Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Gezinsbijslagen ° Werklozen ° Recht op gezinsbijslagen afhankelijk van genot van werkloosheidsuitkering ° Iemand die werkloosheidsuitkering geniet ° Begrip
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 4, lid 1, en 74)
Samenvatting
Artikel 74 van verordening nr. 1408/71, waarbij het recht van een werkloze werknemer op gezinsbijslagen wordt onderworpen aan de voorwaarde werkloosheidsuitkeringen te ontvangen moet aldus worden uitgelegd, dat de uitdrukking "werkloze werknemer (...) die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering geniet" ook ziet op bij de bevoegde nationale instantie ingeschreven werklozen wier recht op werkloosheidsuitkering is geschorst wegens een vergoeding die hun door de werkgever is betaald omdat hun dienstbetrekking zonder inachtneming van de opzeggingstermijn is beëindigd, of wegens hun tijdelijke uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkering, wanneer zij tijdens deze periode van uitsluiting krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde staat zijn gedekt tegen de risico' s van ziekte en ongeval.
Bij schorsing van de werkloosheidsuitkeringen enerzijds, kan de ontvangen vergoeding, voor zover zij rechtstreeks verband houdt met de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bedoelde eventualiteit van werkloosheid, namelijk worden gelijkgesteld met een werkloosheidsuitkering, en anderzijds bezigt artikel 74 van verordening nr. 1408/71 de term "werkloosheidsuitkering" zonder te onderscheiden tussen uitkeringen en andere prestaties en zonder als voorwaarde voor zijn toepassing te stellen, dat de belanghebbende alle prestaties geniet waarin de wettelijke regeling van de bevoegde staat voor de werkloosheidsperiode voorziet.
Partijen
In zaak C-243/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Sozialgericht Stuttgart (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Rincón Moreno
en
Bundesanstalt fuer Arbeit,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 74 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 (PB 1989, L 331, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris (rapporteur), kamerpresident, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° A. Rincón Moreno, vertegenwoordigd door A. González Maeztu, hoofd van de sociale dienst van het consulaat-generaal van Spanje,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en G. Thiele, Assessor bij dat ministerie, als gemachtigden,
° de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en G. Calvo Díaz, abogado del Estado, van de juridische dienst van de staat, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, en H. Kreppel, bij haar juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Rincón Moreno, vertegenwoordigd door A. González Maeztu, de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, de Spaanse regering, vertegenwoordigd door G. Calvo Díaz, de Britse regering, vertegenwoordigd door P. Watson, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia en H. Kreppel, ter terechtzitting van 5 oktober 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 december 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 29 augustus 1994, ingekomen bij het Hof op 8 september daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Stuttgart krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 74 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 (PB 1989, L 331, blz. 1; hierna: "verordening nr. 1408/71").
2 Die vraag is gerezen in een geschil tussen Moreno en de Bundesanstalt fuer Arbeit naar aanleiding van de weigering van deze laatste om Moreno kinderbijslag voor de maanden januari en februari 1993 toe te kennen.
3 Moreno, Spaans onderdaan, heeft van 1966 tot 15 december 1992 in Duitsland in loondienst gewerkt en ontving uit dien hoofde kinderbijslag van de Bundesanstalt fuer Arbeit voor zijn twee in Spanje studerende zonen.
4 Op 15 december 1992 werd Moreno ontslagen. Wegens de duur van zijn contract moest volgens de Duitse wettelijke regeling bij zijn ontslag een opzeggingstermijn in acht worden genomen. Met toestemming van Moreno werd die termijn evenwel niet in acht genomen en betaalde zijn werkgever hem een ontslagvergoeding.
5 Met het oog op die omstandigheid nam de Bundesanstalt fuer Arbeit ten aanzien van Moreno twee beslissingen krachtens het Arbeitsfoerderungsgesetz van 25 juni 1969 (BGBl. I, blz. 582), zoals gewijzigd (hierna: "AFG").
6 In de eerste plaats besloot zij overeenkomstig § 117, leden 2 en 3, AFG Moreno' s recht op werkloosheidsuitkering voor de periode van 16 december 1992 tot 21 februari 1993 te schorsen. Volgens genoemde bepalingen wordt het recht op werkloosheidsuitkering van de werkloze wiens arbeidsovereenkomst is beëindigd zonder inachtneming van de opzeggingstermijn en die een vergoeding van zijn werkgever ontvangt, geschorst voor een duur die afhankelijk is van het bedrag van de betaalde vergoeding.
7 In de tweede plaats besloot de Bundesanstalt fuer Arbeit Moreno ingevolge § 119 juncto § 119a AFG voor de periode van 16 december 1992 tot 9 maart 1993 tijdelijk uit te sluiten. Volgens die bepalingen wordt de werkloze gedurende een bepaalde periode uitgesloten van werkloosheidsuitkering indien hij de dienstbetrekking zelf heeft beëindigd of indien de dienstbetrekking is beëindigd omdat zijn gedrag in strijd was met de arbeidsovereenkomst en hij aldus opzettelijk of door ernstige nalatigheid de werkloosheid heeft veroorzaakt.
8 Tijdens de periode van schorsing of tijdelijke uitsluiting is de werkloze evenwel krachtens § 19, lid 2, van het Sozialgesetzbuch V junctis de §§ 155 en 155a AFG verzekerd tegen ziekte, alsook krachtens § 165 AFG tegen ongevallen.
9 Bij beschikking van 6 april 1993 weigerde de Bundesanstalt fuer Arbeit aan Moreno kinderbijslag te verlenen voor de maanden januari en februari 1993, op grond dat artikel 74 van verordening nr. 1408/71 voor het recht op kinderbijslag vereist, dat de belanghebbende daadwerkelijk werkloosheidsuitkeringen ontvangt. Aangezien Moreno tijdens de betrokken periode ten gevolge van de beslissingen van de Bundesanstalt fuer Arbeit geen werkloosheidsuitkering ontving, zou hij ook geen recht hebben op kinderbijslag.
10 Na de verwerping van zijn bezwaar stelde Moreno beroep in bij het Sozialgericht Stuttgart, waar hij in wezen betoogde, dat zijn recht op kinderbijslag zowel tijdens de periode van schorsing als tijdens de periode van uitsluiting moest worden gehandhaafd, omdat die periodes in mindering komen op de volledige periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op werkloosheidsuitkeringen, zodat hij moet worden geacht die uitkeringen te genieten in de zin van artikel 74 van verordening nr. 1408/71. Dat geldt te meer tijdens de periode van tijdelijke uitsluiting, omdat hij krachtens voormelde bepalingen van het Sozialgesetzbuch en het AFG verplicht tegen ziekte verzekerd blijft.
11 Van oordeel dat de uitkomst van het geschil afhing van de uitlegging van artikel 74 van verordening nr. 1408/71, heeft het Sozialgericht Stuttgart besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
"Moet artikel 74 van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat als werkloze werknemers die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering genieten, ook zijn te beschouwen bij het arbeidsbureau ingeschreven werklozen wier recht op werkloosheidsuitkering is geschorst in verband met een schadevergoeding die hun door hun werkgever krachtens § 117 Arbeitsfoerderungsgesetz (AFG) bij beëindiging van hun arbeidsverhouding is betaald, of doordat een wachttijd krachtens § 119 AFG loopt?"
12 Volgens artikel 74 van verordening nr. 1408/71 heeft "de werkloze werknemer (...) die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering geniet, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden".
13 Blijkens deze bepaling moet de werkloze, om recht te hebben op kinderbijslag voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, werkloosheidsuitkering genieten krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, in casu de Duitse wettelijke regeling.
14 De vraag rijst dus, of de belanghebbende, ofschoon de Bundesanstalt fuer Arbeit hem wegens de te zijnen aanzien getroffen schorsings- en uitsluitingsmaatregelen tijdens de in geding zijnde periode geen enkele werkloosheidsuitkering heeft betaald, moet worden geacht werkloosheidsuitkeringen in de zin van deze bepaling te hebben genoten.
De schorsing
15 Met betrekking tot de periode van schorsing zij opgemerkt, dat de belanghebbende weliswaar geen werkloosheidsuitkering van het bevoegde orgaan heeft gekregen, doch bij de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst een vergoeding van zijn werkgever heeft ontvangen. Het is dus de vraag, of deze vergoeding als een werkloosheidsuitkering in de zin van artikel 74 van verordening nr. 1408/71 moet worden beschouwd.
16 Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld, dat een uitkering als een sociale-zekerheidsuitkering kan worden beschouwd wanneer zij, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten (zie met name arresten van 2 augustus 1993, zaak C-66/92, Acciardi, Jurispr. 1993, blz. I-4567, r.o. 14; 10 maart 1993, zaak C-111/91, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1993, blz. I-817, r.o. 29; 16 juli 1992, zaak C-78/91, Hughes, Jurispr. 1992, blz. I-4839, r.o. 15, en 24 februari 1987, gevoegde zaken 379/85-381/85 en 93/86, Giletti, Jurispr. 1987, blz. 955, r.o. 11).
17 Dienaangaande blijkt uit het dossier, dat de werknemer die werkloos wordt, naar Duits recht in beginsel recht heeft op werkloosheidsuitkering. § 117 AFG voorziet evenwel in schorsing van dat recht, wanneer de werkgever de dienstbetrekking heeft beëindigd zonder inachtneming van de opzeggingstermijn en de werkloze uit dien hoofde een vergoeding heeft gekregen of zijn recht daarop moet doen gelden.
18 Vervolgens zij erop gewezen, dat terwijl enerzijds § 117 AFG bepaalt, dat ter bepaling van de duur van de schorsing rekening wordt gehouden met het bedrag van de vergoeding, anderzijds het begrip schorsing van uitkeringen zelf impliceert, dat het recht op die uitkeringen blijft bestaan, doch dat de betaling ervan door het bevoegde orgaan eerst aan het einde van de schorsingsperiode zal worden hervat.
19 Ten slotte komt, zoals de Duitse regering heeft verklaard, de in § 117 AFG bedoelde vergoeding gedeeltelijk in de plaats van de werkloosheidsuitkering waarop de werkloze in beginsel recht heeft. Hieruit volgt, dat zij rechtstreeks verband houdt met de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bedoelde eventualiteit van werkloosheid en dus kan worden gelijkgesteld met een werkloosheidsuitkering in de zin van artikel 74 van verordening nr. 1408/71.
20 Een ontslagvergoeding als bedoeld in § 117 AFG, moet dus worden beschouwd als een werkloosheidsuitkering in de zin van artikel 74 van verordening nr. 1408/71.
De tijdelijke uitsluiting
21 Wat de maatregel van tijdelijke uitsluiting betreft, moet worden onderzocht of deze maatregel de belanghebbende het genot van elke werkloosheidsuitkering ontzegt.
22 Artikel 74 van verordening nr. 1408/71 bezigt de term "werkloosheidsuitkering" zonder te onderscheiden tussen uitkeringen en andere prestaties en zonder als voorwaarde voor zijn toepassing te stellen, dat de belanghebbende alle prestaties geniet waarin de wettelijke regeling van de bevoegde staat voor de werkloosheidsperiode voorziet. Deze bepaling stelt dus generlei voorwaarde met betrekking tot de aard van de prestaties bij werkloosheid.
23 Voor zover de van het recht op werkloosheidsuitkeringen in contanten uitgesloten werkloze krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde staat gedekt blijft tegen de risico' s van ziekte en ongeval, moet derhalve de uitdrukking "werkloosheidsuitkering krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat" in artikel 74 van verordening nr. 1408/71 worden verstaan als mede betrekking hebbend op dat soort prestaties.
24 Een werkloze die tijdens de periode van tijdelijke uitsluiting ingevolge de nationale wettelijke regeling gedekt blijft tegen ziekte en ongeval, moet bijgevolg worden geacht werkloosheidsuitkeringen in de zin van artikel 74 van verordening nr. 1408/71 te genieten.
25 Gelet op het voorgaande moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 74 van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat de uitdrukking "werkloze werknemer (...) die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering geniet" ook ziet op bij de bevoegde nationale instantie ingeschreven werklozen wier recht op werkloosheidsuitkering is geschorst wegens een vergoeding die hun door de werkgever is betaald omdat hun dienstbetrekking zonder inachtneming van de opzeggingstermijn is beëindigd, of wegens hun tijdelijke uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkering, wanneer zij tijdens deze periode van uitsluiting krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde staat zijn gedekt tegen de risico' s van ziekte en ongeval.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de Duitse, de Spaanse en de Britse regering alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Sozialgericht Stuttgart bij beschikking van 29 augustus 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 74 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat de uitdrukking "werkloze werknemer (...) die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering geniet" ook ziet op bij de bevoegde nationale instantie ingeschreven werklozen wier recht op werkloosheidsuitkering is geschorst wegens een vergoeding die hun door de werkgever is betaald omdat hun dienstbetrekking zonder inachtneming van de opzeggingstermijn is beëindigd, of wegens hun tijdelijke uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkering, wanneer zij tijdens deze periode van uitsluiting krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde staat zijn gedekt tegen de risico' s van ziekte en ongeval.
Full & Egal Universal Law Academy