Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Vaststelling van niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-216/94,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M.-J. Jonczy, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Résidence Champagne, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige maatregelen vast te stellen om uitvoering te geven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 houdende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), en, subsidiair, door deze maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens het EG-Verdrag op hem rusten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, G. F. Mancini, J. L. Murray (rapporteur) en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 juli 1994, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige maatregelen vast te stellen om uitvoering te geven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 houdende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16; hierna: "richtlijn"), en, subsidiair, deze maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens het EG-Verdrag op hem rusten.
2 De richtlijn beoogt met name de instelling van een algemeen stelsel van erkenning van diploma' s in alle Lid-Staten. Volgens artikel 12, eerste alinea, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen om binnen twee jaar na de kennisgeving aan deze richtlijn te voldoen, en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Deze termijn liep af op 4 januari 1991.
3 Aangezien geen enkele maatregel tot omzetting van de richtlijn ter kennis van de Commissie was gebracht en zij niet beschikte over andere informatie waaruit viel af te leiden, dat het Koninkrijk België de richtlijn had omgezet, verzocht de Commissie de Belgische regering bij brief van 28 juni 1991 binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
4 Nadat deze termijn op verzoek van de Belgische regering met één maand was verlengd, antwoordde die regering bij brief van 14 oktober 1994, dat een reeks bepalingen ter omzetting van de richtlijn in voorbereiding was.
5 Toen verdere informatie uitbleef, deed de Commissie de Belgische regering op 6 november 1992 een met redenen omkleed advies op grond van artikel 169, tweede alinea, van het Verdrag toekomen, waarin zij stelde, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn de voor de omzetting van de richtlijn noodzakelijke maatregelen vast te stellen en/of deze haar niet mee te delen, de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. Voorts verzocht zij de Belgische regering de nodige maatregelen te treffen om dit advies binnen een termijn van twee maanden op te volgen.
6 Daar dit advies onbeantwoord bleef, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
7 Aan haar op 27 september 1994 ter griffie van het Hof neergelegd verweerschrift heeft de Belgische regering de tekst gehecht van de wet van 29 april 1994 (Belgisch Staatsblad van 20 juli 1994), die de Koning de bevoegdheid verleent om bij een in ministerraad overlegd besluit de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen. Volgens de Belgische regering is de richtlijn door die wet in Belgisch recht omgezet. Zij voegt daar evenwel aan toe, dat in sommige sectoren maatregelen zijn vastgesteld, maar dat andere uitvoeringsmaatregelen nog moeten volgen.
8 De Commissie is om te beginnen van mening, dat de wet van 29 april 1994, waar zij alleen maar een bevoegdheid tot vaststelling van maatregelen ter uitvoering van de richtlijn verleent, geen passende omzetting van die richtlijn inhoudt. In ieder geval is deze wet haar pas op 22 september 1994 meegedeeld, dus na afloop van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn.
9 Voorts wijst de Commissie erop, dat de Belgische regering zelf erkent, dat nog niet in alle sectoren de nodige maatregelen ter omzetting van de richtlijn zijn vastgesteld. Zij merkt op, dat haar alleszins geen uitvoeringsmaatregelen van de wet van 29 april 1994 zijn meegedeeld.
10 Uit het dossier blijkt, dat het Koninkrijk België op 4 januari 1991, toen de termijn voor omzetting van de richtlijn afliep, nog geen enkele uitvoeringsmaatregel had vastgesteld.
11 Derhalve moet de te dien aanzien door de Commissie gestelde niet-nakoming worden vastgesteld.
12 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om aan de richtlijn uitvoering te geven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om uitvoering te geven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 houdende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, is het Koninkrijk België de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy