Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Niet betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-240/94,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. F. Cusack, juridisch adviseur, en D. McIntyre, bij de juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Ierland, vertegenwoordigd door M. A. Buckley, Chief State Solicitor, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Ierse ambassade, Route d' Arlon 28,
verweerder,
betreffende een beroep, strekkende tot vaststelling dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (PB 1989, L 139, blz. 19), en richtlijn 92/31/EEG van de Raad van 28 april 1992 tot wijziging van richtlijn 89/336/EEG, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 12, lid 1, respectievelijk artikel 2, lid 1, van voornoemde richtlijnen en artikel 189 EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, P. Jann, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward en L. Sevón (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juni 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 30 augustus 1994, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (PB 1989, L 139, blz. 19; hierna: "richtlijn 89/336"), en richtlijn 92/31/EEG van de Raad van 28 april 1992 tot wijziging van richtlijn 89/336/EEG (PB 1992, L 126, blz. 11; hierna: "richtlijn 92/31"), de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 12, lid 1, respectievelijk artikel 2, lid 1, van voornoemde richtlijnen en artikel 189 EG-Verdrag.
2 Ingevolge artikel 12, lid 1, van richtlijn 89/336 en artikel 2, lid 1, van richtlijn 92/31 dienden de Lid-Staten vóór 1 juli 1991 (richtlijn 89/336) respectievelijk 28 juli 1992 (richtlijn 92/31) de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijnen te voldoen, en de Commissie daarvan in kennis te stellen. Voorts verplichtten die bepalingen de Lid-Staten die bepalingen vanaf 1 januari 1992 respectievelijk uiterlijk 28 oktober 1992 toe te passen.
3 Toen bericht omtrent door Ierland vastgestelde maatregelen tot omzetting van genoemde richtlijnen uitbleef, stelde de Commissie de Ierse regering bij aanmaningsbrief van 14 oktober 1992 in gebreke, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen kenbaar te maken overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag.
4 Toen deze brief onbeantwoord bleef, bracht de Commissie op 2 juli 1993 een met redenen omkleed advies uit, waarbij Ierland werd verzocht de noodzakelijke maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden aan dat advies gevolg te geven.
5 Bij schrijven van 17 september 1993 deelde de Ierse regering mede, dat zij hoopte richtlijn 89/336, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/31, voor het einde van 1993 in nationaal recht te kunnen omzetten. Omdat de Commissie sindsdien geen kennisgeving daaromtrent meer heeft ontvangen, heeft zij het onderhavig beroep ingesteld.
6 In haar verzoekschrift herinnert de Commissie aan de verplichtingen die ingevolge de artikelen 5 en 189 van het Verdrag op de Lid-Staten rusten. Zij stelt vast dat Ierland niet de nodige maatregelen heeft genomen om aan de vereisten van de richtlijnen 89/336 en 92/31 te voldoen en daardoor zijn verplichtingen niet is nagekomen.
7 Ierland betoogt dat de voorbereiding van de ministeriële verordeningen ter uitvoering van de door de richtlijn voorgeschreven verplichtingen in een vergevorderd stadium verkeert en dat die verordeningen op korte termijn gereed zouden moeten zijn. Wanneer de omzettingsmaatregelen eenmaal zijn vastgesteld, zal zij de Commissie in overweging geven de onderhavige procedure te beëindigen.
8 Aangezien de omzetting van de richtlijnen niet binnen de voorgeschreven termijn is geschied, moet de niet-nakoming worden vastgesteld overeenkomstig de termen van het petitum van de Commissie.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
9 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft gevorderd dat Ierland in de kosten wordt verwezen en Ierland in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
rechtdoende, verklaart:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit, en richtlijn 92/31/EEG van de Raad van 28 april 1992 tot wijziging van richtlijn 89/336/EEG, is Ierland de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 12, lid 1, respectievelijk artikel 2, lid 1, van voornoemde richtlijnen en artikel 189 EG-Verdrag.
2) Ierland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy