Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Invaliditeitsverzekering ° Berekening van uitkeringen ° Bijzondere uitvoeringsbepalingen van Nederlandse wetgeving betreffende arbeidsongeschiktheidsverzekering ° Tijdvak van arbeid in loondienst of daarmee gelijkgesteld tijdvak ° Begrip ° Arbeid in onderwijs op grond van met particuliere schoolinstelling gesloten arbeidsovereenkomst ° Daaronder begrepen ° Verzekering gedurende tijdvak van arbeid ingevolge bijzondere regeling uitgesloten van toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 ° Geen invloed
(EG-Verdrag, art. 51; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 46, lid 2, en bijlage V, punt 4, sub a)
Samenvatting
Het onderdeel Nederland, punt 4, sub a, van bijlage V bij verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie die gold op 1 februari 1982, moet aldus worden uitgelegd, dat onder tijdvakken van arbeid in loondienst mede worden begrepen tijdvakken waarin een persoon arbeid als onderwijzeres heeft verricht op grond van een met een particuliere schoolinstelling gesloten arbeidsovereenkomst, ook al was de betrokkene gedurende dat tijdvak verzekerd krachtens een bijzondere regeling voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden. Indien immers het tijdvak van arbeid in loondienst dat door deze bijzondere regeling wordt beheerst, niet werd beschouwd als een tijdvak van verzekering in de zin van bijlage V van de verordening, zou de persoon die dit tijdvak heeft vervuld daardoor een met artikel 51 van het Verdrag strijdig nadeel ondervinden, terwijl de inaanmerkingneming van dit tijdvak niet leidt tot cumulatie van verschillende rechten.
Partijen
In zaak C-227/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, in het aldaar aanhangig geding tussen
E. Olivieri-Coenen
en
Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het onderdeel Nederland, punt 4, sub a, van bijlage V bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresident, P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° E. Olivieri-Coenen, vertegenwoordigd door J. H. Schoordijk, advocaat te Venlo,
° het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door C. R. J. A. M. Brent, hoofd van de afdeling beleid en juridische zaken van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber en M. Patakia, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door M. A. Broekhuis, juridisch medewerkster van de afdeling beleid en juridische zaken van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, als gemachtigde, en de Commissie, ter terechtzitting van 6 juli 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij bevel van 1 augustus 1994, ingekomen bij het Hof op 3 augustus daaraanvolgend, heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het onderdeel Nederland, punt 4, sub a, van bijlage V bij verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2; hierna: "verordening").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging en E. Olivieri-Coenen over de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3 Ingevolge artikel 4, lid 4, is de verordening niet van toepassing op "bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden".
4 Onderdeel I, betreffende Nederland, van bijlage V bij de verordening, zoals gewijzigd bij de Akte betreffende de toetreding van de Helleense Republiek en de aanpassingen van de Verdragen (PB 1979, L 291, blz. 17; hierna: "onderdeel Nederland"), punt 4, sub a, bepaalt het volgende:
"Als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden bij de toepassing van artikel 46, lid 2, van de verordening (betreffende de betaling van uitkeringen pro rata temporis) mede aangemerkt de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmee gelijkgestelde tijdvakken."
5 In Nederland is de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: "WAO"), die het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering regelt, niet van toepassing op ambtenaren en met hen gelijkgestelden. Dezen vallen onder de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (hierna: "ABPW"), die in 1966 de Pensioenwet van 1922 heeft vervangen. Volgens de in de ABPW getroffen overgangsregeling bleef het recht op uitgesteld invaliditeitspensioen ingevolge de Pensioenwet gedurende vijf jaar, dat wil zeggen tot 1 januari 1971, in stand. Personen die na die datum ongeschikt zijn geworden om hun ambt te vervullen, kunnen derhalve geen aanspraak maken op een uitgesteld invaliditeitspensioen.
6 Olivieri-Coenen werd geboren op 9 januari 1927 en woonde tot 1959 in Nederland, waar zij van 1 september 1946 tot 29 januari 1959 werkzaam was als onderwijzeres aan een particuliere school op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
7 Van 1 september 1947 tot 29 januari 1959 was Olivieri-Coenen verzekerd ingevolge de bijzondere regeling van de Pensioenwet voor ambtenaren en met hen gelijkgestelden.
8 Na haar huwelijk met een Italiaans onderdaan verkreeg zij de Italiaanse nationaliteit. In 1959 vestigde zij zich in Italië, waar zij met haar echtgenoot werkte in een hun toebehorend hotelbedrijf. Zij was in Italië verzekerd van maart 1960 tot en met juli 1981.
9 Op 26 februari 1979 staakte zij haar werkzaamheden wegens gezondheidsklachten. Het bevoegde Italiaanse orgaan verleende haar per 1 februari 1982 een invaliditeitspensioen. Olivieri-Coenen diende daarnaast een aanvraag in om een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering, pro rata temporis berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2, van de verordening.
10 Het bevoegde Nederlandse verzekeringsorgaan, de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, deelde Olivieri-Coenen op 13 maart 1991 mee, dat haar met ingang van 1 februari 1982 een pro rata-uitkering was toegekend ingevolge de WAO, berekend op basis van één verzekeringsjaar in Nederland, namelijk het tijdvak gelegen tussen september 1946 en september 1947, waarna Olivieri-Coenen aan de op ambtenaren en met hen gelijkgestelden toepasselijke Pensioenwet onderworpen was geweest. Daar zij na 1 januari 1971 arbeidsongeschikt was geworden, kwam Olivieri-Coenen niet in aanmerking voor de overgangsregeling van de ABPW.
11 Olivieri-Coenen stelde tegen deze beschikking beroep in bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, waarbij zij stelde dat zij in Nederland gedurende elf jaar arbeid in loondienst had verricht.
12 Gesteld voor de vraag, of de tijdvakken waarin betrokkene haar arbeid als onderwijzeres op grond van een met een particuliere schoolinstelling gesloten arbeidsovereenkomst heeft verricht, voor de toepassing van artikel 46, lid 2, van de verordening moeten worden aangemerkt als tijdvakken van arbeid in loondienst, ook al was zij gedurende dat tijdvak verzekerd krachtens een bijzondere regeling voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden, heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Dient onderdeel (...) [Nederland], punt 4, sub a, van bijlage V van verordening nr. 1408/71, zoals de tekst daarvan op 1 februari 1982 luidde, aldus te worden uitgelegd, dat onder de daarin bedoelde tijdvakken van arbeid in loondienst mede kunnen worden begrepen de tijdvakken waarin een betrokkene arbeid als onderwijzeres heeft verricht op grond van een met een particuliere school(instelling) gesloten arbeidsovereenkomst, ook al was de betrokkene gedurende dat tijdvak verzekerd krachtens een bijzondere regeling voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden?"
13 Allereerst dient te worden overwogen, dat tijdvakken waarin een persoon arbeid als onderwijzeres verricht ingevolge een arbeidsovereenkomst met een schoolinstelling, tijdvakken van arbeid in loondienst zijn.
14 Vervolgens moet worden opgemerkt, dat bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden weliswaar van de werkingssfeer van de verordening zijn uitgesloten, maar dat uit de bewoordingen van bijlage V, onderdeel Nederland, punt 4, sub a, bij de verordening duidelijk blijkt, dat voor de toepassing van artikel 46, lid 2, elk tijdvak van arbeid in loondienst zonder onderscheid is te beschouwen als een tijdvak van verzekering.
15 Het feit dat een persoon gedurende zijn tewerkstelling zekere tijd aan een bijzondere regeling voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden onderworpen is geweest, betekent niet, dat het betrokken tijdvak geen tijdvak van arbeid in loondienst of een daarmee gelijkgesteld tijdvak in de zin van bijlage V bij de verordening, onderdeel Nederland, punt 4, sub a, is.
16 Gelijk het Hof beklemtoonde in het arrest van 20 september 1994 (zaak C-12/93, Drake, Jurispr. 1994, blz. I-4337, r.o. 20), bestaat er immers geen verschil in rang tussen enerzijds de bepalingen van de verordening en anderzijds die van bijlage VI (voorheen bijlage V), daar al deze bepalingen zijn vastgesteld krachtens artikel 51 van het Verdrag en zij dus alle dienen te worden uitgelegd in hun onderling verband en gelet op het doel van dit artikel, dat erin bestaat bij te dragen tot de verwezenlijking van het vrije verkeer van migrerende werknemers, welk beginsel één van de grondslagen van de Gemeenschap vormt.
17 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat indien het tijdvak van arbeid in loondienst dat door de bijzondere regeling voor ambtenaren en met hen gelijkgestelden wordt beheerst, niet werd beschouwd als een tijdvak van verzekering in de zin van bijlage V bij de verordening (onderdeel Nederland, punt 4, sub a), de persoon die dit tijdvak heeft vervuld daardoor een met artikel 51 van het Verdrag strijdig nadeel zou ondervinden, terwijl de inaanmerkingneming van dit tijdvak niet leidt tot cumulatie van verschillende rechten.
18 Mitsdien moet het onderdeel Nederland, punt 4, sub a, van bijlage V bij de verordening, in de versie die gold op 1 februari 1982, aldus worden uitgelegd, dat onder tijdvakken van arbeid in loondienst mede worden begrepen tijdvakken waarin een persoon arbeid als onderwijzeres heeft verricht op grond van een met een particuliere schoolinstelling gesloten arbeidsovereenkomst, ook al was de betrokkene gedurende dat tijdvak verzekerd krachtens een bijzondere regeling voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij bevel van 1 augustus 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het onderdeel Nederland, punt 4, sub a, van bijlage V bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de op 1 februari 1982 geldende versie, dient aldus te worden uitgelegd, dat onder tijdvakken van arbeid in loondienst mede worden begrepen tijdvakken waarin een persoon arbeid als onderwijzeres heeft verricht op grond van een met een particuliere schoolinstelling gesloten arbeidsovereenkomst, ook al was de betrokkene gedurende dat tijdvak verzekerd krachtens een bijzondere regeling voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.
Full & Egal Universal Law Academy