1)
Samenvatting
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan moet aldus worden uitgelegd, dat het niet ziet op de situatie van een onderneming die een van haar opdrachten voor voltooiing aan een andere onderneming overdraagt en daarbij alleen maar bepaalde werknemers en materialen ter beschikking van de nieuwe ondernemer stelt, teneinde deze in staat te stellen de betrokken werken te voltooien.
Het begrip "overgang van ondernemingen" in dat artikel vooronderstelt immers, dat de overgang betrekking heeft op een duurzaam georganiseerde economische entiteit, waarvan de activiteit niet tot de uitvoering van een bepaald werk is beperkt. De situatie van een onderneming die een van haar opdrachten voor voltooiing aan een andere onderneming overdraagt, valt buiten die hypothese. Een dergelijke overdracht kan slechts binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, indien zij gepaard gaat met de overdracht van een georganiseerd geheel van elementen waarmee de activiteiten of bepaalde activiteiten van de overdragende onderneming duurzaam kunnen worden voortgezet.
Partijen
In zaak C-48/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Soe- og Handelsret i Koebenhavn, in het aldaar aanhangig geding tussen
Ledernes Hovedorganisation, namens O. Rygaard
en
Dansk Arbejdsgiverforening, namens Stroe Moelle Akustik A/S,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn en P. Jann, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), J. L. Murray, G. Hirsch, H. Ragnemalm en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Ledernes Hovedorganisation, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door K.-M. Schebye, advocaat te Kopenhagen,
° Dansk Arbejdsgiverforening, verweerster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door H. Uldal, advocaat te Kopenhagen,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. C. Jessen, lid van haar juridische dienst, en door J. Juste Ruiz, ter beschikking van haar juridische dienst gesteld nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster, verweerster en de Commissie ter terechtzitting van 7 maart 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 2 februari 1994, ingekomen bij het Hof op 7 februari daaraanvolgend, heeft het Soe- og Handelsret krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 1, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26, hierna: "richtlijn").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Rygaard en de vennootschap Stroe Moelle Akustik A/S (hierna: "Stroe Moelle").
3 Blijkens de tweede overweging van de considerans van de richtlijn beoogt deze "de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen, in het bijzonder om het behoud van hun rechten veilig te stellen". Daartoe bepaalt artikel 3, lid 1, van de richtlijn, dat de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, door deze overgang op de verkrijger overgaan. Voorts bepaalt artikel 4, lid 1, dat de overgang voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag vormt.
4 Ingevolge artikel 1, lid 1, "is [de richtlijn] van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie".
5 Rygaard was werknemer van de Toemrerfirma Svend Pedersen A/S (hierna: "S.P.").
6 Op 27 januari 1992 liet S.P., die door de vennootschap SAS Service Partner A/S (hierna: "SAS Service Partner") met de bouw van een kantine was belast, laatstgenoemde onderneming weten, dat zij een deel van de opdracht, namelijk de zoldering en het timmerwerk, wilde laten afwerken door Stroe Moelle.
7 Op 29 januari 1992 diende Stroe Moelle bij SAS Service Partner een offerte in.
8 Op 30 januari 1992 sloten S.P. en Stroe Moelle een overeenkomst, waarin was bepaald:
"Het loon betaald met betrekking tot het eerste deel van de overeenkomst betreffende de zoldering en de deuren, te weten de benedenverdieping en de eerste etage, wordt door Stroe Moelle Akustik A/S aan Svend Pedersen A/S terugbetaald. Voor eventuele verdere loonvorderingen jegens Svend Pedersen A/S staat Stroe Moelle Akustik A/S niet in.
Het door Svend Pedersen A/S geleverde en betaalde materiaal dat voor bovengenoemde opdracht zal worden gebruikt, wordt door Stroe Moelle Akustik A/S rechtstreeks aan Svend Pedersen A/S terugbetaald.
Het prijsverschil van 188 000 DKR, BTW niet inbegrepen, voor stoothout wordt door Svend Pedersen A/S aan Stroe Moelle Akustik A/S betaald.
Stroe Moelle Akustik A/S neemt twee leerlingen over voor de periode van 1 februari 1992 tot ongeveer 1 mei 1992. Voorwaarde hiervoor is, dat de bouwleiding met een nieuw tijdschema komt, dat door Stroe Moelle Akustik A/S kan worden aanvaard."
9 Op 31 januari 1992 ontsloeg S.P. Rygaard per 30 april 1992. In de ontslagbrief vermeldde de werkgever, dat hij had besloten de vennootschap te vereffenen en de betrokken werken aan Stroe Moelle over te dragen. Hij voegde daaraan toe, dat Rygaard per 1 februari 1992 zou overgaan naar de onderaannemer en door deze laatste zou worden betaald tot aan het einde van de arbeidsverhouding.
10 Op 10 februari 1992 aanvaardde SAS Service Partner de offerte van Stroe Moelle, waarop laatstgenoemde het werk overnam. Rygaard bleef voor Stroe Moelle werken tot op 26 mei 1992, datum waarop hij per 30 juni 1992 werd ontslagen.
11 In maart 1992 werd S.P. failliet verklaard.
12 Daarop vorderde Rygaard voor het Soe- og Handelsret een vergoeding voor onrechtmatig ontslag.
13 Van oordeel, dat voor de beslechting van het geding een uitlegging van de richtlijn nodig was, heeft het Soe- og Handelsret het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Is richtlijn 77/187/EEG van de Raad van toepassing wanneer aannemer B op grond van een overeenkomst met aannemer A een deel van een door deze laatste begonnen opdracht voortzet, en
1) tussen aannemer A en aannemer B is overeengekomen dat een aantal werknemers van aannemer A verder zullen werken voor aannemer B en dat aannemer B het op de bouwplaats aanwezige materiaal overneemt om de opdracht te voltooien, en
2) aannemer A en aannemer B na de overname een tijdlang samen op de bouwplaats werken?
Maakt het enig verschil uit, dat de overeenkomst over de afwerking is gesloten tussen de opdrachtgever en aannemer B met goedkeuring van aannemer A?"
14 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de overname van twee leerlingen, een werknemer en het materiaal waarmee een onderneming een bepaald werk was begonnen, om dit werk met toestemming van de opdrachtgever te voltooien, een overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel daarvan in de zin van artikel 1, lid 1, van de richtlijn vormt.
15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof blijkt uit de opzet van de richtlijn en bewoordingen van artikel 1, lid 1, ervan, dat de richtlijn ten doel heeft, ook bij verandering van eigenaar de continuïteit van de in het kader van een bedrijf bestaande arbeidsverhoudingen te waarborgen. Voor het antwoord op de vraag, of er sprake is van een overgang in de zin van de richtlijn, is het beslissende criterium dus, of de identiteit van het bedrijf bewaard blijft (zie met name het arrest van 18 maart 1986, zaak 24/85, Spijkers, Jurispr. 1986, blz. 1119, r.o. 11).
16 Volgens zelfde rechtspraak moet bij toepassing van dit criterium eerst worden nagegaan, of de exploitatie van het betrokken bedrijf in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten (arrest Spijkers, reeds aangehaald, r.o. 12).
17 Vervolgens moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, het al dan niet overdragen van de materiële activa zoals gebouwen en roerende goederen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het al dan niet overnemen van vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer, het al dan niet overdragen van de klantenkring, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten. Al deze factoren zijn evenwel slechts deelaspecten van het te verrichten globale onderzoek en mogen daarom niet elk afzonderlijk worden beoordeeld (arrest Spijkers, reeds aangehaald, r.o. 13).
18 Volgens Rygaard is in casu aan die voorwaarden voldaan. Hij merkt dienaangaande op, dat het door Stroe Moelle overgenomen werk hetzelfde is als het werk waarmee S.P. was belast, en dat de duur van de werken niet beslissend kan zijn voor het bestaan van een overgang van onderneming in de zin van de richtlijn, net als de omvang van de overgedragen activiteit niet-beslissend is geacht in het arrest van het Hof van 14 april 1994 (zaak C-392/92, Schmidt, Jurispr. 1994, blz. I-1311).
19 Dit betoog faalt.
20 In bovengenoemde rechtspraak wordt ervan uitgegaan, dat de overgang betrekking heeft op een duurzaam georganiseerde economische entiteit, waarvan de activiteit niet tot de uitvoering van een bepaald werk is beperkt.
21 De situatie van een onderneming die een van haar opdrachten voor voltooiing aan een andere onderneming overdraagt, valt buiten die hypothese. Een dergelijke overdracht kan slechts binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, indien zij gepaard gaat met de overdracht van een georganiseerd geheel van elementen waarmee de activiteiten of bepaalde activiteiten van de overdragende onderneming duurzaam kunnen worden voortgezet.
22 Dat is niet het geval wanneer de overdragende onderneming, zoals in het hoofdgeding, de nieuwe ondernemer slechts bepaalde werknemers en materiaal ter beschikking stelt om het betrokken werk tot een goed einde te brengen.
23 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de overname van twee leerlingen, een werknemer en het materiaal waarmee een onderneming een bepaald werk was begonnen, om dit werk met toestemming van de opdrachtgever te voltooien, geen overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel daarvan in de zin van artikel 1, lid 1, van de richtlijn vormt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Soe- og Handelsret i Koebenhavn bij beschikking van 2 februari 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De overname van twee leerlingen, een werknemer en het materiaal waarmee een onderneming een bepaald werk was begonnen, om dit werk met toestemming van de opdrachtgever te voltooien, vormt geen overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel daarvan in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan.
Full & Egal Universal Law Academy