Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Financiering door EOGFL ° Procedure van goedkeuring van rekeningen ° Werkingssfeer ° Uitgaven van Lid-Staat uit hoofde van interventies ter regulering van landbouwmarkten ° Noodmaatregel voor levering van landbouwprodukten, bestemd voor bevolking van Sowjetunie ° Daaronder begrepen
(Verordeningen nrs. 729/70 en 598/91 van de Raad)
2. Landbouw ° EOGFL ° Goedkeuring van rekeningen ° Weigering uitgaven ten laste te brengen die gevolg zijn van onregelmatigheden bij toepassing van gemeenschapsregeling ° Betwisting door betrokken Lid-Staat ° Bewijslast
(Verordeningen nrs. 729/70 en 598/91 van de Raad)
Samenvatting
1. Aangezien verordening nr. 598/91 betreffende een noodmaatregel voor de levering van landbouwprodukten, bestemd voor de bevolking van de Sowjetunie, gebaseerd is op artikel 43 van het Verdrag en de door deze verordening beoogde maatregel bij voorrang moet worden verwezenlijkt door de afzet van landbouwprodukten die ingevolge interventiemaatregelen zijn opgeslagen, wat wordt geacht bij te kunnen dragen tot de regulering van de landbouwmarkten, valt de genoemde maatregel onder de werkingssfeer van verordening nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zodat de uitgaven die uit dien hoofde door een Lid-Staat zijn gedaan, worden onderworpen aan een procedure van goedkeuring van de rekeningen. In het kader van deze procedure worden de kosten hetzij ten laste van de gemeenschapsbegroting, hetzij ten laste van de betrokken Lid-Staat gebracht, al naar gelang zij al dan niet betrekking hebben op uitgaven die "volgens de communautaire voorschriften" zijn gedaan.
2. Wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, op grond dat die uitgaven zijn veroorzaakt door aan een Lid-Staat toe te rekenen inbreuken op de gemeenschapsregeling, moet de betrokken Lid-Staat aantonen dat is voldaan aan de voorwaarden om de geweigerde financiering te verkrijgen. Dezelfde bewijslast rust op de Lid-Staat, ten aanzien waarvan de Commissie op basis van de overtuigende resultaten van analyses van monsters en op basis van een inspectie van de produktievestigingen van oordeel is, dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting, de kwaliteit van het vlees in blik dat is geleverd in het kader van de bij verordening nr. 598/91 getroffen noodmaatregel voor de levering van landbouwprodukten bestemd voor de bevolking van de Sowjetunie, op passende wijze te controleren alvorens de leveringszekerheid vrij te geven en het in de offerte vermelde bedrag aan de producent te betalen.
Partijen
In zaak C-198/94,
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door M. Fiorilli, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March, juridisch adviseur, als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(94) 1011 def. van de Commissie van 29 april 1994 betreffende de goedkeuring van de rekeningen van Italië voor bepaalde uitgaven die voor het begrotingsjaar 1991 zijn gefinancierd door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling "Garantie",
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J.-P. Puissochet, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 18 januari 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 februari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 juli 1994, heeft de Italiaanse Republiek krachtens artikel 173 EG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van beschikking C(94) 1011 def. van de Commissie van 29 april 1994 betreffende de goedkeuring van de rekeningen van Italië voor bepaalde uitgaven die voor het begrotingsjaar 1991 zijn gefinancierd door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling "Garantie", voor zover deze beschikking het bedrag van 18 934 858 259 LIT uitsluit van communautaire financiering. Deze beschikking is onder nummer 94/281/EG bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1994, L 120, blz. 59.
De toepasselijke regeling
2 Artikel 2 van verordening (EEG) nr. 598/91 van de Raad van 5 maart 1991 betreffende een noodmaatregel voor de levering van landbouwprodukten, bestemd voor de bevolking van de Sowjetunie (PB 1991, L 67, blz. 19), bepaalt, dat de Gemeenschap ter uitvoering van deze maatregel als gevolg van een interventiemaatregel beschikbare landbouwprodukten kosteloos aan de Sowjetunie afstaat. De leveringskosten worden door de Gemeenschap gedragen en de levering wordt toegewezen bij openbare inschrijving. De vervoerkosten worden door de Gemeenschap gedragen, voor zover het begunstigde land de produkten niet zelf in de Gemeenschap overneemt.
3 Artikel 5 van de verordening belast de Commissie met de uitvoering van de maatregel. Overeenkomstig de in artikel 5, lid 2, beschreven procedure heeft deze instelling op 11 juni 1991 verordening (EEG) nr. 1582/91 uitgevaardigd, tot vaststelling van nadere voorschriften voor de uitvoering van verordening (EEG) nr. 598/91 (PB 1991, L 147, blz. 20).
4 Naar luid van artikel 1 van verordening nr. 1582/91 wordt een inschrijving geopend voor de levering van interventierundvlees in blik.
5 Volgens artikel 2 van deze verordening omvat de levering de verwerking en verpakking van het vlees en de eigenlijke levering van het vlees in blik aan de instantie die door de Commissie is aangewezen voor het vervoer van de voedselhulp tot aan de bestemming.
6 In artikel 3, lid 2, wordt bepaald dat de inschrijvers een schriftelijke offerte indienen bij de nationale interventiebureaus.
7 Ingevolge artikel 4 doen de interventiebureaus de Commissie de ingediende offertes toekomen. Uitgaande van de ontvangen offertes, besluit de Commissie om hetzij een maximumbedrag voor de kosten vast te stellen, hetzij de opdracht niet te gunnen. Wanneer een maximumbedrag wordt vastgesteld, worden de offertes die dit bedrag niet overschrijden aanvaard. Uiterlijk drie werkdagen na de dag waarop het besluit van de Commissie aan de Lid-Staten is meegedeeld, stelt het betrokken interventiebureau alle inschrijvers in kennis van dat besluit. Wanneer een inschrijving wordt aanvaard, wordt het contract geacht te zijn gesloten op de datum van kennisgeving door het interventiebureau aan de inschrijver.
8 Op grond van artikel 8 dient de inschrijver ervoor te zorgen, dat het vlees in blik in gemakkelijk te identificeren partijen in- en opgeslagen wordt.
9 Artikel 9 bepaalt, dat de interventiebureaus toezicht houden op alle verplaatsingen van en werkzaamheden in verband met het betrokken rundvlees tot het tijdstip waarop het rundvlees in blik door de vervoerder wordt overgenomen. Het toezicht omvat in de eerste plaats een permanente fysieke controle om na te gaan of al het afgehaalde vlees overeenkomstig de voorschriften in bijlage I wordt gebruikt voor de vervaardiging van rundvlees in blik, en in de tweede plaats een fysieke controle bij de feitelijke levering, om na te gaan of het verwerkte en opgeslagen rundvlees in blik volledig overeenkomt met het te leveren rundvlees in blik. Voor elk leveringscontract moet een verslag worden opgesteld met de resultaten van de controles. Wanneer deze resultaten door de bevoegde ambtenaar bevredigend worden geacht, bevestigt hij dit schriftelijk aan de inschrijver aan wie is gegund.
10 Luidens artikel 10, lid 2, wordt alle rundvlees in blik aan de vervoerder geleverd na overlegging van het overnamecertificaat.
11 Ingevolge artikel 11 betaalt het betrokken interventiebureau de inschrijver aan wie is gegund onmiddellijk het in de inschrijving vermelde bedrag uit, wanneer de inschrijver daartoe een aanvraag indient die vergezeld gaat van het overnamecertificaat en de schriftelijke bevestiging van conformiteit.
12 De bij het interventiebureau gestelde leveringszekerheid wordt volgens artikel 12 onverwijld vrijgegeven nadat de inschrijver aan wie is gegund het interventiebureau de twee genoemde certificaten heeft overgelegd.
13 In de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13) wordt bepaald, dat enkel de uitgaven die volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten zijn gedaan, door het EOGFL worden gefinancierd.
Het geschil
14 Ingevolge een openbare inschrijving krachtens verordening nr. 1582/91 werd aan bepaalde vennootschappen van de Italiaanse groep BECA een deel van de opdracht voor de levering van rundvlees in blik bestemd voor de bevolking van de Sowjetunie gegund. Het van het Duitse interventiebureau (het BALM) afkomstige vlees werd dus door bepaalde vennootschappen van deze groep verwerkt. Een aanzienlijke partij vlees werd meer bepaald verwerkt en ingeblikt door de vennootschap Nuova Irpinia in haar fabriek te Avellino.
15 Het Italiaanse interventiebureau (het AIMA), dat krachtens verordening nr. 1582/91 belast was met de controle van de regelmatigheid van de verwerkings- en inblikkingswerkzaamheden, vertrouwde het toezicht over de werkzaamheden betreffende het rundvlees toe aan het Nationale instituut voor voedingswaren in blik (hierna: "INCA"). Nadat het INCA had bevestigd, dat de uit de vestigingen van Nuova Irpinia afkomstige conserven de door verordening nr. 1582/91 vereiste kenmerken vertoonden, betaalde het AIMA de onderneming waaraan de opdracht was gegund, het bedrag voor de verwerking van het rundvlees en gaf het de desbetreffende zekerheid vrij. De transportonderneming Wesotra zorgde voor het vervoer van de conserven naar de bevolking van de voormalige Sowjetrepublieken.
16 Aangezien de overheden van sommige republieken de eetbaarheid van de aldus geleverde conserven betwistten, stelde de Commissie een onderzoek in. Zij liet meer bepaald een inspectie van de vestigingen van Nuova Irpinia uitvoeren alsmede een analyse van verschillende reeksen monsters om de kwaliteit van het verdachte produkt te controleren.
17 De resultaten van deze onderzoeken overtuigden de Commissie ervan, dat de klachten gegrond waren en dat de niet-eetbaarheid van het aan de voormalige Sowjetrepublieken geleverde vlees in blik het gevolg was van ontoereikende sterilisatie van de conserven door Nuova Irpinia. Omdat niet vaststond, welke partijen van die conserven gebrekkig waren, achtte de Commissie het nodig de gehele produktie van Nuova Irpinia terug te halen. De onderzoeken die na de terugkeer van de conserven werden uitgevoerd, bevestigden de Commissie in haar beoordeling van de feiten.
De betwiste beschikking
18 De Commissie besloot dus, een bedrag van 18 934 858 259 LIT van financiering door het EOGFL uit te sluiten, wat overeenkomt met de uitgaven die dat fonds had gedaan uit hoofde van de vleesconserven die in de vestigingen van Nuova Irpinia voor rekening van BECA waren bereid. Blijkens het dossier berust de aangevochten beschikking voornamelijk op de volgende overwegingen:
° een aanzienlijk deel van de conserven die in de vestigingen van Nuova Irpinia waren bereid en aan de voormalige Sowjetrepublieken waren geleverd, bleek ongeschikt voor menselijke consumptie;
° het bederf van een deel van de waren was te wijten aan ontoereikende sterilisatie van het te verwerken vlees;
° alle verdachte waren dienden te worden teruggetrokken om te worden vernietigd, aangezien, in strijd met de communautaire voorschriften, niet kon worden vastgesteld welke partijen aangetast waren;
° bij een inspectie door ambtenaren van de Commissie in de vestigingen van Nuova Irpinia bleek, dat tijdens de produktiecyclus talrijke onregelmatigheden waren begaan en dat de Italiaanse controlerende instanties deze niet onder de aandacht hadden gebracht;
° derhalve bleek de permanente fysieke controle die overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1582/91 had moeten worden uitgevoerd, betrouwbaar noch volledig;
° het Italiaanse interventiebureau betaalde dus ten onrechte de betreffende verwerkingskosten.
De middelen van het beroep
19 Volgens de Italiaanse Republiek blijkt uit de betrokken verordeningen, dat de levering van rundvlees in blik, in het kader van een openbare inschrijving voor de verpakking van interventievlees, het voorwerp is van contracten tussen de Commissie en de ondernemingen waaraan de opdracht is gegund. Op basis hiervan worden twee onderling afhankelijke middelen aangevoerd. Met haar eerste middel houdt verzoekster in wezen staande dat, gelet op de contractuele aard van de juridische banden tussen BECA en de Commissie, de Commissie had moeten handelen overeenkomstig de regels van het contractenrecht. Met het tweede middel worden de vormen en resultaten van de door de Commissie verrichte onderzoeken betwist.
Het eerste middel
20 Verzoekster betoogt, dat de handelwijze van de Commissie jegens haar rechtsgrondslag mist. Dienaangaande merkt zij op, dat het leveringscontract tussen de Commissie en BECA is gesloten in het kader van een humanitair initiatief dat niet tot het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid behoort, zodat de voor dit beleid geldende bepalingen en beginselen niet van toepassing zijn op de rechtsbetrekkingen die in het kader van dit initiatief zijn ontstaan. Volgens de Italiaanse regering was de Commissie na de weigering van de waren door de overheden van de landen van bestemming ertoe gehouden, het bestaan en de oorsprong van de aangeduide gebreken na te gaan tijdens een onderhoud op tegenspraak met de betrokkenen, te weten de onderneming die de waren had verwerkt, het nationaal interventiebureau en de onderneming die de conserven had vervoerd. Ingeval het bewijs was geleverd, dat het produkt oneetbaar was, en de leverancier niet had kunnen aantonen, dat hij hiervoor niet verantwoordelijk was, had deze laatste de ontvangen bedragen moeten teruggeven. Verzoekster concludeert, dat slechts wanneer was komen vast te staan, dat de voor de levering betaalde bedragen niet konden worden teruggevorderd, de Commissie in voorkomend geval de Italiaanse Republiek aansprakelijk had kunnen stellen.
21 De Commissie werpt tegen, dat verordening nr. 598/91 volledig tot het domein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid behoort. Dienaangaande merkt zij op dat de humanitaire acties, die eveneens tot doel hebben de interventievoorraden te verkleinen, deel uitmaken van de instrumenten van het landbouwbeleid. Zij illustreert deze stelling door onder meer te verwijzen naar de gratis bedelingen aan de allerarmsten.
22 De Commissie, die weerlegt dat er een contractuele band bestaat tussen haar en de ondernemingen waaraan de opdracht is gegund, waaronder BECA, merkt voorts op, dat de vraag of zij een contractuele band met BECA heeft, in dit geval van geen belang is, omdat in de aangevochten beschikking eenvoudigweg wordt geweigerd, de onregelmatige betalingen van het AIMA aan de onderneming waaraan de opdracht is gegund, door het EOGFL te laten financieren, daar het AIMA niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 9 van verordening nr. 1582/91 op hem rustende verplichting om toezicht op de waren te houden.
23 Dienaangaande zij opgemerkt, dat verordening nr. 598/91 uitdrukkelijk is gebaseerd op artikel 43 EEG-Verdrag, thans EG-Verdrag, betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Uit de eerste en de tweede overweging van de considerans van deze verordening volgt dat de beoogde maatregel, ook al heeft zij in hoofdzaak tot doel humanitaire hulp te verlenen ° reden waarom de communautaire wetgever deze verordening eveneens op artikel 235 EEG-Verdrag heeft gebaseerd °, bij voorrang moest worden verwezenlijkt door de afzet van landbouwprodukten die als gevolg van interventiemaatregelen waren opgeslagen. Bovendien werd overwogen, dat vermindering van de interventievoorraden kon bijdragen tot de regulering van de landbouwmarkten. Volgens artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 729/70 worden de interventies ter regulering van de landbouwmarkten gefinancierd door het EOGFL, afdeling "Garantie". Bovendien verwijst artikel 3 van verordening nr. 598/91 naar de procedure van artikel 13 van verordening nr. 729/70 voor de vaststelling van de te boeken waarde van de aan de Sowjetunie afgestane produkten.
24 Uit het voorgaande volgt, dat de noodmaatregel voor de levering van landbouwprodukten bestemd voor de bevolking van de Sowjetunie, beoogd door verordening nr. 598/91, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 729/70 valt. Bijgevolg worden de verhoudingen tussen de Commissie en de Lid-Staten, in het bijzonder de Italiaanse Republiek, beheerst door de werkings- en financieringsregels van het EOGFL, afdeling "Garantie".
25 Blijkens de artikelen 2, 3 en 5, lid 2, sub b, van verordening nr. 729/70 alsmede de rechtspraak van het Hof (arrest van 7 februari 1979, zaak 11/76, Nederland/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 245), zijn de uitgaven die door een Lid-Staat uit hoofde van interventies ter regulering van de landbouwmarkten zijn gedaan, evenals de andere uitgaven op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, onderworpen aan een procedure van goedkeuring van de rekeningen, waarbij de kosten hetzij ten laste van de gemeenschapsbegroting, hetzij ten laste van de betrokken Lid-Staat worden gebracht, al naar gelang zij al dan niet betrekking hebben op uitgaven die "volgens de communautaire voorschriften" zijn gedaan.
26 Het eerste middel van de Italiaanse regering moet dus worden verworpen.
Het tweede middel
27 Volgens verzoekster heeft de Commissie bij de verzameling van bewijselementen betreffende de gebrekkige kwaliteit van de waren, het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, ten nadele van het Italiaanse interventiebureau dat belast was met het toezicht op de verwerking van het produkt.
28 De Commissie gelastte de onderneming die het vervoer van de conserven in de gebieden van de voormalige Sowjetunie had verricht en die dus bij de actie betrokken was en zelfs contractueel aansprakelijk was tegenover de Commissie, de te onderzoeken monsters te verzamelen en op te sturen, zonder dat de Italiaanse autoriteiten bij deze operatie werden betrokken.
29 Bovendien, aldus nog steeds verzoekster, tonen de bewijsmiddelen waarop de Commissie zich heeft gebaseerd om de betwiste beschikking uit te vaardigen, hoe dan ook niet aan, dat het AIMA verantwoordelijk is voor de niet-verwezenlijking van het doel van de communautaire maatregel; derhalve is de terugvorderingsmaatregel onwettig wegens misbruik van bevoegdheid.
30 De Commissie betwist deze aantijgingen.
31 Wat de vermeende procedurefouten bij de bewijslevering betreft, beklemtoont zij dat de monsterneming waarnaar verzoekster verwijst, door de plaatselijke autoriteiten en niet door de transportonderneming is uitgevoerd.
32 Inzake de gestelde ontoereikendheid van de bewijzen die tot staving van de betwiste beschikking zijn geleverd, betoogt de Commissie dat afdoende is aangetoond, dat de oneetbaarheid van het vlees te wijten was aan een slechte sterilisatie bij de verwerking en dat het AIMA zijn toezicht niet overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1582/91 had uitgeoefend.
33 Betreffende de vermeende procedurefout bij de bewijslevering zij opgemerkt, dat zelfs indien verzoeksters grieven dienaangaande gegrond mochten zijn, de verwerping van het betreffende bewijs op zich niet tot nietigverklaring van de betwiste beschikking zou kunnen leiden. Uit het dossier blijkt immers, dat de Commissie van oordeel was dat de resultaten van de analyses die in Italië op het teruggezonden vlees zijn verricht en ten aanzien waarvan verzoekster geen enkele procedurele onregelmatigheid aanvoert, op zich voldoende waren om het voor de beschikking noodzakelijke bewijs te leveren. Bijgevolg zou de inhoud van de beschikking ook zonder de door verzoekster in twijfel getrokken bewijzen niet anders hebben geluid.
34 Wat verzoeksters tweede grief in het kader van dit middel betreft, te weten de ontoereikendheid van de bewijzen tot staving van de aangevochten handeling, blijkt in de eerste plaats uit het dossier, dat ° onder meer door de resultaten van de in de Italiaanse laboratoria verrichte analyses ° het bewijs is geleverd, dat een deel van het rundvlees in blik dat naar de voormalige Sowjetrepublieken is gezonden bedorven was, en dat diezelfde analyses, waarvan verzoekster de procedurele regelmatigheid niet heeft betwist, ontoereikende sterilisatie als de vermoedelijke oorzaak van de gebreken van de waren hebben aangewezen.
35 In de tweede plaats heeft de inspectie door ambtenaren van de Commissie van de vestigingen waar het betreffende vlees was verwerkt, aan het licht gebracht, dat bij de produktie van de betrokken conserven onregelmatigheden waren begaan en dat de Italiaanse autoriteiten die krachtens artikel 9 van verordening nr. 1582/91 met het toezicht waren belast, deze niet onder de aandacht hadden gebracht.
36 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, op grond dat die uitgaven zijn veroorzaakt door aan een Lid-Staat toe te rekenen inbreuken op de gemeenschapsregeling, de betrokken Lid-Staat moet aantonen dat is voldaan aan de voorwaarden om de geweigerde financiering te verkrijgen (arrest van 20 mei 1992, zaak C-385/89, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-3225, r.o. 30). Deze rechtspraak is eveneens van toepassing in een geval als het onderhavige, waarin de Commissie op basis van de overtuigende resultaten van analyses van monsters en op basis van een inspectie van de produktievestigingen van oordeel is, dat de betrokken Lid-Staat niet heeft voldaan aan de verplichting, de kwaliteit van het vlees in blik op passende wijze te controleren alvorens de leveringszekerheid vrij te geven en het in de offerte vermelde bedrag aan de producent te betalen.
37 In casu heeft verzoekster evenwel geen enkel concreet en duidelijk element naar voren gebracht op grond waarvan de juistheid van de resultaten waartoe de Commissie is gekomen of van de gevolgen die zij daaraan heeft verbonden, in twijfel kan worden getrokken.
38 Bijgevolg moet ook het tweede middel worden verworpen.
39 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. De Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van de Italiaanse Republiek in de kosten. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Italiaanse Republiek in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy