Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Prejudiciële vragen ° Bevoegdheid van Hof ° Grenzen ° Kennelijk irrelevante vraag
(EG-Verdrag, art. 177)
2. Harmonisatie van wetgevingen ° Verplichte motorrijtuigenverzekering ° Richtlijn 72/166 ° Omvang van door verplichte verzekering verleende garantie ten gunste van derden ° Uitsluiting van schade veroorzaakt door dronken bestuurder ° Ontoelaatbaarheid ° Mogelijkheid van regresvordering tegen verzekerde door verzekeraar ° Toelaatbaarheid
(Richtlijnen van de Raad 72/166, art. 3, lid 1, en 84/5, art. 2, lid 1)
Samenvatting
1. In het kader van de prejudiciële procedure van artikel 177 van het Verdrag is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede over de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Een verzoek van een nationale rechter kan slechts worden afgewezen, wanneer duidelijk blijkt, dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
2. Artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, moet aldus worden uitgelegd, dat, onverminderd artikel 2, lid 1, van richtlijn 84/5 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, een overeenkomst inzake een verplichte verzekering niet kan bepalen, dat de verzekeraar in bepaalde gevallen, in het bijzonder wanneer de bestuurder van het voertuig dronken was, niet gehouden is tot vergoeding van het lichamelijk letsel en de materiële schade die het verzekerde voertuig aan derden heeft toegebracht.
Gelet op het beschermingsoogmerk, dat in de ter zake vastgestelde richtlijnen steeds opnieuw is bevestigd, moet artikel 3, lid 1, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de latere richtlijnen, aldus worden uitgelegd, dat de verplichte motorrijtuigenverzekering derden die het slachtoffer zijn van een door een voertuig veroorzaakt ongeval, de schadeloosstelling moet waarborgen voor alle door hen geleden lichamelijk letsel en materiële schade, zonder dat de verzekeraar met een beroep op wettelijke bepalingen of contractuele clausules die schadeloosstelling kan weigeren. Elke andere uitlegging zou deze bepaling zijn nuttig effect ontnemen, want zij zou tot gevolg hebben, dat de Lid-Staten de schadeloosstelling van derden die het slachtoffer zijn van een ongeval, kunnen beperken tot bepaalde soorten schade. Dit zou leiden tot verschillen in behandeling tussen de slachtoffers al naar gelang de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan, hetgeen de richtlijnen juist beogen te vermijden.
Een overeenkomst inzake een verplichte verzekering kan wel bepalen, dat de verzekeraar in die gevallen over een regresvordering tegen de verzekerde beschikt.
Partijen
In zaak C-129/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Audiencia Provincial de Sevilla (Spanje), in de aldaar dienende strafzaak tegen
R. Ruiz Bernáldez,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 1972, L 103, blz. 1), van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 (PB 1984, L 8, blz. 17) en van de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 (PB 1990, L 129, blz. 33), beide inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J.-P. Puissochet (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida, L. Sévon en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° het Spaanse Openbaar ministerie, vertegenwoordigd door A. Flores Pérez, Fiscal Jefe de la Audiencia Provincial de Sevilla,
° de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en G. Calvo Díaz, abogado del Estado, als gemachtigden,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door P. Kamarineas, juridisch adviseur van de staat, en C. Sitara, procesvertegenwoordiger, als gemachtigden,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. L. Hudson, van het Treasury Solicitor' s Department, en R. Thompson, Barrister, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, en B. Rodríguez Galindo, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Spaanse regering, vertegenwoordigd door G. Calvo Díaz, de Griekse regering, vertegenwoordigd door P. Kamarineas en C. Sitara, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Thompson, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis en B. Vilá Costa, lid van haar juridische dienst, ter terechtzitting van 7 december 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 januari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 4 april 1994, ingekomen bij het Hof op 4 mei daaraanvolgend, heeft de Audiencia Provincial de Sevilla het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 1972, L 103, blz. 1; hierna: "Eerste richtlijn"), van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 (PB 1984, L 8, blz. 17; hierna: "Tweede richtlijn") en van de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 (PB 1990, L 129, blz. 33; hierna: "Derde richtlijn"), beide inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.
2 Die vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen R. Ruiz Bernáldez, die een verkeersongeval heeft veroorzaakt terwijl hij onder invloed een motorrijtuig bestuurde.
3 Bij vonnis van 7 september 1993 veroordeelde de Juzgado de lo Penal nr. 3 te Sevilla Ruiz Bernáldez tot vergoeding van de door hem veroorzaakte materiële schade. De verzekeringsmaatschappij waarbij Ruiz Bernáldez een verzekering tot dekking van door zijn voertuig veroorzaakte schade had gesloten, werd door de juzgado daarentegen van elke schadevergoedingsplicht ontheven. De juzgado baseerde zich daarvoor op artikel 12, lid 3, van het reglement inzake de verplichte verzekering, goedgekeurd bij Real Decreto 2641/86 van 30 december 1986, dat bepaalt:
"De verzekeraar moet (...) de materiële schade vergoeden wanneer de bestuurder van het in de verzekeringspolis vermelde motorrijtuig wettelijk aansprakelijk is (...)
Van de dekking wordt uitgesloten de materiële schade veroorzaakt door:
(...)
b) het onder invloed besturen van een motorrijtuig;
(...)"
4 Tegen dit laatste gedeelte van het vonnis stelde het Openbaar ministerie beroep in bij de Audiencia Provincial de Sevilla, die zich afvroeg, of artikel 12, lid 3, sub b, van het reglement inzake de verplichte verzekering, gelet op de gemeenschapsrichtlijnen betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, aldus kan worden uitgelegd, dat de verzekeraar geen schadevergoeding behoeft te betalen aan het slachtoffer van een verkeersongeval dat is veroorzaakt door een dronken bestuurder.
5 Daar het antwoord hierop niet duidelijk was, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Is het, gelet op de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van Eerste richtlijn (72/166/EEG) van de Raad van 24 april 1972, geoorloofd, dat de in elke Lid-Staat geldende nationale regeling van het stelsel van verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, vrijelijk de wenselijk geachte uitsluitingen van de dekking vaststelt, of moeten deze eventuele uitsluitingen zich beperken tot de in de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 uitdrukkelijk genoemde gevallen?
2) Is het verenigbaar met genoemde normatieve handelingen, indien materiële schade die is veroorzaakt door een motorrijtuig waarvan de bestuurder onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde, van de door de verplichte verzekering verleende dekking is uitgesloten?
3) Moeten de in artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad bedoelde gevallen worden beschouwd als een limitatieve opsomming van mogelijke wettelijke bepalingen of contractuele clausules die de door de verzekering verleende dekking uitsluiten, doch niet aan het slachtoffer kunnen worden tegengeworpen, zodat elke andere wettelijke bepaling of contractuele clausule die de door de verzekering verleende dekking uitsluit, hem wel kan worden tegengeworpen?
4) Kan de mogelijkheid om aan gelaedeerde derden een wettelijke bepaling of contractuele clausule tegen te werpen die de door de verzekering verleende dekking uitsluit wanneer de bestuurder die de schade veroorzaakt, onder invloed van alcohol verkeert, worden geacht te stroken met het in de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG en 90/232/EEG neergelegde stelsel, indien die bepaling of clausule geldig is in de betrekkingen tussen verzekeraar en verzekerde?
5) Ingeval op grond van de bepalingen van voornoemde richtlijnen, inzonderheid artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad, de dekking die wordt verleend door de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, kan worden uitgesloten in gevallen van rijden onder invloed ° welke uitsluiting aan het slachtoffer kan worden tegengeworpen °, kan dan worden aangenomen dat er sprake is van een geval van niet-verzekering als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad, dat tot de tussenkomst van het in dat lid bedoelde orgaan zal leiden?"
De ontvankelijkheid
6 Het Spaanse Openbaar ministerie stelt, dat de prejudiciële vragen niet behoeven te worden beantwoord, omdat zij niet van belang zijn voor de beslissing van het hoofdgeding.
7 In dit verband volstaat het erop te wijzen, dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede over de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Een verzoek van een nationale rechter kan slechts worden afgewezen, wanneer duidelijk blijkt, dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding (zie onder meer arrest van 26 oktober 1995, zaak C-143/94, Furlanis costruzioni generali, Jurispr. 1995, blz. I-3633, r.o. 12). Dit is in het hoofdgeding evenwel niet het geval.
8 De vragen van de verwijzende rechter dienen dus te worden onderzocht.
De eerste vier vragen
9 Met de eerste vier vragen, die te zamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat, onverminderd de bepalingen van artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn, een overeenkomst inzake een verplichte verzekering kan bepalen, dat de verzekeraar in bepaalde gevallen, in het bijzonder wanneer de bestuurder van het voertuig onder invloed verkeerde, niet gehouden is tot vergoeding van het lichamelijk letsel en de materiële schade die het verzekerde voertuig aan derden heeft toegebracht, dan wel of in die gevallen de overeenkomst inzake een verplichte verzekering enkel kan bepalen, dat de verzekeraar over een regresvordering tegen de verzekerde beschikt.
10 Volgens de Spaanse, de Griekse en de Britse regering alsmede de Commissie laten de richtlijnen de Lid-Staten een ruime beoordelingsvrijheid ten aanzien van de voorwaarden van de verplichte verzekering, maar moeten zij er hoe dan ook voor zorgen, dat het slachtoffer schadeloos wordt gesteld, zo niet in alle gevallen dan toch op de belangrijkste gebieden van de wettelijke aansprakelijkheid, in het bijzonder wanneer de schade is veroorzaakt door een voertuig waarvan de bestuurder onder invloed verkeerde.
11 Volgens genoemde regeringen staan de richtlijnen uitsluitingsclausules in verband met de fysieke toestand van de bestuurder van het voertuig toe, mits deze uitsluitend gelden in de betrekkingen tussen verzekeraar en verzekerde.
12 Volgens de Commissie staan de richtlijnen dergelijke uitsluitingsclausules toe, ook in de betrekkingen tussen verzekeraar en slachtoffer, mits het voertuig dan wordt gelijkgesteld met een niet-verzekerd voertuig en het in artikel 1, lid 4, van de Tweede richtlijn bedoelde orgaan de schade van het slachtoffer vergoedt.
13 Uit de considerans van de betrokken richtlijnen blijkt, dat deze in de eerste plaats het vrije verkeer beogen te waarborgen, zowel van de gewoonlijk op het grondgebied van de Gemeenschap gestalde voertuigen als van de inzittenden, en anderzijds dienen te verzekeren dat de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Gemeenschap waar het ongeval zich heeft voorgedaan (zie meer in het bijzonder de vijfde overweging van de considerans van de Tweede richtlijn en de vierde overweging van de considerans van de Derde richtlijn).
14 Daartoe heeft de Eerste richtlijn in navolging van de overeenkomst tussen de nationale bureaus van verzekeraars een stelsel ingevoerd dat gebaseerd is op de veronderstelling, dat voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gestald, verzekerd zijn (achtste overweging van de considerans). Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dan ook dat de Lid-Staten, onverminderd de in artikel 4 bedoelde afwijkingen, de nodige maatregelen moeten treffen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van deze voertuigen door een verzekering is gedekt.
15 In de aanvankelijke formulering liet dit artikel het evenwel aan de Lid-Staten over om de dekking van de schade en de voorwaarden van de verplichte verzekering te bepalen.
16 Ter verkleining van de verschillen die er tussen de wetgevingen van de onderscheiden Lid-Staten nog bestonden betreffende de omvang van de verzekeringsplicht (derde overweging van de considerans van de Tweede richtlijn), is in artikel 1 van de Tweede richtlijn op het gebied van de wettelijke aansprakelijkheid voorzien in een verplichte dekking van materiële schade en lichamelijk letsel, ten belope van vastgestelde bedragen. Bij artikel 1 van de Derde richtlijn is deze verplichting uitgebreid tot de dekking van lichamelijk letsel van andere inzittenden dan de bestuurder.
17 Artikel 1, lid 4, van de Tweede richtlijn heeft bovendien de bescherming van de slachtoffers verhoogd door de Lid-Staten te verplichten, organen in te stellen of te erkennen die tot taak hebben, materiële schade en lichamelijk letsel die zijn veroorzaakt door niet-geïdentificeerde of niet-verzekerde voertuigen, te vergoeden.
18 Gelet op het beschermingsoogmerk, dat in de richtlijnen steeds opnieuw is bevestigd, moet artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede en de Derde richtlijn, aldus worden uitgelegd, dat de verplichte motorrijtuigenverzekering derden die het slachtoffer zijn van een door een voertuig veroorzaakt ongeval, schadeloosstelling moet waarborgen voor alle door hen geleden lichamelijk letsel en materiële schade, ten belope van de in artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn vastgestelde bedragen.
19 Elke andere uitlegging zou tot gevolg hebben, dat de Lid-Staten de schadeloosstelling van derden die het slachtoffer zijn van een verkeersongeval, kunnen beperken tot bepaalde soorten schade. Dit zou leiden tot verschillen in behandeling tussen de slachtoffers al naar gelang de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan, hetgeen de richtlijnen juist beogen te vermijden. Artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn zou dan zijn nuttig effect worden ontnomen.
20 Mitsdien verzet artikel 3, lid 1, van de eerste richtlijn zich ertegen, dat de verzekeraar met een beroep op wettelijke bepalingen of contractuele clausules kan weigeren, derden die het slachtoffer zijn van een door het verzekerd voertuig veroorzaakt ongeval, schadeloos te stellen.
21 In dit verband brengt artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de Tweede richtlijn deze verplichting slechts in herinnering met betrekking tot bepalingen of clausules in een verzekeringspolis, op grond waarvan van de verzekering is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen in bijzondere gevallen (personen die niet gemachtigd zijn het voertuig te besturen, personen die geen rijbewijs hebben of personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het voertuig niet in acht hebben genomen). In afwijking van deze verplichting bepaalt artikel 2, lid 1, tweede en derde alinea, evenwel, dat de verzekeraar in bepaalde gevallen wel kan weigeren de schade te vergoeden, gelet op de situatie die de slachtoffers zelf hebben geschapen (personen die hebben plaatsgenomen in een voertuig waarvan zij wisten dat het gestolen was) of op de schadevergoeding waarop zij elders aanspraak kunnen maken (slachtoffers die schadevergoeding kunnen krijgen van een orgaan van de sociale zekerheid).
22 Daarentegen verzet artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn zich niet tegen wettelijke bepalingen of contractuele clausules die de verzekeraar de mogelijkheid bieden, zich in bepaalde gevallen tegen de verzekerde te keren.
23 Dit is met name het geval met bepalingen of clausules op grond waarvan de verzekeraar zich tegen de verzekerde kan keren teneinde de bedragen die zijn uitgekeerd aan het slachtoffer van een verkeersongeval dat is veroorzaakt door een dronken bestuurder, terug te vorderen.
24 Derhalve moet op de eerste vier vragen worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat, onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn, een overeenkomst inzake een verplichte verzekering niet kan bepalen, dat de verzekeraar in bepaalde gevallen, in het bijzonder wanneer de bestuurder van het voertuig onder invloed verkeerde, niet gehouden is tot vergoeding van het lichamelijk letsel en de materiële schade die het verzekerde voertuig aan derden heeft toegebracht. Een overeenkomst inzake een verplichte verzekering kan wel bepalen, dat de verzekeraar in die gevallen over een regresvordering tegen de verzekerde beschikt.
De vijfde vraag
25 De vijfde vraag is enkel gesteld voor het geval het Hof op de voorgaande vragen zou antwoorden, dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een overeenkomst inzake een verplichte verzekering kan bepalen, dat de verzekeraar in bepaalde gevallen, in het bijzonder wanneer de bestuurder van het voertuig onder invloed verkeerde, niet gehouden is tot vergoeding van het lichamelijk letsel en de materiële schade die het verzekerde voertuig aan derden heeft toegebracht.
26 Gelet op het antwoord op de eerste vier vragen behoeft de vijfde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
27 De kosten door de Spaanse, de Griekse en de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Audiencia Provincial de Sevilla bij beschikking van 4 april 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, moet aldus worden uitgelegd, dat, onverminderd artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1984 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, een overeenkomst inzake een verplichte verzekering niet kan bepalen, dat de verzekeraar in bepaalde gevallen, in het bijzonder wanneer de bestuurder van het voertuig onder invloed verkeerde, niet gehouden is tot vergoeding van het lichamelijk letsel en de materiële schade die het verzekerde voertuig aan derden heeft toegebracht. Een overeenkomst inzake een verplichte verzekering kan wel bepalen, dat de verzekeraar in die gevallen over een regresvordering tegen de verzekerde beschikt.
Full & Egal Universal Law Academy