Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Maatregelen van gelijke werking ° Begrip ° Belemmeringen die voortvloeien uit nationale bepalingen die verkoopmodaliteiten op niet-discriminerende wijze regelen ° Niet-toepasselijkheid van artikel 30 van Verdrag ° Wetgeving houdende verbod van verkoop met uiterst beperkte winstmarge
(EEG-Verdrag, art. 30)
Samenvatting
De toepassing op produkten uit andere Lid-Staten van nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, is niet in staat de handel tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel te belemmeren, mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten. Wanneer aan die voorwaarden is voldaan, heeft de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, immers niet tot gevolg, dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is. Die regelingen vallen derhalve buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag.
Daaruit volgt, dat artikel 30 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is, wanneer een Lid-Staat bij wet de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge verbiedt.
Partijen
In zaak C-63/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Rechtbank van koophandel te Bergen, in het aldaar aanhangig geding tussen
Groupement national des négociants en pommes de terre de Belgique (Belgapom)
en
ITM Belgium SA en Vocarex SA,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 30 EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini (rapporteur), C. N. Kakouris, J. L. Murray en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° ITM Belgium SA en Vocarex SA, vertegenwoordigd door E. Van Daele, advocaat te Doornik, en L. Van Bunnen, advocaat te Brussel,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. Van Lier, als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van ITM Belgium SA en Vocarex SA, enerzijds, en de Commissie, anderzijds, ter terechtzitting van 19 januari 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 21 januari 1994, ingekomen bij het Hof op 15 februari daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van koophandel te Bergen krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag (thans EG-Verdrag).
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen Groupement national des négociants en pommes de terre de Belgique (hierna: "Belgapom") en de naamloze vennootschappen ITM Belgium (hierna: "ITM") en Vocarex, betreffende de verkoop met een geringe winstmarge van een partij aardappelen door Vocarex.
3 Artikel 40, eerste, tweede en derde alinea, van de Belgische wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken bepaalt:
"Het is elke handelaar verboden een produkt met verlies te koop aan te bieden of te verkopen.
Als een verkoop met verlies wordt beschouwd, elke verkoop tegen een prijs die niet ten minste gelijk is aan de prijs waartegen het produkt bij de bevoorrading werd gefactureerd of waartegen het bij de herbevoorrading gefactureerd zou worden.
Met een verkoop met verlies moet worden gelijkgesteld elke verkoop die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, waarbij rekening wordt gehouden met deze prijzen evenals met de algemene kosten."
4 Vocarex is een onafhankelijke handelsonderneming, door een franchiseovereenkomst verbonden met Groupement Intermarché, die in België wordt geleid door ITM. Op basis van informatie van ITM, kocht Vocarex in september 1993 aardappelen van de soort "bintjes" tegen 27 BFR per zak van 25 kg, die zij doorverkocht tegen 29 BFR. In dezelfde periode bedroeg de courant door de handelaars toegepaste prijs 89 BFR.
5 Belgapom verzocht de Rechtbank van koophandel te Bergen ITM en Vocarex te gelasten, de verkoop stop te zetten. ITM en Vocarex concludeerden tot afwijzing van dat verzoek, stellende dat artikel 40 van voormelde wet in strijd is met artikel 30 van het Verdrag.
6 Van oordeel dat voor de oplossing van het geschil de uitlegging van het gemeenschapsrecht vereist is, heeft de Rechtbank van koophandel te Bergen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de navolgende vraag:
"In hoeverre zijn artikel 40 van de wet van 14 juli 1991 en inzonderheid de derde en de vierde alinea daarvan, in de algemeenheid van hun bewoordingen, verenigbaar met artikel 30 EEG-Verdrag, nu daarin met een verkoop met verlies is gelijkgesteld een verkoop tegen een prijs die hoger is dan die welke bij de bevoorrading werd gefactureerd, doch met een uiterst beperkte marge?"
7 Gelet op de formulering van de prejudiciële vraag zij eraan herinnerd, dat het Hof volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is uitspraak te doen over de verenigbaarheid van nationale wettelijke bepalingen met het gemeenschapsrecht. Het kan de nationale rechter echter wel alle elementen verschaffen die dienstig zijn voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht, teneinde hem in staat te stellen in de bij hem aanhangige zaak die verenigbaarheid te beoordelen (laatstelijk arrest van 14 juli 1994, zaak C-438/92, Rustica Semences, Jurispr. 1994, blz. I-3519, r.o. 10).
8 Met het oog op de beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter moet eerst worden nagegaan, of artikel 30 van het Verdrag van toepassing is wanneer een Lid-Staat bij wet de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge verbiedt.
9 Volgens vaste rechtspraak is iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking te beschouwen (arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r.o. 5).
10 Vastgesteld moet worden, dat een wettelijke maatregel als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, en die de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge verbiedt, er niet toe strekt het handelsverkeer tussen de Lid-Staten te regelen.
11 Een dergelijk verbod kan weliswaar een beperking van de omzet, ook van produkten uit andere Lid-Staten, tot gevolg hebben, voor zover het de marktdeelnemers een bepaalde verkooppromotievorm ontneemt, doch het is de vraag, of dit volstaat om het verbod als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag aan te merken.
12 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat niet als een maatregel die de handel tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren in de zin van de reeds aangehaalde Dassonville-rechtspraak, kan worden beschouwd, de toepassing op produkten uit andere Lid-Staten van nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten. Wanneer aan die voorwaarden is voldaan, heeft de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, immers niet tot gevolg, dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is. Die regelingen vallen derhalve buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag (arresten van 24 november 1993, gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Keck en Mithouard, Jurispr. 1993, blz. I-6097, r.o. 16 en 17; 15 december 1993, zaak C-292/92, Huenermund e.a., Jurispr. 1993, blz. I-6787, r.o. 21, en 9 februari 1995, zaak C-412/93, Leclerc, Jurispr. 1995, blz. I-179, r.o. 21).
13 Een bepaling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, heeft betrekking op de verkoopmodaliteiten, nu zij de verkoop met een uiterst kleine winstmarge verbiedt.
14 Die bepaling, die zonder onderscheid naar produkt geldt voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector, heeft bovendien geen andere invloed op de verhandeling van produkten uit andere Lid-Staten dan op die van nationale produkten.
15 Mitsdien moet op de vraag worden geantwoord, dat artikel 30 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is, wanneer een Lid-Staat bij wet de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge verbiedt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van koophandel te Bergen bij vonnis van 21 januari 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 30 EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is, wanneer een Lid-Staat bij wet de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge verbiedt.
Full & Egal Universal Law Academy