Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Oliën en vetten ° Bijzondere maatregelen voor sojabonen ° Produktiesteun ° Controlemaatregelen ° Teeltcontracten ° Verlies van recht op steun ingeval producent zijn verplichting om wijzigingen in ingezaaide oppervlakten mee te delen, niet nakomt ° Evenredigheidsbeginsel ° Schending ° Geen ° Overschrijding van grenzen van uitvoeringsbevoegdheid van Commissie ° Geen
(Verordening nr. 1491/85 van de Raad, art. 2, lid 8; verordeningen van de Commissie nr. 2537/89, art. 6, lid 3, eerste alinea, en art. 29 bis, leden 1 en 4, en nr. 150/90)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Oliën en vetten ° Bijzondere maatregelen voor sojabonen ° Produktiesteun ° Controlemaatregelen ° Teeltcontracten ° Verplichting van producent om elke wijziging in opgegeven oppervlakten mee te delen ° Draagwijdte
(Verordening nr. 2537/89 van de Commissie, art. 6, lid 3)
Samenvatting
1. De betrouwbaarheid van de in de teeltcontracten vermelde gegevens over de ingezaaide oppervlakten, die noodzakelijk is voor de goede werking van de in verordening nr. 1491/85 neergelegde steunregeling voor de produktie van sojabonen in de Gemeenschap, is enkel gewaarborgd, indien de bevoegde nationale instanties door de producenten in kennis worden gesteld van wijzigingen in de bestemming van de in het teeltcontract opgegeven oppervlakten die ingevolge artikel 6, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2537/89 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de bijzondere maatregelen voor sojabonen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 150/90, behoudens overmacht, voor de sojateelt zijn gereserveerd. De verplichting voor de producent om wijzigingen aan de bevoegde instantie mede te delen, zoals in artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2537/89 is bepaald, vormt daardoor een essentiële verplichting voor de goede werking van de steunregeling en is voor deze regeling dus van fundamenteel belang.
Door te voorzien in sancties die, hoewel de Lid-Staten krachtens artikel 29 bis van verordening nr. 2537/89 bevoegd zijn deze te differentiëren naar de ernst van de aan de producent verweten inbreuk, kunnen gaan tot het verlies van het recht op steun voor het lopende en het daaropvolgende verkoopseizoen wanneer de producent van sojabonen opzettelijk of als gevolg van een grove nalatigheid zijnerzijds een zo belangrijke verplichting voor het goed functioneren van de steunregeling heeft overtreden als de verplichting om wijzigingen in de ingezaaide oppervlakten mee te delen, heeft de Commissie derhalve noch het evenredigheidsbeginsel miskend noch de grenzen overschreden van de haar bij artikel 2, lid 8, van verordening nr. 1491/85 toegekende uitvoeringsbevoegdheid, die de bevoegdheid omvat om passende sancties vast te stellen.
2. Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2537/89 moet aldus worden uitgelegd, dat een sojaproducent die een teeltcontract heeft gesloten op grond waarvan hij in aanmerking kan komen voor de in de gemeenschapsregeling voorziene steun, verplicht is de bevoegde instantie in kennis te stellen van elke wijziging in de in dit contract opgegeven oppervlakten, en met name van elke vermindering van deze oppervlakten, ook al houdt deze verband met natuurlijke gebeurtenissen zoals overvloedige regenval, wanneer deze wijziging optreedt vóór de indiening van het contract, alsmede van alle wijzigingen die optreden na de indiening van het teeltcontract en die, elk afzonderlijk of te zamen, meer dan 10 % van de in het teeltcontract opgegeven oppervlakten en meer dan één hectare bedragen.
Partijen
In zaak C-104/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunale civile e penale di Ravenna, in het aldaar aanhangig geding tussen
Cereol Italia Srl
en
Azienda agricola Castello Sas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1491/85 van de Raad van 23 mei 1985 tot vaststelling van bijzondere maatregelen voor sojabonen (PB 1985, L 151, blz. 15), verordening (EEG) nr. 2194/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake de bijzondere maatregelen voor sojabonen (PB 1985, L 204, blz. 1), en verordening (EEG) nr. 2537/89 van de Commissie van 8 augustus 1989 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de bijzondere maatregelen voor sojabonen (PB 1989, L 245, blz. 8), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 150/90 van de Commissie van 19 januari 1990 (PB 1990, L 18, blz. 10),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann (rapporteur), P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Cereol Italia Srl, vertegenwoordigd door R. Ridolfi, advocaat te Ravenna,
° Azienda agricola Castello Sas, vertegenwoordigd door F. Capelli, advocaat te Milaan,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March als gemachtigde, bijgestaan door A. Carnelutti, advocaat te Parijs,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Azienda agricola Castello Sas en de Commissie ter terechtzitting van 15 juni 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 3 maart 1994, ingekomen bij het Hof op 29 maart daaraanvolgend, heeft het Tribunale civile e penale di Ravenna krachtens artikel 177 EG-Verdrag zeven prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1491/85 van de Raad van 23 mei 1985 tot vaststelling van bijzondere maatregelen voor sojabonen (PB 1985, L 151, blz. 15; hierna: "verordening nr. 1491/85"), verordening (EEG) nr. 2194/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake de bijzondere maatregelen voor sojabonen (PB 1985, L 204, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2194/85"), en verordening (EEG) nr. 2537/89 van de Commissie van 8 augustus 1989 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de bijzondere maatregelen voor sojabonen (PB 1989, L 245, blz. 8; hierna: "verordening nr. 2537/89"), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 150/90 van de Commissie van 19 januari 1990 (PB 1990, L 18, blz. 10; hierna: "verordening nr. 150/90").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Cereol Italia Srl (hierna: "Cereol"), verwerker van soja, en Azienda agricola Castello Sas (hierna: "Castello"), producent van sojabonen, betreffende de vergoeding van een bedrag van 112 509 187 LIT dat als communautaire steun aan Cereol was uitgekeerd en dat door Azienda di Stato per gli interventi nel mercato agricola (hierna: "AIMA") van haar is teruggevorderd.
3 Bij verordening nr. 1491/85 is een stelsel van steun bij de produktie van sojabonen in de Gemeenschap ingevoerd, het zogenoemde stelsel van steun "aan de eerste koper". Hierbij wordt aan een ieder die een contract (het zogenoemde "teeltcontract") heeft gesloten dat voorziet in de betaling aan de producent van een prijs die ten minste gelijk is aan de door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs, een steun toegekend die gelijk is aan het verschil tussen de door de Gemeenschap vastgestelde streefprijs en de wereldmarktprijs (artikel 2).
4 De in het teeltcontract te vermelden gegevens zijn vastgesteld in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2537/89. Naar luid van deze bepaling, die is vastgesteld krachtens artikel 2, lid 8, van verordening nr. 1491/85, moeten worden vermeld:
"(...)
e) de definitieve ingezaaide oppervlakte van de percelen in hectare en are;
f) de gegevens die nodig zijn voor de identificatie van de betrokken percelen. (...)
g) de door de producent bij de vorige oogst behaalde opbrengsten;
(...)"
5 Artikel 6, lid 3, zoals gewijzigd bij verordening nr. 150/90, voegt hieraan toe:
"Na de ondertekening van het contract mag de producent, behoudens overmacht, aan de in lid 2, onder e) en f), bedoelde oppervlakten geen andere bestemming geven dan de verbouw van soja.
Voor elke wijziging die na de ondertekening van het contract doch vóór de indiening daarvan bij de bevoegde instantie zou optreden in de bestemming van de opgegeven oppervlakten, moet derhalve een aanvulling op het contract worden opgesteld waarin deze oppervlakten worden aangepast en de grond voor de wijziging wordt aangegeven.
Wanneer bovendien binnen drie maanden vóór de datum waarop naar verwachting met de oogst van de sojabonen waarop het contract betrekking heeft, zal worden begonnen, een wijziging zou optreden in de bestemming van alle of een deel van de vermelde oppervlakten, moet de producent deze aan de bevoegde instantie, de controle-instantie en de eerste koper meedelen, telkens wanneer deze wijziging meer dan 10 % van de vermelde oppervlakte en meer dan 1 hectare bedraagt. De wijziging wordt schriftelijk meegedeeld binnen acht werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop zij opgetreden is."
6 Artikel 29 bis, dat bij verordening nr. 150/90 is ingelast in verordening nr. 2537/89, bepaalt:
"Ingeval bij een controle of een verificatie een onregelmatigheid wordt ontdekt, gelden de volgende bepalingen, onverminderd andere maatregelen die eventueel van toepassing zijn:
1. Een onregelmatigheid die het gevolg is van een door de producent opzettelijk afgelegde valse verklaring of van een door deze begane grove nalatigheid naar aanleiding van de sluiting van het in artikel 6 bedoelde contract of van de uitvoering daarvan, met name wat de juistheid van de in artikel 6, lid 2, bedoelde vermeldingen en de inachtneming van lid 3 van dat artikel betreft, leidt ertoe dat het contract voor de toepassing van deze verordening ongeldig wordt, dat voor de bonen die op grond van dit contract worden geproduceerd, het recht op steun vervalt en dat de producent voor de duur van het eerstvolgende verkoopseizoen van de voordelen van deze verordening wordt uitgesloten.
(...)
4. De in deze verordening bedoelde sancties (...) worden vastgesteld naar gelang van de aard en de ernst van het in gebreke blijven en voor zover dit voor de goede werking van de betrokken regeling noodzakelijk is."
7 Op 27 mei 1991 sloten Cereol en Castello een teeltcontract voor het verkoopseizoen 1991/1992, waarin werd bepaald dat 93 hectaren en 22 aren met sojabonen zouden worden ingezaaid.
8 Tijdens een op 7 oktober 1991 gehouden controle stelde de landbouwinspectie van Treviso vast, dat enkel 77 hectaren waren bebouwd.
9 Volgens AIMA vormde deze vermindering van de ingezaaide oppervlakten, die haar niet was meegedeeld, een schending van artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2537/89, zoals gewijzigd. Met een beroep op artikel 29 bis van deze verordening verklaarde zij vervolgens het teeltcontract ongeldig en het recht op steun voor de op grond van dit contract geproduceerde bonen vervallen, en sloot zij Castello voor het volgende verkoopseizoen van de steun uit. Tevens vorderde zij van Cereol terugbetaling van de aan haar uitgekeerde steun.
10 Cereol sprak daarop Castello aan en verzocht het Tribunale civile e penale di Ravenna, Castello te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag overeenkomend met het steunbedrag dat zij moest terugbetalen.
11 Voor de nationale rechter stelde Castello, dat de aan Cereol opgelegde sanctie onwettig was. Volgens haar was artikel 29 bis van verordening nr. 2537/89, zoals gewijzigd, ongeldig en hoe dan ook niet van toepassing op het onderhavige geval, omdat zij, anders dan AIMA stelde, de gemeenschapsregeling niet had overtreden.
12 Daar hij twijfelde aan de geldigheid en de draagwijdte van de toepasselijke gemeenschapsregeling, heeft de nationale rechter het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Was het doel van de verordeningen (EEG) nrs. 1491/85 en 2194/85 van de Raad (met name gelet op de achtste overweging van de considerans en op de artikelen 2 en 5, lid 1, van laatstgenoemde verordening) in de periode tot aan het einde van het verkoopseizoen 1992/1993 (dat wil zeggen vóór de vaststelling van de verordeningen nrs. 3766/91 en 1765/92 van de Raad), dat uitsluitend voor op het grondgebied van de Gemeenschap geproduceerde soja steun werd betaald, berekend naar verhouding tot de daadwerkelijke geproduceerde hoeveelheid, waarbij de hoofdverplichting van de producent die voor die steun in aanmerking wenste te komen, bestond in het telen van soja op het grondgebied van een der Lid-Staten?
2) Vormt de in artikel 6, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2537/89 van de Commissie bedoelde mededelingsplicht een van de middelen ter bepaling van de communautaire herkomst van het produkt en moet zij als zodanig, gelet op de communautaire rechtspraak, worden beschouwd als een bijkomende verplichting ten opzichte van de hoofdverplichting bedoeld in vraag 1?
3) Ingeval de eerste twee vragen bevestigend worden beantwoord, heeft de Commissie dan bij de vaststelling van artikel 29 bis van verordening (EEG) nr. 2537/89, ingelast bij verordening (EEG) nr. 150/90 (met de zware sancties in geval van nalatigheid van de producent bij de uitvoering van het contract, inzonderheid bij de inachtneming van artikel 6, lid 3), de grenzen van de haar bij artikel 2, lid 8, van verordening (EEG) nr. 1491/85 verleende bevoegdheid overschreden door op de niet-nakoming van een van de bijkomende verplichtingen de sanctie van het verval van het door de nakoming van de hoofdverplichting ontstane recht te stellen, en heeft zij daardoor haar bevoegdheid misbruikt?
4) Ingeval vraag 3 ontkennend wordt beantwoord, maakt het bij verordening (EEG) nr. 150/90 van de Commissie ingelaste artikel 29 bis van verordening (EEG) nr. 2537/89, waarin op elke grove nalatigheid van de producent naar aanleiding van de uitvoering van het contract (inzonderheid met betrekking tot de inachtneming van artikel 6, lid 3) als sanctie wordt gesteld zowel ongeldigheid van het contract, alsook verval van het recht op steun voor de op grond van het contract geproduceerde bonen en uitsluiting van de producent van de toekenning van steun voor de duur van het eerstvolgende verkoopseizoen, inbreuk op het evenredigheidsbeginsel zoals dat door het Hof is uitgelegd?
5) Ingeval vraag 4 ontkennend wordt beantwoord, moet de in artikel 6, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2537/89 van de Commissie bedoelde 'wijziging van de bestemming van de in het contract opgegeven oppervlakten' dan aldus worden begrepen, dat dit enkel slaat op het geval waarin een deel van die oppervlakte voor een andere dan de in het contract opgegeven landbouwproduktie is bestemd?
6) Ingeval vraag 5 ontkennend wordt beantwoord, geldt de in artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 2537/89 van de Commissie neergelegde verplichting tot mededeling van de wijzigingen in de bestemming van delen van de vermelde oppervlakten die zijn opgetreden binnen drie maanden vóór de datum waarop naar verwachting met de oogst wordt begonnen, dan ook wanneer die wijzigingen zijn opgetreden eerder dan drie maanden vóór het daadwerkelijke begin van de oogst van de sojabonen waarop het contract betrekking heeft?
7) Ingeval vraag 5 ontkennend wordt beantwoord, geldt de in artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 2537/89 van de Commissie neergelegde verplichting tot mededeling van wijzigingen in de bestemming van meer dan 10 % van de in het contract vermelde oppervlakte dan ook in geval van verschillende na elkaar opgetreden wijzigingen die afzonderlijk beschouwd op minder, maar te zamen op meer dan 10 % van de oppervlakte betrekking hebben?"
De eerste vier vragen
13 De eerste vier vragen van de verwijzende rechter hebben betrekking op de geldigheid van artikel 29 bis van verordening nr. 2537/89, zoals gewijzigd, en kunnen gezamenlijk worden onderzocht.
14 De nationale rechter vraagt zich af, of de Commissie, zonder de grenzen van de haar bij artikel 2, lid 8, van verordening nr. 1491/85 verleende bevoegdheid te overschrijden en zonder in strijd te komen met het evenredigheidsbeginsel, kon bepalen, zoals zij bij artikel 29 bis, lid 1, van verordening nr. 2537/89 heeft gedaan, dat in geval van onregelmatigheden die het gevolg zijn van een door de producent begane grove nalatigheid met betrekking tot de in artikel 6, lid 3, van dezelfde verordening neergelegde verplichting om de bevoegde nationale instanties in kennis te stellen van wijzigingen in de ingezaaide oppervlakten, de sancties bestaan in ongeldigheid van het teeltcontract en uitsluiting van de producent van toekenning van de steun voor het lopende en het daaropvolgende verkoopseizoen.
15 Volgens Castello is die bepaling ongeldig. Zij stelt, dat een zo zware sanctie als het verlies van het recht op steun wel kon worden verbonden aan de verplichting om op het grondgebied van de Gemeenschap sojabonen te produceren, die de hoofdverplichting is van de in 1985 ingevoerde steunregeling, doch niet aan de verplichting om grotere wijzigingen in de bestemming van de ingezaaide oppervlakten door te geven, die enkel een bijkomende verplichting van de steunregeling is.
16 De Commissie daarentegen verdedigt, dat de betrokken bepaling geldig is. Volgens haar is de verplichting om wijzigingen in de ingezaaide oppervlakten door te geven, onontbeerlijk voor de bevoegde overheidsinstanties om zich ervan te kunnen vergewissen, dat enkel voor de daadwerkelijk op het grondgebied van de Gemeenschap geproduceerde bonen steun wordt ontvangen, en kan niet-nakoming van deze verplichting worden bestraft met het verlies van het recht op steun voor het lopende en het daaropvolgende verkoopseizoen, zonder dat daarmee het evenredigheidsbeginsel of de omvang van de door de Raad aan de Commissie verleende bevoegdheden wordt miskend.
17 Blijkens hetgeen de Commissie voor het Hof onweersproken heeft gesteld, vormen de in de Gemeenschap geoogste sojabonen slechts een klein gedeelte van de bonen die aldaar worden verwerkt. In een stelsel als hetwelk in 1985 door de Raad is ingevoerd, waarin de steun aan de verwerkers wordt toegekend naar gelang van de hoeveelheid binnen de Gemeenschap geproduceerde en verwerkte sojabonen, is het absoluut noodzakelijk dat de herkomst van de bonen kan worden gecontroleerd, zodat zeker is dat de steun uitsluitend ten goede komt aan de in de Gemeenschap geoogste bonen, want alleen daarvan wordt de produktie aangemoedigd.
18 De in de teeltcontracten op te nemen gegevens over de ingezaaide oppervlakten zijn nu juist elementen van de controle- en bewijsregeling die is ingesteld om met zekerheid de herkomst van de bonen vast te stellen.
19 De betrouwbaarheid van die gegevens is noodzakelijk voor de goede werking van de regeling. Zonder betrouwbare gegevens over de ingezaaide oppervlakten kan immers moeilijk worden gecontroleerd, of, gezien de in de teeltcontracten vermelde opbrengsten, de door de eerste koper opgegeven hoeveelheden bonen op basis waarvan het steunbedrag wordt berekend, daadwerkelijk op het grondgebied van de Gemeenschap zijn geoogst en niet uit derde landen zijn ingevoerd. Indien dergelijke gegevens niet beschikbaar waren, zou ° zoals de Commissie opmerkt ° in het bijzonder geen vergelijking kunnen worden gemaakt met de andere gegevens die de producent en de eerste koper nog aan de bevoegde nationale instanties moeten verstrekken, zoals de voorraadboekhouding en de financiële boekhouding.
20 De betrouwbaarheid van de gegevens over de ingezaaide oppervlakten is evenwel enkel gewaarborgd, indien de bevoegde nationale instanties door de producenten in kennis worden gesteld van wijzigingen in de bestemming van de in het teeltcontract opgegeven oppervlakten, die ingevolge artikel 6, lid 3, eerste alinea, van de gewijzigde verordening nr. 2537/89, behoudens overmacht, voor de sojateelt zijn gereserveerd.
21 Dit is het doel van het bepaalde in artikel 6, lid 3, tweede alinea, van deze verordening, dat de producenten in een aanvulling op het contract opgave moeten doen van elke wijziging van de ingezaaide oppervlakten die zou optreden vóór de indiening van het contract bij de bevoegde nationale instantie, en van het bepaalde in artikel 6, lid 3, derde alinea, dat wijzigingen boven een bepaalde omvang die na de indiening van het contract optreden, aan deze instantie moeten worden meegedeeld.
22 De verplichting voor de producent om wijzigingen aan de bevoegde instantie mede te delen, zoals in artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2537/89 is bepaald, vormt dan ook een essentiële verplichting voor de goede werking van de steunregeling en zij is voor deze regeling dus van fundamenteel belang.
23 Volgens artikel 29 bis, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2537/89, zoals gewijzigd, kunnen evenwel alleen dan sancties worden opgelegd ter zake van overtredingen van deze verplichting, wanneer deze het gevolg zijn van opzet of grove nalatigheid van de producent. Voorts moet deze bepaling, gezien de bewoordingen van artikel 29 bis, lid 4, aldus worden begrepen, dat de bevoegde nationale instanties een of meer van de aldaar genoemde sancties kunnen opleggen naar gelang van de ernst van de aan de producent verweten niet-nakoming, zoals door de Commissie is betoogd en door Castello ter terechtzitting is erkend.
24 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen de verplichtingen waarvan de nakoming van fundamenteel belang is voor het goed functioneren van een gemeenschapsregeling, worden gesanctioneerd met het verlies van een recht op grond van de gemeenschapsregeling, zoals het recht op steun (zie in deze zin arresten van 20 februari 1979, zaak 122/78, Buitoni, Jurispr. 1979, blz. 677, en 27 november 1986, zaak 21/85, Maas, Jurispr. 1986, blz. 3537).
25 Door te voorzien in sancties die kunnen gaan tot het verlies van het recht op steun voor het lopende en het daaropvolgende verkoopseizoen, wanneer de producent van sojabonen opzettelijk of als gevolg van een grove nalatigheid zijnerzijds een zo belangrijke verplichting voor het goed functioneren van de steunregeling heeft overtreden als de verplichting om wijzigingen in de ingezaaide oppervlakten mee te delen, heeft de Commissie noch het evenredigheidsbeginsel miskend noch de grenzen overschreden van de haar bij artikel 2, lid 8, van verordening nr. 1491/85 toegekende uitvoeringsbevoegdheid, die de bevoegdheid omvat om passende sancties vast te stellen (zie arrest van 2 mei 1990, zaak C-357/88, Hopermann, Jurispr. 1990, blz. I-1669, r.o. 7).
26 Het staat ter beoordeling van de nationale rechter, of het verzuim waaraan een producent zich schuldig heeft gemaakt, het gevolg is van opzet of grove nalatigheid zijnerzijds en of de gekozen sanctie overeenkomstig artikel 29 bis, lid 4, van verordening nr. 2537/89, zoals gewijzigd, evenredig is aan de geconstateerde overtreding, gelet op de noodzaak om de goede werking van de betrokken steunregeling te verzekeren.
27 Mitsdien moet de verwijzende rechter worden geantwoord, dat bij onderzoek van de eerste vier prejudiciële vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 29 bis van verordening nr. 2537/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 150/90, kunnen aantasten.
De laatste drie vragen
28 De laatste drie vragen van de verwijzende rechter hebben betrekking op de uitlegging van artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2537/89. De nationale rechter wenst te vernemen, of de in deze bepaling bedoelde mededelingsplicht van toepassing is op een vermindering van de ingezaaide oppervlakten zoals die welke bij Castello is opgetreden.
29 In de eerste plaats vraagt de nationale rechter zich af, of de in artikel 6, lid 3, bedoelde "wijzigingen" ook verminderingen van de bebouwde oppervlakten dekken, waartoe een producent is overgegaan wegens overvloedige regenval in de loop van een verkoopseizoen. Vervolgens vraagt hij zich af, of de producenten verplicht zijn de bevoegde nationale instantie in kennis te stellen van wijzigingen die eerder dan drie maanden vóór de datum waarop naar verwachting met de oogst zal worden begonnen, maar na de ondertekening van het contract zijn opgetreden. Ten slotte vraagt hij zich af, of deze producenten verplicht zijn tot mededeling van wijzigingen die elk afzonderlijk op minder, maar te zamen op meer dan 10 % van de oorspronkelijk in het contract aangegeven oppervlakte betrekking hebben.
30 Zoals gezegd, onderstelt de goede werking van de steunregeling, dat de nationale instanties over betrouwbare gegevens beschikken omtrent de bebouwde oppervlakten die, behoudens overmacht, uitsluitend voor de sojateelt mogen worden bestemd, en dat deze instanties dus in beginsel in kennis worden gesteld van alle wijzigingen, van welke aard en oorsprong ook, die in de bestemming van deze oppervlakten optreden.
31 Gezien deze doelstelling moet de uitdrukking "wijziging (...) in de bestemming van de opgegeven oppervlakten" in artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2537/89 ruim worden opgevat, zodat hieronder alle wijzigingen vallen in de oppervlakten die volgens opgave zouden worden ingezaaid. Hieronder vallen ook verminderingen van de bebouwde oppervlakten als gevolg van natuurlijke gebeurtenissen zoals overvloedige regenval.
32 Hoewel de verwijzende rechter dit punt niet expliciet aan de orde heeft gesteld, moet gezien de opmerkingen van Castello worden gepreciseerd, dat het bepaalde in artikel 6, lid 3, eerste alinea, dat de in het teeltcontract opgegeven oppervlakten, "behoudens overmacht", voor de verbouw van soja zijn bestemd, er enkel en alleen toe strekt, de producent in uitzonderingsgevallen te ontslaan van zijn verplichting om de betrokken oppervlakten enkel voor de produktie van sojabonen te gebruiken. Deze bepaling bevrijdt de producent evenwel niet van de in artikel 6, lid 3, tweede en derde alinea, bedoelde verplichting om de bevoegde instanties van deze wijziging in de bestemming van de oppervlakten in kennis te stellen.
33 Gezien de doelstelling van controle en voorkoming van fraude die met artikel 6 van verordening nr. 2537/89 wordt nagestreefd, moet elke wijziging die optreedt na de ondertekening van het contract en vóór het begin van de oogst, aan de bevoegde overheidsinstantie worden meegedeeld, hetzij in de vorm van een aanvulling op het teeltcontract, zoals bepaald in artikel 6, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 2537/89, hetzij, ingeval de wijziging meer bedraagt dan de in artikel 6, lid 3, derde alinea, vastgestelde omvang, in de vorm van een mededeling van de producent aan de bevoegde instantie, de controle-instantie en de eerste koper, zoals bepaald in laatstgenoemd voorschrift.
34 Dat laatstgenoemde bepaling spreekt van wijzigingen die zouden optreden "binnen drie maanden vóór de datum waarop naar verwachting met de oogst van de sojabonen (...) zal worden begonnen", betekent niet, dat wijzigingen die na de indiening van het contract, maar eerder dan drie maanden vóór het begin van de oogst zijn opgetreden, van de mededelingsplicht zouden zijn uitgesloten. Indien dat het geval zou zijn, en aangenomen dat de teeltcontracten eerder dan drie maanden vóór het begin van de oogst kunnen worden ingediend, dan zouden de producenten immers wijzigingen in de bebouwde oppervlakten kunnen aanbrengen zonder medeweten van de bevoegde instanties, waardoor de kans op fraude, die het mededelingsstelsel juist wil voorkomen, zou toenemen.
35 Het belang van de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens over de ingezaaide oppervlakten rechtvaardigt ook dat wijzigingen die, elk afzonderlijk of te zamen, meer dan 10 % uitmaken van de oppervlakte die is opgegeven in het teeltcontract en in voorkomend geval in de aanvullingen daarop, en meer dan één hectare daarvan bedragen, aan de bevoegde instantie worden meegedeeld. Inzonderheid kan, op het gevaar af de kans op fraude te vergroten, de uitdrukking "telkens wanneer [een] wijziging meer dan [deze omvang] bedraagt" in artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 2537/89, niet worden uitgelegd als enkel betrekking te hebben op wijzigingen die, afzonderlijk beschouwd, aan beide voorwaarden voldoen.
36 Mitsdien moet op de laatste drie vragen van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2537/89 aldus moet worden uitgelegd, dat een sojaproducent verplicht is de bevoegde instantie in kennis te stellen van elke wijziging in de in het teeltcontract opgegeven oppervlakten, en met name van elke vermindering van deze oppervlakten, ook al houdt deze verband met natuurlijke gebeurtenissen zoals overvloedige regenval, wanneer deze wijziging optreedt vóór de indiening van het contract, alsmede van alle wijzigingen die optreden na de indiening van het teeltcontract en die, elk afzonderlijk of te zamen, meer dan 10 % van de in het teeltcontract opgegeven oppervlakten en meer dan één hectare bedragen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale civile e penale di Ravenna bij beschikking van 3 maart 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Bij onderzoek van de eerste vier prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 29 bis van verordening (EEG) nr. 2537/89 van de Commissie van 8 augustus 1989 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de bijzondere maatregelen voor sojabonen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 150/90 van de Commissie van 19 januari 1990, kunnen aantasten.
2) Artikel 6, lid 3, van deze verordening moet aldus worden uitgelegd, dat een sojaproducent verplicht is de bevoegde instantie in kennis te stellen van elke wijziging in de in het teeltcontract opgegeven oppervlakten, en met name van elke vermindering van deze oppervlakten, ook al houdt deze verband met natuurlijke gebeurtenissen zoals overvloedige regenval, wanneer deze wijziging optreedt vóór de indiening van het contract, alsmede van alle wijzigingen die optreden na de indiening van het teeltcontract en die, elk afzonderlijk of te zamen, meer dan 10 % van de in het teeltcontract opgegeven oppervlakten en meer dan één hectare bedragen.
Full & Egal Universal Law Academy