Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden ° Gelijke behandeling ° Richtlijn 76/207 ° Werkingssfeer ° Gezinsbijslag bedoeld om laagbetaalde werknemers aan het werk te houden ° Daaronder begrepen ° Toegang tot arbeidsproces ° Begrip ° Arbeidsvoorwaarden ° Begrip
(Richtlijn nr. 76/207 van de Raad)
Samenvatting
Een uitkering als "family credit", die in Groot-Brittannië kan worden verleend aan een persoon wiens inkomen een bepaald bedrag niet overschrijdt, indien hijzelf of zijn echtgenoot betaalde arbeid verricht en hijzelf of zijn echtgenoot een kind of een gezinslid ten laste heeft, en die een dubbele functie vervult, namelijk, enerzijds, laagbetaalde werknemers aan het werk houden en, anderzijds, de gezinslasten verlichten, valt op grond van haar eerste functie binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.
Het begrip toegang tot het arbeidsproces in artikel 3 van de richtlijn moet immers aldus worden uitgelegd, dat het niet alleen betrekking heeft op de vóór het ontstaan van een arbeidsverhouding bestaande omstandigheden. Het vooruitzicht om bij aanvaarding van een laagbetaalde betrekking "family credit" te ontvangen, stimuleert een werkloze werknemer om die betrekking te aanvaarden, zodat de uitkering verband houdt met overwegingen betreffende de toegang tot het arbeidsproces. De eerbiediging van het fundamentele beginsel van gelijke behandeling impliceert overigens, dat een uitkering als "family credit", die noodzakelijkerwijs verband houdt met een arbeidsverhouding, een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 van de richtlijn vormt.
Partijen
In zaak C-116/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Social Security Commissioner, London, in het aldaar aanhangig geding tussen
J. Meyers
en
Adjudication Officer,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn (rapporteur), kamerpresident, C. N. Kakouris en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° J. Meyers, vertegenwoordigd door R. Drabble, Barrister, gemachtigd door D. Thomas, Solicitor,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Braviner van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door C. Vajda, Barrister,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius en C. Docksey, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van J. Meyers, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 23 maart 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 11 februari 1994, ten Hove ingekomen op 19 april daaraanvolgend, heeft de Social Security Commissioner, London, krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen J. Meyers en de Adjudication Officer over het recht van eerstgenoemde om voor de verkrijging van family credit de kosten van kinderopvang in mindering te brengen op haar bruto-inkomen.
3 Family credit is een inkomensafhankelijke uitkering, die wordt verleend ter aanvulling van het inkomen van werknemers met een laag inkomen die een kind ten laste hebben.
4 Volgens artikel 20 van de Social Security Act 1986 heeft een persoon in Groot-Brittannië recht op family credit, indien op het ogenblik waarop de aanvraag daartoe wordt gedaan of wordt geacht te zijn gedaan:
° zijn inkomsten bepaalde bedragen niet overschrijden,
° hijzelf of, in voorkomend geval, zijn echtgenoot of degene met wie hij ongehuwd samenleeft, regelmatig betaalde arbeid verricht, en
° hijzelf of, in voorkomend geval, zijn echtgenoot of degene met wie hij ongehuwd samenleeft, een gezinslid, te weten een kind of een andere persoon die aan de gestelde voorwaarden voldoet, ten laste heeft.
5 Artikel 20, lid 6, bepaalt, dat "family credit wordt betaald gedurende een periode van 26 weken of gedurende elke andere voorgeschreven periode (...) en (dat), onder voorbehoud van een aantal bepalingen, de verlening en het bedrag ervan niet worden beïnvloed door enige verandering van omstandigheden gedurende die periode (...)"
6 Meyers, die alleenstaand ouder is, diende een aanvraag om family credit in voor haarzelf en haar driejarige dochter. De Adjudication Officer wees deze aanvraag af, op grond dat haar inkomen, zoals voor deze uitkering berekend, hoger lag dan het bedrag dat recht geeft op de uitkering.
7 In haar beroep tegen deze beslissing betoogde Meyers voor het Social Security Appeal Tribunal, dat het niet-aftrekken van de kosten van kinderopvang voor de berekening van haar netto-inkomen een discriminatie van alleenstaande ouders opleverde, omdat echtparen veel gemakkelijker hun arbeidsuren aldus kunnen aanpassen dat één van hen de kinderen kan opvangen. Aangezien het merendeel der alleenstaande ouders vrouwen zijn, gaat het om een indirecte discriminatie van vrouwen.
8 Het Social Security Appeal Tribunal aanvaardde dit argument van Meyers.
9 In het hoger beroep voor de Social Security Commissioner betwisten partijen echter niet, dat de rechter in eerste aanleg een onjuiste toepassing heeft gegeven aan een bepaling van nationaal recht. De Social Security Commissioner merkt op, dat Meyers een beroep kan doen op de rechtstreekse werking van artikel 2, lid 1, van de richtlijn, indien family credit binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.
10 De prejudiciële vraag, die derhalve enkel betrekking heeft op dit laatste punt, luidt als volgt:
"Valt een uitkering met de kenmerken en het doel van family credit binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207/EEG van de Raad?"
11 Volgens artikel 1, lid 1, van de richtlijn beoogt deze de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. Artikel 1, lid 2, preciseert, dat, teneinde de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te waarborgen, de Raad op voorstel van de Commissie bepalingen vaststelt waarbij met name de inhoud, de draagwijdte en de wijze van toepassing van dat beginsel nader worden omschreven.
12 Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling, de uitzondering op de werkingssfeer van de richtlijn, zoals in artikel 1, lid 2, daarvan voorzien op het gebied van de sociale zekerheid, strikt te worden uitgelegd (zie arresten van 26 februari 1986, zaak 151/84, Roberts, Jurispr. 1986, blz. 703, r.o. 35, en zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r.o. 36).
13 Zo heeft het Hof geoordeeld, dat een uitkeringsregeling niet van de werkingssfeer van de richtlijn kan worden uitgesloten op de enkele grond dat zij formeel een onderdeel vormt van een nationaal stelsel van sociale zekerheid. Een dergelijke regeling kan binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, indien zij verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces, daaronder begrepen de promotiekansen en de beroepsopleiding, alsmede met de arbeidsvoorwaarden. Het enkele feit dat de voorwaarden voor het recht op uitkeringen de mogelijkheid van een alleenstaand ouder om toegang tot het arbeidsproces te verkrijgen, ongunstig kunnen beïnvloeden, volstaat echter niet om aan te nemen dat de richtlijn van toepassing is (zie arrest van 16 juli 1992, gevoegde zaken C-63/91 en C-64/91, Jackson en Cresswell, Jurispr. 1992, blz. I-4737, r.o. 27, 28 en 31).
14 Tegen de achtergrond van die voorwaarden moet dus worden bepaald, of de kenmerken van een uitkering als family credit van dien aard zijn, dat de uitkering binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
15 Volgens het Verenigd Koninkrijk is family credit ingevolge artikel 1, lid 2, van de richtlijn uitgesloten van de werkingssfeer van de richtlijn. Family credit beoogt personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften te voorzien, een aanvullend inkomen te verzekeren. Deze kwalificatie van aanvullend inkomen is gerechtvaardigd, omdat indien een echtpaar de aanvraag indient, family credit aan de vrouw wordt betaald, ongeacht het feit of zij degene is die in loondienst werkzaam is. Het Verenigd Koninkrijk beklemtoont voorts, dat zelfs in geval van een wijziging van de situatie, de betaling gedurende een periode van 26 weken wordt voortgezet, en dat de beroepen tegen beslissingen inzake deze uitkeringen worden ingesteld bij de instanties die op het gebied van de sociale zekerheid bevoegd zijn. Tot slot stelt het Verenigd Koninkrijk, dat family credit niet betrekking heeft op de toegang tot het arbeidsproces, aangezien de uitkering wordt verleend aan personen die reeds een beroep uitoefenen, noch op de arbeidsvoorwaarden, aangezien het daarbij slechts gaat om de maatregelen die in het arbeidscontract voorkomen of door de werkgever op de werknemer worden toegepast in het kader van diens betrekking.
16 Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard.
17 Blijkens het reeds aangehaalde arrest Jackson en Cresswell kan het feit dat een uitkeringsregeling formeel een onderdeel van een nationaal stelsel van sociale zekerheid vormt, waardoor in het hoofdgeding de nationale rechtsmiddelen op het gebied van de sociale zekerheid gelden, deze regeling niet uitsluiten van de werkingssfeer van de richtlijn.
18 In zijn arrest van 16 juli 1992 (zaak C-78/91, Hughes, Jurispr. 1992, blz. I-4839, r.o. 19) heeft het Hof opgemerkt, dat family credit in Noord-Ierland een dubbele functie vervult, namelijk, enerzijds, laagbetaalde werknemers aan het werk houden en, anderzijds, de gezinslasten verlichten. Op grond van deze tweede functie oordeelde het Hof (r.o. 20), dat een uitkering als family credit onder de werkingssfeer viel van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
19 Deze kwalificatie neemt echter niet weg, dat een uitkering van dezelfde aard, in haar functie van het aan het werk houden van laagbetaalde werknemers, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, voor zover zij verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces en de arbeidsvoorwaarden.
20 In het hoofdgeding wordt niet betwist, dat het verrichten van betaalde arbeid één van de voorwaarden voor de verlening van family credit is. Volgens de teksten waarnaar de regering van het Verenigd Koninkrijk in haar schriftelijke opmerkingen verwijst, beoogt de uitkering te verzekeren, dat gezinnen zich niet in een ongunstigere materiële situatie bevinden indien zij werken, dan indien zij niet werken. De uitkering beoogt aldus laagbetaalde werknemers aan het werk te houden.
21 Zo gezien houdt family credit verband met de toegang tot het arbeidsproces, als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn.
22 Hieraan moet worden toegevoegd, dat het begrip toegang tot het arbeidsproces niet alleen betrekking heeft op de vóór het ontstaan van een arbeidsverhouding bestaande omstandigheden. Gelijk de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft beklemtoond, wordt een werkloze werknemer door het vooruitzicht van bij aanvaarding van een laagbetaalde betrekking family credit te ontvangen, gestimuleerd om die betrekking te aanvaarden, zodat de uitkering verband houdt met overwegingen betreffende de toegang tot het arbeidsproces.
23 Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de andere argumenten van de regering van het Verenigd Koninkrijk, waarmee deze wil aantonen, dat er geen verband bestaat met een arbeidsverhouding. Het is immers juist de arbeidsverhouding die het recht op de uitkering doet ontstaan, zelfs indien de werknemer niet de rechtstreeks begunstigde van deze uitkering is, hetgeen het geval is wanneer een niet-werkende gehuwde of samenlevende vrouw de uitkering ontvangt op grond van de arbeid verricht door haar echtgenoot of door de persoon met wie zij samenleeft. Het feit dat het recht op family credit niet ongunstig wordt beïnvloed door het verlies van de betrekking of door een salarisverhoging in de 26 weken van toekenning, kan geen afbreuk doen aan de vaststelling, dat de uitkering alleen wordt verleend, indien de aanvrager betaalde arbeid verricht en een inkomen geniet dat een bepaald bedrag niet overschrijdt.
24 De eerbiediging van het fundamentele beginsel van gelijke behandeling impliceert overigens, dat een uitkering als family credit, die noodzakelijkerwijs verband houdt met een arbeidsverhouding, een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 van de richtlijn vormt. Indien laatstgenoemd begrip enkel betrekking had op de in het arbeidscontract opgenomen of door de werkgever in het kader van de betrekking toegepaste arbeidsvoorwaarden, zou dit betekenen, dat situaties die rechtstreeks verband houden met de arbeidsverhouding, aan de werkingssfeer van de richtlijn worden onttrokken.
25 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat een uitkering met de kenmerken en het doel van family credit verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces en de arbeidsvoorwaarden en om die reden binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door door de Social Security Commissioner, London, bij beschikking van 11 februari 1994 gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Een uitkering met de kenmerken en het doel van family credit houdt verband met de toegang tot het arbeidsproces en de arbeidsvoorwaarden en valt om die reden binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.
Full & Egal Universal Law Academy