Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Verordeningen houdende invoering van vrijwaringsmaatregelen voor invoer van produkten die vallen onder gemeenschappelijke ordening der markten in sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten
(EEG-Verdrag, art. 190; verordeningen nrs. 2198/90 en 3797/90 van de Commissie)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ° Vrijwaringsmaatregelen voor invoer van bevroren aardbeien, zoals geregeld bij verordeningen nrs. 2198/90 en 3797/90 ° Evenredigheidsbeginsel ° Schending ° Geen
(Verordeningen nrs. 2198/90 en 3797/90 van de Commissie)
Samenvatting
1. De door artikel 190 van het Verdrag verlangde motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen.
Wat dit betreft, zijn de verordeningen nrs. 2198/90 en 3797/90, houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bevroren aardbeien, niet onvoldoende gemotiveerd, omdat uit de considerans van deze verordeningen duidelijk blijkt, dat de Commissie het stelsel van minimuminvoerprijzen heeft vastgesteld en gehandhaafd om redenen van dreigende verstoringen van de markt als gevolg van het feit dat de met de leverancierlanden overeengekomen prijzen niet in acht werden genomen, de ingevoerde hoeveelheden aanzienlijk waren gestegen en het niveau van de prijzen van de ingevoerde produkten in vergelijking met die van de communautaire produkten aanmerkelijk lager was.
2. In de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten hebben de vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bevroren aardbeien uit Polen, die bij de verordeningen nrs. 2198/90 en 3797/90 zijn ingevoerd en gehandhaafd in een situatie waarin er een dreiging bestond van ernstige verstoringen van de gemeenschapsmarkt, die de in artikel 39 van het Verdrag neergelegde doelstellingen in gevaar konden brengen, geen schending van het evenredigheidsbeginsel opgeleverd.
In de eerste plaats heeft de Commissie dit beginsel niet miskend, door in het kader van verordening nr. 2198/90 een minimuminvoerprijs vast te stellen die geen rekening hield met de kwaliteit van de ingevoerde aardbeien, maar enkel met de wijze van verwerking ervan, aangezien de Poolse autoriteiten vóór de inwerkingtreding van deze verordening hadden beloofd, dat hun exporteurs een gemiddelde uitvoerprijs in acht zouden nemen, die voor elk verkoopseizoen werd overeengekomen en werd vastgesteld voor bevroren aardbeien in het algemeen, zonder onderscheid naar kwaliteit en de Poolse autoriteiten daarnaast tot aan de datum van de inwerkingtreding van verordening nr. 3797/90 niet in staat waren om, met name door de afgifte van uitvoercertificaten, een controle van de kwaliteit van de uitgevoerde aardbeien te verzekeren, zodat de douaneautoriteiten van de Gemeenschap tot die datum geen efficiënte en uniforme controle van de minimuminvoerprijzen per kwaliteit ingevoerde aardbeien konden verzekeren.
In de tweede plaats heeft zij dit beginsel evenmin miskend, door de in ECU vastgestelde minimumprijs om te zetten in nationale valuta op basis van de landbouwomrekeningskoersen, zoals vastgelegd in artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 1676/85, aangezien deze bepaling nu juist bepaalt, dat deze koersen moeten worden gebruikt voor de besluiten inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de op deze wijze totstandgekomen invoerprijs niet het niveau overschreed dat nodig was voor de doeltreffendheid van de vrijwaringsmaatregelen.
Ten slotte kan de toepassingsduur van verordening nr. 3797/90 niet worden aangemerkt als buitensporig lang, aangezien gedurende deze periode de voorwaarden van de gemeenschapsmarkt, met name die voor de invoer van bevroren aardbeien afkomstig uit derde landen, niet wezenlijk zijn gewijzigd.
Partijen
In zaak C-205/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Binder GmbH & Co. International
en
Hauptzollamt Stuttgart-West,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 2198/90 van de Commissie van 27 juli 1990 houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bevroren aardbeien en frambozen, en van voorlopig verduurzaamde aardbeien en frambozen uit Polen (PB 1990, L 198, blz. 53), en van verordening (EEG) nr. 3797/90 van de Commissie van 21 december 1990 houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bepaalde soorten halfverwerkt rood fruit van oorsprong uit Polen en Joegoslavië (PB 1990, L 365, blz. 22),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J.-P. Puissochet (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida, L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschap, en G. Calvo Díaz, abogado del Estado, van de dienst Communautaire geschillen, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door F. Kuebler, advocaat te Stuttgart, de Spaanse regering, vertegenwoordigd door G. Calvo Díaz, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Schmidt, ter terechtzitting van 14 maart 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 6 juli 1994, binnengekomen bij het Hof op 14 juli daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van, in de eerste plaats, verordening (EEG) nr. 2198/90 van de Commissie van 27 juli 1990 houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bevroren aardbeien en frambozen, en van voorlopig verduurzaamde aardbeien en frambozen uit Polen (PB 1990, L 198, blz. 53), en, in de tweede plaats, verordening (EEG) nr. 3797/90 van de Commissie van 21 december 1990 houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bepaalde soorten halfverwerkt rood fruit van oorsprong uit Polen en Joegoslavië (PB 1990, L 365, blz. 22).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Binder GmbH & Co. International (hierna: "Binder") en het Hauptzollamt Stuttgart-West over compenserende heffingen die van deze onderneming werden verlangd voor de invoer in Duitsland van bevroren aardbeien afkomstig uit Polen.
3 Verordening (EEG) nr. 426/86 van de Raad van 24 februari 1986 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1986, L 49, blz. 1), heeft een produktiesteunregeling en een regeling voor het handelsverkeer met derde landen ingevoerd, met het oog op de verbetering van de concurrentiepositie van communautaire produkten die zijn verwerkt op basis van groenten en fruit. Volgens artikel 1 geldt deze verordening onder meer voor bevroren fruit zonder toegevoegde suiker.
4 Artikel 18, lid 1, eerste alinea, van deze verordening luidt als volgt:
"Indien in de Gemeenschap de markt voor een of meer van de in artikel 1 genoemde produkten als gevolg van de invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, waardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen worden gebracht, kunnen voor het handelsverkeer met derde landen passende maatregelen worden genomen tot deze verstoringen zijn opgeheven of het gevaar daarvoor is geweken."
5 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 521/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende omschrijving van de wijze van toepassing van de vrijwaringsmaatregelen in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1977, L 73, blz. 28), die voor de toepassing van verordening nr. 426/86 is gehandhaafd, bepaalt dat, om te beoordelen of van een dergelijke situatie sprake is, in het bijzonder rekening moet worden gehouden:
"a) met de omvang van de werkelijke of de te verwachten invoer of uitvoer;
b) met de beschikbare hoeveelheden van de produkten op de markt van de Gemeenschap;
c) met de prijzen voor de inheemse produkten op de markt van de Gemeenschap, of met de te verwachten ontwikkeling van deze prijzen en met name hun neiging tot buitensporige daling of stijging ten opzichte van de prijzen van de laatste jaren;
d) indien de in de aanhef bedoelde situatie zich voordoet ten gevolge van de invoer, met de tot een vergelijkbaar stadium teruggebrachte prijzen op de markt van de Gemeenschap van de produkten uit derde landen, met name met hun neiging tot buitensporige daling".
6 Eén van de vrijwaringsmaatregelen die kunnen worden genomen is de invoering van een stelsel van minimumprijzen voor de invoer met een compenserende heffing (artikel 2, lid 1, sub c, eerste streepje, van verordening nr. 521/77). Deze maatregelen "mogen slechts worden getroffen in de mate en voor de tijdsduur die strikt noodzakelijk zijn. (...) Zij kunnen worden beperkt tot produkten met een bepaalde herkomst, oorsprong, bestemming, kwaliteit of aanbiedingsvorm. (...)" (artikel 2, lid 2, van deze verordening).
7 Op basis van deze bepalingen heeft de Commissie de bestreden verordeningen vastgesteld.
8 Bij verordening nr. 2198/90 is een minimumprijs ingevoerd voor de invoer van, onder meer, bevroren aardbeien zonder toegevoegde suiker, afkomstig uit Polen, en is bepaald, dat bij invoer van deze produkten tegen een lagere dan de minimumprijs, een compenserende heffing wordt toegepast. De verordening gold tot en met 31 december 1990.
9 Verordening nr. 3797/90 heeft het stelsel van minimumprijzen met compenserende heffing gehandhaafd tot en met 31 maart 1991. Deze verordening heeft evenwel verschillende minimumprijzen vastgesteld naar gelang het hele of andere vruchten betreft.
10 De toepassing van deze verordening is bij verordening (EEG) nr. 810/91 van de Commissie van 27 maart 1991 (PB 1991, L 82, blz. 49) respectievelijk verordening (EEG) nr. 2152/91 van de Commissie van 22 juli 1991 (PB 1991, L 200, blz. 16), eerst verlengd tot en met 31 juli 1991 en vervolgens tot en met 25 september 1991.
11 Binder voerde van november 1990 tot september 1991 bevroren aardbeien zonder toegevoegde suiker uit Polen in. Na een onderzoek stelde het Hauptzollamt Stuttgart-West zich op het standpunt, dat Binder de door de communautaire regeling voorgeschreven minimumprijzen niet in acht nam. Het legde haar daarom compenserende heffingen op.
12 Binder verzocht het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg om schorsing of, eventueel, nietigverklaring van de beschikking tot inning van deze heffingen. Zij stelde, dat de verordeningen nrs. 2198/90 en 3797/90 ongeldig waren, en wel om de volgende redenen: in de eerste plaats was er geen sprake van een verstoring of van een dreigende verstoring van de markt, gelijk bleek uit de door haar aan het dossier toegevoegde stukken; in de tweede plaats waren de bestreden verordeningen onvoldoende gemotiveerd; in de derde plaats waren de vastgestelde vrijwaringsmaatregelen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Wat dit laatste punt betreft, betoogde verzoekster in het hoofdgeding, dat verordening nr. 2198/90 geen onderscheid maakte tussen de verschillende categorieën aardbeien, dat de verordening een verkapte verhoging van de minimuminvoerprijs bevatte door aanknoping bij de "groene" ECU en dat de geldigheidsduur van de betrokken maatregelen buitensporig lang was.
13 Teneinde het geding te kunnen beslechten, heeft het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1. Is verordening (EEG) nr. 2198/90 van de Commissie van 27 juli 1990 houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bevroren aardbeien en frambozen, en van voorlopig verduurzaamde aardbeien en frambozen uit Polen (PB 1990, L 198, blz. 53), voor haar gehele toepassingsgebied ongeldig tot en met 31 december 1990?
2. Is verordening (EEG) nr. 3797/90 van de Commissie van 21 december 1990 houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bepaalde soorten halfverwerkt rood fruit van oorsprong uit Polen en Joegoslavië (PB 1990, L 365, blz. 22), voor haar oorspronkelijke toepassingsgebied ongeldig tot en met 31 maart 1991 alsmede voor haar verlengde toepassingsgebied tot en met 31 juli 1991 en vervolgens tot en met 25 september 1991 [verordeningen (EEG) nrs. 810/91 en 2152/91 van de Commissie van 27 maart 1991 en 22 juli 1991, beide tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3797/90 (PB 1991, L 82, blz. 49, respectievelijk PB 1991, L 200, blz. 16)?"
14 Met deze beide vragen, die gezamenlijk kunnen worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de verordeningen nrs. 2198/90 en 3797/90 geldig zijn, gelet op de verschillende argumenten die Binder voor deze rechter heeft aangevoerd. Deze argumenten moeten dus achtereenvolgens worden onderzocht.
Het bestaan van een ernstige verstoring van de markt
15 Binder stelt, dat de gemeenschapsmarkt voor bevroren aardbeien, gelet op de criteria neergelegd in artikel 1 van verordening nr. 521/77, gedurende de betrokken periode geen ernstige verstoring of een gevaar daarvoor heeft gekend. Zich baserend op een rapport van de Zentrale Markt- und Preisberichtstelle fuer Erzeugnisse der Land-, Forst- und Ernaehrungswirtschaft GmbH, stelt verzoekster in het hoofdgeding, dat de toename van de invoer van bevroren aardbeien in 1990 te wijten is aan het feit, dat de produktie van de Gemeenschap niet kon voldoen aan de behoeften van de communautaire industrie voor de verwerking van aardbeien van het soort "Senga Sengana", dat in de Gemeenschap nagenoeg niet werd geproduceerd. Zij voegt hieraan toe, dat de hoeveelheden in de Gemeenschap geproduceerde en voor verwerking bestemde aardbeien destijds gering waren, omdat de markt voor vruchten niet langer overschotten kende, zoals dat gedurende de drie voorgaande jaren het geval was geweest. Voorts stelt zij, dat de prijs voor deze produkten tussen 1989 en 1993 over het geheel genomen stabiel is gebleven en dat de gemiddelde prijs voor uit Polen ingevoerde bevroren aardbeien in 1990 en 1991 hoger was dan in 1989.
16 De Commissie en de Spaanse regering stellen daarentegen, dat er ten tijde van de vaststelling van de bestreden verordeningen sprake was van een ernstig dreiging van een verstoring van de markt. Volgens hen waren de Poolse autoriteiten vanaf 1989 niet meer in staat om de uitvoer van bevroren aardbeien te controleren en, bijgevolg, om de naleving van de overeenkomsten inzake vrijwillige beperking, die Polen en de Gemeenschap ter zake hadden gesloten, te verzekeren. De invoer van bevroren aardbeien afkomstig uit Polen is daarom in de loop van het eerste halfjaar van 1990 flink gestegen, hetgeen een forse prijsval op de gemeenschapsmarkt teweegbracht. Volgens de Commissie kunnen de door Binder overgelegde stukken, die slechts betrekking hebben op één soort aardbeien, dit onderzoek, dat betrekking had op de gehele markt voor bevroren aardbeien en niet op een willekeurige soort aardbeien, niet weerleggen.
17 Volgens vaste rechtspraak (zie arresten van 12 april 1984, zaak 345/82, Wuensche, Jurispr. 1984, blz. 1995, r.o. 21, en 29 februari 1996, gevoegde zaken C-296/93 en C-307/93, Frankrijk en Ierland/Commissie, Jurispr. 1996, blz. I-795, r.o. 32) moet worden nagegaan, of de Commissie bij de beoordeling van de betrokken marktsituatie niet een kennelijke fout heeft gemaakt.
18 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat Binder niet betwist, dat de overeenkomst inzake vrijwillige beperking van de uitvoer van bevroren aardbeien, die Polen en de Gemeenschap voor het seizoen 1989/1990 hadden gesloten, niet is nageleefd, en dat het niet mogelijk is geweest, voor het seizoen 1990/1991 een zelfde soort overeenkomst te sluiten.
19 Voorts blijkt uit de door de Commissie overgelegde officiële statistieken, dat de invoer van bevroren aardbeien in de Gemeenschap, aan het einde van het eerste halfjaar van 1990 reeds een omvang had bereikt die vergelijkbaar was met die van elk van de twee voorgaande jaren. Deze toename van de ingevoerde hoeveelheden, die bijna uitsluitend valt toe te schrijven aan de invoer uit Polen, ging vergezeld van een aanzienlijke verlaging, in de orde van 30 %, van de invoerprijs gedurende diezelfde periode.
20 Op grond van de door Binder aan het dossier toegevoegde stukken kan niet als vaststaand worden aangenomen, dat de toename van de invoer uit Polen voornamelijk zo niet uitsluitend te wijten was aan het feit, dat de produktie van de Gemeenschap onvoldoende was om de behoeften van de communautaire verwerkingsindustrie te dekken. In de eerste plaats blijkt niet, dat de in de Gemeenschap geproduceerde aardbeien en die ingevoerd uit Polen, vanuit het oogpunt van de verwerkers, niet onderling vervangbaar waren. In de tweede plaats, en gelijk de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de ontoereikendheid van de communautaire produktie weliswaar de toename van de omvang van de invoer verklaren, maar niet de daling van de invoerprijs, die in het eerste halfjaar van 1990 is geconstateerd. Veeleer moet worden verwacht, dat de verwerkers door de lage invoerprijs de voorkeur gaan geven aan ingevoerde produkten.
21 Bovendien kan Binder zich niet op de na de inwerkingtreding van de vrijwaringsmaatregelen vastgestelde prijsontwikkelingen beroepen ten betoge, dat aan de voorwaarden voor vaststelling daarvan niet was voldaan. Overigens moet worden opgemerkt dat, gelijk de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft gesteld, de gemiddelde prijs van uit Polen ingevoerde bevroren aardbeien, anders dan Binder beweert, in 1990 en 1991 lager was dan in 1989.
22 In die omstandigheden heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door ervan uit te gaan, dat er een dreiging bestond van ernstige verstoringen van de gemeenschapsmarkt, die de in artikel 39 EG-Verdrag neergelegde doelstellingen in gevaar konden brengen.
De motivering van de bestreden verordeningen
23 Binder betoogt, dat de motiveringen van de verordeningen niet de redenen aangeven waarom de minimumprijzen zijn ingevoerd, zodat niet kan worden nagegaan, of de Commissie rekening heeft gehouden met de in artikel 1 van verordening nr. 521/77 neergelegde criteria.
24 De Commissie en de Spaanse regering stellen, dat de consideransen van de bestreden verordeningen de redenen aangeven waarom de betrokken maatregelen zijn ingevoerd en vervolgens zijn gehandhaafd.
25 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie, onder meer, arrest Frankrijk en Ierland/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 72) moet de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen.
26 Uit de consideransen van de bestreden verordeningen blijkt duidelijk, dat de Commissie het stelsel van minimuminvoerprijzen heeft vastgesteld en gehandhaafd op grond dat er gevaar bestond voor verstoringen van de markt, als gevolg van het feit dat de met de leverancierlanden overeengekomen prijzen niet in acht werden genomen, de ingevoerde hoeveelheden aanzienlijk waren gestegen en het niveau van de prijzen van de ingevoerde produkten in vergelijking met die van de communautaire produkten aanmerkelijk lager was.
27 De bestreden verordeningen zijn derhalve niet onvoldoende gemotiveerd.
De evenredigheid van de vastgestelde maatregelen
28 Binder betoogt in de eerste plaats, dat de Commissie bij de vaststelling van verordening nr. 2198/90 het evenredigheidsbeginsel niet in acht heeft genomen, omdat zij, anders dan in verordening nr. 3797/90, geen verschillende minimuminvoerprijzen heeft vastgesteld naar gelang de categorieën bevroren aardbeien.
29 De Commissie en de Spaanse regering brengen hiertegen in, dat de communautaire autoriteiten de vrijwaringsmaatregelen moesten vaststellen voor de gehele markt en niet voor een willekeurig bepaalde kwaliteit aardbeien. De Commissie voegt hieraan toe dat, aangezien de Poolse autoriteiten destijds niet in staat waren uitvoercertificaten af te geven aan de hand waarvan de kwaliteit van de ingevoerde bevroren aardbeien kon worden gecontroleerd, het niet mogelijk was een onderscheid te maken. Dit onderscheid werd overigens gemaakt, zodra de Poolse autoriteiten een controlesysteem hadden ingevoerd op grond waarvan dit mogelijk was.
30 Blijkens de stukken in het dossier hadden de Poolse autoriteiten vóór de inwerkingtreding van de betrokken vrijwaringsmaatregelen beloofd, dat hun exporteurs een gemiddelde uitvoerprijs in acht zouden nemen, die voor elk verkoopseizoen werd overeengekomen en werd vastgesteld voor bevroren aardbeien in het algemeen, zonder onderscheid naar kwaliteit. Eveneens blijkt, dat de Poolse autoriteiten tot 1 januari 1991 niet in staat waren om, met name door de afgifte van uitvoercertificaten, een controle van de kwaliteit van de uitgevoerde aardbeien te verzekeren, zodat de douaneautoriteiten van de Gemeenschap tot die datum geen efficiënte en uniforme controle van de minimumprijzen per kwaliteit ingevoerde aardbeien konden verzekeren. Onder deze omstandigheden kon de Commissie zonder miskenning van het evenredigheidsbeginsel besluiten, een minimuminvoerprijs vast te stellen die geen rekening hield met de kwaliteit van de ingevoerde aardbeien, maar enkel met de wijze van verwerking ervan.
31 Binder betoogt in de tweede plaats, dat de minimumprijzen waren vastgesteld in ECU en werden omgezet in nationale valuta op basis van de landbouwomrekeningskoersen, zoals vastgelegd in artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1676/85 van de Raad van 11 juni 1985 inzake de waarde van de rekeneenheid en de omrekeningskoersen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden toegepast (PB 1985, L 164, blz. 1). Volgens verzoekster in het hoofdgeding had het gebruik van deze omrekeningskoersen tot gevolg, dat het bedrag van de minimuminvoerprijzen, uitgedrukt in nationale valuta, op willekeurige wijze werd verhoogd ten opzichte van het bedrag dat zou hebben gegolden indien de omrekening had plaatsgevonden op basis van de spilkoers die voor de nationale valuta ten opzichte van de ECU is vastgesteld.
32 De Commissie stelt om te beginnen, dat het gebruik van de landbouwomrekeningskoersen wordt voorgeschreven door artikel 1 juncto artikel 2 van verordening nr. 1676/85. Voorts stelt zij, dat deze berekeningswijze, die inderdaad heeft geleid tot een verhoging van 13 tot 14 % van de invoerprijzen, gerechtvaardigd was door de noodzaak tot aanpassing van de invoerprijzen, die in het kader van de tussen de Commissie en Polen gesloten overeenkomsten inzake vrijwillige beperking sinds twee jaar niet waren gewijzigd.
33 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de omrekening van de in ECU uitgedrukte bedragen in de valuta van een Lid-Staat, op grond van artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 1676/85 met behulp van de landbouwomrekeningskoersen geschiedt voor wat betreft de besluiten inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waaronder de besluiten die direct of indirect zijn gebaseerd op artikel 43 EEG-Verdrag (zie artikel 1, lid 2, sub a, van deze verordening). De bij de bestreden verordeningen vastgestelde minimuminvoerprijzen moesten daarom met behulp van de landbouwomrekeningskoersen worden uitgedrukt in de valuta van de Lid-Staat van invoer.
34 Gelet op de in de overeenkomsten inzake vrijwillige beperking voor de voorgaande seizoenen vastgestelde gemiddelde prijzen (845 ECU/ton voor het seizoen 1986/1987; 860 ECU/ton voor het seizoen 1987/1988 en 880 ECU/ton voor de seizoenen 1988/1989 en 1989/1990) en het beschermende karakter van de betrokken maatregelen, staat bovendien niet vast, dat het bij verordening nr. 2198/90 voor bevroren aardbeien zonder toegevoegde suiker vastgestelde bedrag van 88 ECU/100 kg, of dat van 92 ECU/100 kg, vastgesteld bij verordening nr. 3797/90, het niveau overschreed dat nodig was voor de doeltreffendheid van de vrijwaringsmaatregelen, zoals de rechtspraak van het Hof dat verlangt (zie arrest van 11 februari 1988, zaak 77/86, National Dried Fruit Trade Association, Jurispr. 1988, blz. 757, r.o. 22).
35 Binder is in de derde plaats van mening, dat de vrijwaringsmaatregelen van buitensporig lange duur zijn geweest. Haars inziens hadden de invoerprijzen al eind 1990 de prijzen van de gemeenschapsmarkt overschreden, zodat de vrijwaringsmaatregelen per 1 januari 1991 hadden moeten worden ingetrokken.
36 De Commissie en de Spaanse regering betogen dat, ook al is het juist dat de invoerprijzen de prijzen van de gemeenschapsmarkt hebben overschreden, de dreiging van verstoringen van de markt is blijven voortduren tot eind 1991, aangezien de produktie- en uitvoervoorwaarden van derde landen niet waren gewijzigd. De Commissie merkt in het bijzonder op, dat er gedurende deze periode geen enkele overeenkomst was gesloten met de autoriteiten van de uitvoerende landen.
37 Verzoekster in het hoofdgeding betwist de handhaving van de betrokken maatregelen slechts voor de periode na eind 1990. Haar betoog stelt verordening nr. 2198/90, die na die datum niet langer gold, derhalve niet ter discussie. Anderzijds zijn gedurende de gehele geldigheidsduur van verordening nr. 3797/90, die tweemaal is verlengd, de voorwaarden van de gemeenschapsmarkt, met name die voor de invoer van bevroren aardbeien afkomstig uit derde landen, niet wezenlijk gewijzigd. In het bijzonder waren de communautaire autoriteiten er nog steeds niet in geslaagd, met derde landen overeenkomsten te sluiten over de voorwaarden voor invoer van deze produkten in de Gemeenschap. Uit de stukken in het dossier blijkt overigens, dat de toename van de invoer uit Polen zich gedurende de gehele betrokken periode heeft voortgezet en dat de prijs van deze produkten vrij duidelijk onder die van de produkten van de Gemeenschap is gebleven. Onder deze omstandigheden kan de duur van de vrijwaringsmaatregelen niet als buitensporig lang worden aangemerkt.
38 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat bij onderzoek van de prejudiciële vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 2198/90 of van verordening nr. 3797/90 aantasten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 De kosten door de Spaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg bij beschikking van 6 juli 1994 gestelde prejudiciële vragen, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid aantasten van verordening (EEG) nr. 2198/90 van de Commissie van 27 juli 1990 houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bevroren aardbeien en frambozen, en van voorlopig verduurzaamde aardbeien en frambozen uit Polen, of van verordening (EEG) nr. 3797/90 van de Commissie van 21 december 1990 houdende vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van bepaalde soorten halfverwerkt rood fruit van oorsprong uit Polen en Joegoslavië.
Full & Egal Universal Law Academy