Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Invaliditeitsverzekering ° Berekening van uitkeringen ° Artikel 47, lid 1, sub e, van verordening nr. 1408/71 betreffende regelingen die uitgaan van gemiddelde bijdrage ° Werkingssfeer ° Spaanse wettelijke regeling ° Daaronder begrepen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 47, lid 1, sub e)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Invaliditeitsverzekering ° Berekening van uitkeringen ° Nationale wettelijke regeling die uitkering vaststelt op grond van gemiddelde bijdrage gedurende referentieperiode ° Wijze van toepassing op werknemer die arbeidsongeschikt is geworden in Lid-Staat met wetgeving van ander type en die in referentieperiode geen premie heeft betaald ° Berekening van gemiddelde bijdrage enkel op grond van krachtens toepasselijke wetgeving betaalde premies ° Aanpassing en verhoging van theoretische uitkering voor samentelling en pro-rataberekening voor zover nodig om te vermijden dat betrokkene nadeel ondervindt van uitoefening van recht van vrij verkeer
(EG-Verdrag, art. 51; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 47, lid 1, sub e)
3. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Invaliditeitsverzekering ° Berekening van uitkeringen ° Nationale wettelijke regeling die bedrag van uitkeringen niet afhankelijk stelt van duur van tijdvakken van verzekering ° Bij artikel 46, lid 2, sub c, van verordening nr. 1408/71 gesteld verbod voor Lid-Staat om bij samentelling en pro-rataberekening totale duur van vóór intreden van risico vervulde tijdvakken van verzekering in aanmerking te nemen die langer is dan maximumduur welke zijn wettelijke regeling voor recht op volledige uitkering vereist ° Niet-toepasselijkheid
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 46, lid 2)
Samenvatting
1. Artikel 47, lid 1, sub e, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83 en aangepast bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, ziet op een stelsel voor de berekening van invaliditeitsuitkeringen zoals voorzien in de Spaanse wettelijke regeling, dat uitgaat van een gemiddelde bijdrage en aan de hand waarvan het pensioenbedrag in beginsel wordt berekend op basis van het gemiddelde van de premies die de werknemer heeft betaald tijdens een referentieperiode onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop de invaliditeit is ingetreden.
2. Artikel 47, lid 1, sub e, van verordening nr. 1408/71 moet worden uitgelegd in het licht van het oogmerk van artikel 51 van het Verdrag, inhoudende dat voor migrerende werknemers de uitoefening van hun recht van vrij verkeer niet tot een vermindering van het bedrag van hun sociale-zekerheidsuitkeringen mag leiden. Dat betekent, dat in een situatie waarin de betrokkene arbeidsongeschikt is geworden in een Lid-Staat met een wetgeving van een ander type dan die welke van toepassing is, en in het tijdvak aan de hand waarvan de gemiddelde bijdrage voor de berekening van de uitkering wordt vastgesteld, niet krachtens laatstbedoelde wetgeving premies heeft betaald, voor de betrokkene moet worden uitgegaan van dezelfde grondslag als wanneer hij krachtens de betrokken wettelijke regeling premieplichtig was gebleven. In een dergelijke situatie moet het theoretische uitkeringsbedrag, waarvoor alleen is uitgegaan van de krachtens die wettelijke regeling betaalde premies, worden aangepast en verhoogd alsof de betrokkene zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat had voortgezet.
3. Artikel 46, lid 2, sub c, van verordening nr. 1408/71, in de versie die gold in juli 1990, dat bepaalt dat voor de toepassing van de regeling inzake samentelling en pro-rataberekening onder bepaalde omstandigheden rekening wordt gehouden met de maximumduur voor het recht op een volledig pensioen in plaats van met de totale duur van de vervulde tijdvakken van verzekering, ziet niet op de berekening van invaliditeitsuitkeringen volgens een stelsel als voorzien in de Spaanse wetgeving, volgens hetwelk het bedrag van de uitkeringen onafhankelijk is van de duur van de verzekeringstijdvakken. Daar deze regel de duur voor een volledige uitkering betreft, kan hij immers slechts worden toegepast op wettelijke regelingen op grond waarvan voor de berekening van de uitkeringen in beginsel wordt uitgegaan van de duur van de vervulde tijdvakken.
Partijen
In zaak C-251/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje), in het aldaar aanhangig geding tussen
E. Lafuente Nieto
en
Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) en Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van artikel 47, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), en aangepast bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 170), alsmede over de uitlegging van artikel 46, lid 2, van die verordening,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J.-P. Puissochet (rapporteur), P. Jann, L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° E. Lafuente Nieto, vertegenwoordigd door A. Vázquez Conde, R. Méndez Robleda en B. Mayo Martínez, advocaten te Orense,
° de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie communautaire juridische en institutionele aangelegenheden, en M. Bravo-Ferrer Delgado, abogado del Estado, als gemachtigden,
° de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Kyriakopolou en I. Díez Parra, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en B. Rodríguez Galindo, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van E. Lafuente Nieto, vertegenwoordigd door A. Vázquez Conde, R. Méndez Robleda en B. Mayo Martínez, de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. Bravo-Ferrer Delgado, de Raad, vertegenwoordigd door S. Kyriakopolou en I. Díez Parra, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia en I. Martínez del Peral, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 2 mei 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 31 mei 1994, ingekomen bij het Hof op 13 september daaraanvolgend, heeft het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco krachtens artikel 177 EG-Verdrag zes prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van artikel 47, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), en aangepast bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 170; hierna: "verordening"), alsmede over de uitlegging van artikel 46, lid 2, van die verordening.
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen E. Lafuente Nieto en de Spaanse sociale-zekerheidsinstellingen Instituto Nacional de la Seguridad Social (hierna: "INSS") en Tesorería General de la Seguridad Social betreffende de berekening van zijn invaliditeitspensioen.
3 Lafuente Nieto, een werknemer van Spaanse nationaliteit, die in loondienst heeft gewerkt in Spanje (vóór 1969) en in Duitsland (tot 1990), werd in juli 1990 volledig en blijvend arbeidsongeschikt. Het bevoegde Duitse orgaan kende hem een invaliditeitspensioen toe dat, om de verwijzende rechter onbekende redenen, is berekend zonder rekening te houden met de tijdvakken van premiebetaling in Spanje. De INSS, het bevoegde Spaanse orgaan, kende betrokkene een invaliditeitspensioen toe wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een andere dan een beroepsziekte.
4 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat volgens de Spaanse wettelijke regeling het pensioenbedrag voor werknemers in de industrie die de leeftijd van 48 jaar en drie maanden hebben bereikt op het tijdstip van intreden van de volledige blijvende arbeidsongeschiktheid wegens een andere dan een beroepsziekte, zoals in het geval van Lafuente Nieto, niet verschilt naar gelang van de tijdvakken van premiebetaling of de loopbaan van de werknemer. Krachtens artikel 2, lid 2, sub b, van wet nr. 26/1985 van 31 juli 1985 is het recht op pensioen evenwel afhankelijk van de voorwaarden dat de werknemer gedurende minimaal een vierde van de periode sedert het bereiken van de leeftijd van twintig jaar premie heeft betaald, en dat een vijfde van de vereiste minimumtijdvakken van premiebetaling is gesitueerd in de periode van tien jaar voorafgaand aan het tijdstip van intreden van de invaliditeit.
5 Is aan die voorwaarden voldaan, dan wordt het pensioenbedrag berekend op basis van het gemiddelde van de premies die de werknemer heeft betaald tijdens de 84 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop de invaliditeit is ingetreden. Indien de werknemer evenwel over gedeelten van deze periode geen premie behoefde te betalen, wordt deze grondslag berekend alsof hij dan de minimumpremie heeft betaald. Bovendien worden de premies van de eerste 60 maanden van deze periode (zowel de echte als de fictieve) geïndexeerd; dit betekent, dat daarop voor elk van die 60 maanden tot het einde van de te indexeren periode het stijgingspercentage van de officiële consumptieprijsindex wordt toegepast (artikel 3, leden 1 en 4, van de wet van 31 juli 1985).
6 Het aan Lafuente Nieto toegekende pensioen van 9 226 PTA per maand (14 keer per jaar), werd met toepassing van de regel voor de berekening van de minimum grondslag van de bijdragen in het geval van een niet-premieplichtige werknemer, vastgesteld naar verhouding van de in Spanje vervulde tijdvakken van verzekering tot de tijdvakken die hij heeft vervuld in de twee Lid-Staten waar hij heeft gewerkt. De INSS was immers van mening, dat de betrokkene gedurende de voor de berekening van de grondslag in aanmerking te nemen 84 maanden (van juli 1983 tot juni 1990) niet premieplichtig was in de zin van de Spaanse wettelijke regeling, omdat hij in Duitsland was tewerkgesteld.
7 Lafuente Nieto betwistte dit pensioenbedrag en vorderde een bedrag van 56 485 PTA, dat was berekend volgens een methode die op twee punten verschilt van de methode van de INSS. Enerzijds houdt het quotiënt dat dient als berekeningsgrondslag voor het pensioen, rekening met de berekeningsgrondslag van de premies die hij in Duitsland heeft betaald gedurende de periode onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de invaliditeit, zonder dat deze het destijds in Spanje geldende maximum mogen overschrijden, en met de minimumpremies voor de maanden waarin hij in Duitsland geen premie heeft betaald. Anderzijds wordt bij de toepassing van de prorataregel het tijdvak van premiebetaling in Spanje niet vergeleken met het totale tijdvak van premiebetaling in Spanje en Duitsland, maar met het minimumtijdvak van premiebetaling dat volgens de Spaanse wettelijke regeling voor het recht op pensioen vereist is.
8 Hoger beroep is ingesteld bij het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco, dat het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld:
"1) Moet artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 (in de versie die gold in juli 1990), wat de daarin bedoelde feitelijke situatie betreft, aldus worden uitgelegd, dat het een wettelijke regeling omvat zoals die van artikel 3 van wet nr. 26/1985 van 31 juli 1985, waarnaar in het feitelijk gedeelte, tweede paragraaf, sub B, van de onderhavige beschikking wordt verwezen, of valt deze wettelijke regeling binnen de werkingssfeer van artikel 47, lid 1, sub b, van de verordening?
2) Indien het antwoord op de eerste vraag luidt, dat voornoemde Spaanse wettelijke regeling valt onder de in artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 beschreven situatie, moet deze bepaling dan aldus worden uitgelegd,
a) dat daarbij, naast de Spaanse rechtsregel, een specifiek gemeenschapsrechtelijke regel wordt ingevoerd over de wijze van vaststelling van het gemiddelde van de premies, inhoudende dat dit wordt berekend op basis van het rekenkundig gemiddelde van de in Spanje geldende minimum- en maximumpremies;
b) dan wel dat zij geen specifieke regel is over de wijze van vaststelling van het gemiddelde van de premies, dat overeenkomstig het Spaanse nationale recht moet worden berekend, waarbij evenwel geen rekening kan worden gehouden met premies die aan het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat zijn betaald krachtens diens wettelijke regeling;
c) of ook nog, dat zij geen specifieke regel bevat over de wijze van vaststelling van het gemiddelde van de premies, dat overeenkomstig het Spaanse nationale recht moet worden berekend, waarbij evenwel de krachtens diens wettelijke regeling aan het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat betaalde premies in aanmerking worden genomen, voor zover deze premies ook in Spanje zouden zijn betaald krachtens de Spaanse wettelijke regeling, indien de gebeurtenis die daartoe aanleiding geeft in de andere Lid-Staat, zou worden geacht in Spanje te hebben plaatsgevonden?
3) Indien het eerste of het tweede van de in de voorgaande prejudiciële vraag genoemde alternatieven de juiste uitlegging is van artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71, is dat artikel dan ongeldig wegens strijd met de opdracht die voortvloeit uit artikel 51 van het Verdrag, in samenhang met het beginsel van vrij verkeer van werknemers van artikel 48 van het Verdrag?
4) Indien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt, dat de wettelijke regeling in artikel 3 van wet nr. 26/1985 valt binnen de werkingssfeer van de in artikel 47, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 omschreven situatie, moet laatstgenoemde bepaling dan aldus worden uitgelegd, dat
a) op grond daarvan voor de berekening van de grondslag van het pensioen wegens blijvende invaliditeit of ouderdom geen rekening kan worden gehouden met aan het bevoegde orgaan van de andere Lid-Staat krachtens diens wettelijke regeling betaalde premies;
b) of dat op grond daarvan voor die berekening wel rekening kan worden gehouden met de aan het bevoegde orgaan van de andere Lid-Staat krachtens diens wettelijke regeling betaalde premies, voor zover die premies ook in Spanje krachtens de nationale wettelijke regeling zouden zijn betaald, indien de gebeurtenis die daartoe aanleiding geeft in de andere Lid-Staat, wordt geacht in ons land te hebben plaatsgevonden?
5) Indien het eerste van de in de voorgaande vraag genoemde twee alternatieven de juiste uitlegging van artikel 47, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 is, is dat artikel dan ongeldig wegens strijd met de opdracht die voortvloeit uit artikel 51 van het Verdrag, in samenhang met het beginsel van vrij verkeer van werknemers van artikel 48 van het Verdrag?
6) Ongeacht het antwoord op de voorgaande vragen, moet artikel 46, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 1408/71, in de versie die gold in juli 1990, aldus worden uitgelegd, dat de daarin bedoelde feitelijke hypothese ook ziet op pensioenen wegens blijvende invaliditeit als gevolg van een andere dan een beroepsziekte, die zijn voorzien in de Spaanse algemene sociale zekerheidsregeling (Régimen General de la Seguridad Social), zodat in die gevallen de in die bepaling bedoelde maximumduur het minimumtijdvak van premiebetaling is dat voor het recht op dit pensioen vereist is?"
Toepasselijke bepalingen van de verordening
9 Alvorens te antwoorden op de prejudiciële vragen, moet worden herinnerd aan de inhoud van de bepalingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verordening in de versie die gold op het door de verwijzende rechter in aanmerking genomen tijdstip van juli 1990.
10 Blijkens de stukken zijn de wettelijke regelingen van de twee Lid-Staten waar de betrokkene aanspraak heeft op een invaliditeitsuitkering niet van hetzelfde type. Volgens bijlage IV bij de verordening is de Spaanse wetgeving één van de wetgevingen als bedoeld in artikel 37, lid 1, volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering. De Duitse wetgeving daarentegen behoort niet tot die groep.
11 Artikel 40, lid 1, van de verordening bepaalt, dat de bepalingen van het hoofdstuk van de verordening inzake pensioenen bij ouderdom en overlijden, dat wil zeggen de artikelen 44 tot en met 51, van overeenkomstige toepassing zijn op werknemers die invalide worden en achtereenvolgens aan die twee typen wetgeving onderworpen zijn geweest.
12 Indien de wetgeving van een Lid-Staat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, moet krachtens artikel 45, lid 1, voor zover nodig rekening worden gehouden met de krachtens de wetgeving van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen.
13 Artikel 46 regelt de vaststelling van uitkeringen. Lid 1, dat geldt wanneer aan de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden is voldaan zonder dat artikel 45 behoeft te worden toegepast, voorziet in een vergelijking tussen het bedrag van de uitkering dat verschuldigd zou zijn op grond van de toepasselijke wettelijke regeling, en dat op grond van de toepassing van de regels van lid 2, sub a en b, en bepaalt dat alleen het hoogste uitkeringsbedrag wordt aangehouden.
14 Artikel 46, lid 2, dat geldt wanneer de bij de wettelijke regeling van een Lid-Staat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden slechts met inachtneming van artikel 45 zijn vervuld, bevat de volgende regels:
"a) Het orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken Lid-Staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;
b) op basis van het in de vorige alinea bedoelde theoretische bedrag stelt het orgaan vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld;
c) indien de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld, langer is dan de maximumduur, welke de wettelijke regeling van een der Staten voor het recht op volledige uitkering vereist, houdt het bevoegde orgaan van deze Staat voor de toepassing van dit lid rekening met deze maximumduur in plaats van met de totale duur van de genoemde tijdvakken; deze wijze van berekening mag niet tot gevolg hebben dat dit orgaan een uitkering verschuldigd is welke hoger is dan de volledige uitkering volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling."
15 Artikel 47 ten slotte bevat aanvullende regels ter berekening van de uitkeringen. Lid 1 bevat bijzondere bepalingen voor de berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, bedoelde theoretische bedrag, waaronder met name de volgende twee:
"(...)
b) het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van het bedrag der verdiensten, der premies of bijdragen of der verhogingen, stelt de verdiensten, de premies of bijdragen, of de verhogingen waarmede op grond van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen rekening moet worden gehouden, vast op grond van het gemiddelde der verdiensten, der premies of bijdragen, of der verhogingen dat is geconstateerd over de tijdvakken van verzekering, welke krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld;
(...)
e) het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat bij de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage, stelt deze gemiddelde bijdrage uitsluitend vast aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wettelijke regeling van die Staat zijn vervuld."
De eerste vraag
16 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke van de twee aangehaalde regels van artikel 47, lid 1, van de verordening van toepassing is op het in de Spaanse wettelijke regeling voorziene stelsel van berekening van de invaliditeitsuitkeringen.
17 Lafuente Nieto meent, dat dit stelsel, aangezien het in feite voorziet in een rechtstreeks verband tussen het uitkeringsbedrag en de salarissen, de premies of bijdragen en de verhogingen, onder de sub b geformuleerde eerste regel valt.
18 De Spaanse regering daarentegen is van mening, dat het stelsel onder de sub e bedoelde tweede regel valt, daar bij de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een grondslag van premieheffing die niet overeenstemt met het reële salaris.
19 De Commissie van haar kant stelt, dat geen van de bepalingen van artikel 47, lid 1, van toepassing is op een stelsel als het onderhavige, volgens hetwelk het uitkeringsbedrag onafhankelijk is van de duur der verzekeringstijdvakken.
20 De eerste regel geldt wanneer de wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat bepaalt, dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van het bedrag der verdiensten, der premies of bijdragen of der verhogingen, en wanneer de tijdvakken van verzekering of van wonen in een andere Lid-Staat in aanmerking worden genomen.
21 Deze hypothese ziet niet op een stelsel zoals dat welke de verwijzende rechter heeft beschreven, volgens hetwelk het uitkeringsbedrag onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering, en waarbij voor de berekening van dit bedrag wordt uitgegaan van de gemiddelde premies die overeenstemmen met het salaris van de werknemer gedurende een aantal jaren vóór het intreden van de invaliditeit of eventueel, voor de periodes dat hij niet premieplichtig was, met een minimumsalaris. In een dergelijk stelsel wordt voor de berekening van de uitkeringen namelijk niet uitgegaan van het reële bedrag der verdiensten, der premies of bijdragen of der verhogingen gedurende het geheel van de tijdvakken van verzekering of van wonen.
22 De tweede regel, artikel 47, lid 1, sub e, van de verordening, die bij de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Gemeenschap is toegevoegd, geldt wanneer de wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat bepaalt, dat bij de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage, die uitsluitend wordt vastgesteld aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wettelijke regeling van die staat zijn vervuld.
23 Zoals de verwijzende rechter en de Spaanse regering opmerken, wijzen de omstandigheden waaronder deze regel in de verordening is ingevoegd erop, dat hij juist ziet op een stelsel voor de berekening van invaliditeitsuitkeringen als voorzien in de Spaanse wettelijke regeling, die inderdaad bepaalt dat, uitzonderingen daargelaten, voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage.
24 De Commissie meent evenwel, dat de uitlegging die het Hof heeft gegeven in het arrest van 29 november 1984 (zaak 181/83, Weber, Jurispr. 1984, blz. 4007), waarbij onder bepaalde omstandigheden de toepassing van artikel 47, lid 1, werd afgewezen zonder dat een onderscheid werd gemaakt tussen de destijds voorziene hypothesen, ook moet gelden voor de hypothese sub e. De sub e geformuleerde regels kunnen haars inziens in casu niet worden toegepast, daar, zoals het Hof in het arrest van 9 augustus 1994 (zaak C-406/93, Reichling, Jurispr. 1994, blz. I-4061) voor recht heeft verklaard, ingevolge artikel 46, lid 2, sub a, voor de berekening van het theoretisch bedrag van de uitkering rekening moet worden gehouden met het loon dat de werknemer ontving op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, in een andere Lid-Staat dan die volgens wiens wettelijke regeling het theoretisch bedrag wordt berekend.
25 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
26 Enerzijds impliceert het feit dat de door het Hof in het arrest Weber gegeven oplossing betrekking heeft op alle destijds in artikel 47, lid 1, voorziene hypothesen, niet dat die oplossing moet worden veralgemeend en uitgebreid tot alle bepalingen die later aan lid 1 zijn toegevoegd. Dienaangaande moet ook worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 25 van zijn conclusie heeft uiteengezet, het arrest betrekking had op een stelsel van invaliditeitsuitkeringen dat weliswaar bepaalde gelijkenissen vertoont met het stelsel dat in het hoofdgeding aan de orde is, maar daar op verschillende punten toch van afwijkt.
27 Anderzijds betreft de uitlegging die het Hof in het arrest Reichling heeft gegeven, artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening, en niet artikel 47, lid 1, dat aanvullende regels geeft. Hoewel deze uitlegging nuttig kan zijn voor de uitlegging van artikel 47, lid 1, en eventueel voor de beoordeling van de geldigheid ervan, waarover de verwijzende rechter eveneens vragen heeft gesteld, betekent dat niet dat artikel 47, lid 1, sub e, niet kan zien op een stelsel als in het hoofdgeding aan de orde is.
28 Ten slotte zij opgemerkt, dat bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7), die in werking is getreden na de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen datum, nieuwe bepalingen zijn ingevoerd die blijkens de tweeëndertigste overweging van de considerans en de toevoeging in bijlage VI, deel D, punt 4, van verordening nr. 1408/71 strekken tot verduidelijking van de wijze van toepassing van artikel 47 van de verordening voor Spanje, met name inzake de berekening van de Spaanse theoretische uitkering. Deze nieuwe bepalingen bevestigen, dat artikel 47, lid 1, dat precies de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering betreft, regels bevat die op de Spaanse wettelijke regeling slaan. Anders dan de Commissie in antwoord op een vraag van het Hof heeft gesteld, zijn die regels overigens niet alleen van toepassing op de stelsels van pensioenen bij ouderdom en overlijden, maar zijn zij krachtens artikel 40, lid 1, van de verordening ook van overeenkomstige toepassing op de stelsels van invaliditeitsuitkeringen wanneer de betrokken werknemer, zoals in het hoofdgeding het geval is, achtereenvolgens aan wetgevingen van verschillende typen onderworpen is geweest.
29 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 47, lid 1, sub e, van de verordening, in de versie die gold in juli 1990, ziet op een stelsel zoals voorzien in de Spaanse wettelijke regeling, dat voor de berekening van invaliditeitsuitkeringen uitgaat van een gemiddelde bijdrage.
De tweede en de derde vraag
30 Met deze twee vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, welke uitlegging moet worden gegeven aan de regel van artikel 47, lid 1, sub e, van de verordening en, eventueel, of deze bepaling verenigbaar is met de beginselen van artikel 51 van het Verdrag. Hij vraagt zich met name af, of de naleving van die beginselen niet impliceert, dat bij de berekening van de gemiddelde bijdrage volgens de betrokken wettelijke regeling, rekening moet worden gehouden met de premies die krachtens een andere wettelijke regeling zijn betaald, tot beloop van de premies die krachtens de eerste regeling hadden moeten worden betaald in de veronderstelling dat de betrokkene bij het intreden van de invaliditeit nog steeds onder die regeling viel.
31 Lafuente Nieto stelt, dat dit de enige mogelijke uitlegging is indien artikel 47, lid 1, sub e, op zijn situatie van toepassing is.
32 De Spaanse regering daarentegen is van mening, dat uit die bepaling juist blijkt, dat de gemiddelde bijdrage uitsluitend moet worden berekend aan de hand van de onder de betrokken wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering.
33 Zoals alle bepalingen van artikel 47, lid 1, in de versie die gold op de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen datum, vormt de in lid 1, sub e, vervatte regel een aanvullende regel ter berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, bedoelde theoretische bedrag van de uitkering. Deze regel moet dus worden uitgelegd in het licht van die bepaling en, zoals het Hof in het arrest Reichling dienaangaande heeft overwogen, in het licht van het oogmerk van artikel 51 van het Verdrag, inhoudende dat voor migrerende werknemers de uitoefening van hun recht van vrij verkeer niet tot een vermindering van het bedrag van hun sociale-zekerheidsuitkeringen mag leiden.
34 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de uitlegging van de litigieuze regel geen ernstige moeilijkheden doet rijzen wanneer de toepasselijke wetgeving die is van de Lid-Staat waar de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, en wanneer de verzekeringstijdvakken die dienen om de gemiddelde bijdrage vast te stellen daadwerkelijk in die staat zijn vervuld. Dat is bij voorbeeld het geval voor een werknemer die in Spanje arbeidsongeschikt wordt, die volgens de Spaanse wetgeving slechts recht heeft op uitkeringen wanneer rekening wordt gehouden met tijdvakken die krachtens een wettelijke regeling van een ander type zijn vervuld, en die in het tijdvak waarvan wordt uitgegaan om de gemiddelde bijdrage vast te stellen, in Spanje premies heeft betaald.
35 Dat is evenwel niet het geval in de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de betrokkene arbeidsongeschikt is geworden in een Lid-Staat met een wetgeving van een ander type dan die welke van toepassing is, en in het tijdvak aan de hand waarvan de gemiddelde bijdrage wordt vastgesteld, niet krachtens laatstbedoelde wetgeving premies heeft betaald. In een dergelijke situatie bepaalt de Spaanse wettelijke regeling niet zonder meer, dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage in de zin van de litigieuze regel. Zij preciseert, dat bij gebreke van een premieplicht gedurende een deel of het geheel van de referentieperiode, een minimumpremie gedeeltelijk of geheel in de plaats komt van de gemiddelde bijdrage, wat voor de migrerende werknemer nadelig kan zijn.
36 Vaststaat immers, dat indien Lafuente Nieto steeds in Spanje had gewerkt en daar al zijn verzekeringstijdvakken had vervuld, hij niet zou zijn beschouwd als een werknemer die gedurende het tijdvak onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, niet premieplichtig was. Bijgevolg zou hij recht hebben gehad op een hoger invaliditeitspensioen dan hem nu is toegekend.
37 De regel van artikel 47, lid 1, sub e, van de verordening, die betrekking heeft op een berekeningswijze gebaseerd op een gemiddelde bijdrage, zoals in beginsel is voorzien in de Spaanse wettelijke regeling, heeft niet tot doel en kan hoe dan ook niet tot gevolg hebben om bij wijze van uitzondering en in bepaalde situaties die kenmerkend zijn voor werknemers die gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer, een andere berekeningswijze, gebaseerd op een minimumpremie, mogelijk te maken.
38 In het hoofdgeding was Lafuente Nieto gedurende het tijdvak dat volgens de Spaanse wettelijke regeling in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de gemiddelde bijdrage, niet premieplichtig in Spanje, maar wel in een andere Lid-Staat. Krachtens artikel 47, lid 1, sub e, uitgelegd in het licht van het in rechtsoverweging 33 (supra) vermelde oogmerk, had het bevoegde Spaanse orgaan daarmee rekening moeten houden, want het uitkeringsbedrag van de migrerend werknemer mag niet lager zijn dat wat hij als niet-migrerend werknemer zou hebben ontvangen (arrest Reichling, reeds aangehaald, r.o. 26).
39 Dit betekent evenwel niet, dat in strijd met de regel van artikel 47, lid 1, sub e, dat deze gemiddelde bijdrage uitsluitend wordt vastgesteld aan de hand van de krachtens de betrokken wettelijke regeling vervulde verzekeringstijdvakken, bij de berekening van de gemiddelde bijdrage moet worden uitgegaan van het bedrag van de in de andere Lid-Staat betaalde premies. Het betekent enkel, dat in een dergelijke situatie voor de betrokkene moet worden uitgegaan van dezelfde grondslag als wanneer hij krachtens de betrokken wettelijke regeling premieplichtig was gebleven.
40 Wanneer dus in een situatie als in het hoofdgeding, alleen rekening moet worden gehouden met het bedrag van de krachtens de betrokken wettelijke regeling betaalde premies, moet dit bedrag worden geactualiseerd en aangepast zodat het overeenstemt met het bedrag dat de betrokkene daadwerkelijk zou hebben betaald indien hij zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat zou hebben voortgezet.
41 Deze uitlegging wordt bevestigd door de bij verordening nr. 1248/92 in bijlage VI, deel D, sub 4, van verordening nr. 1408/71 ingevoegde nieuwe bepalingen: "de berekening van de Spaanse theoretische uitkering (geschiedt) op basis van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde gedurende de jaren onmiddellijk voorafgaande aan de betaling van de laatste premie of bijdrage aan de Spaanse sociale zekerheid", en "het bedrag van het verkregen pensioen zal worden verhoogd met het bedrag van de verhogingen en aanpassingen, berekend voor de pensioenen van dezelfde aard voor elk jaar daarna en tot het jaar dat aan de intreding van de verzekerde gebeurtenis voorafgaat".
42 Deze nieuwe bepalingen, die na de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen datum in werking zijn getreden, zijn normalerwijs niet rechtstreeks op het hoofdgeding van toepassing, onder voorbehoud evenwel van de bij het nieuwe artikel 95 bis van de verordening aan de betrokkenen geboden mogelijkheid om gelet op deze regels om herziening van hun rechten te verzoeken. Maar zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie opmerkt, hebben de betrokken bepalingen, die slechts de modaliteiten van de verordening verduidelijken volgens welke de gemiddelde bijdrage uitsluitend wordt vastgesteld aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de betrokken wettelijke regeling zijn vervuld, zonder dat zij de inhoud van artikel 47, lid 1, sub e, wijzigen, evenwel slechts tot doel de verenigbaarheid ervan met de beginselen van artikel 51 van het Verdrag te verzekeren.
43 Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 47, lid 1, sub e, van de verordening, in de versie die gold in juli 1990, uitgelegd overeenkomstig het oogmerk van artikel 51 van het Verdrag, inhoudt dat in een situatie als die van het hoofdgeding, voor de berekening van de gemiddelde bijdrage alleen wordt uitgegaan van het bedrag van de krachtens de betrokken wettelijke regeling betaalde premies, en dat het aldus berekende theoretische uitkeringsbedrag naar behoren moet worden aangepast en verhoogd alsof de betrokkene zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat had voortgezet.
De vierde en de vijfde vraag
44 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de vierde en de vijfde vraag niet te worden beantwoord.
De zesde vraag
45 Met de zesde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 46, lid 2, sub c, van de verordening, in de destijds geldende versie, van toepassing is op een stelsel van invaliditeitspensioenen als voorzien in de Spaanse wetgeving, en of de vereiste maximumduur voor het recht op volledige uitkering, waarmee het bevoegde orgaan volgens deze bepaling rekening moet houden in plaats van met de totale duur van de verzekeringstijdvakken, dus overeenstemt met het minimumtijdvak van premiebetaling dat voor het recht op pensioen vereist is.
46 Lafuente Nieto geeft in overweging deze vraag bevestigend te beantwoorden, op grond dat overeenkomstig artikel 45, lid 1, van de verordening de samentelling van verzekeringstijdvakken nooit verder mag gaan dan noodzakelijk is, en dat het Hof in verschillende arresten de toepassing van artikel 46, lid 2, sub c, in die zin heeft aanvaard (zie met name arrest van 11 juni 1992, gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91, Di Crescenzo en Casagrande, Jurispr. 1992, blz. I-3851).
47 De Spaanse regering en de Commissie daarentegen zijn van mening, dat de betrokken bepaling niet van toepassing is op een stelsel als voorzien in de Spaanse wetgeving, volgens welke het bedrag van de uitkeringen onafhankelijk is van de verzekeringstijdvakken.
48 Deze zienswijze moet worden aanvaard.
49 Allereerst zij eraan herinnerd, dat de regel van artikel 45, lid 1, waarnaar appellant in het hoofdgeding verwijst, betrekking heeft op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, en niet op de berekening van het uitkeringsbedrag, die geregeld is in de artikelen 46 en volgende.
50 Voorts heeft de door Lafuente Nieto aangehaalde rechtspraak geen betrekking op situaties waarin, zoals in het hoofdgeding, de samentelling van verzekeringstijdvakken overeenkomstig artikel 45 noodzakelijk is voor het recht op uitkeringen. Zij betreft situaties waarin het recht op uitkeringen bestaat zonder dat dit artikel behoeft te worden toegepast, en waarin krachtens artikel 46, lid 1, een vergelijking moet worden gemaakt tussen de uitkeringen die verschuldigd zijn krachtens nationaal recht, en die welke krachtens het gemeenschapsrecht verschuldigd zouden zijn (zie met name arrest Di Crescenzo en Casagrande, reeds aangehaald, r.o. 15-17).
51 Ten slotte blijkt uit de bewoordingen van artikel 46, lid 2, sub c, in de versie die gold op het door de verwijzende rechter in aanmerking genomen tijdstip, dat deze regel van toepassing is indien de totale duur van de verzekeringstijdvakken welke in alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld, langer is dan de ingevolge de wettelijke regeling van een der Lid-Staten voor het recht op een volledige uitkering vereiste maximumduur. Deze definitie kan slechts zien op wettelijke regelingen op grond waarvan voor de berekening van de uitkeringen in beginsel wordt uitgegaan van de duur van de vervulde tijdvakken.
52 De litigieuze regel is ingevoerd om het hoofd te bieden aan de moeilijkheden die kunnen ontstaan bij de berekening van rustpensioenen op grond van de duur van verzekeringstijdvakken, wanneer een maximumduur is vastgesteld waarna het pensioenbedrag niet meer kan stijgen. Deze regel, die aanvankelijk in artikel 46, lid 2, sub c, van de verordening was opgenomen, is bij verordening nr. 1248/92 overgebracht naar artikel 47, lid 1, sub a, en aangevuld met de verduidelijking, dat hij niet geldt "voor uitkeringen waarvan het bedrag niet afhankelijk is van de duur van de verzekeringstijdvakken".
53 Dat de considerans van verordening nr. 1248/92 ter zake geen toelichting bevat, wijst erop, dat de verplaatsing van de tekst en de precisering niet kunnen worden geacht in de regeling een nieuwe bepaling te hebben ingevoerd, maar dat dit als een loutere verduidelijking moet worden beschouwd, die de hierboven gegeven uitlegging staaft (in die zin arrest Reichling, reeds aangehaald, r.o. 29).
54 Mitsdien moet op de zesde vraag worden geantwoord, dat artikel 46, lid 2, sub c, van de verordening, in de versie die gold in juli 1990, niet ziet op de berekening van invaliditeitsuitkeringen volgens een stelsel als voorzien in de Spaanse wetgeving, volgens hetwelk het bedrag van de uitkeringen onafhankelijk is van de duur van de verzekeringstijdvakken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
55 De kosten door de Spaanse regering, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco bij beschikking van 31 mei 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, en aangepast bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, ziet op een stelsel zoals voorzien in de Spaanse wettelijke regeling, dat voor de berekening van invaliditeitsuitkeringen uitgaat van een gemiddelde bijdrage.
2) Artikel 47, lid 1, sub e, van verordening nr. 1408/71, uitgelegd overeenkomstig het oogmerk van artikel 51 EEG-Verdrag, thans EG-Verdrag, houdt in dat in een situatie als die van het hoofdgeding, voor de berekening van de gemiddelde bijdrage alleen wordt uitgegaan van het bedrag van de krachtens de betrokken wettelijke regeling betaalde premies, en dat het aldus berekende theoretische uitkeringsbedrag naar behoren moet worden aangepast en verhoogd alsof de betrokkene zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat had voortgezet.
3) Artikel 46, lid 2, sub c, van verordening nr. 1408/71 ziet niet op de berekening van invaliditeitsuitkeringen volgens een stelsel als voorzien in de Spaanse wetgeving, volgens hetwelk het bedrag van de uitkeringen onafhankelijk is van de duur van de verzekeringstijdvakken.
Full & Egal Universal Law Academy