Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vervoer ° Wegvervoer ° Sociale bepalingen ° Afwijking van voorschriften inzake rij- en rusttijden, die ertoe strekken veiligheid van personen, voertuig en lading te verzekeren ° Draagwijdte
(Verordening nr. 3820/85 van de Raad, art. 12 en 15, lid 1)
Samenvatting
Gezien zijn bewoordingen en zijn context staat artikel 12 van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, een bestuurder niet toe om vóór het begin van het traject bekende redenen af te wijken van de in de artikelen 6, 7 of 8 van de verordening vervatte bepalingen betreffende rij- en rusttijden.
Uit artikel 12 blijkt immers, dat alleen de bestuurder ter verzekering van de veiligheid van personen, van het voertuig en van zijn lading kan beslissen langer te rijden dan normaal door de verordening wordt toegestaan, dat die beslissing moet worden genomen wanneer de bestuurder onverwachts in de onmogelijkheid komt te verkeren de vastgestelde rij- en rusttijd na te leven, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de vereisten inzake wegveiligheid op dat ogenblik. Verder verzet artikel 15, lid 1, van de verordening, waarin wordt bepaald dat de vervoersondernemingen het werk van de bestuurders zodanig moeten organiseren, dat dezen de verordening kunnen naleven, zich ertegen, dat de onderneming vóór het vertrek van de bestuurder een afwijking plant.
Partijen
In zaak C-235/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Crown Court, Bolton (Verenigd Koninkrijk), in de aldaar dienende strafzaak tegen
A. G. Bird,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° A. G. Bird, vertegenwoordigd door J. A. Backhouse, Solicitor,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Braviner van het Treasury Solicitor' s Department als gemachtigde, bijgestaan door D. Bethlehem, Barrister,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridische adviseurs F. S. Benyon en G. Berardis als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. G. Bird, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 6 juli 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 september 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 10 juni 1994, ten Hove ingekomen op 19 augustus daaraanvolgend, heeft de Crown Court, Bolton, krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 1; hierna: "verordening").
2 Deze vraag is gerezen in een strafzaak tegen A. G. Bird, die ervan wordt verdacht de verordening tweemaal te hebben overtreden.
3 Artikel 6, lid 1, eerste alinea, van de verordening bepaalt:
"De totale rijtijd tussen twee dagelijkse rusttijden of tussen een dagelijkse rusttijd en een wekelijkse rusttijd, hierna 'dagelijkse rijtijd' te noemen, mag niet meer bedragen dan 9 uur. Hij mag tweemaal in de loop van één week verlengd worden tot 10 uur."
4 Artikel 7, lid 1, luidt als volgt:
"Na 41/2 uur rijden moet de bestuurder een onderbreking van ten minste 45 minuten in acht nemen, tenzij hij aan een rusttijd begint."
5 Artikel 12, dat voorziet in een afwijking op deze bepalingen, luidt als volgt:
"Mits hij geen afbreuk doet aan de veiligheid van het wegverkeer mag de bestuurder, ten einde een geschikte stopplaats te kunnen bereiken, van de bepalingen van deze verordening afwijken, voor zover zulks nodig is om de veiligheid van personen, van het voertuig of van zijn lading te waarborgen. De bestuurder moet aard en reden van de afwijking op het registratieblad van zijn controleapparaat of in zijn dienstrooster aantekenen."
6 Op 21 april 1994 veroordeelde de Rochdale Magistrates' Court Bird wegens overtreding van de artikelen 6 en 7 van de verordening. Op 13 oktober 1992 had Bird, werknemer van een vervoersonderneming, gedurende meer dan 10 uur tussen twee dagelijkse rusttijden en op 6 november 1992 gedurende meer dan 41/2 uur zonder onderbreking een voertuig bestuurd. In beide gevallen wisten Bird en zijn werkgever al vóór het begin van het traject, dat de bepalingen van de artikelen 6 en 7 van de verordening niet konden worden nageleefd. Voorts staat vast, dat het om waardevolle ladingen ging en dat geen afbreuk is gedaan aan de veiligheid van het wegverkeer.
7 Van deze twee veroordelingen kwam Bird in hoger beroep bij de Crown Court, Bolton. In het kader van dit hoger beroep betoogde hij met name, dat artikel 12 van de verordening het plannen van afwijkingen van de andere bepalingen van de verordening om de veiligheid van de lading te waarborgen, toestaat.
8 Wegens twijfel omtrent de aan deze bepaling te geven uitlegging heeft de Crown Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
"Betreffende de uitlegging van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer:
wanneer in een strafzaak wegens overschrijding van de in de artikelen 6, 7 en 8 van de verordening bepaalde rijtijden een bestuurder aan alle in artikel 12 van de verordening gestelde voorwaarden heeft voldaan, en voor de rechter vaststaat dat aan de verkeersveiligheid geen afbreuk is gedaan, en gelet op de in artikel 15 van de verordening aan de vervoersonderneming opgelegde verplichting,
kan deze bestuurder zich dan beroepen op de in artikel 12 voorziene mogelijkheid van afwijking, indien de noodzaak van afwijking van de bepalingen van de artikelen 6, 7 en 8 reeds vóór het begin van de betrokken reis bekend was?"
9 Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of een bestuurder volgens artikel 12 van de verordening van de artikelen 6, 7 of 8 van de verordening mag afwijken om vóór het begin van het traject bekende redenen.
10 Dienaangaande zij opgemerkt, dat artikel 12 van de verordening deel uitmaakt van afdeling VII, "Afwijkingen", die komt na een zeer gedetailleerde regeling waarin de rij- en rusttijden nauwkeurig worden vastgesteld. Bijgevolg kunnen afwijkingen, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, niet aldus worden uitgelegd, dat hun gevolgen verder gaan dan noodzakelijk is ter vrijwaring van de belangen die zij willen beschermen (zie arresten van 22 maart 1984, zaak 90/83, Paterson, Jurispr. 1984, blz. 1567, r.o. 16, en 25 juni 1992, zaak C-116/91, British Gas, Jurispr. 1992, blz. I-4071, r.o. 12). In casu beoogt de afwijking waarin artikel 12 voorziet, de veiligheid van personen, van het voertuig en van zijn lading te waarborgen.
11 Uit de tekst van artikel 12 blijkt allereerst, dat alleen aan de bestuurder de mogelijkheid wordt geboden van de verordening af te wijken. Zij geldt dus niet voor zijn werkgever. Dat ware evenwel het geval, indien de bestuurder en zijn werkgever vóór het begin van het traject konden afspreken de verordening niet na te leven.
12 Verder is het volgens artikel 12 de bestuurder die moet oordelen, of van de verordening moet worden afgeweken, die een geschikte stopplaats moet kiezen en die aard en reden van de afwijking op het registratieblad van zijn controleapparaat of in zijn dienstrooster moet aantekenen. Blijkens deze verschillende preciseringen ziet die bepaling alleen op gevallen waarin de onmogelijkheid om de verordening na te leven, zich in de loop van de reis onverwachts voordoet.
13 Bovendien staat artikel 12 slechts afwijkingen toe mits geen afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van het wegverkeer. Vóór het begin van de reis kunnen bestuurder en werkgever evenwel niet weten, of aan deze voorwaarde is voldaan. Het is immers op het moment zelf van de onvoorziene gebeurtenis die aanleiding geeft tot afwijking van de verordening, dat de bestuurder rekening moet houden met de verplichting de verkeersveiligheid in acht te nemen.
14 Gezien de context van artikel 12 moet worden opgemerkt, dat de vervoersondernemingen volgens artikel 15, lid 1, van de verordening het werk van de bestuurders zodanig moeten organiseren, dat dezen de verordening kunnen naleven. Deze bepaling verzet er zich dus tegen, dat een afwijking vóór het vertrek van de bestuurder wordt gepland.
15 Ten slotte zij eraan herinnerd, dat de verordening de veiligheid van het wegverkeer beoogt te verbeteren. Volgens de veertiende overweging van de considerans is het juist met het oog daarop dat de verordening de rijtijden strikt beperkt. Dat doel wordt evenwel niet nagestreefd, indien de bestuurder reeds vóór het begin van de reis van de verordening zou kunnen afwijken.
16 Gelijk de appellant in het bodemgeding heeft betoogd, strekt verordening nr. 3820/85 weliswaar tot versoepeling van verordening (EEG) nr. 543/69 van de Raad van 25 maart 1969 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1969, L 77, blz. 49), doch blijkens de eerste overweging van de considerans ervan heeft de wetgever niet willen afwijken van de doelstellingen van de vorige verordening.
17 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 12 van de verordening een bestuurder niet toestaat van de artikelen 6, 7 of 8 van de verordening af te wijken om vóór het begin van het traject bekende redenen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Crown Court, Bolton, bij beschikking van 10 juni 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 12 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, staat een bestuurder niet toe van de artikelen 6, 7 of 8 van de verordening af te wijken om vóór het begin van het traject bekende redenen.
Full & Egal Universal Law Academy