Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen ° Richtlijnen ° Uitvoering door Lid-Staten ° Ontoereikendheid van eenvoudige administratieve praktijken
(EG-Verdrag, art. 189, derde alinea)
2. Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Niet-nakoming ° Rechtvaardiging ° Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 169)
Samenvatting
1. Eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, zijn niet te beschouwen als een correcte uitvoering van de verplichting die krachtens artikel 189 van het Verdrag rust op de Lid-Staten waarvoor een richtlijn bestemd is.
2. Een Lid-Staat kan zich niet beroepen op nationale situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door gemeenschapsrichtlijnen opgelegde verplichtingen en termijnen.
Partijen
In de gevoegde zaken C-109/94, C-207/94 en C-225/94,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door M. Apessos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat (C-109/94), A. Samoni-Rantou, adjunct-bijzonder juridisch adviseur bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken (C-207/94 en C-225/94), en N. Dafniou, secretaris bij diezelfde dienst (C-109/94, C-207/94 en C-225/94), als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen ° en (C-109/94), subsidiair (C-207/94 en C-225/94), deze niet binnen de gestelde termijn aan de Commissie mee te delen ° om te voldoen aan: in zaak C-109/94, richtlijn 90/618/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging, met name wat de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betreft, van richtlijn 73/239/EEG en richtlijn 88/357/EEG tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (PB 1990, L 330, blz. 44), in zaak C-207/94, de Tweede richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 73/239/EEG (PB 1988, L 172, blz. 1), en, in zaak C-225/94, de Tweede richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 79/267/EEG (PB 1990, L 330, blz. 50), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, P. Jann, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward en L. Sevón (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 11 mei 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 april 1994 (C-109/94), 14 juli 1994 (C-207/94) en 1 augustus 1994 (C-225/94), heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag drie beroepen ingesteld tot vaststelling dat de Helleense Republiek, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen ° en (C-109/94), subsidiair (C-207/94 en C-225/94), deze niet binnen de gestelde termijn aan de Commissie mee te delen ° om te voldoen aan: in zaak C-109/94, richtlijn 90/618/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging, met name wat de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betreft, van richtlijn 73/239/EEG en richtlijn 88/357/EEG tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (PB 1990, L 330, blz. 44; hierna: "richtlijn 90/618"), in zaak C-207/94, de Tweede richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 73/239/EEG (PB 1988, L 172, blz. 1; hierna: "richtlijn 88/357"), en, in zaak C-225/94, de Tweede richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 79/267/EEG (PB 1990, L 330, blz. 50; hierna: "richtlijn 90/619"), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Bij beschikking van 16 december 1994 heeft de president van het Hof de drie zaken voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.
3 Ingevolge artikel 12 van richtlijn 90/618, artikel 32 van richtlijn 88/357 en artikel 30 van richtlijn 90/619 moesten de Lid-Staten vóór respectievelijk 20 mei 1992, 31 december 1989 en 20 november 1992 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen om aan de respectieve richtlijnen te voldoen. Ingevolge diezelfde artikelen moesten zij ook de Commissie onmiddellijk van de vaststelling van die bepalingen in kennis stellen.
4 Daar zij niets had vernomen van maatregelen om genoemde richtlijnen in de Griekse rechtsorde om te zetten en over geen andere informatie beschikte waaruit zij kon afleiden dat de Helleense Republiek aan haar verplichtingen had voldaan, besloot de Commissie de procedure van artikel 169 van het Verdrag in te leiden. Bij aanmaningsbrieven van respectievelijk 6 augustus 1992, 4 september 1990 en 21 december 1992 verzocht zij de Griekse regering, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
5 In zaak C-109/94 antwoordden de Griekse autoriteiten de Commissie bij brief van 7 december 1992 en deden haar een ontwerp-presidentieel decreet toekomen, dat er onder meer toe strekte, de bepalingen van richtlijn 90/618 om te zetten. In de zaken C-207/94 en C-225/94 hebben de Griekse autoriteiten niet op de aanmaningsbrief geantwoord.
6 Op respectievelijk 7 juli 1993, 6 augustus 1992 en 15 februari 1994 deed de Commissie de Helleense Republiek met redenen omklede adviezen toekomen, waarin zij haar verzocht, binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te nemen om eraan te voldoen. In zaak C-109/94 kondigde de Helleense Republiek bij brief van 21 september 1993 aan, dat de voorbereidingsprocedure voor voormeld presidentieel decreet in haar eindfase was getreden. In de zaken C-207/94 en C-225/94 reageerde zij niet. Daarop heeft de Commissie de onderhavige beroepen ingesteld.
7 Op grond van de artikelen 5, eerste alinea, en 189, derde alinea, EG-Verdrag alsook de artikelen 12, 32 en 30 van de richtlijnen 90/618, 88/357 en 90/619, is de Commissie van mening, dat de Helleense Republiek de nodige maatregelen moest nemen om binnen de gestelde termijnen aan de betrokken richtlijnen te voldoen.
8 Ofschoon concluderend tot afwijzing van het beroep, betwist de Helleense Republiek niet, dat de richtlijnen niet binnen de gestelde termijnen zijn omgezet. Zij erkent bovendien, dat zij tot een dergelijke omzetting verplicht is. Toch wijst zij in zaak C-109/94 erop, dat de ontbrekende omzetting van richtlijn 90/618 in nationaal recht niet verhindert, dat de bepalingen van die richtlijn in de praktijk daadwerkelijk worden toegepast. Op die richtlijn gebaseerde verzoeken van communautaire ondernemingen zouden immers zijn ingewilligd.
9 Dat betoog kan niet worden aanvaard. Volgens vaste rechtspraak zijn eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, niet te beschouwen als een correcte uitvoering van de verplichtingen die het Verdrag oplegt (zie arrest van 17 november 1992, zaak C-235/91, Commissie/Ierland, Jurispr. 1992, blz. I-5917, r.o. 10).
10 Anderzijds merkt de Helleense Republiek zowel in zaak C-109/94 als in zaak C-225/94 op, dat de Raad van State omzetting van de richtlijnen 90/618, 88/357 en 90/619 bij presidentieel decreet onmogelijk heeft geacht, aangezien de bepalingen van die richtlijnen intussen zijn gewijzigd, vervangen of ingetrokken bij richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (Derde richtlijn schadeverzekering ° PB 1992, L 228, blz. 1; hierna: "richtlijn 92/49"), en bij richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Derde levensrichtlijn ° PB 1992, L 360, blz. 1; hierna: "richtlijn 92/96"). Volgens het advies van de Raad van State dreigt een dergelijk decreet immers naar niet meer bestaande handelingen te verwijzen. Overeenkomstig dat advies hebben de bevoegde autoriteiten het initiatief genomen tot een nieuw presidentieel decreet dat de vijf richtlijnen 88/357, 90/618, 90/619, 92/49 en 92/96 zal omzetten.
11 Het is vaste rechtspraak, dat een Lid-Staat zich niet kan beroepen op nationale situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door gemeenschapsrichtlijnen opgelegde verplichtingen en termijnen (zie arrest van 2 augustus 1993, zaak C-303/92, Commissie/Nederland, Jurispr. 1993, blz. I-4739, r.o. 9).
12 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijnen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen om aan de richtlijnen 90/618, 88/357 en 90/619 te voldoen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. De Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van de Helleense Republiek in de kosten. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijnen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan
° richtlijn 90/618/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging, met name wat de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betreft, van richtlijn 73/239/EEG en richtlijn 88/357/EEG tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche,
° de Tweede richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1998 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 73/239/EEG,
en
° de Tweede richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 79/267/EEG,
is de Helleense Republiek de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy