Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Harmonisatie van wetgevingen ° Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften ° Verplichting van Lid-Staten ieder ontwerp voor technisch voorschrift aan Commissie mee te delen ° Toepassingsgebied ° Toestaan van gebruik van vervangingsprodukten voor bereiding van voedingsmiddelen onder bepaalde voorwaarden en in afwijking van reeds bestaande regeling ° Daaronder begrepen, ongeacht veronderstelde gevolgen daarvan voor handelsverkeer tussen Lid-Staten
(Richtlijn van de Raad 83/189, art. 1, sub 5, en 8, lid 1)
Samenvatting
De artikelen 1, sub 5, en 8, lid 1, van richtlijn 83/189 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, verplichten de Lid-Staten ieder ontwerp voor technische specificaties die moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik van een produkt op hun grondgebied, ongeacht de veronderstelde gevolgen daarvan voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten, onmiddellijk aan de Commissie mee te delen. Een Lid-Staat die een regeling vaststelt, houdende vrijstelling van de voorschriften voor de bereiding van margarine, waarbij onder bepaalde voorwaarden het gebruik van nader genoemde vervangingsprodukten wordt toegestaan, zonder deze regeling in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, komt deze verplichting niet na.
Partijen
In zaak C-273/94,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Van Lier, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan en J. S. van den Oosterkamp, assistent juridisch adviseurs bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, Rue C. M. Spoo 5,
verweerder,
betreffende een beroep tot vaststelling dat het Koninkrijk der Nederlanden, door op 19 september 1990 de Vrijstellingsregeling Margarinebesluit vast te stellen zonder deze regeling in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB 1988, L 81, blz. 75),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Hirsch, waarnemend voor de kamerpresident, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. L. Murray en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 28 september 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 oktober 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 september 1994, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk der Nederlanden, door op 19 september 1990 de Vrijstellingsregeling Margarinebesluit vast te stellen zonder deze regeling in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB 1988, L 81, blz. 75).
2 De Vrijstellingsregeling Margarinebesluit (hierna: de "Vrijstellingsregeling") voorziet in vrijstellingen van een aantal voorschriften van het Margarinebesluit (Stb. 1961, 398), zoals laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 13 juni 1985 (Stb. 1985, 386). Het gaat om de volgende vrijstellingen:
° in plaats van keukenzout mag een natriumarm keukenzout-vervangende waar worden gebruikt (artikel 1, lid 1, sub a);
° in margarine mag emulgator E 472 C (citroenzure esters) worden gebruikt, mits het gehalte daarvan in het voedingsmiddel niet hoger is dan 1 gram per 100 gram (artikel 1, lid 1, sub b);
° het gebruik van vitamine D2 (ergocalciferol) in plaats van vitamine D3 (cholecalciferol) is toegestaan. Omdat vitamine D2 wordt bereid uit een grondstof die niet van dierlijke oorsprong is, is voortaan de bereiding van zuiver plantaardige margarine mogelijk (artikel 1, leden 2 en 4, en artikel 2);
° het watergehalte in margarine mag voortaan hoger zijn dan 16 % (artikel 1, lid 3);
° de aanduiding "natriumarm levensmiddel" of "voor natriumarm dieet" mag worden gebezigd in plaats van de aanduiding "voor zoutarm dieet" of "zoutarm levensmiddel" (artikel 1, lid 5);
° het ten hoogste toegelaten natriumgehalte in ongezouten margarine wordt verhoogd van 40 tot 50 milligram per 100 gram (artikel 1, lid 6).
3 De Commissie is van mening dat de Vrijstellingsregeling in het ontwerpstadium bij haar had moeten worden aangemeld overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn, waarin wordt bepaald:
"1. De Lid-Staten delen de Commissie onmiddellijk ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mede, tenzij het een volledige omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval met een eenvoudige vermelding van de betrokken internationale of Europese norm kan worden volstaan; zij doen de Commissie tevens in beknopte vorm mededeling van de redenen die de vaststelling van een dergelijk technisch voorschrift noodzakelijk maken, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp blijken. In voorkomend geval doen de Lid-Staten tegelijkertijd mededeling van de tekst van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen, indien kennis van die tekst noodzakelijk is om de draagwijdte van het ontwerp van het technische voorschrift te beoordelen."
4 Artikel 1, sub 5, van de richtlijn definieert het in artikel 8 bedoelde begrip "technisch voorschrift" aldus:
"5. Technisch voorschrift: technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een Lid-Staat of in een groot deel van deze Staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld."
5 Van oordeel dat de Vrijstellingsregeling een technisch voorschrift was, dat overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn in het ontwerpstadium bij haar had moeten worden aangemeld, nodigde de Commissie de Nederlandse regering bij aanmaningsbrief van 6 maart 1992 uit haar opmerkingen te maken.
6 Bij brief van 2 juni 1992 gaf de Nederlandse regering als haar standpunt te kennen, dat de richtlijn niet van toepassing was op nationale technische voorschriften wanneer deze, zoals in casu, geen nieuwe handelsbelemmering opwierpen.
7 Niettemin deed de Commissie op 15 januari 1993 aan het Koninkrijk der Nederlanden een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij eraan herinnerde dat in de Vrijstellingsregeling niet zonder meer in een vrijstelling van het Margarinebesluit wordt voorzien, maar ook voorwaarden voor het gebruik van vervangingsprodukten worden vastgesteld. De Commissie is derhalve van mening dat de Vrijstellingsregeling technische voorschriften bevat en uit dien hoofde binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. Tegen het argument van de Nederlandse regering dat de Vrijstellingsregeling geen nieuwe handelsbelemmering veroorzaakte, brengt de Commissie in dat dit argument bevestigd of weerlegd had kunnen worden indien de Nederlandse autoriteiten overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn de regeling in het ontwerpstadium aan haar hadden meegedeeld.
8 Bij brief van 3 juni 1993 deed de Nederlandse regering haar opmerkingen betreffende het met redenen omkleed advies aan de Commissie toekomen, waarbij zij verwees naar haar twee eerdere brieven aan de Commissie, waaronder de brief van 2 juni 1992, die het antwoord op de aanmaningsbrief vormde.
9 Daarop heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
10 De omstandigheid dat in de Vrijstellingsregeling vrijstelling wordt verleend van bepaalde technische voorschriften in het Margarinebesluit, ontslaat de Nederlandse autoriteiten volgens de Commissie niet van hun verplichting de maatregel in het ontwerpstadium aan haar mee te delen. Deze regeling voorziet immers niet zonder meer in een vrijstelling, maar stelt voorwaarden voor het gebruik van bepaalde vervangende stoffen vast, die voortaan bij de bereiding van margarine mogen worden gebruikt. Indien een producent voor die vrijstellingen in aanmerking wil komen, is hij verplicht de thans in de Vrijstellingsregeling neergelegde voorwaarden in acht te nemen.
11 Volgens de Nederlandse regering is de Vrijstellingsregeling niet een technisch voorschrift, aangezien zij een vrijstelling van bestaande technische voorschriften biedt. Het staat buiten kijf dat technische voorschriften die aan marktdeelnemers verplichtingen opleggen en dientengevolge de handel belemmeren of kunnen belemmeren, onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen, doch volgens haar is dit anders voor voorschriften welke een vrijstelling beogen van de eisen waaraan produkten voordien moesten voldoen. Steun voor deze opvatting kan volgens de Nederlandse regering worden gevonden in artikel 1, sub 5, van de richtlijn, waarin het begrip "technisch voorschrift" wordt gedefinieerd als: "technische specificatie met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd (...)". De woorden "moeten worden nageleefd" wijzen op verplichtingen die door de Lid-Staten worden opgelegd, niet op het afschaffen van of het vrijstellen van verplichtingen. In dat laatste geval zou geen mededeling van de bewuste voorschriften behoeven te worden gedaan, en een afschaffing of vrijstelling zou dus geen technisch voorschrift in de zin van artikel 1, sub 5, van de richtlijn zijn.
12 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
13 Een op een bepaald produkt, zoals margarine, toegepast voorschrift dat een vrijstelling van een ander, reeds bestaand technisch voorschrift betreffende datzelfde produkt bevat, is een technisch voorschrift in de zin van artikel 1, sub 5, wanneer dit voorschrift technische specificaties in de zin van artikel 1, sub 1, vaststelt die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik van dit produkt. Indien de margarine namelijk niet wordt bereid volgens de bepalingen van het Margarinebesluit, mag zij enkel met behulp van door de Vrijstellingsregeling toegestane vervangende stoffen worden bereid. Aan het gebruik van deze vervangende stoffen worden door de voorschriften van de Vrijstellingsregeling niet enkel grenzen gesteld, doch het gebruik van deze stoffen is ook het enig alternatief voor de stoffen die ingevolge het Margarinebesluit mogen worden gebruikt. De Vrijstellingsregeling moest dus overeenkomstig de richtlijn worden aangemeld.
14 Aan deze beoordeling kan niet worden afgedaan door het argument van de Nederlandse regering, dat de Vrijstellingsregeling ruimere mogelijkheden voor het verhandelen van margarine biedt, zodat zij in overeenstemming is met het primaire doel van de richtlijn: de opheffing van belemmeringen in het intracommunautaire handelsverkeer.
15 De Lid-Staten zijn immers overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn gehouden ieder ontwerp voor een technisch voorschrift aan de Commissie mee te delen. Deze verplichting kan niet afhankelijk zijn van de eenzijdige beoordeling, door de Lid-Staat die het ontwerp heeft opgesteld, van de eventuele gevolgen van dit ontwerp voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten.
16 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden, door op 19 september 1990 de Vrijstellingsregeling vast te stellen zonder deze regeling in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, de krachtens artikel 8 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door op 19 september 1990 de Vrijstellingsregeling Margarinebesluit vast te stellen zonder deze regeling in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, is het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften.
2) Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy