Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-260/94,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis en A. C. Jessen, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door P. Mylonopoulos, juridisch medewerker bij de bijzondere dienst Communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en I. Kiki, secretaris bij deze dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 91/263/EEG van de Raad van 29 april 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en de onderlinge erkenning van de conformiteit van de apparatuur (PB 1991, L 128, blz. 1), en, subsidiair, de Commissie niet binnen de gestelde termijn daarvan in kennis te stellen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, G. F. Mancini (rapporteur), C. N. Kakouris en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 september 1994, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 91/263/EEG van de Raad van 29 april 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en de onderlinge erkenning van de conformiteit van de apparatuur (PB 1991, L 128, blz. 1; hierna: "richtlijn"), en, subsidiair, de Commissie niet binnen de gestelde termijn daarvan in kennis te stellen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Ingevolge artikel 17 van de richtlijn nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om uiterlijk op 6 november 1992 hieraan te voldoen, en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
3 De Helleense Republiek betwist niet, dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is omgezet. Zij voert echter aan, dat de voor de omzetting ervan noodzakelijke wetteksten thans in voorbereiding zijn.
4 Daar de omzetting van de richtlijn niet binnen de in artikel 17 hiervan gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet de te dien aanzien door de Commissie gestelde niet-nakoming worden vastgesteld.
5 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 91/263/EEG van de Raad van 29 april 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en de onderlinge erkenning van de conformiteit van de apparatuur, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
6 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 91/263/EEG van de Raad van 29 april 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en de onderlinge erkenning van de conformiteit van de apparatuur, is de Helleense Republiek de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy