Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen ° Werknemers ° Gelijke behandeling ° Territoriale en personele werkingssfeer ° Onderdaan van Lid-Staat, die woonachtig is in derde land, en in dat derde land als plaatselijke functionaris is tewerkgesteld bij ambassade van andere Lid-Staat ° Daaronder begrepen
(EG-Verdrag, art. 48, lid 2, en 227; verordening van de Raad nr. 1612/68, art. 7, leden 1 en 4)
Samenvatting
Het verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit, vervat in artikel 48, lid 2, van het Verdrag en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, is van toepassing op een onderdaan van een Lid-Staat die permanent in een derde land verblijft, door een andere Lid-Staat in zijn ambassade in dat derde land is tewerkgesteld, en van wie de arbeidsovereenkomst ter plaatse is gesloten en er op permanente wijze wordt uitgevoerd, en dit voor alle aspecten van de arbeidsverhouding die door de wetgeving van de tewerkstellende Lid-Staat worden geregeld.
Artikel 227 van het Verdrag, dat het toepassingsgebied van het Verdrag en in beginsel dat van het afgeleide recht bepaalt, sluit immers niet uit dat de gemeenschapsregels gevolgen kunnen hebben buiten het grondgebied van de Gemeenschap, onder meer op arbeidsverhoudingen die, hoewel zij betrekking hebben op werkzaamheden die buiten het genoemde grondgebied worden uitgeoefend, een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Gemeenschap behouden. Dit beginsel moet aldus worden verstaan, dat het eveneens betrekking heeft op gevallen waarin de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het recht van een Lid-Staat en bijgevolg met de relevante regels van het gemeenschapsrecht heeft.
Partijen
In zaak C-214/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Bundesarbeitsgericht (Bondsrepubliek Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
I. Boukhalfa
en
Bondsrepubliek Duitsland,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 48, lid 2, EG-Verdrag en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris (rapporteur), J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, J. L. Murray, P. Jann, H. Ragnemalm en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Boukhalfa, vertegenwoordigd door W. Mosebach, advocaat te Kassel,
° de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door A. Groeger, advocaat te Keulen,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey, lid van haar juridische dienst, en H. Kreppel, nationaal ambtenaar gedetacheerd bij deze dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie ter terechtzitting van 19 september 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 23 juni 1994, ingekomen bij het Hof op 25 juli daaraanvolgend, heeft het Bundesarbeitsgericht krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 48, lid 2, van dit Verdrag en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2; hierna: "verordening nr. 1612/68").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Boukhalfa en de Bondsrepubliek Duitsland.
3 Het Gesetz ueber den Auswaertigen Dienst (BGBl. I, blz. 1842; hierna: "GAD") regelt onder meer het statuut van het personeel van de buitenlandse vertegenwoordigingen, dat bestaat uit gedetacheerde personeelsleden van het ministerie en uit niet-gedetacheerde personeelsleden (plaatselijke functionarissen). Ten aanzien van laatstgenoemden wordt in het GAD onderscheid gemaakt tussen plaatselijke functionarissen van Duitse nationaliteit en plaatselijke functionarissen die deze nationaliteit niet hebben.
4 De rechtspositie van de plaatselijke functionarissen van Duitse nationaliteit wordt krachtens § 32 GAD bepaald door de Duitse collectieve arbeidsovereenkomsten en andere bepalingen van Duits recht. Hun arbeidsvoorwaarden zijn in het bijzonder geregeld in de Duitse collectieve arbeidsovereenkomst van 28 september 1973.
5 De arbeidsvoorwaarden van de plaatselijke functionarissen van niet-Duitse nationaliteit worden krachtens § 33 GAD op basis van het recht van het gastland vastgesteld met inachtneming van de plaatselijke gebruiken. Volgens dezelfde bepaling worden hun redelijke sociale voorwaarden verzekerd, rekening houdend met de plaatselijke situatie.
6 Boukhalfa heeft de Belgische nationaliteit. Sinds 1 april 1982 is zij als plaatselijk functionaris werkzaam bij de dienst paspoorten van de Duitse ambassade te Algiers. Haar arbeidsovereenkomst is gesloten te Algiers. Voordien woonde Boukhalfa reeds in Algerije, waar zij eveneens haar vaste verblijfplaats heeft. Overeenkomstig § 33 GAD is haar arbeidsovereenkomst onderworpen aan het Algerijnse recht.
7 Bij brief van 19 november 1991 verzocht Boukhalfa om dezelfde behandeling als de plaatselijke functionarissen van Duitse nationaliteit, die waren onderworpen aan § 32 GAD. De Bondsrepubliek Duitsland gaf aan dit verzoek geen gevolg.
8 Vervolgens stelde Boukhalfa beroep in bij het Arbeitsgericht Bonn, waarbij zij zich beriep op artikel 48, lid 2, van het Verdrag en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 1612/68, welke bepalingen elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat, verbieden.
9 De Bondsrepubliek Duitsland betoogde dat in dit geval het gemeenschapsrecht niet van toepassing was, aangezien zijn toepassingsgebied krachtens artikel 227 EG-Verdrag beperkt is tot het grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie, en dat Boukhalfa zich niet bevond in de situatie van een onderdaan van een Lid-Staat die in een andere Lid-Staat is tewerkgesteld, maar dat zij steeds in een derde land had gewerkt.
10 Het Arbeitsgericht verklaarde het beroep gegrond. In hoger beroep vernietigde het Landesarbeitsgericht Koeln dit vonnis.
11 In het kader van de procedure in "Revision" heeft het Bundesarbeitsgericht aan het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Moeten artikel 48, lid 2, EG-Verdrag en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 1612/68 aldus worden uitgelegd, dat een verschil in behandeling op grond van nationaliteit met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden achterwege dient te blijven, wanneer de arbeidsovereenkomst van een permanent in Algiers wonende Belgische staatsburger die bij de Duitse ambassade te Algiers werkzaam is als hulpfunctionaris van de dienst paspoorten, aldaar is gesloten en uitsluitend aldaar duurzaam aan die arbeidsovereenkomst uitvoering wordt gegeven?"
12 Door deze vraag wil de nationale rechter vernemen of het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, vervat in artikel 48, lid 2, van het Verdrag en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 1612/68, van toepassing is op een onderdaan van een Lid-Staat die permanent in een derde land verblijft, door een andere Lid-Staat bij zijn ambassade in dat derde land wordt tewerkgesteld, en wiens arbeidsovereenkomst ter plaatse is gesloten en aldaar duurzaam wordt uitgevoerd.
13 Opgemerkt zij dat niet alleen artikel 48 van het Verdrag, maar ook de verordeningen, als handelingen van de instellingen op de grondslag van het Verdrag, in beginsel hetzelfde geografische toepassingsgebied hebben als het Verdrag zelf (arrest van 16 februari 1978, zaak 61/77, Commissie/Ierland, Jurispr. 1978, blz. 417, r.o. 46).
14 Het toepassingsgebied van het Verdrag wordt bepaald door artikel 227. Dit artikel sluit evenwel niet uit dat de gemeenschapsregels gevolgen kunnen hebben buiten het grondgebied van de Gemeenschap.
15 Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen de gemeenschapsrechtelijke bepalingen van toepassing zijn op beroepswerkzaamheden die buiten het grondgebied van de Gemeenschap worden uitgeoefend, wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Gemeenschap behoudt (zie in deze zin onder meer arresten van 12 juli 1984, zaak 237/83, Prodest, Jurispr. 1984, blz. 3153, r.o. 6; 27 september 1989, zaak 9/88, Lopes da Veiga, Jurispr. 1989, blz. 2989, r.o. 15, en 29 juni 1994, zaak C-60/93, Aldewereld, Jurispr. 1994, blz. I-2991, r.o. 14). Dat beginsel moet aldus worden verstaan, dat het eveneens betrekking heeft op gevallen waarin de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het recht van een Lid-Staat en bijgevolg met de relevante regels van het gemeenschapsrecht heeft.
16 In dit geval blijkt uit het dossier dat verschillende aspecten van de rechtspositie van verzoekster in het hoofdgeding aan de Duitse regeling onderworpen zijn. Ten eerste is haar arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig het recht van de Lid-Staat waarbij zij in dienst is en is enkel door toepassing van dat recht bedongen dat haar arbeidsvoorwaarden op basis van het Algerijnse recht zouden worden vastgesteld. Ten tweede bevat de overeenkomst een jurisdictieclausule waarbij voor elk geschil tussen de partijen in verband met de overeenkomst de rechterlijke instanties te Bonn, en later die te Berlijn, bevoegd worden verklaard. Ten derde is verzoekster in het hoofdgeding voor de pensioensverzekering aangesloten bij het sociale-zekerheidsstelsel van de Duitse Staat en is zij, zij het beperkt, onderworpen aan de inkomstenbelasting van deze staat.
17 In gevallen als dat van verzoekster in het hoofdgeding is het gemeenschapsrecht, en dus het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, vervat in de hiervoor genoemde gemeenschapsbepalingen, van toepassing op alle aspecten van de arbeidsverhouding die door het recht van een Lid-Staat worden beheerst.
18 De Duitse regering betoogt evenwel dat de arbeidsvoorwaarden van Boukhalfa worden beheerst door het Algerijnse recht en dat de hiervoor genoemde gemeenschapsbepalingen inzake het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit bijgevolg niet van toepassing zijn.
19 Zoals hiervoor in rechtsoverweging 16 reeds is opgemerkt, worden de arbeidsvoorwaarden van Boukhalfa weliswaar door het Algerijnse recht bepaald, doch geschiedt zulks door toepassing van § 33 GAD, ten aanzien waarvan in het kader van het hoofdgeding juist wordt betwist dat deze verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
20 De Duitse regering werpt ook nog tegen dat verzoekster in het hoofdgeding haar woonplaats niet in een van de Lid-Staten, maar in Algerije had, zelfs voordat de overeenkomst werd gesloten. Bovendien merkt de nationale rechter op dat de arbeidsovereenkomst in Algerije is gesloten en daar duurzaam wordt uitgevoerd.
21 Deze omstandigheden kunnen evenwel de hiervoor vermelde elementen van aanknoping met het gemeenschapsrecht niet op losse schroeven zetten.
22 Gelet op het voorgaande, dient op de gestelde vraag te worden geantwoord, dat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, vervat in artikel 48, lid 2, van het Verdrag en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 1612/68, van toepassing is op een onderdaan van een Lid-Staat die permanent in een derde land verblijft, door een andere Lid-Staat bij zijn ambassade in dat derde land wordt tewerkgesteld, en wiens arbeidsovereenkomst ter plaatse is gesloten en aldaar duurzaam wordt uitgevoerd, en wel voor alle aspecten van de arbeidsverhouding die worden beheerst door de wetgeving van de Lid-Staat waarbij hij in dienst is.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Bundesarbeitsgericht bij beschikking van 23 juni 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, vervat in artikel 48, lid 2, EG-Verdrag en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, is van toepassing op een onderdaan van een Lid-Staat die permanent in een derde land verblijft, door een andere Lid-Staat bij zijn ambassade in dat derde land wordt tewerkgesteld, en wiens arbeidsovereenkomst ter plaatse is gesloten en aldaar duurzaam wordt uitgevoerd, en wel voor alle aspecten van de arbeidsverhouding die worden beheerst door de wetgeving van de Lid-Staat waarbij hij in dienst is.
Full & Egal Universal Law Academy