Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Vacature ° Onwettigheid van afwijzing van sollicitatie van ambtenaar wegens motiveringsgebrek ° Nietigverklaring van gehele procedure tot voorziening in ambt te zware sanctie ° Vergoeding van morele schade als gevolg van dienstfout
Samenvatting
De noodzaak rekening te houden met de belangen van derden, kan een reden vormen waarom de onwettigheid, wegens gebrek aan motivering, van het besluit tot afwijzing van de sollicitatie van een ambtenaar naar een vacant ambt, ongeldigverklaring van de gehele aanstellingsprocedure niet rechtvaardigt, in welk geval de toekenning van een schadeloosstelling de juiste vergoeding kan vormen voor de uit de dienstfout aan de verzoeker berokkende morele schade. Derhalve moet de hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht waarin deze vorm van herstel van de onwettigheid is aanvaard, worden afgewezen.
Partijen
In zaak C-119/94 P,
D. Coussios, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door G. Sakellaropoulos, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 32,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het op 23 februari 1994 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen in de gevoegde zaken T-18/92 en T-68/92 tussen Coussios en Commissie gewezen arrest (JurAmbt. 1994, blz. II-171), en strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valsesia, juridisch hoofdadviseur, en A. M. Alves Vieira, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 2 februari 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 april 1994, heeft D. Coussios krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en Euratom, hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 23 februari 1994 (gevoegde zaken T-18/92 en T-68/92, Coussios/Commissie, JurAmbt. 1994, blz. II-171), voor zover daarbij zijn afgewezen zijn conclusies tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 13 februari 1992 om
° niet in het bij kennisgeving van vacature COM/64/91 vacant verklaarde ambt te voorzien bij wege van bevordering of overplaatsing,
° geen intern vergelijkend onderzoek te organiseren, en
° een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren.
2 Blijkens het bestreden arrest heeft requirant gesolliciteerd naar het ambt van hoofd van een nieuwe eenheid, genaamd DG VII.C.3, dat op 2 mei 1991 vacant werd verklaard bij kennisgeving van vacature COM/64/91.
3 Op 5 juli 1991 verzocht de Commissie de andere instellingen, deze kennisgeving van vacature ter kennis van hun personeelsleden te brengen. Op 8 juli 1991 ging de Commissie over tot "nieuwe publikatie" van de kennisgeving, waarvan de tekst was gewijzigd. Requirant solliciteerde opnieuw.
4 Op 6 maart 1992 stelde requirant bij het Gerecht een eerste beroep in (T-18/92), dat met name strekte tot nietigverklaring van het besluit om de kennisgeving van vacature "opnieuw te publiceren".
5 Op 13 februari 1992 besloot de Commissie niet in het vacante ambt te voorzien en geen intern vergelijkend onderzoek te houden, doch een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren.
6 Dit besluit werd requirant meegedeeld bij nota van 14 april 1992. Op 22 april 1992 diende hij een klacht in. Op 22 augustus 1992 moest de klacht worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen. Op 18 september 1992 stelde requirant bij het Gerecht zijn tweede beroep in (T-68/92), strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 13 februari 1992. Op 28 september 1992 ontving hij een uitdrukkelijke afwijzing van zijn klacht van 22 april 1992.
7 Het Gerecht hoorde partijen ter terechtzitting van 27 april 1993. In verband met de uitspraak door het Hof van de arresten van 6 juli 1993 (zaak C-242/90 P, Albani e.a., Jurispr. 1993, blz. I-3839) en 9 december 1993 (zaak C-115/92 P, Volger, Jurispr. 1993, blz. I-6549), besloot het Gerecht op 16 december 1993, de mondelinge behandeling te heropenen. Ter terechtzitting van 12 januari 1994 werden partijen gehoord over de aan deze arresten te verbinden gevolgen.
8 Bij het bestreden arrest verwierp het Gerecht het beroep in zaak T-18/92 in zijn geheel.
9 In zaak T-68/92 stelde het Gerecht vast, dat het besluit van 13 februari 1992 moest worden beschouwd als een weigering om in het vacant verklaarde ambt te voorzien bij wege van bevordering van requirant en dat requirant vóór de instelling van zijn beroep geen met redenen omkleed besluit tot afwijzing van zijn klacht had ontvangen. Het achtte op grond daarvan het middel dat requirant ontleende aan gebrek aan motivering van het besluit om zijn sollicitatie niet in aanmerking te nemen, gegrond en het besluit onwettig (r.o. 92).
10 Voorts achtte het Gerecht de besluiten om geen intern vergelijkend onderzoek te houden, doch een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren, als zodanig niet onwettig (r.o. 100).
11 Het vroeg zich evenwel af, "in hoeverre deze besluiten niet onwettig zijn ingevolge de onwettigheid, wegens gebrek aan motivering, van de afwijzing van verzoekers sollicitatie om bij wege van bevordering in het litigieuze ambt te worden aangesteld" (r.o. 101), en stelde vast, dat "de afwijzing van de sollicitaties naar bevordering (...) overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub a, Ambtenarenstatuut (...) een noodzakelijke voorwaarde (is) om te kunnen overgaan tot de volgende fasen van de in artikel 29, lid 1, bedoelde procedure" (r.o. 102). Het leidde daaruit af, dat "de vastgestelde onwettigheid (...) de onwettigheid meebrengt van de besluiten om geen intern vergelijkend onderzoek te houden, doch een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren" (r.o. 103).
12 Het Gerecht verwees echter naar de rechtspraak van het Hof volgens welke het evenredigheidsbeginsel vereist, dat de belangen van verzoekers die het slachtoffer van een onwettigheid zijn, met de belangen van derden worden verzoend, en dat bijgevolg niet alleen rekening wordt gehouden met de noodzaak om deze verzoekers in hun rechten te herstellen, maar ook met het gewettigd vertrouwen van derden (r.o. 105). Het Gerecht oordeelde, dat "de nietigverklaring (...) van de besluiten om geen intern vergelijkend onderzoek te houden, doch een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren, een te strenge sanctie voor de begane onwettigheid zou (...) vormen, aangezien daardoor een overdreven inbreuk op de rechten van derden zou worden gemaakt" (r.o. 106).
13 Het Gerecht zette vervolgens uiteen, dat deze opvatting de reden was waarom het bij de heropening van de mondelinge behandeling "partijen [had] gehoord over de aan de onwettigheid van de bestreden besluiten te verbinden gevolgen en [had] getracht met partijen tot een billijke oplossing te komen" (r.o. 107).
14 Het verklaarde, dat partijen "het erover eens [waren] geworden, dat de toekenning, voor de door de dienstfout van de Commissie aan verzoeker toegebrachte morele schade, van een vergoeding van dezelfde aard als door het Hof in het arrest Oberthuer was toegekend, de vorm van schadeloosstelling [was] die het best tegemoet [kwam] aan de belangen van verzoeker en aan het dienstbelang" (r.o. 107).
15 Ten slotte stelde het Gerecht vast, dat er bij de beoordeling van de geleden schade "rekening mee [moest] worden gehouden, dat verzoeker een gerechtelijke procedure [had] moeten inleiden om de motivering van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie te kennen" (r.o. 108). In die omstandigheden oordeelde het Gerecht, op grond van een schadebegroting ex aequo et bono, dat de toekenning van een bedrag van 2 000 ECU een passende schadeloosstelling voor verzoeker vormde.
16 Tot staving van zijn hogere voorziening, strekkende tot algehele vernietiging van het arrest van het Gerecht en volledige vergoeding van de geleden schade, voert requirant twee middelen aan, ontleend aan respectievelijk schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel dat van statutaire rechten geen afstand kan worden gedaan.
Schending van het evenredigheidsbeginsel
17 Requirant stelt met name, dat het Gerecht de belangen van derden en zijn eigen belangen kennelijk onjuist tegen elkaar heeft afgewogen. Zijn belangen hadden moeten worden gevrijwaard door een volledige schadeloosstelling, waartoe hij had moeten worden aangesteld in een soortgelijk ambt als waarnaar hij had gesolliciteerd. Hij merkt in dit verband op, dat de vertraagde uitspraak van het arrest van het Gerecht als gevolg van het besluit tot heropening van de mondelinge behandeling, de Commissie de tijd heeft gegeven om twee besluiten te nemen die zijn aanstelling in het in geding zijnde ambt onmogelijk maakten, namelijk in de eerste plaats het besluit hem te ontslaan na een tuchtrechtelijke procedure, en in de tweede plaats het besluit tot benoeming van een ander in het vacante ambt. Daarmee is hem, in strijd met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht en artikel 6 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens, een doeltreffende rechtsbescherming onthouden. In ieder geval is de toegekende schadevergoeding van 2 000 ECU klaarblijkelijk ontoereikend.
18 Dit middel kan niet worden aanvaard.
19 In de eerste plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat ambtenaren, zelfs wanneer zij aan de voorwaarden voor bevordering voldoen, geen subjectief recht op bevordering hebben (zie arrest van 25 november 1976, zaak 123/75, Kuester, Jurispr. 1976, blz. 1701, r.o. 10). Voorts beschikt het tot aanstelling bevoegde gezag op dit gebied over een ruime beoordelingsbevoegdheid (ibidem, r.o. 12). Bijgevolg is de stelling dat requirant, zo hij niet in het betrokken ambt kon worden aangesteld, aanspraak kon maken op aanstelling in een vergelijkbaar ambt, ongegrond.
20 Bovendien kan requirant zich niet beroepen op een onregelmatigheid in de procedure voor het Gerecht, welke onregelmatigheid het gevolg zou zijn van het besluit om de mondelinge behandeling te heropenen en van de daarop volgende vertraagde uitspraak van het arrest, en die zou hebben belet dat de belangen van requirant volledig in aanmerking werden genomen.
21 In de eerste plaats heeft het Gerecht de heropening van de mondelinge behandeling gelast om een objectieve reden. Het achtte het gewenst, partijen in staat te stellen zich uit te spreken over het belang van twee arresten die door het Hof na de eerste terechtzitting waren gewezen en die voor de beslechting van het geschil onmiskenbaar relevant waren.
22 In de tweede plaats was, naar de Commissie heeft meegedeeld, de procedure voor de aanstelling in het litigieuze ambt in april 1993, toen de eerste zitting van het Gerecht plaatsvond, reeds in een gevorderd stadium, zodat ook toen reeds rekening moest worden gehouden met de belangen van derden.
23 In de derde plaats is het argument van requirant betreffende de door de Commissie tegen hem ingeleide tuchtrechtelijke procedure voor de onderhavige hogere voorziening zonder belang.
24 Het Gerecht kon zich derhalve op het standpunt stellen, dat het gebrek aan motivering van de afwijzing van requirant' s sollicitatie naar het betrokken ambt niet rechtvaardigde dat de gehele aanstellingsprocedure ongeldig werd verklaard en dat de toekenning van een schadeloosstelling de juiste vergoeding vormde voor de uit dit gebrek aan motivering voortvloeiende morele schade.
25 Wat de hoogte van de toegekende schadeloosstelling betreft, zij slechts opgemerkt, dat het dossier hoe dan ook geen elementen bevat op grond waarvan het oordeel van het Gerecht dienaangaande opnieuw aan de orde zou moeten worden gesteld.
Schending van het beginsel dat van statutaire rechten geen afstand kan worden gedaan
26 Requirant betoogt, dat het Gerecht zijn advocaat heeft bewogen tot het aanvaarden van een schadeloosstelling in plaats van de verlangde nietigverklaring, zulks ofschoon de afstand van zijn statutaire rechten voor betwisting vatbaar is, aangezien de ter zake geldende bepalingen van het Ambtenarenstatuut van openbare orde zijn.
27 Dit middel kan niet slagen.
28 Zoals in rechtsoverweging 24 is opgemerkt, is het Gerecht bevoegd een schadevergoeding toe te kennen in plaats van de aangevochten handeling nietig te verklaren. In casu wordt in het bestreden arrest slechts vastgesteld, dat partijen dienaangaande tot overeenstemming waren gekomen.
29 Mitsdien moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dit Reglement evenwel blijven de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste. Krachtens artikel 122 van dit Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling. Aangezien requirant in het ongelijk is gesteld, moet hij in de kosten van de procedure worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer)
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst requirant in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy