Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Harmonisatie van wetgevingen ° Minimumnormen ter bescherming van legkippen in batterijen ° Richtlijn 88/166 ° Vaststelling door richtlijn van minimumkooioppervlakte ° Bevoegdheid voor Lid-Staten om strengere nationale normen vast te stellen
(Richtlijn 88/166 van de Raad, bijlage, art. 3, lid 1, sub a)
Samenvatting
Zowel uit de bewoordingen van richtlijn 88/166 ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in zaak 131/86 (vernietiging van richtlijn 86/113/EEG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van legkippen in batterijen) als uit de doelstelling ervan blijkt, dat artikel 3, lid 1, sub a, van haar bijlage aldus moet worden uitgelegd, dat het zich niet ertegen verzet, dat Lid-Staten met betrekking tot de kooioppervlakte voor legkippen in batterijen strengere nationale normen vaststellen dan in dit artikel zijn voorzien.
Deze uitlegging kan weliswaar betekenen, dat houders in de ene Lid-Staat ongunstiger worden behandeld dan in de andere Lid-Staat en dat bepaalde ongelijke concurrentievoorwaarden blijven bestaan, doch dit is inherent aan een harmonisatie die zich beperkt tot de opstelling van minimumnormen.
Partijen
In zaak C-128/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
H. Hoenig
en
Stadt Stockach,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3, lid 1, sub a, van de bijlage bij richtlijn 88/166/EEG van de Raad van 7 maart 1988 ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in zaak 131/86 (vernietiging van richtlijn 86/113/EEG van de Raad van 25 maart 1986 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van legkippen in batterijen) (PB 1988, L 74, blz. 83),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° H. Hoenig, vertegenwoordigd door J. Guendisch, advocaat te Hamburg,
° de Stadt Stockach, vertegenwoordigd door W.-W. Waibel, "Leitender Regierungsdirektor" bij het "Regierungspraesidium Freiburg",
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en B. Kloke, Regierungsrat bij dit ministerie, als gemachtigden,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door R. Anderson, Barrister,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van H. Hoenig, de Stadt Stockach, de Duitse regering en de Commissie ter terechtzitting van 22 juni 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 september 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 16 december 1993, ingekomen ten Hove op 4 mei 1994, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3, lid 1, sub a, van de bijlage bij richtlijn 88/166/EEG van de Raad van 7 maart 1988 ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in zaak 131/86 (vernietiging van richtlijn 86/113/EEG van de Raad van 25 maart 1986 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van legkippen in batterijen) (PB 1988, L 74, blz. 83; hierna: de "richtlijn").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Hoenig en de Stadt Stockach over de Verordnung zum Schutz von Legehennen bei Kaefighaltung van 10 december 1987 (BGBl. I, blz. 2622), die op 1 januari 1988 in werking is getreden.
3 § 2, lid 2, van deze Verordnung bepaalt, dat met ingang van 1 januari 1993 de beschikbare kooioppervlakte voor legkippen met een gemiddeld gewicht van meer dan 2 kg ten minste 550 cm2 moet bedragen.
4 Volgens artikel 3, lid 1, sub a, van de bijlage bij de richtlijn zien de Lid-Staten erop toe, dat legkippen met ingang van 1 januari 1988 over een kooioppervlakte van ten minste 450 cm2 beschikken.
5 Hoenig, landbouwer, houdt kippen in legbatterijen. In het kader van de procedure voor de nationale rechter heeft hij betoogd, dat de Duitse Verordnung in strijd is met het gemeenschapsrecht, omdat zij grotere minimumkooioppervlakten vereist dan de richtlijn.
6 Volgens Hoenig legt de richtlijn minimumnormen voor de kenmerken van legbatterijen vast en kunnen de Lid-Staten niet van deze minimumnormen afwijken. Het doel van de richtlijn, het opheffen van elke ongelijke concurrentie, zou enkel kunnen worden verwezenlijkt, indien de Lid-Staten zo uniform mogelijke voorwaarden toepassen.
7 Volgens het Bundesverwaltungsgericht bestaat er twijfel over de vraag, of artikel 3, lid 1, sub a, van de bijlage bij de richtlijn de Lid-Staten het recht geeft, verder te gaan dan de daarin vastgelegde minimumnormen. Het Bundesverwaltungsgericht is enerzijds van oordeel, dat de richtlijn de Lid-Staten de eerbiediging van minimumnormen wil opleggen, met de mogelijkheid om strengere regels voor te schrijven, doch meent anderzijds, dat met een dergelijke uitlegging het doel van de richtlijn, te weten het opheffen van verstoringen van de mededinging op de markt voor eieren en slachtpluimvee, slechts gedeeltelijk kan worden verwezenlijkt.
8 Het Bundesverwaltungsgericht heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Moet artikel 3, lid 1, sub a, van de bijlage bij richtlijn 88/166/EEG van de Raad van 7 maart 1988 aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten verplicht de daarin genoemde kooioppervlakte als minimumoppervlakte vast te stellen, zonder enige ruimte voor strengere nationale eisen te laten?"
9 Gelijk het Hof in zijn rechtspraak heeft beklemtoond, moet bij de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar eveneens met haar context en met de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, zaak 292/82, Merck, Jurispr. 1983, blz. 3781, r.o. 12, en 21 februari 1984, zaak 337/82, St. Nikolaus Brennerei, Jurispr. 1984, blz. 1051, r.o. 10).
10 Wat om te beginnen de bewoordingen van de richtlijn betreft, artikel 3, lid 1, sub a, van de bijlage bij de richtlijn luidt als volgt:
"De Lid-Staten zien erop toe dat met ingang van 1 januari 1988:
° alle nieuw gebouwde kooien voor gebruik binnen de Gemeenschap,
° alle kooien die voor het eerst in gebruik worden genomen,
ten minste voldoen aan de volgende eisen:
a) de legkippen moeten beschikken over een kooioppervlakte van ten minste 450 cm2 (...)"
11 Volgens de bewoordingen van deze bepaling mogen de Lid-Staten dus geen kleinere kooioppervlakte dan 450 cm2 voorschrijven, doch kunnen zij daarentegen wel per kip een grotere kooioppervlakte voorschrijven dan in deze bepaling is vastgelegd, gelijk overigens blijkt uit het intitulé van de richtlijn en uit artikel 1 ervan, volgens hetwelk "in deze richtlijn minimumnormen worden vastgesteld ter bescherming van legkippen in batterijen".
12 Het feit dat in de richtlijn bepalingen zijn opgenomen die minimumeisen bevatten, vindt zijn grondslag in de resolutie van de Raad van 22 juli 1980 inzake de bescherming van in batterijen gehouden legkippen (PB 1980, C 196, blz. 1) en in besluit 78/923/EEG van de Raad van 19 juni 1978 betreffende de sluiting van het Europese Verdrag inzake de bescherming van landbouwhuisdieren (PB 1978, L 323, blz. 12).
13 Vervolgens moet het doel van de richtlijn worden onderzocht.
14 Gelijk de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 13 van zijn conclusie, beoogt de richtlijn in de eerste plaats de bescherming van dieren in de landbouw te verzekeren en, in de tweede plaats, de ongelijke concurrentievoorwaarden tussen de Lid-Staten op de markt van eieren en slachtpluimvee te verminderen.
15 De communautaire wetgever heeft dus getracht, het belang van de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren en slachtpluimvee in overeenstemming te brengen met dat van de bescherming van dieren, door ° aldus de derde overweging van de considerans van de richtlijn ° gemeenschappelijke minimumeisen vast te stellen, die van toepassing zijn in alle intensieve systemen, waartoe het houden van legkippen in batterijen behoort.
16 Ten slotte volgt uit de bewoordingen "voor een eerste periode" in de derde overweging van de considerans, alsmede uit de tekst van de vierde overweging van de considerans van de richtlijn, dat de richtlijn slechts een zekere mate van harmonisatie op het gebied van de bescherming van kippen beoogt door middel van bepalingen die minimumeisen bevatten.
17 Gelijk verzoeker in het hoofdgeding opmerkt, kan deze uitlegging van de bepalingen van de richtlijn betekenen, dat houders van legkippen in batterijen in de ene Lid-Staat ongunstiger worden behandeld dan in de andere Lid-Staat en dat bepaalde ongelijke concurrentievoorwaarden dus blijven bestaan. Deze gevolgen vloeien echter voort uit het harmonisatieniveau dat de betrokken bepalingen, die minimumnormen bevatten, beogen.
18 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, sub a, van de bijlage bij richtlijn 88/166/EEG van de Raad van 7 maart 1988 ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in zaak 131/86 (vernietiging van richtlijn 86/113/EEG van de Raad van 25 maart 1986 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van legkippen in batterijen), aldus moet worden uitgelegd, dat het zich niet ertegen verzet, dat Lid-Staten met betrekking tot de kooioppervlakte voor legkippen in batterijen strengere nationale normen vaststellen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de bij beschikking van 16 december 1993 door het Bundesverwaltungsgericht gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, sub a, van de bijlage bij richtlijn 88/166/EEG van de Raad van 7 maart 1988 ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in zaak 131/86 (vernietiging van richtlijn 86/113/EEG van de Raad van 25 maart 1986 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van legkippen in batterijen), moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet ertegen verzet, dat Lid-Staten met betrekking tot de kooioppervlakte voor legkippen in batterijen strengere nationale normen vaststellen.
Full & Egal Universal Law Academy