Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld ° Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling ° Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid ° Anti-cumulatiebepaling die cessionarissen aan wie referentiehoeveelheid is toegewezen, op grond van andere bepalingen van extra-heffingsregeling van premie voor niet in handel brengen of omschakeling uitsluit ° Ongeldigheid ° Bevoegdheid of verplichting van bevoegde nationale instantie om specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen ° Geen
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, art. 3 bis, lid 1)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld ° Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling ° Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid ° Producent die niet voor toekenning in aanmerking kwam op grond van ongeldig verklaarde anti-cumulatiebepaling ° Opvolger die als onderpachter met produktie is begonnen alvorens door erfopvolging eveneens eigenaar van bedrijf te worden, onder voorbehoud van pacht daarvan ° Bevoegdheid of verplichting van bevoegde nationale instantie om specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen ° Geen ° Schending van vertrouwensbeginsel ° Geen
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, art. 3 bis, lid 1)
Samenvatting
1. De bevoegde nationale instantie was krachtens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, en in het bijzonder krachtens artikel 3 bis, lid 1, daarvan, niet verplicht of bevoegd een van de extra heffing op melk vrijgestelde, voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan een producent aan wie een primair quotum voor een ander bedrijf was toegewezen en die, na de ontbinding van een maatschap waarvan hij lid was, de activa heeft geabsorbeerd, de activiteiten van de ontbonden maatschap heeft overgenomen en de enige beheerder van het bedrijf van deze maatschap is geworden, waarbij hij de tevoren door deze laatste aangegane verbintenis tot niet-levering is nagekomen, zonder dat hij zich formeel daartoe heeft verbonden.
Immers, om aanspraak te hebben op toekenning van een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid in het kader van de relevante regeling, moet een producent niet alleen als zodanig of als opvolger op een landbouwbedrijf hebben deelgenomen aan een regeling tot niet-levering, zoals ingevoerd bij verordening nr. 1078/77, maar mag hij ook geen referentiehoeveelheid hebben verkregen onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij inzonderheid artikel 2 van verordening nr. 857/84. Ook al moet worden aangenomen, dat de eerste voorwaarde door de betrokken producent wordt vervuld, omdat het niet aanvaardbaar is om het feit dat de opvolger op een bedrijf een eenvoudige formaliteit als het aangaan van een verbintenis om de door zijn voorganger aangegane verplichtingen verder na te komen, niet heeft vervuld, tot gevolg te laten hebben dat hij van de regeling tot niet-levering wordt uitgesloten, zoals het geval zou zijn indien hij de niet-leveringsverbintenis in feite niet was nagekomen, aan de tweede voorwaarde wordt niet voldaan, aangezien deze producent op grond van voornoemd artikel 2 reeds een primair quotum is toegewezen voor de andere boerderijen waarop hij de melkproduktie had voortgezet.
Het feit, dat artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, door het arrest van het Hof van 3 december 1992 (zaak C-264/90, Wehrs, Jurispr. 1992, blz. I-6285) ongeldig is verklaard, voor zover cessionarissen van een op grond van verordening nr. 1078/77 toegekende premie, die een referentiehoeveelheid krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 hebben verkregen ° met wie de betrokken producent kan worden gelijkgesteld °, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, maakte de bevoegde nationale instantie verplicht of bevoegd deze producent, voorlopig of definitief, een van de extra heffing op melk vrijgestelde, specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen.
De consequenties die eventueel in de nationale rechtsorden aan een ongeldigverklaring van een handeling van een instelling kunnen worden verbonden, zijn immers hoe dan ook rechtstreeks afhankelijk van het gemeenschapsrechtelijk kader zoals dit na die ongeldigverklaring blijft bestaan. Bij een ingewikkeld stelsel als dat van de melkquota bood het relevante rechtskader, zoals dit eruit zag na de ongeldigverklaring in het arrest Wehrs doch vóór de vaststelling van verordening nr. 2055/93, op zichzelf, dat wil zeggen zonder aanpassing van het stelsel, niet de mogelijkheid om aan een dergelijke producent een specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen.
2. De bevoegde nationale instantie was krachtens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, en in het bijzonder krachtens artikel 3 bis, lid 1, laatste alinea, tweede streepje, daarvan, niet verplicht of bevoegd een van de extra heffing op melk vrijgestelde, specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan een producent die na het verstrijken van de niet-leveringsperiode uit hoofde van verordening nr. 1078/77 als onderpachter met de produktie op een bedrijf was begonnen alvorens, onder voorbehoud van de pacht ervan, eveneens eigenaar van dit bedrijf te worden, aangezien deze producent, al aangenomen dat het bedrijf binnen de gestelde termijn door erfopvolging of op soortgelijke wijze aan hem was overgegaan, als erfgenaam enkel op dezelfde voet als de erflater zelf op een dergelijke hoeveelheid aanspraak kon maken, en het op grond van de vigerende regeling niet mogelijk was, die hoeveelheid aan een van zijn rechtsvoorgangers toe te kennen.
Het feit dat artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, door het arrest van het Hof van 3 december 1992 (zaak C-264/90, Wehrs, Jurispr. 1992, blz. I-6285) ongeldig is verklaard, voor zover het de toekenning van een referentiehoeveelheid aan een van zijn rechtsvoorgangers afhankelijk stelde van een voorwaarde waaraan deze juist niet voldeed, bracht geen wijziging mee voor de verplichting of de bevoegdheid van de nationale instantie om aan deze producent een specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen. Deze ongeldigverklaring kon immers, vóór de aanpassing van het stelsel van referentiehoeveelheden die zij noodzakelijk maakte, uit zichzelf geen recht op een dergelijke hoeveelheid ten gunste van zijn rechtsvoorganger doen ontstaan.
Dat het op grond van artikel 3 bis, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91, niet mogelijk is aan deze producent een referentiehoeveelheid toe te kennen, levert ten aanzien van hem geen schending van het vertrouwensbeginsel op, omdat hij, ook al kan hij zich op zijn hoedanigheid van erfgenaam beroepen, als zodanig geen aanspraak kan maken op meer dan zijn rechtsvoorgangers, die niet voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking kwamen.
Partijen
In zaak C-127/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
The Queen
en
Ministry of Agriculture, Fisheries and Food,
ex parte: H. & R. Ecroyd Holdings Ltd en J. R. Ecroyd,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2) en bij verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991 (PB 1991, L 150, blz. 35),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann (rapporteur), P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° H. & R. Ecroyd Holdings Ltd en J. R. Ecroyd, vertegenwoordigd door N. Green en S. Lee, Barristers, geïnstrueerd door W. Neville, Solicitor,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Braviner, van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door K. Parker, QC, en A. McNab, Barrister,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Brautigam, juridisch adviseur, en J.-P. Hix, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet, juridisch adviseur, en X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van H. & R. Ecroyd Holdings Ltd en J. R. Ecroyd, vertegenwoordigd door N. Green en S. Lee; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Braviner, bijgestaan door K. Parker en A. McNab; de Raad, vertegenwoordigd door A. Brautigam, en de Commissie, vertegenwoordigd door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg, ter terechtzitting van 12 oktober 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 januari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 27 oktober 1993, ingekomen bij het Hof op 3 mei 1994, heeft de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, krachtens artikel 177 EG-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2) en bij verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991 (PB 1991, L 150, blz. 35).
2 Deze vragen zijn gerezen naar aanleiding van zes afzonderlijke beroepen die bij deze rechterlijke instantie waren ingesteld tegen besluiten van het Ministry of Agriculture, Fisheries and Food (hierna: het "ministerie") houdende weigering om verzoekers een melkquotum toe te kennen.
3 Na een beschikking van de verwijzende rechter tot intrekking van de in het kader van vier van deze geschillen gestelde vragen, heeft de president van het Hof bij beschikking van 14 december 1994 evenwel de doorhaling van de zaak gelast voor zover het de partijen bij deze geschillen betrof.
4 Derhalve worden aan het Hof enkel de vragen voorgelegd die zijn gesteld in het kader van de door de vennootschap H. & R. Ecroyd Holdings Ltd (hierna: "Ecroyd Limited") respectievelijk J. R. Ecroyd (hierna: "J. Ecroyd") aanhangig gemaakte hoofdgedingen.
Het rechtskader
5 In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is bij verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB 1968, L 148, blz. 13) de gemeenschappelijke marktordening in de sector melk en zuivelprodukten tot stand gebracht.
6 Daar de situatie in de sector melk en zuivelprodukten door aanzienlijke en toenemende overschotten werd gekenmerkt, heeft de Raad op 17 mei 1977 verordening (EEG) nr. 1078/77 tot invoering van onder meer een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten (PB 1977, L 131, blz. 1) vastgesteld. Ingevolge artikel 2, lid 2, was toekenning van de premie afhankelijk van de schriftelijke verbintenis van de producent om gedurende een periode van vijf jaar geen melk of zuivelprodukten afkomstig van zijn bedrijf in de handel te brengen.
7 Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalde de wijze waarop de premies voor het niet in de handel brengen werden berekend en betaald:
"De premie voor het niet in de handel brengen wordt berekend in verhouding tot de door de producent in het kalenderjaar 1976 geleverde hoeveelheid melk of het equivalent ervan in zuivelprodukten.
(...)
Een bedrag van 50 % van de premie wordt betaald in de loop van de eerste drie maanden van de periode waarin geen melk of zuivelprodukten in de handel mogen worden gebracht.
Het resterende gedeelte wordt in twee gelijke betalingen van elk 25 % van de premie uitgekeerd in de loop van het derde en het vijfde jaar, op voorwaarde dat de begunstigde aan de bevoegde instanties bewijst dat hij de in artikel 2 bedoelde verbintenissen is nagekomen."
8 Uit artikel 6 van deze verordening vloeide voort, dat aan elke opvolger op een bedrijf het resterende gedeelte van de aan zijn voorganger toegekende premie kon worden uitgekeerd, mits hij zich er schriftelijk toe had verbonden de door deze laatste aangegane verplichtingen verder na te komen.
9 In 1984 bleek, dat aanvullende maatregelen nodig waren om het evenwicht in de zuivelsector te herstellen. Bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68, zoals ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 10), is een stelsel van extra heffingen over de hoeveelheden die een jaarlijkse individuele referentiehoeveelheid, gewoonlijk "melkquotum" genoemd, overschrijden, ingesteld ten laste van elke producent of elke koper van melk of andere zuivelprodukten. Dit stelsel, dat aanvankelijk was ingesteld voor een periode van vijf jaar, is thans nog van kracht, zij het in aangepaste vorm.
10 Volgens artikel 5 quater, lid 3, mag de som van de in elke Lid-Staat aan de betrokken ondernemers toegekende referentiehoeveelheden niet meer bedragen dan een gegarandeerde totale hoeveelheid die gelijk is aan de som van de hoeveelheden melk die in de betrokken Lid-Staat gedurende een referentiejaar zijn geleverd aan bedrijven die melk of andere zuivelprodukten bewerken of verwerken.
11 De algemene voorschriften met betrekking tot de toepassing van de extra heffing zijn vastgesteld bij verordening nr. 857/84.
12 Met betrekking tot de producenten werd in artikel 2 van deze verordening bepaald, dat de referentiehoeveelheid gelijk was aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die door de producent tijdens het kalenderjaar 1981 was geleverd, verhoogd met 1 %. De Lid-Staten konden evenwel bepalen, dat op hun grondgebied deze referentiehoeveelheid gelijk was aan de hoeveelheid melk of melkequivalent, geleverd gedurende het kalenderjaar 1982 of het kalenderjaar 1983, met aanwending van een percentage dat zodanig werd vastgesteld dat de voor elke Lid-Staat gegarandeerde hoeveelheid niet werd overschreden. In het Verenigd Koninkrijk werd de referentiehoeveelheid vastgesteld op de grondslag van het jaar 1983.
13 Verordening nr. 857/84 voorzag niet in de mogelijkheid om een melkquotum toe te kennen aan de zogenoemde "SLOM-producenten", die als gevolg van hun deelneming aan de in verordening nr. 1078/77 bedoelde tijdelijke regeling tot niet-levering, gedurende het voor de toekenning van de quota gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd of verkocht.
14 Naar aanleiding van de arresten van het Hof, waarin verordening nr. 857/84 ongeldig werd verklaard, voor zover zij niet voorzag in toekenning van een referentiehoeveelheid aan SLOM-producenten (arresten van 28 april 1988, zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321, en zaak 170/86, von Deetzen, Jurispr. 1988, blz. 2355), stelde de Raad verordening nr. 764/89 vast, waarbij verordening nr. 857/84 werd gewijzigd en werd voorzien in de voorlopige toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid (of "SLOM-quotum") aan SLOM-producenten die aan bepaalde voorwaarden voldeden.
15 Krachtens het nieuwe artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals ingevoegd bij verordening nr. 764/89, moest het verzoek om toekenning door de producent worden ingediend binnen drie maanden vanaf 29 maart 1989.
16 Artikel 3 bis, lid 2, stelde de omvang van de specifieke referentiehoeveelheid vast op een bepaald percentage van de hoeveelheid melk die door de producent was geleverd in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering, op voorwaarde dat de producent het recht op de premie niet had verloren.
17 Blijkens artikel 3 bis, lid 1, hadden de cessionarissen van een premie voor niet-levering aan wie reeds een primair quotum was toegewezen onder de voorwaarden, vastgesteld uit hoofde van artikel 2 van deze verordening, evenwel geen recht op een SLOM-quotum (de zogenoemde anti-cumulatiebepaling).
18 Naar aanleiding van verschillende arresten, onder meer het arrest van 21 maart 1991 (zaak C-314/89, Rauh, Jurispr. 1991, blz. I-1647; hierna: "arrest Rauh"), betreffende de uitlegging en de geldigheid van artikel 3 bis, stelde de Raad op 13 juni 1991 verordening nr. 1639/91 vast, waarbij de regeling van de melkquota opnieuw werd gewijzigd.
19 Zo werd aan artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 een tweede alinea toegevoegd, waarvan de tekst van het tweede streepje luidt als volgt: "Aan de producent die het bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit heeft gekregen na het verstrijken van de verbintenis die uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 door de rechtsvoorganger is aangegaan, maar vóór 29 juni 1989, wordt voorlopig, op een door hem binnen drie maanden na 1 juli 1991 in te dienen verzoek, (...) een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen." Deze categorie producenten wordt gewoonlijk "SLOM II-producenten" genoemd.
20 In het arrest van 3 december 1992 (zaak C-264/90, Wehrs, Jurispr. 1992, blz. I-6285; hierna: "arrest Wehrs") verklaarde het Hof, dat artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, ongeldig was, voor zover producenten die een bedrijf hadden overgenomen dat deelnam aan de regeling tot niet-levering op grond van verordening nr. 1078/77 en die daardoor cessionarissen van niet-leveringspremies waren, niet in aanmerking kwamen voor toekenning van SLOM-quota, indien hun reeds een primair quotum krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 was toegewezen ("SLOM III"-producenten).
21 Verordening (EEG) nr. 2055/93 van de Raad van 19 juli 1993 houdende toewijzing van een aanvullende specifieke referentiehoeveelheid aan bepaalde producenten van melk en zuivelprodukten (PB 1993, L 187, blz. 8), diende deze ongeldigheid te herstellen door te bepalen, dat de cessionarissen van de premie voor het niet in de handel brengen, die van het bij artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 toegekende voordeel waren uitgesloten, omdat hun een referentiehoeveelheid was toegewezen op grond van artikel 2 van die verordening, op hun bij de bevoegde instantie van de betrokken Lid-Staat vóór 1 november 1993 in te dienen aanvraag recht hadden op toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldeden.
De feitelijke context
Ecroyd Limited
22 Ecroyd Limited is een vennootschap die in 1966 is gekocht door R. Ecroyd en verschillende familieleden, waaronder de trustees van een "Children' s settlement trust" (hierna: "Children' s settlement") die in 1965 door R. Ecroyd ten gunste van zijn kinderen was opgericht.
23 Ecroyd Limited was pachter van negen boerderijen die eigendom waren van de familie Ecroyd en van de Children' s settlement.
24 In 1976 richtte Ecroyd Limited samen met Fountain Farming de maatschap Credenhill Farming (hierna: "Credenhill Farming") op. Vier van de negen boerderijen, waaronder Lyvers Ocle, werden door Ecroyd Limited aan Credenhill Farming in onderpacht gegeven.
25 Credenhill Farming kreeg toestemming om voor een periode van vijf jaar, van 14 november 1980 tot en met 13 november 1985, aan een regeling tot niet-levering deel te nemen.
26 Ecroyd Limited van haar kant zette de melkproduktie voort op de vijf boerderijen die zij als pachter exploiteerde en waarvoor haar in 1984 op haar verzoek een primair quotum op grond van artikel 2 van verordening nr. 857/84 is toegewezen.
27 Tussen 1980 en 1984 veranderde Credenhill Farming meerdere malen van samenstelling. Daar Ecroyd Limited en R. Ecroyd overbleven als leden van de maatschap, is Credenhill Farming uiteindelijk op 30 september 1984 ontbonden, nadat R. Ecroyd zich had teruggetrokken. De activa en het bedrijf van deze maatschap werden overgenomen door Ecroyd Limited.
28 Aangezien zij zich gebonden achtte aan de door Credenhill Farming aangegane verbintenis tot niet-levering, produceerde Ecroyd Limited gedurende het resterende gedeelte van de periode van vijf jaar waarvoor deze verbintenis gold, geen melk op de voorheen door de ontbonden maatschap geëxploiteerde grond, zonder zich daartoe evenwel schriftelijk te verbinden.
29 Ecroyd Limited diende twee aanvragen in om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid voor de voorheen door Credenhill Farming geëxploiteerde grond. De eerste aanvraag werd in augustus 1989 ingediend na de vaststelling van verordening nr. 764/89, die recht gaf op SLOM-quota, en de tweede in september 1991 na de arresten van het Hof van 11 december 1990 (zaak C-189/89, Spagl, Jurispr. 1990, blz. I-4539, en zaak C-217/89, Pastaetter, Jurispr. 1990, blz. I-4585) en het arrest Rauh. Beide aanvragen werden door het ministerie afgewezen. Derhalve daagde Ecroyd Limited het ministerie voor de rechter, stellende dat zij recht had op een SLOM-quotum.
30 Voor de verwijzende rechter stelde Ecroyd Limited om te beginnen, dat in weerwil van het feit dat andere leden van Credenhill Farming de maatschap hadden verlaten tijdens de periode van toepassing van de regeling tot niet-levering, zodat zij het bedrijf vervolgens voor eigen rekening exploiteerde, er geen overdracht van het bedrijf van Credenhill Farming naar Ecroyd Limited in de zin van artikel 6 van verordening nr. 1078/77 had plaatsgevonden; derhalve hoefde zij geen nieuwe niet-leveringsverbintenis aan te gaan, te meer daar zij hoe dan ook gedurende de gehele in geding zijnde periode gebonden was aan de door Credenhill Farming aangegane verbintenis. Overigens was zij de niet-leveringsverbintenis volledig nagekomen. Wat ten slotte de anti-cumulatiebepaling betreft, het feit dat haar een primair quotum voor een ander bedrijf was toegewezen, kon volgens het arrest Wehrs geen beletsel zijn voor toewijzing van een SLOM-quotum voor het voorheen door Credenhill Farming geëxploiteerde bedrijf.
31 Volgens het ministerie had op 30 september 1984 een overdracht van een producent aan een andere plaatsgevonden, te weten van Credenhill Farming aan Ecroyd Limited. Aangezien deze laatste bij de overname van het bedrijf van Credenhill Farming geen niet-leveringsverbintenis was aangegaan, volgt daaruit, dat zij geen recht heeft op een specifieke referentiehoeveelheid. Indien Credenhill Farming en Ecroyd Limited evenwel in feite als een en dezelfde "producent" waren te beschouwen, dan zou Ecroyd Limited haar verbintenis om op haar bedrijf geen melk te produceren niet zijn nagekomen en zou zij dus haar recht op de niet-leveringspremie hebben verloren, omdat zij gedurende de periode waarvoor het stelsel van niet-leveringspremies gold, de melkproduktie heeft voortgezet op de vijf boerderijen die niet aan Credenhill Farming in onderpacht waren gegeven. De redenering van het Hof in de zaak Wehrs is niet van toepassing op verzoekster, omdat dit arrest enkel betrekking had op de situatie van de cessionarissen van een niet-leveringspremie, welke hoedanigheid Ecroyd Limited niet bezat.
32 Het ministerie voegde hier aan toe dat het zelfs indien werd aangenomen, dat verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, ongeldig was, voor zover een producent die zich in de situatie van verzoekster bevond, niet in aanmerking kwam voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, in elk geval niet de bevoegdheid had verzoekster een quotum toe te wijzen voordat de Raad de nodige maatregelen had genomen.
33 In deze omstandigheden heeft de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Heeft verweerder (het ministerie) de bevoegdheid en/of de plicht verzoekster een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en/of haar te behandelen alsof haar een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen:
i) krachtens verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad; en/of
ii) na het door het Hof in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest,
nu:
a) verzoekster lid was van een maatschap die het bedrijf exploiteerde en een niet-leveringsverbintenis was aangegaan;
b) alle andere leden vóór afloop van de niet-leveringsperiode de maatschap hadden verlaten en het bedrijf waarvoor de niet-leveringsverbintenis was aangegaan, nadien door verzoekster voor eigen rekening werd geëxploiteerd;
c) verzoekster na het vertrek van de andere leden van de maatschap gedurende de resterende looptijd van de door de maatschap aangegane oorspronkelijke niet-leveringsverbintenis op het bedrijf geen melk produceerde;
d) verzoekster zich na het vertrek van de andere leden van de maatschap niet krachtens artikel 6 van verordening nr. 1078/77 van de Raad opnieuw schriftelijk ertoe had verbonden om de door de maatschap aangegane niet-leveringsverbintenis verder na te komen;
e) verzoekster een primair quotum voor een ander bedrijf was toegewezen?
Zo ja, wanneer ontstond die bevoegdheid en/of plicht?
2) Indien het antwoord op vraag 1 luidt, dat verweerder de bedoelde bevoegdheid en/of plicht niet heeft, is artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89 van de Raad, dan onwettig en ongeldig, voor zover een verzoeker in de voormelde omstandigheden niet in aanmerking komt voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid?
3) Indien het antwoord op vraag 2 luidt, dat artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 van de Raad, onwettig en ongeldig is, voor zover verzoekster niet in aanmerking komt voor toekenning van een melkquotum, heeft verweerder dan de bevoegdheid en/of plicht verzoekster een melkquotum toe te wijzen en/of haar te behandelen alsof haar een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, voordat een nadere gemeenschapsregeling was vastgesteld om de ongeldigheid van de betrokken maatregel te herstellen of daarmee rekening te houden?
Zo ja, wanneer ontstaat of ontstond die bevoegdheid en/of plicht?
4) Indien het antwoord op bovenstaande vragen luidt, dat verweerder de bevoegdheid en/of plicht had verzoekster een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en/of haar te behandelen alsof haar een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, voordat de Raad een nieuwe regeling had vastgesteld, en/of na het door het Hof in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest, heeft verzoekster dan in beginsel recht op schadevergoeding van verweerder, omdat deze haar geen specifieke referentiehoeveelheid heeft toegewezen?
5) Indien het antwoord op vraag 4 luidt, dat verzoekster recht heeft op schadevergoeding van verweerder, op welke basis moet deze schade dan worden bepaald?"
J. Ecroyd
34 Lyvers Ocle was een van de negen boerderijen van de familie Ecroyd en de Children' s settlement, die door de trustees van deze laatste in "trust" werden gehouden. Er zij aan herinnerd, dat deze negen boerderijen aan Ecroyd Limited waren verpacht.
35 Lyvers Ocle was tevens een van de vier boerderijen die door Ecroyd Limited in onderpacht waren gegeven aan Credenhill Farming, die de boerderij van 14 november 1980 tot en met 30 september 1984 in het kader van een regeling tot niet-levering exploiteerde. Vanaf 30 september 1984 werd deze boerderij, evenals de drie andere, geëxploiteerd door Ecroyd Limited, die de niet-leveringsverbintenis nakwam tot en met 13 november 1985, op welke datum deze verstreek.
36 Krachtens de Children' s settlement kreeg J. Ecroyd, als een van de vier kinderen van R. Ecroyd, op zijn 25ste verjaardag, op 22 juni 1983, recht op een vierde deel van het trustvermogen.
37 De trustees en de begunstigden besloten vervolgens de boerderijen tussen de kinderen te verdelen, in plaats van deze te verkopen, en de opbrengst van de verkoop te verdelen. In het kader van deze overeenkomst koos J. Ecroyd Lyvers Ocle ter voldoening van zijn rechten op het trustvermogen.
38 In april 1987 kreeg J. Ecroyd Lyvers Ocle in onderpacht van Ecroyd Limited en begon hij melk te produceren met gebruikmaking van het hem door Ecroyd Limited overgedragen primaire quotum.
39 Op 22 december 1989 werd de eigendom van Lyvers Ocle door de trustees van de Children' s settlement aan J. Ecroyd overgedragen, waardoor deze zowel eigenaar als onderpachter van de betrokken grond was. Hij moest een bedrag van 40 877 UKL betalen ter compensatie van het verschil tussen de waarde van het deel van het trustvermogen waarop hij krachtens de Children' s settlement recht had, en de waarde van de overgedragen eigendom.
40 Op 25 september 1991 diende J. Ecroyd een aanvraag in om een specifieke referentiehoeveelheid voor Lyvers Ocle, waarbij hij aangaf de opvolger van Credenhill Farming te zijn. Deze aanvraag werd door het ministerie afgewezen.
41 Voor de verwijzende rechter stelde J. Ecroyd dat, aangezien hij Lyvers Ocle door erfopvolging of op soortgelijke wijze had verworven na het verstrijken van de door Credenhill Farming aangegane niet-leveringsverbintenis, maar vóór 29 juni 1989, en hij zijn verzoek om een SLOM-quotum had ingediend binnen drie maanden na 1 juli 1991, hij krachtens verordening nr. 1639/91 recht had op toewijzing van een quotum voor Lyvers Ocle. Hoewel de eigendom juridisch eerst op 22 december 1989 was overgedragen, had hij het bedrijf in feite al vóór de in de verordening vastgestelde datum gekregen.
42 Volgens het ministerie voldeed verzoeker niet aan de door verordening nr. 1639/91 gestelde voorwaarden voor toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid. Aangezien verzoeker het bedrijf eerst op 22 december 1989 had verworven, voldeed hij niet aan de door verordening nr. 1639/91 gestelde voorwaarde, dat het bedrijf vóór 29 juni 1989 door erfopvolging moest zijn verworven. Voorts waren verzoekers voorgangers als eigenaar de trustees van de Children' s settlement, die niet aan een regeling tot niet-levering hadden deelgenomen. Ten slotte had verzoeker Lyvers Ocle niet door erfopvolging in bezit gekregen, maar veeleer ter voldoening van zijn rechten op het trustvermogen.
43 Derhalve heeft de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Heeft verweerder (het ministerie) de bevoegdheid en/of de plicht verzoeker een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en/of hem te behandelen alsof hem een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen:
i) krachtens verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij 's Raads verordeningen (EEG) nrs. 764/89 en 1639/91; en/of
ii) na het door het Hof in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest,
nu:
a) verzoeker de begunstigde was van de Children' s settlement, waarvan onder meer grond deel uitmaakte, en op zijn 25ste verjaardag in 1983 gerechtigd werd tot zijn aandeel daarin;
b) de betrokken grond door de trustees van de Children' s settlement was verpacht aan en werd geëxploiteerd door H. & R. Ecroyd Limited;
c) een deel van de grond weer in onderpacht was gegeven aan en geëxploiteerd werd door een maatschap, Credenhill Farming, waarvan onder meer H. & R. Ecroyd Limited deel uitmaakte;
d) Credenhill Farming met betrekking tot haar bedrijf, dat wil zeggen de grond die zij, zoals gezegd, in onderpacht had, een niet-leveringsverbintenis krachtens verordening nr. 1078/77 van de Raad was aangegaan;
e) alle andere leden vóór het verstrijken van de niet-leveringsperiode de maatschap Credenhill Farming hadden verlaten en het bedrijf waarvoor de niet-leveringsverbintenis door de maatschap was aangegaan, nadien door H. & R. Ecroyd Limited voor eigen rekening werd geëxploiteerd;
f) Credenhill Farming en vervolgens H. & R. Ecroyd Limited de niet-leveringsverbintenis zijn nagekomen. Inzonderheid heeft H. & R. Ecroyd Limited na het vertrek van de andere leden van de maatschap tijdens het resterende gedeelte van de periode waarvoor de door de maatschap aangegane oorspronkelijke niet-leveringsverbintenis gold, op het bedrijf geen melk geproduceerd;
g) H. & R. Ecroyd Limited zich na het vertrek van de andere leden van de maatschap niet krachtens artikel 6 van verordening nr. 1078/77 van de Raad schriftelijk ertoe had verbonden om de door de maatschap aangegane niet-leveringsverbintenis verder na te komen;
h) H. & R. Ecroyd Limited een primair quotum voor een ander bedrijf was toegewezen;
i) H. & R. Ecroyd Limited in 1987, na afloop van de oorspronkelijke niet-leveringsperiode, een deel van de grond waarvoor Credenhill Farming oorspronkelijk de niet-leveringsverbintenis was aangegaan, in onderpacht had gegeven aan verzoeker, die het sindsdien heeft geëxploiteerd;
j) de eigendom van de betrokken grond in december 1989, onder voorbehoud van de pacht ervan door H. & R. Ecroyd Limited, door de trustees van de Children' s settlement was overgedragen aan verzoeker ter voldoening van diens rechten krachtens de Children' s settlement;
k) voor die overdracht door verzoeker een compensatie aan de trustees was betaald, zijnde het verschil tussen de waarde van verzoekers rechten krachtens de Children' s settlement en de waarde van de overgedragen grond, waarbij er rekening mee werd gehouden dat er geen specifieke referentiehoeveelheid voor die grond bestond?
Zo ja, wanneer ontstond die bevoegdheid en/of plicht?
2) Indien het antwoord op vraag 1 luidt, dat verweerder die bevoegdheid of plicht niet heeft, is artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij 's Raads verordeningen (EEG) nrs. 764/89 en 1639/91, dan geldig voor zover die producent niet in aanmerking komt voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid?
3) Inzonderheid, indien het antwoord op vraag 1 luidt, dat verweerder die bevoegdheid of plicht niet heeft, omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91, dat het bedrijf in bezit moet zijn gekregen vóór 29 juni 1989, zijn voormelde verordeningen dan geldig voor zover zij producenten uitsluiten die na 29 juni 1989 een bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze hebben verworven?
4) Indien het antwoord op bovenstaande vragen luidt, dat artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd, onwettig en ongeldig is, voor zover verzoeker niet in aanmerking komt voor toekenning van een melkquotum, heeft verweerder dan de bevoegdheid en/of plicht verzoeker een melkquotum toe te wijzen en/of hem te behandelen alsof hem een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, voordat een nadere gemeenschapsregeling was vastgesteld om de ongeldigheid van de betrokken maatregel te herstellen of daarmee rekening te houden?
Zo ja, wanneer ontstaat of ontstond die bevoegdheid en/of plicht?
5) Indien het antwoord op bovenstaande vragen luidt, dat verweerder de bevoegdheid en/of plicht had verzoeker een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en/of hem te behandelen alsof hem een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, voordat de Raad een nieuwe regeling had vastgesteld en/of na het door het Hof in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest, heeft verzoeker dan in beginsel recht op schadevergoeding van verweerder, omdat deze hem geen specifieke referentiehoeveelheid heeft toegewezen?
6) Indien het antwoord op vraag 5 luidt, dat verzoeker recht heeft op schadevergoeding van verweerder, op welke basis moet deze schade dan worden bepaald?"
De vragen betreffende de zaak Ecroyd Limited
De eerste vraag
44 Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de bevoegde nationale instantie krachtens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, en in het bijzonder krachtens artikel 3 bis, lid 1, daarvan, verplicht was een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de sub a tot en met e van deze eerste vraag beschreven omstandigheden bevonden, dan wel of zij daartoe bevoegd was. Voorts vraagt hij, of de bevoegde nationale instantie na het arrest Wehrs verplicht dan wel bevoegd was een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevonden.
Het eerste deel van de eerste vraag
45 Om te beginnen moet worden gepreciseerd, dat een producent om aanspraak te hebben op toekenning van een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid in het kader van de in casu relevante regeling, niet alleen als zodanig of als opvolger op een landbouwbedrijf moet hebben deelgenomen aan een regeling tot niet-levering, zoals ingevoerd bij verordening nr. 1078/77, maar ook geen referentiehoeveelheid mag hebben verkregen onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij inzonderheid artikel 2 van verordening nr. 857/84.
46 Met betrekking tot de eerste voorwaarde staat vast, dat Ecroyd Limited na de ontbinding van Credenhill Farming de activa heeft geabsorbeerd, de activiteiten van deze maatschap heeft overgenomen en de enige beheerder van het bedrijf is geworden, waarbij zij de tevoren door Credenhill Farming aangegane verbintenis tot niet-levering is nagekomen, zonder dat zij zich formeel daartoe heeft verbonden.
47 Verordening nr. 1078/77 had primair tot doel, het evenwicht op de markt van melk en zuivelprodukten, die werd gekenmerkt door grote overschotten, te herstellen door invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten.
48 In het door deze verordening ingevoerde stelsel was het voornaamste criterium voor toekenning van de premie, dat gedurende een periode van vijf jaar geen melk of zuivelprodukten in de handel werden gebracht.
49 Indien door een opvolger op een landbouwbedrijf de door zijn voorganger aangegane verbintenis om gedurende de periode van niet-levering geen melk of zuivelprodukten in de handel te brengen, daadwerkelijk wordt nagekomen, zoals Ecroyd Limited heeft gedaan, beantwoordt zulks aan bovengenoemd criterium en doel.
50 Derhalve is het niet aanvaardbaar om het feit dat de opvolger op een bedrijf een eenvoudige formaliteit als het aangaan van een verbintenis om de door zijn voorganger aangegane verplichtingen verder na te komen, niet heeft vervuld, tot gevolg te laten hebben dat hij van de regeling tot niet-levering wordt uitgesloten, zoals het geval zou zijn indien hij de niet-leveringsverbintenis in feite niet was nagekomen.
51 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de aanvraag van Ecroyd Limited om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid niet mocht worden afgewezen op grond dat zij zich niet schriftelijk ertoe had verbonden de door haar voorgangster aangegane verplichtingen verder na te komen.
52 Wat de tweede voorwaarde betreft, dat de producent om aanspraak te kunnen maken op toekenning van een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid, geen referentiehoeveelheid mag hebben verkregen onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij inzonderheid artikel 2 van verordening nr. 857/84, zij in herinnering gebracht, dat Ecroyd Limited op grond van deze bepaling reeds een primair quotum was toegewezen voor de vijf boerderijen waarop zij de melkproduktie had voortgezet (zie r.o. 26 van dit arrest).
53 Ecroyd Limited voldeed dus niet aan deze tweede, door de toen geldende regeling gestelde voorwaarde.
54 Uit het voorgaande volgt, dat de bevoegde nationale instantie krachtens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, en in het bijzonder krachtens artikel 3 bis, lid 1, daarvan, niet verplicht was een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de sub a tot en met e van de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden bevonden, en dat zij daartoe evenmin bevoegd was.
Het tweede deel van de eerste vraag
55 Vooraf zij eraan herinnerd, dat volgens het arrest Wehrs artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, ongeldig is, voor zover cessionarissen van een op grond van verordening nr. 1078/77 toegekende premie, die een referentiehoeveelheid krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 hebben verkregen, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.
56 In haar opmerkingen heeft Ecroyd Limited in wezen betoogd dat, aangezien zij zich in een situatie bevond die vergelijkbaar was met die van Wehrs, het ministerie haar na het betrokken arrest ex tunc het recht op een specifieke referentiehoeveelheid had moeten toekennen, zonder te wachten totdat de Raad een nieuwe regeling had vastgesteld, zoals hij heeft gedaan met verordening nr. 2055/93, omdat in het onderhavige geval de vastgestelde onwettigheid een redelijk en uitvoerbaar stelsel in stand liet.
57 Deze zienswijze kan niet worden aanvaard.
58 Zonder dat behoeft te worden ingegaan op de gevolgen die een arrest waarbij het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag de gehele of gedeeltelijk ongeldigheid van een handeling van een instelling vaststelt, heeft ten aanzien van de nationale administratieve instanties die op het door deze handeling bestreken terrein werkzaam zijn, zij opgemerkt, dat de consequenties die eventueel in de nationale rechtsorden aan een dergelijke ongeldigverklaring kunnen worden verbonden, hoe dan ook rechtstreeks afhankelijk zijn van het gemeenschapsrechtelijk kader zoals dit na die ongeldigverklaring blijft bestaan.
59 Bij een ingewikkeld stelsel als dat van de melkquota moet evenwel worden opgemerkt dat, zoals in wezen blijkt uit de punten 76 tot en met 87 van de conclusie van de advocaat-generaal en zoals wordt bevestigd door de overwegingen van verordening nr. 2055/93, het in casu relevante rechtskader, zoals dit eruit zag na de ongeldigverklaring van de anti-cumulatiebepaling in het arrest Wehrs doch vóór de vaststelling van verordening nr. 2055/93, op zichzelf, dat wil zeggen zonder aanpassing van het stelsel, niet de mogelijkheid bood om een specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen aan een producent die zich in de situatie van Ecroyd Limited bevond.
60 Mitsdien moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat de bevoegde nationale instantie na het arrest Wehrs niet verplicht was een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevonden, en dat zij daartoe evenmin bevoegd was.
De tweede vraag
61 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, ongeldig is, voor zover producenten die zich in de sub a tot en met e van de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden bevinden, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.
62 Zoals blijkt uit de rechtsoverwegingen 45 tot en met 52 van het onderhavige arrest, kan de situatie van Ecroyd Limited worden gelijkgesteld met die van een cessionaris van een op grond van verordening nr. 1078/77 toegekende premie, die een referentiehoeveelheid krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 heeft verkregen.
63 Derhalve moet, gelet op het arrest Wehrs, worden geantwoord, dat artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, ongeldig is, voor zover producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevinden, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.
De derde vraag
64 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of, ingeval artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, ongeldig is, voor zover producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevinden, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, de bevoegde nationale instantie verplicht is de producenten een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen, voordat een nadere gemeenschapsregeling wordt vastgesteld om de vastgestelde ongeldigheid te herstellen, dan wel of zij althans daartoe bevoegd is.
65 Gelet op de antwoorden op het tweede deel van de eerste vraag en op de tweede vraag, moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat de bevoegde nationale instantie niet verplicht is, aan producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevinden, een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen, voordat een nadere gemeenschapsregeling wordt vastgesteld om de vastgestelde ongeldigheid te herstellen, en dat zij daartoe evenmin bevoegd is.
De vierde en de vijfde vraag
66 Gelet op de antwoorden die op de voorafgaande vragen zijn gegeven, behoeven de vierde en de vijfde vraag niet meer te worden beantwoord.
De vragen betreffende de zaak J. Ecroyd
De eerste vraag
67 Evenals in de zaak Ecroyd Limited dient deze vraag in twee afzonderlijke delen te worden gesplitst. In het eerste deel wordt gevraagd, of de bevoegde nationale instantie krachtens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, en in het bijzonder krachtens artikel 3 bis, lid 1, laatste alinea, tweede streepje, daarvan, verplicht was een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de sub a tot en met k van deze vraag beschreven omstandigheden bevonden, dan wel of zij daartoe bevoegd was. In het tweede deel wordt gevraagd, of de bevoegde nationale instantie na het arrest Wehrs verplicht dan wel bevoegd was een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevonden.
Het eerste deel van de eerste vraag
68 Vooraf zij eraan herinnerd, dat verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, en in het bijzonder artikel 3 bis daarvan, voorzag in de toekenning van een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid ten gunste van twee categorieën van producenten, te weten producenten die een niet-leveringsverbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 waren aangegaan en nagekomen, en producenten die, nadat zij in de loop van de periode van niet-levering het bedrijf hadden overgenomen, de door hun voorganger aangegane verbintenis waren nagekomen, in beide gevallen op voorwaarde dat hun niet reeds een referentiehoeveelheid was toegewezen onder de voorwaarden die waren vastgesteld bij andere bepalingen van de extra-heffingsregeling.
69 In het arrest Rauh is verduidelijkt, dat artikel 3 bis aldus moest worden uitgelegd, dat op grond van deze bepaling aan een producent die door erfopvolging of op soortgelijke wijze een bedrijf had overgenomen na afloop van de periode van niet-levering, op dezelfde voet als de erflater zelf, een specifieke referentiehoeveelheid kon worden toegekend onder de in de bepalingen van dit artikel bedoelde voorwaarden (r.o. 19 en 25).
70 Naar aanleiding van dit arrest is artikel 3 bis bij verordening nr. 1639/91 gewijzigd teneinde producenten die zich in de in de vorige rechtsoverweging beschreven situatie bevonden en die binnen de gestelde termijn geen aanvraag hadden ingediend of wier aanvraag was afgewezen, de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen of zulks opnieuw te doen.
71 Met betrekking tot het bedrijf Lyvers Ocle betoogt J. Ecroyd, dat hij recht heeft op een SLOM II-quotum, omdat hij het bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit heeft gekregen na het verstrijken van de verbintenis van Credenhill Farming en Ecroyd Limited, maar vóór 29 juni 1989. Tot staving hiervan stelt J. Ecroyd in de eerste plaats, dat hij volgens de trust in 1983 rechthebbende was geworden met betrekking tot een vierde deel van het trustvermogen, waartoe onder meer Lyvers Ocle behoorde, in de tweede plaats, dat Lyvers Ocle hem was overgedragen door de trustees opdat hij het bedrijf verder exploiteerde, en ten slotte dat de regeling op grond waarvan hij Lyvers Ocle in 1987 was gaan exploiteren, ongeacht of deze nu als onderpachtovereenkomst of gewoon als familieregeling wordt gekwalificeerd, een integrerend onderdeel was van de verdeling van de nalatenschap.
72 Dit standpunt kan niet worden aanvaard.
73 Zelfs al zou Lyvers Ocle binnen de gestelde termijn door erfopvolging of op soortgelijke wijze aan J. Ecroyd zijn overgegaan, dan nog had verzoeker immers, zoals is opgemerkt in rechtsoverweging 69 van het onderhavige arrest, enkel "op dezelfde voet als de erflater zelf" recht op toewijzing van een quotum. Geen van de mogelijke rechtsvoorgangers in een geval als het onderhavige had evenwel recht op een specifieke referentiehoeveelheid krachtens artikel 3 bis, inzonderheid lid 1, laatste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91. Noch de trustees en meer in het algemeen de eigenaren van Lyvers Ocle, noch Ecroyd Limited konden namelijk aanspraak maken op een dergelijk quotum, eerstgenoemden niet omdat zij nimmer hadden deelgenomen aan een niet-leveringsregeling, en laatstgenoemde niet, omdat aan haar reeds een primair quotum krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 was toegewezen, waardoor voor haar dus de ten tijde van het bestreden besluit geldende anti-cumulatiebepaling gold.
74 Derhalve moet op het eerste deel van de eerste vraag worden geantwoord, dat de bevoegde nationale instantie krachtens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, en in het bijzonder krachtens artikel 3 bis, lid 1, laatste alinea, tweede streepje, daarvan, niet verplicht was een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de sub a tot en met k van de eerste vraag beschreven omstandigheden bevonden, en dat zij daartoe evenmin bevoegd was.
Het tweede deel van de eerste vraag
75 Gelet op het in rechtsoverweging 73 van het onderhavige arrest ontwikkelde betoog zou de ongeldigverklaring van de anti-cumulatiebepaling in het arrest Wehrs J. Ecroyd slechts kunnen raken, en dan nog slechts indirect, ingeval zou moeten worden aangenomen, dat hij het bedrijf binnen de gestelde termijn door erfopvolging of op soortgelijke wijze van Ecroyd Limited heeft verkregen.
76 Aangezien de erfgenaam of rechtsopvolger hoe dan ook het lot van de rechtsvoorganger deelt en Ecroyd Limited geen aanspraak kon maken op toekenning van een SLOM-quotum door de nationale autoriteiten na het arrest Wehrs doch vóór de vaststelling van verordening nr. 2055/93 (zie r.o. 59 van het onderhavige arrest), moet worden vastgesteld, dat J. Ecroyd na dit arrest evenmin een dergelijk quotum toegewezen kon krijgen.
77 Derhalve moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat na het arrest Wehrs de bevoegde nationale instantie niet verplicht was, een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevonden, en dat zij daartoe evenmin bevoegd was.
De tweede vraag
78 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 3 bis, inzonderheid lid 1, laatste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, gelet op het vertrouwensbeginsel, ongeldig is, voor zover producenten die zich in de sub a tot en met k van de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden bevinden, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.
79 Zoals blijkt uit de argumenten waarmee het antwoord op het eerste deel van de eerste vraag is gestaafd, diende artikel 3 bis, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91, het mogelijk te maken dat aan producenten die een melkbedrijf hadden "geërfd" na het verstrijken van de niet-leveringsverbintenis van hun erflater, een quotum kon worden toegekend op dezelfde voet als aan de erflater zelf.
80 Derhalve mocht J. Ecroyd, al aangenomen dat hij Lyvers Ocle door erfopvolging of op soortgelijk wijze in bezit heeft gekregen, niet verwachten dat hem een quotum zou worden toegewezen, of het moest zijn op dezelfde voet als de erflater.
81 In het bedoelde geval kwam de rechtsvoorganger, ongeacht of dit nu Ecroyd Limited was, dan wel de eigenaren van Lyvers Ocle waren, hoe dan ook niet in aanmerking voor toekenning van een SLOM-quotum, zoals is uiteengezet in rechtsoverweging 73 van het onderhavige arrest.
82 Gelet op het voorgaande, moet op tweede vraag worden geantwoord, dat bij onderzoek van artikel 3 bis, inzonderheid lid 1, laatste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, voor zover producenten die zich in de sub a tot en met k van de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden bevinden, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, niet is gebleken van feiten of omstandigheden die, gelet op het vertrouwensbeginsel, de geldigheid ervan kunnen aantasten.
De derde, de vierde, de vijfde en de zesde vraag
83 Gelet op de antwoorden die op de voorafgaande vragen zijn gegeven, behoeven de derde, de vierde, de vijfde en de zesde vraag niet meer te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
84 De kosten door de Nederlandse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede door de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, bij beschikking van 27 oktober 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Wat Ecroyd Limited betreft
1) De bevoegde nationale instantie was krachtens verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, en in het bijzonder krachtens artikel 3 bis, lid 1, daarvan, niet verplicht een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de sub a tot en met e van de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden bevonden, en zij was daartoe evenmin bevoegd.
2) De bevoegde nationale instantie was na het arrest Wehrs van 3 december 1992 (zaak C-264/90) niet verplicht een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevonden, en zij was daartoe evenmin bevoegd.
3) Artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89, is ongeldig, voor zover producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevinden, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.
4) De bevoegde nationale instantie is niet verplicht, aan producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevinden, een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen, voordat een nadere gemeenschapsregeling wordt vastgesteld om de vastgestelde ongeldigheid te herstellen, en zij is daartoe evenmin bevoegd.
Wat J. Ecroyd betreft
1) De bevoegde nationale instantie was krachtens verordening (EEG) nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 en verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991, en in het bijzonder krachtens artikel 3 bis, lid 1, laatste alinea, tweede streepje, daarvan, niet verplicht een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de sub a tot en met k van de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden bevonden, en zij was daartoe evenmin bevoegd.
2) Na het arrest Wehrs was de bevoegde nationale instantie niet verplicht, een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen aan producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevonden, en zij was daartoe evenmin bevoegd.
3) Bij onderzoek van artikel 3 bis, inzonderheid lid 1, laatste alinea, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, voor zover producenten die zich in de voormelde omstandigheden bevinden, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die, gelet op het vertrouwensbeginsel, de geldigheid ervan kunnen aantasten.
Full & Egal Universal Law Academy