Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Harmonisatie van wetgevingen inzake sanitaire controles ° Financiering van keuringen en sanitaire controles van vers vlees ° Richtlijn 85/73 ° Niveaus van retributies vastgesteld bij beschikking 88/408 ° Gedeelte van retributie in verband met uitsnijden ° Beperking tot in uitsnijderij daadwerkelijk uitgebeend of uitgesneden hoeveelheid vlees
(Richtlijn 85/73 van de Raad; beschikking 88/408 van de Raad, art. 3, lid 1)
Samenvatting
Artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408 betreffende de niveaus van de overeenkomstig de financieringsregeling van richtlijn 85/73 te heffen retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees, moet aldus worden uitgelegd, dat het gedeelte van de retributie dat dient ter dekking van de controles en keuringen in verband met het uitsnijden, slechts verschuldigd is ter zake van vlees dat in de produktiefase tussen het slachten van het dier en de opslag van het vlees daadwerkelijk wordt uitgebeend of uitgesneden, en niet voor al het in de uitsnijderij aanwezige vlees, ongeacht of dat vlees aldaar wordt uitgebeend of uitgesneden.
Partijen
In zaak C-86/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen
H. J. A. M. van Iersel (curator in het faillissement van Pluimvee- en wildverwerkende industrie De Venhorst BV)
en
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van beschikking 88/408/EEG van de Raad van 15 juni 1988 betreffende de niveaus van de overeenkomstig richtlijn 85/73/EEG te heffen retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees (PB 1988, L 194, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray (rapporteur), kamerpresident, C. N. Kakouris en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° H. J. A. M. van Iersel, curator in het faillissement van Pluimvee- en wildverwerkende industrie De Venhorst BV, vertegenwoordigd door P. A. Wackie Eysten, advocaat te 's-Gravenhage,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur T. van Rijn als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 november 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij uitspraak van 24 december 1993, ingekomen bij het Hof op 9 maart 1994, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van beschikking 88/408/EEG van de Raad van 15 juni 1988 betreffende de niveaus van de overeenkomstig richtlijn 85/73/EEG te heffen retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees (PB 1988, L 194, blz. 24).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap Pluimvee- en wildverwerkende industrie De Venhorst (hierna: "De Venhorst") en de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, over de betaling van de ter zake van de keuring in een uitsnijderij gevorderde retributie. Na het faillissement van De Venhorst heeft H. J. A. M. van Iersel, aangewezen als curator volgens de ter zake geldende Nederlandse bepalingen, het geding voortgezet.
3 Richtlijn 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB 1971, L 55, blz. 23), zoals nadien meermaals gewijzigd, voorziet in de onderlinge aanpassing van de bepalingen van de Lid-Staten op het gebied van de gezondheidsvoorschriften voor pluimveevlees in slachthuizen en gedurende het vervoer. Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bepaalt, dat iedere Lid-Staat van verzending een stelsel van keuringen en sanitaire controles door dierenartsen dient in te voeren. Die keuringen en controles hebben betrekking op de inrichtingen waarin het vlees wordt behandeld, op de uitgevoerde bewerkingen alsmede op de toestand van het vlees.
4 Artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431/EEG van de Raad van 10 juli 1975 (PB 1975, L 192, blz. 6), bepaalt:
"B. Indien het delen van een geslacht dier of uitgebeend vlees betreft, moeten deze:
a) zijn uitgesneden in een overeenkomstig artikel 5, lid 1, erkende en onder toezicht staande uitsnijderij;
b) zijn uitgesneden en behandeld onder naleving van de voorschriften van hoofdstuk VIII van bijlage I, en afkomstig zijn van:
° hetzij vers vlees van in de Lid-Staten geslachte dieren, dat voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn,
° hetzij vers vlees dat is aangevoerd uit een andere Lid-Staat en dat voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn,
° hetzij vers vlees dat uit derde landen is ingevoerd overeenkomstig de communautaire bepalingen betreffende de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen;
c) zijn opgeslagen overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XII van bijlage I;
d) overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IX van bijlage I door een officiële dierenarts zijn gecontroleerd;
e) voldoen aan de eisen, vermeld in punt A, sub c), e), g) en h)."
5 Hoofdstuk VIII van bijlage I, getiteld "Voorschriften betreffende het voor uitsnijden bestemde vlees", waarnaar artikel 3, lid 1, punt B, sub b, van richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431, verwijst, bevat de voorschriften betreffende het voor uitsnijden bestemde vlees. Hoofdstuk XII van bijlage I, getiteld "Opslag", waarnaar artikel 3, lid 1, punt B, sub c, van richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431, verwijst, bepaalt de temperatuur waarop vers vlees van pluimvee na koeling moet worden gehouden.
6 Hoofdstuk IX van bijlage I, getiteld "Controle van uitgesneden vlees" waarnaar artikel 3, lid 1, punt B, sub d, van richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431, verwijst, bepaalt:
"41. De uitsnijderijen zijn onderworpen aan een controle door een officiële dierenarts.
42. De controle van de officiële dierenarts omvat de volgende taken:
a) controle van het register van het binnengekomen verse vlees en het uitgegane uitgesneden vlees;
b) controle van het in de uitsnijderij aanwezige verse vlees;
c) controle van de reinheid van de ruimten, installaties en werktuigen, alsmede van de hygiëne van het personeel;
d) het nemen van de nodige monsters voor laboratoriumonderzoek, ten einde bijvoorbeeld schadelijke additieven of andere ongeoorloofde chemische stoffen op te sporen. De resultaten van dit onderzoek worden in een register opgenomen;
e) elke andere controle die hij nuttig acht voor de naleving van de richtlijn."
7 Voordat richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee (PB 1985, L 32, blz. 14) werd vastgesteld, regelde iedere Lid-Staat zelf de wijze van financiering van de in richtlijn 71/118 voorgeschreven keuringen en controles. Aangezien de Raad van oordeel was, dat deze situatie een ongunstige invloed kon hebben op de concurrentieverhoudingen binnen de Gemeenschap, heeft hij bij richtlijn 85/73 geharmoniseerde voorschriften inzake de financiering van die keuringen en controles ingevoerd. Artikel 1, lid 1, eerste streepje van deze richtlijn bepaalt onder meer:
"De Lid-Staten dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 1986:
° een retributie wordt geheven bij het slachten van de in lid 2 bedoelde dieren, voor de kosten die verbonden zijn aan de keuringen en sanitaire controles."
8 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/73 bepaalt, dat de Raad het forfaitaire niveau of de forfaitaire niveaus van de retributies vaststelt, alsmede de uitvoeringsbepalingen en -beginselen van de richtlijn en de uitzonderingsgevallen.
9 De Raad heeft vervolgens beschikking 88/408 vastgesteld.
10 De bij beschikking 88/408 voorgeschreven retributie dekt alle keuringen en sanitaire controles. De beschikking bepaalt, dat de instanties van de Lid-Staten een bedrag heffen voor alle keuringen bij de slacht van pluimvee (artikel 2, lid 3), voor de administratiekosten en het opsporen van residuen (artikel 2, lid 4), en voor de controles en keuringen in verband met het uitsnijden (artikel 3). Artikel 4 van beschikking 88/408 bepaalt, dat de Lid-Staten een bedrag heffen dat overeenstemt met de reële kosten die worden gemaakt voor de controle of keuring bij de in- en uitslag van opgeslagen vlees.
11 Artikel 5, lid 1, van beschikking 88/408 bepaalt, dat het in artikel 2 bedoelde bedrag in de plaats komt van alle andere sanitaire heffingen of bijdragen die de nationale, regionale of plaatselijke overheden van de Lid-Staten innen voor de keuringen en controles van het in artikel 1 bedoelde verse vlees alsmede voor de certificering ervan.
12 Artikel 6, lid 1, van beschikking 88/408 schrijft voor, dat de retributie ten laste komt van de natuurlijke of rechtspersoon voor wie wordt geslacht, uitgesneden of opgeslagen.
13 Artikel 3 van beschikking 88/408 luidt als volgt:
"1. Het gedeelte van de retributie dat dient ter dekking van de controles en keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 64/433/EEG en in artikel 3, lid 1, punt B, onder b), van richtlijn 71/118/EEG, wordt forfaitair vastgesteld op 3 Ecu/ton nog uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij.
2. Het in lid 1 vermelde bedrag wordt opgeteld bij de in artikel 2, lid 1, bedoelde bedragen.
3. De leden 2 en 5 van artikel 2 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Wanneer het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees verkregen is, wordt op de in lid 1 bedoelde bedragen een korting toegepast die tot 50 % kan gaan."
14 Richtlijn 71/118 is opnieuw gewijzigd bij richtlijn 92/116/EEG van de Raad van 17 december 1992 (PB 1993, L 62, blz. 1). Richtlijn 92/116/EEG diende uiterlijk op 1 januari 1994 in het Koninkrijk der Nederlanden te zijn omgezet, zodat zij in het hoofdgeding niet van toepassing is.
15 De Nederlandse Regeling keuring en handelsverkeer vers vlees pluimvee 1985 (hierna: "nationale regeling"), op 20 juni 1985 door de Nederlandse staatssecretaris van Landbouw en Visserij vastgesteld op basis van de artikelen 13, leden 1 en 2, 19, lid 1, en 26 van de Nederlandse Landbouwwet, zoals ter uitvoering van beschikking 88/408 gewijzigd bij regeling van 13 december 1990, bepaalt onder meer:
"Artikel 22a
1. Voor de keuring binnen openingstijd in een overeenkomstig artikel 16 erkende uitsnijderij, is de uitsnijderij een heffing verschuldigd ten bedrage van f 6,97 per ton uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is de uitsnijderij een heffing ten bedrage van f 3,50 per ton uit te benen vlees met been verschuldigd, indien het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees is verkregen."
16 De Venhorst exploiteerde tot haar faillissement een pluimveeslachterij en handelde in pluimvee.
17 De slachterij omvatte één produktielijn, die begon bij het slachten van levende kippen en eindigde met de opslag van geplukte, gereinigde, naar gewicht gesorteerde en in plastic dozen verpakte kippen. Ongeveer 95 % van de in de slachterij van De Venhorst geslachte kippen werd niet uitgesneden en uitgebeend, maar opgeslagen in de vorm van hele kippen. In De Venhorst werden alleen kippen uitgesneden en uitgebeend die beneden een bepaald gewicht bleven en van mindere kwaliteit waren. Alle handelingen met betrekking tot het slachten en het plukken, het reinigen, sorteren, wegen, uitsnijden, verpakken en opslaan van de kippen vonden plaats in dezelfde ruimte.
18 Bij vier besluiten van respectievelijk 10 april 1991, 8 juli 1991, 24 januari 1992 en 18 februari 1992, vorderde de kringdirecteur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: "RVV") op grond van de nationale regeling van De Venhorst betaling van retributies ter zake van de sanitaire keuringen bij de produktiefasen van het slachten, het uitsnijden en het opslaan. Het geschil voor de verwijzende rechter heeft enkel betrekking op de retributies ter zake van de produktiefase die plaatsvond in een uitsnijderij.
19 Blijkens de verwijzingsuitspraak berekende de RVV de component van de retributie voor de keuring bij het uitsnijden, op basis van het gewicht van alle kippen die in de ruimte werden gebracht waar het uitsnijden plaatsvond.
20 De Venhorst achtte die berekeningsgrondslag onjuist, omdat slechts 5 % van de kippen die deze ruimte werden binnengebracht, werd uitgesneden en uitgebeend. Daarop bracht zij tegen de besluiten van de RVV bezwaarschriften in bij de Nederlandse staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die door deze werden afgewezen.
21 Van mening dat de zinsnede "uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij" in artikel 22a, lid 1, van de nationale regeling en in artikel 3 van beschikking 88/408, impliceert dat slechts retributie verschuldigd is ter zake van vlees met been dat in de uitsnijderij daadwerkelijk wordt uitgesneden, ging De Venhorst van bovenbedoeld besluit in beroep bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
22 Van oordeel dat het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging van artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408, heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Dient het bepaalde bij artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408/EEG van de Raad van 15 juni 1988 aldus te worden uitgelegd dat het daar bedoelde gedeelte van de retributie uitsluitend verschuldigd is ter zake van vlees dat in de produktiefase, gelegen tussen de slacht van het dier en de opslag van het vlees, daadwerkelijk wordt uitgebeend of uitgesneden of moet dat voorschrift aldus worden uitgelegd dat de retributie verschuldigd is ter zake van al het vlees dat in de uitsnijderij wordt ontvangen, ongeacht de vraag of het aldaar enige bewerking in de zin van uitbenen of uitsnijden ondergaat?
Indien het voorschrift op andere wijze dient te worden uitgelegd, welke is dan de juiste uitleg?"
23 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het in artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408 bedoelde gedeelte van de retributie, dat wordt geheven voor de controles en keuringen in verband met het uitsnijden, moet worden berekend op basis van de hoeveelheden pluimveevlees die in de produktiefase tussen het slachten van het dier en de opslag van het vlees daadwerkelijk worden uitgebeend en uitgesneden, dan wel op basis van al het vlees dat zich in de ruimte bevindt waarin het uitsnijden plaatsvindt.
24 Er zij op gewezen, dat beschikking 88/408 uitsluitend betrekking heeft op de bedragen van de te heffen retributies uit hoofde van de keuringen en controles vermeld in richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431, en op de grondslagen waarop die retributies moeten worden berekend. De beschikking heeft op zich geen invloed op de in de richtlijn omschreven verplichtingen tot keuring en controle.
25 Artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408 bepaalt het gedeelte van de retributie dat dient ter dekking van de controles en keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt B, sub b, van richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431. Deze retributie is forfaitair vastgesteld op 3 ECU/ton nog uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij. Artikel 3, lid 1, punt B, sub b, van richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431, bepaalt dat, indien het delen van een geslacht dier of uitgebeend vlees betreft, deze moeten zijn uitgesneden en behandeld onder naleving van de voorschriften van hoofdstuk VIII van bijlage I. Hoofdstuk VIII van bijlage I bevat voorschriften betreffende het voor uitsnijden bestemde vlees. Het bepaalt onder meer, in welke plaatsen voor uitsnijden bestemd vers vlees moet worden gebracht, en schrijft voor dat, zodra het uitsnijden en de voorgeschreven verpakkingen hebben plaatsgehad, het vlees naar een koelruimte moet worden vervoerd.
26 De controles die in de uitsnijderij dienen plaats te vinden, worden in feite nader omschreven in artikel 3, lid 1, punt B, sub d, van richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431, alsmede in hoofdstuk IX van bijlage I, waarnaar die bepaling verwijst. Artikel 3, lid 1, punt B, sub d, bepaalt, dat de delen van een geslacht dier of uitgebeend vlees overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IX door een officiële dierenarts moeten worden gecontroleerd.
27 Hoofdstuk IX van bijlage I bij richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431, waarin de controles en de inspecties in verband met het uitsnijden nader worden geregeld, is getiteld "Controle van uitgesneden vlees". Dit hoofdstuk schrijft een controle door de officiële dierenarts voor van het register van het binnengekomen verse vlees en het uitgegane uitgesneden vlees, alsmede van het in de uitsnijderij aanwezige verse vlees. Voorts schrijft het een controle van de reinheid voor, het nemen van de nodige monsters met het oog op noodzakelijk laboratoriumonderzoek, alsmede elke andere controle die de officiële dierenarts nuttig acht voor de naleving van de richtlijn.
28 Het bedrag van de retributie die moet worden geheven voor de in hoofdstuk IX van bijlage I voorgeschreven keuringen en controles, wordt bepaald in artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408. Dat is het enige voorschrift dat de bedragen bepaalt van de retributie die ter zake van de keuringen en controles in verband met het uitsnijden moet worden geheven. De toepassing van dit artikel is uitdrukkelijk beperkt tot nog uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij. Derhalve dient de retributie voor de keuringen en controles bedoeld in hoofdstuk IX van bijlage I bij richtlijn 71/118, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/431, eveneens enkel te worden geheven voor de keuringen en controles die betrekking hebben op de hoeveelheden pluimveevlees die daadwerkelijk worden uitgesneden en uitgebeend.
29 De retributie wordt niet verschuldigd door de aanwezigheid van het vlees in de uitsnijderij. Ieder gedeelte van de ingevolge beschikking 88/408 te heffen retributie wordt berekend op basis van het gewicht van het vlees. Artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408 bepaalt, dat de retributie die dient ter dekking van de controles en keuringen in verband met het uitsnijden, wordt berekend op basis van het gewicht van het uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij. Bijgevolg is deze retributie slechts verschuldigd voor vlees met been dat in de uitsnijderij daadwerkelijk wordt uitgesneden.
30 De Nederlandse regering meent echter, dat de regeling tot doel heeft, alle kosten die gemoeid zijn met de keuringen en sanitaire controles in verband met het uitsnijden, door te berekenen aan degene te wiens behoeve die kosten worden gemaakt. Ging men er niet van uit, dat de retributie verschuldigd is voor al het in de uitsnijderij aanwezige vlees, ongeacht of dat vlees aldaar wordt uitgebeend of uitgesneden, dan zou zulks tot gevolg hebben dat wanneer vlees in de uitsnijderij wordt gebracht zonder daar te worden uitgesneden of uitgebeend, de kosten van de controles en keuringen in de produktiefase tussen het slachten en de opslag niet via de retributie zouden worden doorberekend, maar ten laste van de Lid-Staten zouden blijven.
31 Dat argument moet worden verworpen.
32 Zoals gezegd, bepaalt beschikking 88/408 de bedragen van de retributie die moet worden geheven ter zake van de keuringen en controles in verband met het uitsnijden. Artikel 2, lid 2, van deze beschikking vermeldt enkel bepaalde gevallen waarin de Lid-Staten van die bedragen kunnen afwijken. Gelet op deze bepaling mag een Lid-Staat die meent, dat de in de beschikking vastgestelde forfaitaire bedragen niet toereikend zijn om de met de keuringen en controles gemoeide kosten te dekken, hoe dan ook aan artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408 niet de uitlegging geven die door de Nederlandse regering wordt voorgestaan, welke uitlegging voor het overige onverenigbaar is met het doel van deze bepaling.
33 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408 aldus moet worden uitgelegd, dat het in deze bepaling bedoelde gedeelte van de retributie slechts verschuldigd is ter zake van vlees dat in de produktiefase tussen het slachten van het dier en de opslag van het vlees daadwerkelijk wordt uitgebeend of uitgesneden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij uitspraak van 24 december 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408/EEG van de Raad van 15 juni 1988 betreffende de niveaus van de overeenkomstig richtlijn 85/73/EEG te heffen retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees, moet aldus worden uitgelegd, dat het in deze bepaling bedoelde gedeelte van de retributie slechts verschuldigd is ter zake van vlees dat in de produktiefase tussen het slachten van het dier en de opslag van het vlees daadwerkelijk wordt uitgebeend of uitgesneden.
Full & Egal Universal Law Academy