Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Materiële werkingssfeer van richtlijn 79/7 ° Tariefreducties voor openbaar vervoer voor bejaarden ° Daarvan uitgesloten
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 3, lid 1)
Samenvatting
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd dat een regeling op grond waarvan aan bepaalde categorieën van personen, in het bijzonder bepaalde bejaarden, tariefreducties voor het openbaar vervoer worden verleend, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
Een prestatie die bestaat in tariefreducties voor het openbaar vervoer biedt immers niet rechtstreeks en daadwerkelijk bescherming tegen een van de in deze bepaling opgesomde eventualiteiten, en de omstandigheid dat degene die voor deze prestatie in aanmerking komt, zich door zijn hogere leeftijd in feite in een van de in dit artikel bedoelde situaties bevindt, volstaat niet om die prestatie als zodanig binnen de werkingssfeer van de richtlijn te doen vallen.
Uit het feit dat artikel 1 van richtlijn 79/7 naast het gebied van de sociale zekerheid ook alle in artikel 3 genoemde andere factoren van sociale bescherming op het oog heeft, en dat artikel 3, lid 1, sub a, betrekking heeft op wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de daarin genoemde eventualiteiten, zonder te preciseren dat die regelingen deel moeten uitmaken van de sociale zekerheid, kan niet worden afgeleid dat de werkingssfeer van de richtlijn zich uitstrekt tot de sociale bescherming in haar geheel en dus ook tot maatregelen als de bedoelde reducties. Gelet op de eenduidige bewoordingen van de titel van de richtlijn, van de verschillende overwegingen van de considerans daarvan, alsmede van artikel 1, die alle duidelijk maken dat de richtlijn de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid beoogt, kan de verwijzing naar de in artikel 3 genoemde andere factoren van sociale bescherming slechts aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking heeft op de sociale-bijstandsregelingen, die in het algemeen buiten het terrein van de sociale zekerheid vallen, maar ingevolge artikel 3, lid 1, sub b, onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen, voor zover zij een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de sub a bedoelde regelingen.
Partijen
In zaak C-228/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de High Court of Justice of England and Wales, Queen' s Bench Division (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
S. C. Atkins
en
Wrekin District Council,
Department of Transport,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris, D. A. O. Edward, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), P. Jann, H. Ragnemalm en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° C. Atkins, vertegenwoordigd door Lord Lester of Herne Hill, QC, en D. Rose, Barrister,
° Wrekin District Council, vertegenwoordigd door S. Isaacs, QC, en N. Calver, Barrister,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Braviner van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door D. Pannick, QC, en N. Paines, Barrister,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey en N. Khan, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van C. Atkins, vertegenwoordigd door Lord Lester of Herne Hill en D. Rose, de Wrekin District Council, vertegenwoordigd door A. Moses, QC, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door D. Pannick en N. Paines, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Docksey en N. Khan, ter terechtzitting van 13 juli 1995,
gezien de beschikking van 16 november 1995 tot heropening van de mondelinge behandeling,
gehoord de mondelinge opmerkingen van C. Atkins, vertegenwoordigd door Lord Lester of Herne Hill en D. Rose, de Wrekin District Council, vertegenwoordigd door S. Isaacs, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door D. Pannick en N. Paines, de Zweedse regering, vertegenwoordigd door L. Nordling, raettschef van de directie voor buitenlandse handel van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door N. Kahn, ter terechtzitting van 19 maart 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 23 mei 1994, ingekomen bij het Hof op 8 augustus daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen' s Bench Division, krachtens artikel 177 EG-Verdrag het Hof drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een beroep dat voor de High Court is ingesteld door C. Atkins, die zich het slachtoffer acht van een discriminatie op grond van geslacht, omdat hij als 63-jarige geen recht heeft op de tariefreducties voor het openbaar vervoer, waarin is voorzien in de door de Wrekin District Council toegepaste regeling, terwijl een vrouw van dezelfde leeftijd wel recht daarop zou hebben gehad.
3 In het Verenigd Koninkrijk hebben de plaatselijke overheden krachtens Section 93 van de Transport Act van 1985 (hierna: "wet van 1985") de bevoegdheid om een regeling inzake tariefreducties voor het vervoer in te voeren, waarbij bepaalde categorieën van personen het recht wordt gegeven om gratis of tegen gereduceerd tarief gebruik te maken van het openbaar vervoer.
4 Section 93(7) van de wet van 1985 bepaalt:
"Krachtens een dergelijke regeling komen voor tariefreducties voor het vervoer in aanmerking:
a) mannen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, en vrouwen die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt;
b) personen jonger dan 16 jaar;
c) personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt maar jonger zijn dan 18 jaar, die volledig dagonderwijs volgen;
d) blinden, dat wil zeggen personen die zo slecht zien dat zij niet in staat zijn werk te verrichten waarvoor het gezichtsvermogen essentieel is;
e) personen die een handicap of een verwonding hebben, die naar het oordeel van de overheid of van de autoriteiten die met de uitvoering van de regeling zijn belast, hun capaciteit om te lopen sterk vermindert; en
f) andere categorieën van personen die de Secretary of State bij besluit kan aanwijzen."
5 Bij besluit krachtens Section 93(7)(f) van de wet van 1985 zijn andere categorieën van personen aangewezen die in aanmerking komen voor tariefreducties voor het vervoer: geestelijk gehandicapten, personen aan wie om medische redenen een rijbewijs is geweigerd, doven, doofstommen, personen die hun beide armen niet kunnen gebruiken, alsmede degenen die de rechthebbenden tijdens de reis vergezellen.
6 Het is aan de plaatselijke overheden om te bepalen, voor welke van die categorieën een dergelijke regeling inzake tariefreducties voor het vervoer zal gelden. De door de Wrekin District Council op basis van genoemde bepalingen vastgestelde regeling geldt voor gehandicapten, alsmede voor mannen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, en vrouwen die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, welke leeftijdsgrenzen samenvallen met de in het Verenigd Koninkrijk geldende wettelijke pensioengerechtigde leeftijd voor ouderdoms- en rustpensioenen.
7 Van oordeel dat het voor hem aanhangige geding vragen omtrent de uitlegging van een aantal bepalingen van richtlijn 79/7 deed rijzen, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Valt de door de eerste verweerder toegepaste regeling inzake tariefreducties voor het vervoer onder de werkingssfeer van artikel 3 van richtlijn 79/7/EEG?
2) Zo ja, is dan artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van toepassing in de omstandigheden van dit geval?
3) Indien richtlijn 79/7/EEG is geschonden, kan dan tot staving van een schadevordering betreffende tijdvakken, gelegen voor de datum van de uitspraak van het arrest van het Hof, op de rechtstreekse werking van de richtlijn beroep worden gedaan door personen die voor die datum geen rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend?"
De eerste vraag
8 Met zijn eerste vraag wenst de High Court te vernemen, of artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat een regeling als bedoeld in Section 93(7) van de wet van 1985, zoals vastgesteld en toegepast door de Wrekin District Council, op grond waarvan aan bepaalde categorieën van personen, in het bijzonder bepaalde bejaarden, tariefreducties voor het openbaar vervoer worden verleend, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
9 Volgens de tekst van artikel 3, lid 1, sub a, is richtlijn 79/7 van toepassing op de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de eventualiteiten van ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten, en werkloosheid. Volgens artikel 3, lid 1, sub b, is zij eveneens van toepassing op de sociale-bijstandsregelingen, voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de sub a bedoelde regelingen.
10 Zoals het Hof reeds besliste, moet een uitkering, om binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 te vallen, geheel of gedeeltelijk worden toegekend krachtens een wettelijke regeling die bescherming biedt tegen een van de genoemde eventualiteiten, dan wel een vorm van sociale bijstand zijn met hetzelfde doel (zie met name het arrest van 19 oktober 1995, zaak C-137/94, Richardson, Jurispr. 1995, blz. I-3407, r.o. 8).
11 Het Hof wees er eveneens op, dat hoewel de toekenningsvoorwaarden niet doorslaggevend zijn om te bepalen of een uitkering binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt, deze uitkering, om binnen de werkingssfeer van de richtlijn te vallen, toch rechtstreeks en daadwerkelijk verband moet houden met de bescherming tegen een van de in artikel 3, lid 1, opgesomde eventualiteiten (arrest Richardson, reeds aangehaald, r.o. 9).
12 Een prestatie als bedoeld in Section 93(7) van de wet van 1985, welke wordt toegekend krachtens de regeling die door de Wrekin District Council is vastgesteld en wordt toegepast, voldoet niet aan deze voorwaarden.
13 Stellig maakt zij deel uit van een wettelijke regeling, aangezien zij bij wet is vastgesteld, ook al wordt zij slechts toegekend krachtens bepalingen die door plaatselijke autoriteiten zijn vastgesteld.
14 Het door het Verenigd Koninkrijk aangevoerde feit dat de plaatselijke autoriteiten niet verplicht zijn om een dergelijke regeling in te voeren en over een zekere beoordelingsvrijheid beschikken om te bepalen wie en onder welke voorwaarden daarvoor in aanmerking komt, kan aan deze regeling niet het karakter van een wettelijke regeling in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 ontnemen.
15 Evenmin kan het door de Wrekin District Council aangevoerde feit dat de betrokken regeling formeel geen deel uitmaakt van een nationaal stelsel van sociale zekerheid en niet onder de bevoegdheid van het Department of Social Security valt, de regeling buiten de werkingssfeer van richtlijn 79/7 doen vallen (arrest Richardson, reeds aangehaald, r.o. 13).
16 Vastgesteld moet evenwel worden dat een prestatie als bedoeld in Section 93(7) van de wet van 1985, die bestaat in tariefreducties voor het openbaar vervoer die kunnen worden verleend aan verschillende categorieën van personen, zoals pensioengerechtigden, bepaalde jongeren of gehandicapten alsmede iedere andere bij ministerieel besluit aan te wijzen categorie, niet rechtstreeks en daadwerkelijk bescherming biedt tegen een van de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten.
17 Een dergelijke regeling heeft immers tot doel het openbaar vervoer toegankelijker te maken voor bepaalde categorieën van personen die, naar algemeen wordt erkend, om uiteenlopende redenen in grotere mate zijn aangewezen op het openbaar vervoer en die het om die redenen financieel en materieel minder gemakkelijk hebben.
18 Ouderdom en invaliditeit, die mede worden genoemd onder de in artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten, zijn dus slechts twee van de criteria die kunnen worden aangehouden bij de afbakening van de categorieën van personen die voor een dergelijke regeling inzake tariefreducties voor het openbaar vervoer in aanmerking komen.
19 De omstandigheid dat degene die voor een prestatie in aanmerking komt, zich in feite in een van de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 bedoelde situaties bevindt, volstaat evenwel niet om die prestatie als zodanig binnen de werkingssfeer van de richtlijn te doen vallen (zie het arrest van 16 juli 1992, gevoegde zaken C-63/91 en C-64/91, Jackson en Cresswell, Jurispr. 1992, blz. I-4737, r.o. 18 en 19).
20 Het door de Commissie aangevoerde feit dat de plaatselijke regeling, die door de Wrekin District Council is vastgesteld op grond van de machtiging van Section 93(7) van de wet van 1985, slechts ten goede komt aan categorieën van personen die zich daadwerkelijk in een dergelijke situatie bevinden, kan aan deze conclusie niet afdoen. Immers, zou een dergelijke omstandigheid van belang worden geacht, dan zouden uiteindelijk, hoewel alle plaatselijke regelingen op dezelfde wettelijke machtiging zijn vastgesteld, sommige daarvan wel binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 vallen en andere niet, al naargelang de kring van begunstigden van dergelijke regelingen al dan niet uitsluitend bestaat uit categorieën van personen die zich in een van de in artikel 3, lid 1, van de richtlijn bedoelde situaties bevinden.
21 Daar een regeling inzake tariefreducties voor het openbaar vervoer, zoals bedoeld in Section 93(7) van de wet van 1985, die door de Wrekin District Council is vastgesteld en wordt toegepast, derhalve niet ingevolge artikel 3, lid 1, sub a, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, kan zij evenmin binnen deze werkingssfeer vallen ingevolge artikel 3, lid 1, sub b, volgens welke bepaling de richtlijn alleen van toepassing is op sociale-bijstandsregelingen, voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de sub a bedoelde regelingen.
22 De Commissie betoogt evenwel dat de werkingssfeer van richtlijn 79/7 ruimer is dan die van de sociale zekerheid en de sociale bijstand, en zich uitstrekt tot de sociale bescherming in haar geheel. De richtlijn zou derhalve ook van toepassing zijn op sociale-beschermingsmaatregelen zoals reducties voor het openbaar vervoer, wanneer deze reducties worden verleend aan personen die door één van de in artikel 3, lid 1, sub a, genoemde eventualiteiten zijn getroffen.
23 In dit verband stelt de Commissie onder meer, dat artikel 1 van richtlijn 79/7 naast het gebied van de sociale zekerheid ook alle in artikel 3 genoemde andere factoren van sociale bescherming op het oog heeft, en dat artikel 3, lid 1, sub a, betrekking heeft op wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de daarin genoemde eventualiteiten, zonder te preciseren dat die regelingen deel moeten uitmaken van de sociale zekerheid.
24 Het standpunt van de Commissie kan niet worden aanvaard.
25 Gelet immers op de eenduidige bewoordingen van de titel van richtlijn 79/7, van de verschillende overwegingen van de considerans daarvan, alsmede van artikel 1, die alle duidelijk maken dat de richtlijn de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid beoogt, kan de verwijzing naar de in artikel 3 genoemde andere factoren van sociale bescherming slechts aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking heeft op de sociale-bijstandsregelingen, die in het algemeen buiten het terrein van de sociale zekerheid vallen [zie ter zake bij voorbeeld artikel 4, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6)].
26 Bovendien vallen ook de sociale-bijstandsregelingen, die nochtans met zoveel woorden onder de werkingssfeer van richtlijn 79/7 zijn gebracht, niet onder die werkingssfeer zodra zij ten goede komen aan personen die zich in een van de in artikel 3, lid 1, sub a, bedoelde situaties bevinden, doch enkel voorzover zij een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de in die bepaling bedoelde regelingen.
27 Ten slotte wordt de door de Commissie voorgestane uitlegging, anders dan zij stelt, niet bevestigd door het voorstel voor de richtlijn dat zij op 31 december 1976 bij de Raad heeft ingediend (PB 1977, C 34, blz. 3).
28 Weliswaar had dit voorstel in de artikelen 1 en 4 enkel betrekking op de sociale zekerheid, zonder dat met zoveel woorden de andere factoren van sociale bescherming werden genoemd, doch in artikel 2 daarvan werd een definitie van sociale zekerheid gegeven die de stelsels die bescherming bieden tegen de daarin genoemde eventualiteiten, alsmede de sociale-bijstandsregelingen omvatte.
29 Het feit dat artikel 1 van richtlijn 79/7 bepaalt dat de richtlijn de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen beoogt, niet alleen op het gebied van sociale zekerheid, maar ook op het in artikel 3 genoemde gebied van de andere factoren van sociale bescherming, lijkt dus te worden verklaard door de omstandigheid dat de uiteindelijke versie van de richtlijn in artikel 3, lid 1, een duidelijk onderscheid maakt tussen wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen een van de sub a genoemde eventualiteiten, en de sociale-bijstandsregelingen.
30 Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat in de meeste taalversies van artikel 1 van de richtlijn uitdrukkelijk het enkelvoud wordt gebruikt om te verduidelijken dat de richtlijn de geleidelijke tenuitvoerlegging beoogt van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het in artikel 3 genoemde gebied van de sociale zekerheid en andere factoren van sociale bescherming.
31 Op grond van het voorgaande moet op de eerste vraag van de High Court of Justice worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd dat een regeling als bedoeld in Section 93(7) van de wet van 1985, zoals vastgesteld en toegepast door de Wrekin District Council, op grond waarvan aan bepaalde categorieën van personen, in het bijzonder bepaalde bejaarden, tariefreducties voor het openbaar vervoer worden verleend, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
De tweede en derde vraag
32 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Duitse en de Zweedse regering, alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de High Court of Justice of England and Wales, Queen' s Bench Division, bij beschikking van 23 mei 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid moet aldus worden uitgelegd, dat een regeling als bedoeld in Section 93(7) van de wet van 1985, zoals vastgesteld en toegepast door de Wrekin District Council, op grond waarvan aan bepaalde categorieën van personen, in het bijzonder bepaalde bejaarden, tariefreducties voor het openbaar vervoer worden verleend, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
Full & Egal Universal Law Academy