Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Procedure - Herziening van arrest - Verzoek betreffende beschikking waarbij hogere voorziening kennelijk ongegrond is verklaard - Ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 41, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 119)
2 Procedure - Herziening van arrest - Voorwaarden voor ontvankelijkheid van verzoek - Nieuw feit - Feiten die voor uitspraak van bestreden arrest bekend waren of irrelevant zijn - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 41, eerste alinea)
Samenvatting
3 Luidens artikel 41, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kunnen de partijen in geval van ontdekking van een nieuw en beslissend feit om herziening van een arrest verzoeken. Ook al stelt die bepaling niet uitdrukkelijk, dat ook om herziening van een beschikking kan worden verzocht, tegen een dergelijke beslissing kan een verzoek tot herziening worden ingediend, wanneer daarbij krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering een hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, en de gevolgen ervan dus overeenstemmen met die van een arrest waarbij de hogere voorziening ongegrond zou zijn verklaard.
4 De herziening van een arrest, in de zin van artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut, is geen vorm van hoger beroep, maar een buitengewoon rechtsmiddel, dat het mogelijk maakt het gezag van gewijsde van een eindarrest in geding te brengen op grond van de feiten waarop de rechterlijke instantie zich heeft gebaseerd. Herziening vooronderstelt de ontdekking van aan de uitspraak van het arrest voorafgaande feiten die de rechter die het arrest heeft gewezen, en de verzoeker tot herziening tot dan toe onbekend waren, en die de rechter, indien hij ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere oplossing hadden kunnen brengen dan die welke aan het geding is gegeven.
Een verzoek tot herziening, tot staving waarvan enkel worden aangevoerd procedureregels die het Hof welbekend zijn, gegevens die de grond van de zaak betreffen terwijl het Hof in zijn beslissing waartegen het verzoek tot herziening is gericht, enkel vragen heeft aangeroerd die de ontvankelijkheid van het beroep betreffen, of feiten die irrelevant zijn voor bedoelde beslissing, is derhalve niet-ontvankelijk.
Partijen
In zaak C-199/94 P en C-200/94 P REV,
Compañía Internacional de Pesca y Derivados SA (Inpesca), vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Bermeo (Spanje), vertegenwoordigd door M. I. Angulo Fuertes, advocaat bij de balie van Vizcaya, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster tot herziening,
betreffende een verzoek tot herziening van de beschikking van het Hof van Justitie van 26 oktober 1995, Pevasa en Inpesca/Commissie (C-199/94 P en C-200/94 P, Jurispr. blz. I-3709), andere partijen bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur F. Santaolalla Gadea en haar juridisch adviseur J. L. Iglesias Buhigues, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg, en Pesquería Vasco-Montañesa SA (Pevasa), vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Bermeo (Spanje), vertegenwoordigd door M. I. Angulo Fuertes, advocaat bij de balie van Vizcaya, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, G. F. Mancini (rapporteur) en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 februari 1996, heeft Compañía Internacional de Pesca y Derivados SA (Inpesca) krachtens artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG verzocht om herziening van de beschikking van het Hof van 26 oktober 1995, Pevasa en Inpesca/Commissie (C-199/94 P en C-200/94 P, Jurispr. blz. I-3709; hierna: "beschikking van het Hof").
2 Bij deze beschikking heeft het Hof krachtens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering de door Pevasa en Inpesca ingestelde hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van 28 april 1994, Pevasa en Inpesca/Commissie (T-452/93 en T-453/93, Jurispr. blz. II-229; hierna: "beschikking van het Gerecht") kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
3 Die hogere voorziening strekte in de eerste plaats tot vernietiging van de beschikking van het Gerecht, in de tweede plaats tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie van 18 december 1990 en 8 november 1991 (hierna: "litigieuze beschikkingen"), waarbij aan Pevasa en Inpesca de communautaire financiële bijstand is geweigerd die zij op grond van verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad van 18 december 1986 inzake communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur (PB L 376, blz. 7), hadden aangevraagd voor de bouw van een vriesvaartuig voor de tonijnvisserij, in de derde plaats tot vaststelling dat de Commissie verplicht is de noodzakelijke maatregelen te nemen om genoemde financiële bijstand toe te kennen, en in de vierde plaats tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de door haar gedrag veroorzaakte schade.
4 Uit de beschikking van het Hof blijkt met name, dat het Gerecht op goede gronden heeft overwogen, dat de beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen waren ingesteld na de in artikel 173 van het Verdrag gestelde termijn; dat de conclusies die ertoe strekten dat het Gerecht de litigieuze beschikkingen nietig zou verklaren, samenvielen met de conclusies strekkende tot nietigverklaring die het Gerecht niet-ontvankelijk had verklaard; dat de conclusies die ertoe strekten dat het Gerecht de Commissie zou gelasten bepaalde maatregelen vast te stellen, indruisten tegen vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke de gemeenschapsrechter niet bevoegd is in het kader van de op artikel 173 van het Verdrag gebaseerde wettigheidstoetsing bevelen te geven; dat het verzoek om schadevergoeding, strekkende tot het verkrijgen van bedragen die gelijk waren aan de geweigerde communautaire bijstand en gebaseerd op dezelfde middelen betreffende onwettigheid als voor de nietigverklaring waren aangevoerd, een oneigenlijk gebruik van procedure opleverde; en, ten slotte, dat aangezien de overige conclusies ondergeschikt waren aan de vernietiging van de beschikking van het Gerecht, zij niet behoefden te worden onderzocht.
5 Verzoekster tot herziening concludeert dat het den Hove behage:
- het verzoek tot herziening ontvankelijk te verklaren;
- de beschikking van het Hof te vernietigen en, bijgevolg, het bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen ontvankelijk te verklaren;
- de litigieuze beschikkingen nietig te verklaren;
- de Commissie overeenkomstig artikel 176 EG-Verdrag te verplichten de noodzakelijke maatregelen te nemen om de gevraagde communautaire financiële bijstand toe te kennen;
- het verzoek tot vergoeding van de door het gedrag van de Commissie geleden schade krachtens de artikelen 176, 178 en 215 EG-Verdrag ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
6 In haar opmerkingen ondersteunt Pevasa de conclusies van Inpesca.
7 De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
- het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekster tot herziening in de kosten te verwijzen.
8 Verzoekster vermeldt drie feiten, die zij nieuw en beslissend noemt en die, volgens haar, de herziening van de beschikking van het Hof rechtvaardigen: in de eerste plaats een brief van de griffie van het Hof van 27 november 1995; in de tweede plaats het jaarverslag van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 1994 (PB 1995, C 303, blz. 1); in de derde plaats de door een attest van de Anabac van 8 februari 1996 bevestigde bouw en ingebruikstelling van het vriesvaartuig voor de tonijnvisserij, waarvoor de bijstand was aangevraagd.
9 Wat de eerste van die feiten betreft, had Inpesca na de betekening van de beschikking van het Hof, de griffier van het Hof om de volledige tekst van het rapport van de rechter-rapporteur en van de standpuntbepaling van de advocaat-generaal verzocht "om de motivering van de beschikking te kennen, gezien de nietszeggende inhoud van de punten 16 tot en met 29 hiervan". Op 27 november 1995 had de griffier van het Hof geantwoord, dat ingevolge de instructies voor de griffier van het Hof van 23 februari 1989 partijen geen toegang kunnen krijgen tot het rapport van de rechter-rapporteur, en dat de advocaat-generaal wordt gehoord, maar geen schriftelijke opmerkingen indient.
10 Dienaangaande beklemtoont verzoekster, dat krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering het rapport van de rechter-rapporteur fundamenteel is voor het inleiden van de bijzondere procedure waaraan die bepaling de niet-ontvankelijkverklaring onderwerpt. Bovendien bepaalt artikel 18, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat de mondelinge behandeling de voorlezing van het rapport van de rechter-rapporteur omvat. Dat dit rapport voor partijen wordt verborgen, doet twijfelen aan het bestaan van een voor de beslissing noodzakelijk stuk. De nauwgezette en strikte inachtneming van artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering vereist ook, dat de advocaat-generaal wordt gehoord. Dat zou moeten gebeuren met inachtneming van de artikelen 164, 166 en 168 EG-Verdrag, die bepalen, dat de advocaat-generaal openbare en met redenen omklede conclusies neemt aangaande zaken welke aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd. Dat optreden is de essentiële waarborg voor de inachtneming van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag.
11 Wat het tweede in haar verzoek tot herziening aangevoerde feit betreft, betoogt Inpesca, dat blijkens de bewoordingen van het jaarverslag van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 1994 "de voorbeelden van verspilling en wanbeheer van EG-middelen, die in talrijke controleverslagen van de Kamer voorkomen, (...) duidelijk [aantonen] dat er een gecoördineerde inspanning nodig is om het verbeteringsprogramma van de Commissie te vervolledigen, en de nogal nonchalante $besteed de begrotingsmiddelen'-benadering om te zetten in een benadering waarin de nadruk komt te liggen op het kosten/baten-aspect". De opmerkingen van de Rekenkamer zouden overeenkomen met wat verzoekster in haar oorspronkelijk beroep heeft uiteengezet. Het Hof heeft de hogere voorziening afgewezen zonder enige verwijzing naar die gebreken in het beheer van de Commissie.
12 In de derde plaats betoogt verzoekster, dat zij de in verordening nr. 4028/86 bedoelde verplichtingen is nagekomen, zonder echter de aangevraagde financiële bijstand te ontvangen. Blijkens het attest van de Anabac van 8 februari 1996 is immers een vriesvaartuig voor de tonijnvisserij, de "Txori-berri", gebouwd te Astilleros Balenciaga de Zumaya (Spanje), dat sedert 12 maart 1992 in de wateren van de Seychellen, Madagascar en de Comoren vist.
13 De Commissie is van mening, dat geen van de door verzoekster aangevoerde gegevens voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden om een herziening te rechtvaardigen. Zij betoogt met name, dat het feit dat partijen geen toegang tot het rapport van de rechter-rapporteur hebben gekregen en dat de advocaat-generaal geen schriftelijke conclusie heeft genomen, het Hof bekend was op het moment waarop het uitspraak deed, en geen invloed heeft kunnen hebben op de inhoud van de beschikking. De publicatie van het rapport van de Rekenkamer, daterend van na de beschikking, kon al evenmin van beslissende invloed zijn op de oplossing van het geschil. Evenzo is de bouw en ingebruikstelling van het vaartuig een feit dat verzoekster vóór de uitspraak van de beschikking bekend was en dat geen enkele invloed op de inhoud hiervan kon hebben.
14 Luidens artikel 100, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof, zonder de grond van de zaak te prejudiciëren, de advocaat-generaal gehoord en gezien de schriftelijke opmerkingen van partijen, bij een in raadkamer gewezen arrest over de ontvankelijkheid van het verzoek.
15 Vooraf zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, herziening van een arrest slechts aan het Hof kan worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat vóór de uitspraak van het arrest onbekend was aan het Hof en aan de partij die om herziening verzoekt.
16 Naar de letter genomen bepaalt het Statuut niet, dat om herziening van een beschikking kan worden verzocht. In de onderhavige zaak betreft het verzoek tot herziening echter een beschikking waarbij, krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering, een hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard en waarvan de gevolgen dus overeenstemmen met die van een arrest waarbij de hogere voorziening ongegrond zou zijn verklaard. Derhalve moet worden erkend, dat in geval van ontdekking van een nieuw en beslissend feit om herziening van een dergelijke beschikking kan worden verzocht (zie arresten van 7 maart 1995, ISAE/VP en Interdata/Commissie, C-130/91 REV, Jurispr. blz. I-407, en 16 januari 1996, ISAE/VP en Interdata/Commissie, C-130/91 REV II, Jurispr. blz. I-65).
17 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, is herziening geen vorm van hoger beroep, maar een buitengewoon rechtsmiddel, dat het mogelijk maakt het gezag van gewijsde van een eindarrest in geding te brengen op grond van de feiten waarop de rechterlijke instantie zich heeft gebaseerd. Herziening vooronderstelt de ontdekking van aan de uitspraak van het arrest voorafgaande feiten die de rechter die het arrest heeft gewezen, en de verzoeker tot herziening tot dan toe onbekend waren, en die de rechter, indien hij ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere oplossing hadden kunnen brengen dan die welke aan het geschil is gegeven (zie met name arrest van 16 januari 1996, ISAE/VP en Interdata/Commissie, reeds aangehaald, punt 6).
18 In de onderhavige zaak betreffen de in de brief van de griffie van het Hof van 27 november 1995 vermelde gegevens, die verzoekster tot staving van haar verzoek aanvoert, echter de procedureregels die van toepassing zijn wanneer het Hof bij wege van beschikking uitspraak doet, onder meer de het Hof welbekende omstandigheid dat de advocaat-generaal geen openbare schriftelijke conclusie neemt en dat partijen geen toegang hebben tot het rapport van de rechter-rapporteur. Die gegevens zijn dus geen nieuwe feiten die een verzoek tot herziening kunnen rechtvaardigen.
19 Wat het verslag van de Rekenkamer betreft, moet worden opgemerkt, dat het hooguit de materiële aspecten van de door Pevasa en Inpesca bij het Gerecht ingeleide zaken betreft, terwijl de beschikking van het Hof enkel vragen aanroert die de ontvankelijkheid van de beroepen in eerste aanleg en de hogere voorziening tegen de niet-ontvankelijkverklaring daarvan door het Gerecht betreffen. Het is dus duidelijk, dat dat verslag geen beslissende invloed kan hebben op de aan het geschil gegeven oplossing.
20 Ook het attest inzake de bouw en de ingebruikstelling van het vaartuig waarvoor de communautaire bijstand was aangevraagd, is volkomen irrelevant voor de beschikking waarop het verzoek tot herziening betrekking heeft. Dit feit is bovendien niet nieuw, aangezien het verzoekster bekend was lang voordat het Hof bij wege van beschikking uitspraak deed.
21 Mitsdien moet het verzoek tot herziening van de beschikking van het Hof krachtens artikel 100, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen. Pevasa zal overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten hebben te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
2) Verwijst Inpesca in de kosten van het geding.
3) Verstaat dat Pevasa haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy