Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen ° Vrijheid van vestiging ° Verdragsbepalingen ° Niet-toepasselijkheid in volledig in interne sfeer van Lid-Staat gelegen situatie
(EG-Verdrag, art. 52)
Samenvatting
Artikel 52 EG-Verdrag is niet van toepassing op situaties die volledig in de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van een onderdaan van een Lid-Staat die op diens grondgebied beroepswerkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, waarvoor hij niet tevoren een opleiding in een andere Lid-Staat heeft ontvangen.
Partijen
In zaak C-152/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), in de aldaar dienende strafzaak tegen
G. Van Buynder,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 52 EEG-Verdrag, thans EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. Hirsch, kamerpresident, G. F. Mancini en F. A. Schockweiler (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° het Openbaar ministerie, vertegenwoordigd door C. Sorgeloose, substituut-procureur des Konings,
° G. Van Buynder, vertegenwoordigd door G. Schoeters, advocaat te Gent,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Braviner, van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, en R. Thompson, Barrister,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber en W. Wils, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van G. Van Buynder en de Commissie ter terechtzitting van 14 september 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 oktober 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij tussenvonnis van 2 juni 1994, ingekomen ten Hove op 10 juni daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 52 EEG-Verdrag, thans EG-Verdrag.
2 Deze vraag is gerezen in een strafzaak tegen G. Van Buynder, van Belgische nationaliteit, die wordt vervolgd omdat hij in België, hoewel hij daartoe niet bevoegd was, diergeneeskundige handelingen heeft gesteld, meer bepaald, heelkundige en tandheelkundige ingrepen bij dieren, zonder te voldoen aan de voorwaarden van de Belgische wet van 22 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde (Belgisch Staatsblad van 15 oktober 1991, blz. 22981).
3 In artikel 3, lid 1, van deze wet zijn de diergeneeskundige handelingen opgesomd waarin de uitoefening van de diergeneeskunde bestaat. "Heelkundig en tandheelkundig ingrijpen bij dieren" is een van deze handelingen (punt 6). Artikel 4 van de wet stelt de uitoefening van de diergeneeskunde afhankelijk van verschillende voorwaarden, waaronder het bezit van een wettelijk diploma diergeneeskunde en inschrijving op de lijst van de Orde der dierenartsen.
4 In het kader van het tegen hem ingestelde onderzoek heeft Van Buynder verklaard, dat hij een aantal handelingen heeft gesteld die bestonden in de verzorging van het gebit van paarden, vooral door het afvijlen van tanden waaraan door natuurlijke afslijting haken en te scherpe randen waren gekomen. Deze behandeling voorkomt snijwonden in tong en kaken, en spijsverteringsproblemen. Van Buynder heeft deze handelingen gesteld zonder verdoving of geneesmiddelen.
5 Van Buynder verweerde zich met te stellen, dat deze activiteit in de buurlanden van België vrij kan worden uitgeoefend. Hij heeft een lijst overgelegd van personen uit Nederland, Frankrijk en Duitsland, die onder gelijkaardige omstandigheden dezelfde handelingen stellen.
6 Nu Van Buynder heeft aangevoerd, "dat wanneer men elders in de Europese Gemeenschappen een beroep mag uitoefenen, dit ook in België toegestaan moet zijn", heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent zich op het standpunt geplaatst dat het, alvorens uitspraak te doen over de schuld van verdachte, de behandeling van de zaak moest schorsen teneinde het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
"Waarborgt de vrijheid van vestiging voorzien in artikel 52 EEG-Verdrag het recht van eenieder, ook al is hij geen dierenarts, om tandheelkundig in te grijpen bij paarden zonder gebruik te maken van geneesmiddelen of verdovende middelen?"
7 Volgens Van Buynder is deze prejudiciële vraag niet ter zake dienend en dus niet-ontvankelijk, omdat het antwoord op de vraag of hij al dan niet de handelingen mocht stellen waarvoor hij vervolgd wordt, alleen in de Belgische wetgeving is te vinden. Hij betoogt, dat hij bij paarden niet tandheelkundig ingrijpt in de zin van artikel 3, lid 1, punt 6, van de Belgische wet, doch enkel de tanden van paarden verzorgt, wat buiten het toepassingsgebied van de wet valt.
8 Dit argument kan niet slagen.
9 Het is immers vaste rechtspraak, dat het Hof in het kader van artikel 177 van het Verdrag geen uitspraak kan doen over de uitlegging van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of over de relevantie van de vragen van de nationale rechter (arrest van 16 april 1991, zaak C-347/89, Eurim-Pharm, Jurispr. 1991, blz. I-1747, r.o. 16). Zoals de advocaat-generaal in punt 8 van zijn conclusie heeft uiteengezet, staat het dus aan de nationale rechter om zich uit te spreken over de gegrondheid van het bezwaar dat een prejudiciële vraag niet relevant is, doordat deze op een onjuiste uitlegging van nationaal recht berust.
10 Wat de grond van de prejudiciële vraag betreft, zij herinnerd aan de vaste rechtspraak, dat de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van vestiging niet van toepassing zijn op situaties die volledig in de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van onderdanen van een Lid-Staat die op diens grondgebied als zelfstandige een beroep uitoefenen waarvoor zij niet in een andere Lid-Staat zijn opgeleid en dat zij eerder niet in een andere Lid-Staat hebben uitgeoefend (arrest van 3 oktober 1990, gevoegde zaken C-54/88, C-91/88 en C-14/89, Nino e.a., Jurispr. 1990, blz. I-3537).
11 Blijkens het verwijzingsvonnis en de opmerkingen van partijen gaat het in het hoofdgeding om een Belgisch onderdaan, die in België woont, aldaar beroepswerkzaamheden anders dan in loondienst wenst uit te oefenen, en niet stelt de voor de uitoefening van deze werkzaamheden vereiste beroepskwalificaties in een andere Lid-Staat te hebben verworven.
12 Deze situatie vertoont dus geen enkel aanknopingspunt met een van de situaties waarop het gemeenschapsrecht ziet, zodat de verdragsregels betreffende de vrijheid van vestiging niet van toepassing zijn.
13 Bijgevolg moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 52 van het Verdrag niet van toepassing is op situaties die volledig in de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van een onderdaan van een Lid-Staat die op diens grondgebied beroepswerkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, waarvoor hij niet tevoren een opleiding in een andere Lid-Staat heeft ontvangen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent bij tussenvonnis van 2 juni 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 52 EG-Verdrag is niet van toepassing op situaties die volledig in de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van een onderdaan van een Lid-Staat die op diens grondgebied beroepswerkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, waarvoor hij niet tevoren een opleiding in een andere Lid-Staat heeft ontvangen.
Full & Egal Universal Law Academy