Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Harmonisatie van wetgevingen ° Etikettering en presentatie van levensmiddelen ° Richtlijn 79/112 ° Verplichting van Lid-Staten, handel te verbieden in produkten waarop vermeldingen niet in voor koper gemakkelijk te begrijpen taal voorkomen ° Draagwijdte ° Voorschriften die verder gaan dan deze verplichting ° Ontoelaatbaarheid ° Noodzaak alle verplichte vermeldingen op etiket aan te brengen
(EG-Verdrag, art. 30, 28 en 129 A; richtlijn 79/112 van de Raad, art. 14)
Samenvatting
Artikel 14 van richtlijn 79/112 betreffende de etikettering en de presentatie van levensmiddelen, dat de Lid-Staten de verplichting oplegt de verhandeling van die produkten te verbieden indien bepaalde vermeldingen "er niet op voorkomen in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht", moet aldus worden uitgelegd, dat de uitdrukking "gemakkelijk te begrijpen taal", waarmee veeleer wordt gedoeld op de informatievoorziening van de consument dan op het voorschrijven van een bepaalde taal, niet hetzelfde betekent als "officiële taal van de Lid-Staat" of "taal van het taalgebied". Aangezien zij strenger is dan de verplichting om een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken, is de door een Lid-Staat opgelegde verplichting om de taal te gebruiken die overwegend wordt gesproken in het gebied waar het produkt te koop wordt aangeboden, ook al wordt het gelijktijdig gebruik van andere talen niet uitgesloten, in strijd met artikel 14 en verboden bij de artikelen 128 en 129 A van het Verdrag, die een Lid-Staat niet toestaan een strengere regeling in te voeren dan die van de richtlijn. Het probleem behoeft dus niet te worden onderzocht vanuit het oogpunt van artikel 30.
Het belang van de consumentenvoorlichting en -bescherming brengt mee, dat de consumenten op ieder ogenblik kennis moeten kunnen nemen van alle in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen, dat wil zeggen niet alleen ten tijde van de aankoop van het produkt, maar eveneens ten tijde van het verbruik ervan. Dat betekent, dat deze vermeldingen in een voor de consumenten van de betrokken Lid-Staat of het betrokken gebied gemakkelijk te begrijpen taal dan wel op andere wijze, zoals bij voorbeeld door tekeningen, symbolen of pictogrammen, op de etikettering moeten worden weergegeven. De nationale rechter moet, rekening houdend met alle omstandigheden van ieder afzonderlijk geval, beoordelen of de verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is.
Partijen
In zaak C-85/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Hof van Beroep te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen
Groupement des producteurs, importateurs et agents généraux d' eaux minérales étrangères, VZW (Piageme) e.a.
en
Peeters NV,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30, 128 en 129 A EG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° verzoeksters in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G. Horsmans en A. Puts, advocaten te Brussel,
° Peeters NV (voorheen BVBA Peeters), vertegenwoordigd door L. Dehond, advocaat te Leuven,
° de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Martinet, secretaris buitenlandse zaken bij diezelfde directie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. van Lier als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding, Peeters NV, vertegenwoordigd door J. Danckaerts, advocaat te Leuven, de Belgische regering, de Griekse regering, vertegenwoordigd door M. Apessos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de Staat, en A. Rokofyllo, adviseur bij de adjunct-minister van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Shaw, Barrister, en de Commissie ter terechtzitting van 6 april 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 24 februari 1994, ingekomen bij het Hof op 9 maart daaraanvolgend, heeft het Hof van Beroep te Brussel krachtens 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30, 128 en 129 A EG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1; hierna: de "richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen enerzijds Groupement des producteurs, importateurs et agents généraux d' eaux minérales étrangères (Piageme), Société générale des grandes sources d' eaux minérales françaises (SGGSEMF) en de vennootschappen Évian, Apollinaris en Vittel (hierna: "verzoeksters"), en anderzijds Peeters NV (hierna: "verweerster").
3 Verzoeksters houden zich bezig met de invoer en de verdeling in België van verschillende Franse en Duitse mineraalwaters. Zij zijn van mening, dat verweerster de Belgische regeling schendt door deze mineraalwaters in het Nederlandse taalgebied te verkopen in flessen met Franstalige of Duitstalige etiketten, terwijl volgens het koninklijk besluit van 13 november 1986 in dat taalgebied de gegevens in het Nederlands moeten zijn gesteld.
4 Artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1986, dat het gelijkluidende artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1980 heeft vervangen, luidt als volgt:
"De in artikel 2 voorgeschreven vermeldingen alsook deze voorgeschreven door de bijzondere reglementeringen moeten ten minste gesteld zijn in de taal of de talen van het taalgebied waar de voedingsmiddelen te koop gesteld worden."
5 Van oordeel dat zij schade leden, hebben verzoeksters verweerster in kort geding gedagvaard voor de Rechtbank van koophandel te Leuven (België); zij vorderden, dat verweerster op straffe van een dwangsom zou worden gelast die verkoop te staken.
6 Verweerster betoogde, dat artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1986 in strijd is met het gemeenschapsrecht, inzonderheid met artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van de richtlijn.
7 Artikel 1, lid 3, van de richtlijn luidt als volgt:
"In de zin van deze richtlijn betekent:
a) etikettering: de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een levensmiddel en voorkomen op enig verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label, dat (die) bij dit levensmiddel is gevoegd of daarop betrekking heeft;
(...)"
8 Artikel 3 voorziet in een aantal verplichte vermeldingen. De voornaamste hiervan zijn:
° de benaming waaronder het produkt wordt verkocht;
° de lijst van ingrediënten;
° de nettohoeveelheid (bij voorverpakte levensmiddelen);
° de datum van minimale houdbaarheid;
° de bijzondere bewaarvoorschriften en gebruiksvoorwaarden;
° de naam of de handelsnaam en het adres van de fabrikant of van de verpakker of van een in de Gemeenschap gevestigde verkoper;
° de plaats van oorsprong of herkomst indien het weglaten daarvan de consument zou kunnen misleiden in verband met de werkelijke oorsprong of herkomst van het levensmiddel;
° een gebruiksaanwijzing, indien het levensmiddel zonder gebruiksaanwijzing niet behoorlijk kan worden gebruikt.
9 Artikel 14 van de richtlijn bepaalt:
"De Lid-Staten onthouden zich ervan om op andere dan de in de artikelen 3 tot en met 11 bepaalde wijze vast te stellen hoe de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen moeten worden aangebracht.
De Lid-Staten dragen er echter zorg voor, op hun grondgebied de handel te verbieden in levensmiddelen indien de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen er niet op voorkomen in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht. Deze bepaling staat het voorkomen van genoemde vermeldingen in méér dan één taal niet in de weg."
10 Onder die omstandigheden heeft de Rechtbank van koophandel te Leuven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Is artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1980, thans artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1986, verenigbaar met artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van 18 december 1978?"
11 In het arrest van 18 juni 1991 (zaak C-369/89, Piageme, Jurispr. 1991, blz. I-2971) verklaarde het Hof voor recht, dat artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van de richtlijn eraan in weg staan, dat een nationale wettelijke regeling het uitsluitend gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt of dat de koper door andere maatregelen wordt ingelicht.
12 In het kader van een door verzoeksters ingesteld hoger beroep heeft het Hof van Beroep te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
"1) Staan artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 128 en 129 A EG-Verdrag, na hun wijziging door het Verdrag betreffende de Europese Unie, eraan in de weg, dat een Lid-Staat, in het licht van een voor de consument gemakkelijk te begrijpen taal, het gebruik verplicht stelt van een taal die overwegend wordt gesproken in het gebied waar het produkt wordt aangeboden, indien daarbij het gebruik van een andere taal niet wordt uitgesloten?
2) Dient ter beoordeling van de vraag, of een bepaalde vermelding op een etiket voldoet aan de in artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG bedoelde woorden 'gemakkelijk te begrijpen taal' uitsluitend rekening te worden gehouden met alle vermeldingen op de voorverpakking in hun onderling verband of mogen daartoe ook elementen in aanmerking genomen worden waaruit redelijkerwijs kan afgeleid worden dat de consumenten met het produkt konden vertrouwd raken, zoals bij voorbeeld de ruime verspreiding van het produkt of ruim gevoerde informatiecampagnes?
3) Dienen de in artikel 14 van voormelde richtlijn bedoelde 'andere maatregelen ter inlichting van de koper' aldus te worden begrepen, dat zij conceptueel enkel de begrijpelijkheid van de gegevens op een etiket van een bepaald species van een produkt kunnen en moeten betreffen, of kunnen zij staan voor het geheel van de concrete verkoopcontext waarin een produkt te koop wordt aangeboden, mits de in de artikelen 3 en 4, lid 2, van richtlijn 79/112/EEG bedoelde vermeldingen daarbij alle aan de orde zijn op een voor de consument gemakkelijk te begrijpen manier?"
13 In zijn verwijzingsbeschikking merkt de verwijzende rechter met name op, dat artikel 11 van het betrokken koninklijk besluit geen verbod bevat op het gebruik van een andere gemakkelijk te begrijpen taal, doch enkel bepaalt, dat de voorgeschreven vermeldingen ten minste moeten zijn gesteld in de taal of de talen van het taalgebied waar de voedingsmiddelen te koop worden aangeboden. Het koninklijk besluit stelt dus het gebruik van de taal van het taalgebied verplicht, doch gelijktijdig mogen nog andere talen worden gebruikt.
De eerste vraag
14 De eerste vraag strekt ertoe te vernemen, of een nationale regeling die voor de etikettering van levensmiddelen het gebruik van een bepaalde taal verplicht stelt, doch het gelijktijdig gebruik van andere talen niet uitsluit, verenigbaar is met artikel 30 EG-Verdrag en artikel 14 van de richtlijn.
15 De uitdrukking "gemakkelijk te begrijpen taal" in artikel 14 van de richtlijn betekent niet hetzelfde als "officiële taal van de Lid-Staat" of "taal van het taalgebied". Er wordt veeleer mee gedoeld op de informatievoorziening van de consument dan op het voorschrijven van een bepaalde taal.
16 Andere communautaire etiketteringregels schrijven daarentegen wel uitdrukkelijk het gebruik voor van de officiële taal of talen van de Lid-Staat waar het produkt in de handel wordt gebracht [zie, bij voorbeeld, artikel 8 van richtlijn 92/27/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de etikettering en de bijsluiter van geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 1992, L 113, blz. 8)].
17 In voormeld arrest Piageme (r.o. 16) heeft het Hof erop gewezen, dat een strengere verplichting dan om een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken, bij voorbeeld de verplichting om uitsluitend de taal van het taalgebied te bezigen, verder gaat dan hetgeen de richtlijn vereist, en de mogelijkheid negeert om de verbruiker door andere maatregelen in te lichten.
18 De verplichting een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen te gebruiken, ook al wordt het gelijktijdig gebruik van andere talen niet uitgesloten, is eveneens strenger dan de verplichting om een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken.
19 Artikel 128 noch artikel 129 A van het Verdrag nu staat een Lid-Staat toe, een strengere regeling in te voeren dan die van de richtlijn.
20 Gelet op het voorgaande behoeft het probleem niet te worden onderzocht vanuit het oogpunt van artikel 30.
21 Mitsdien moet op de eerst vraag worden geantwoord, dat artikel 14 van de richtlijn eraan in de weg staat, dat een Lid-Staat in het licht van het vereiste van een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, het gebruik van de taal verplicht stelt die overwegend wordt gesproken in het gebied waar het produkt te koop wordt aangeboden, ook al wordt het gelijktijdig gebruik van andere talen niet uitgesloten.
De tweede en de derde vraag
22 Met deze vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, met welke elementen rekening mag of moet worden gehouden wanneer het erom gaat vast te stellen, of de verplichte vermeldingen aan de eisen van artikel 14, tweede alinea, van de richtlijn voldoen. Deze twee vragen moeten te zamen worden onderzocht.
23 Artikel 14 beoogt te waarborgen, dat de consument gemakkelijk kennis kan nemen van de in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen.
24 Het belang van de consumentenvoorlichting en -bescherming brengt mee, dat de consumenten op ieder ogenblik kennis moeten kunnen nemen van alle in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen, niet alleen ten tijde van de aankoop van het produkt, maar eveneens ten tijde van het verbruik ervan. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de minimum houdbaarheidsdatum en de bijzondere bewaarvoorschriften en gebruiksvoorwaarden.
25 Voorts moet erop worden gewezen, dat de eindverbruiker niet noodzakelijkerwijs degene is die de levensmiddelen heeft gekocht.
26 Daaruit volgt, dat de bescherming van de consument niet wordt gewaarborgd door voorlichting los van de etikettering, zoals bij voorbeeld voorlichting op het verkooppunt of in het kader van grootscheepse informatiecampagnes.
27 Alle in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen moeten in een voor de kopers gemakkelijk te begrijpen taal dan wel op andere wijze, zoals bij voorbeeld door tekeningen, symbolen of pictogrammen, op de etikettering worden weergegeven.
28 De nationale rechter moet in ieder concreet geval beoordelen, of de gegevens op de etikettering de consumenten volledig kunnen informeren over de in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen.
29 Eveneens dient de nationale rechter in ieder concreet geval te beoordelen, of verplichte vermeldingen die in een andere dan de in de betrokken Lid-Staat of streek overwegend gebruikte taal zijn gesteld, gemakkelijk te begrijpen zijn voor de consumenten van die Lid-Staat of streek.
30 In dit verband kunnen verschillende factoren relevant zijn ° zonder evenwel op zich beslissend te zijn ° , zoals de eventuele gelijkenis van woorden in verschillende talen, de algemene kennis van meer dan een taal bij de betrokken bevolking, of bijzondere omstandigheden zoals een grootscheepse informatiecampagne of een ruime verspreiding van het produkt, mits kan worden vastgesteld, dat de consument daardoor voldoende wordt ingelicht.
31 Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat alle in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen in een voor de consumenten van de betrokken Lid-Staat of streek gemakkelijk te begrijpen taal dan wel op andere wijze, zoals door tekeningen, symbolen of pictogrammen, op de etikettering moeten worden weergegeven. De vraag of de verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is, moet aan de hand van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Belgische, de Griekse, de Franse en de Britse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Hof van Beroep te Brussel bij arrest van 24 februari 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, staat eraan in de weg, dat een Lid-Staat in het licht van het vereiste van een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, het gebruik van de taal verplicht stelt die overwegend wordt gesproken in het gebied waar het produkt te koop wordt aangeboden, ook al wordt het gelijktijdig gebruik van andere talen niet uitgesloten.
2) Alle in richtlijn 79/112 bedoelde verplichte vermeldingen moeten in een voor de consumenten van de betrokken Lid-Staat of streek gemakkelijk te begrijpen taal dan wel op andere wijze, zoals door tekeningen, symbolen of pictogrammen, op de etikettering worden weergegeven. De vraag of de verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is, moet aan de hand van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld.
Full & Egal Universal Law Academy