Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Visserij ° Instandhouding van rijkdommen van de zee ° Stelsel van visquota ° Controlemaatregelen ° Inspectie van vissersvaartuigen ° Uitvoeringsbepalingen ° Verplichting voor vaartuigen deelnemend aan inspectie om zichtbaar identificatiewimpel te voeren ° Draagwijdte ° Hulpvaartuig dat tijdelijk zelfstandig opereert ° Daaronder begrepen
(Verordening nr. 1382/87 van de Commissie, art. 2 en bijlage I)
2. Visserij ° Instandhouding van rijkdommen van de zee ° Stelsel van visquota ° Controlemaatregelen ° Inspectie van vissersvaartuigen ° Uitvoeringsbepalingen ° Verplichting van kapitein van te inspecteren vaartuig om gehoor te geven aan bevelen van vertegenwoordiger van bevoegde autoriteit van Lid-Staat ° Voorwaarde ° Bekendheid met hoedanigheid van deze vertegenwoordiger ° Vermoeden van onbekendheid
(Verordening nr. 1382/87 van de Commissie, art. 2 en 3)
Samenvatting
1. Artikel 2 van verordening nr. 1382/87, waarin de uitvoeringsbepalingen voor de inspectie van vissersvaartuigen worden vastgesteld, moet aldus worden uitgelegd, dat elk inspectievaartuig, ongeacht zijn type of afmetingen, het identificatiesymbool of de identificatiewimpel, beschreven in bijlage I bij de verordening, moet voeren of tonen.
Enkel wanneer een vaartuig immers duidelijk zichtbaar dit onderscheidingsteken voert, kan de kapitein van een vissersvaartuig dit als een inspectievaartuig identificeren en, zonder nadere waarschuwing, aan zijn bevelen gehoor geven, zoals wordt voorgeschreven in artikel 3, lid 1, van de verordening. Hieraan doet niet af, dat het vaartuig dat tot de inspectie overgaat, een hulpvaartuig van het hoofdinspectievaartuig is, dat echter tijdelijk zelfstandig opereert.
2. De verplichting krachtens artikel 3 van verordening nr. 1382/87, dat uitvoeringsbepalingen voor de inspectie van vissersvaartuigen bevat, om de bevelen van een vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat op te volgen, onderstelt dat de kapitein van een te inspecteren vaartuig de hoedanigheid van deze vertegenwoordiger kende. Indien het identificatiesymbool of de identificatiewimpel, voorgeschreven in artikel 2 van de verordening, ontbreekt, wordt de kapitein vermoed deze hoedanigheid niet te kennen, tenzij de autoriteiten die de overtreding vervolgen, aantonen dat hij deze hoedanigheid wel kende.
Partijen
In zaak C-276/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Kriminal- og Skifteret i Frederikshavn (Denemarken) in de aldaar dienende strafzaak tegen
F. Ohrt,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1382/87 van de Commissie van 20 mei 1987 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de inspectie van vissersvaartuigen (PB 1987, L 132, blz. 11),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Deense regering, vertegenwoordigd door P. Biering, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. P. Hartvig als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 oktober 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 6 oktober 1994, ingekomen bij het Hof op 11 oktober daaraanvolgend, heeft het Kriminal- og Skifteret i Frederikshavn krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1382/87 van de Commissie van 20 mei 1987 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de inspectie van vissersvaartuigen (PB 1987, L 132, blz. 11; hierna: "verordening").
2 Deze vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen Ohrt, die ervan wordt verdacht de nationale bepalingen ter uitvoering van artikel 3, lid 1, van de verordening te hebben overtreden. Dit artikel bepaalt: "De kapitein van een vaartuig dat op het punt staat te worden geïnspecteerd, kan door een vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van een Lid-Staat worden verzocht te stoppen, te manoeuvreren of andere handelingen uit te voeren ten einde het aan boord komen te vergemakkelijken."
3 Ohrt, kapitein van het vissersvaartuig "Actinia", voer in de wateren van het noordelijke Kattegat, toen hij werd gepraaid door de boardingboot (rubberboot) van het Deense inspectievaartuig "Nordjylland", die een visserijinspectie uitvoerde. Ohrt zette zijn vaart voort, zonder acht te slaan op de waarschuwingen waarmee hem zowel per radio als met lichtsignalen werd gesommeerd onmiddellijk te stoppen.
4 Blijkens de verwijzingsbeschikking voerde de rubberboot niet het herkenningsteken dat vereist is volgens artikel 2 van de verordening, luidende: "Elk vaartuig dat een inspectie uitvoert, voert een wimpel of toont, duidelijk zichtbaar, een symbool als afgebeeld in bijlage I." Deze inspectiewimpel werd alleen gevoerd door het moederschip "Nordjylland", dat zich niet in de nabijheid van de "Actinia" bevond.
5 Voor de nationale rechter verklaarde Ohrt, niet te hebben geweten dat het bevel tot stoppen was gegeven door een inspectievaartuig.
6 In die omstandigheden heeft het Kriminal- og Skifteret i Frederikshavn het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moet artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1382/87 van de Commissie van 20 mei 1987 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de inspectie van vissersvaartuigen, aldus worden uitgelegd, dat de inspectiewimpel of het inspectiesymbool, beschreven in bijlage I bij de verordening, moet worden gevoerd door of worden getoond op de boardingboot (rubberboot), of is het voldoende dat het moederschip 'Nordjylland' deze wimpel voerde of dat symbool toonde?
Indien het antwoord luidt, dat de boardingboot deze wimpel niet behoefde te voeren dan wel dit symbool te tonen, worden geen nadere prejudiciële vragen gesteld.
Zo neen:
2) Heeft een eventuele niet-inachtneming van het bepaalde in artikel 2 rechtens betekenis voor de vraag of de kapitein van een vaartuig krachtens artikel 3 verplicht is gehoor te geven aan de bevelen van de inspectieautoriteit, en zo ja, welke betekenis?"
7 Wat de eerste vraag betreft, moet worden opgemerkt dat in artikel 2, noch in de overige bepalingen van de verordening een definitie wordt gegeven van het type vaartuig dat door een Lid-Staat kan worden aangewezen of gebruikt als inspectievaartuig.
8 Daarentegen worden in artikel 2 van de verordening op uniforme wijze de voorwaarden voor de identificatie van een inspectievaartuig vastgesteld. In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat elk vaartuig dat pretendeert de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat te vertegenwoordigen, een symbool of wimpel voert. Enkel wanneer een vaartuig duidelijk zichtbaar dit onderscheidingsteken voert, kan de kapitein van een vissersvaartuig dit als een inspectievaartuig identificeren en, zonder nadere waarschuwing, aan zijn bevelen gehoor geven, zoals wordt voorgeschreven in artikel 3, lid 1, van de verordening.
9 Hieraan doet niet af, dat gelijk in het onderhavige geval het vaartuig dat tot de inspectie overging, een hulpvaartuig van het hoofdinspectievaartuig was, dat echter tijdelijk zelfstandig opereerde.
10 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 2 van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat elk inspectievaartuig, ongeacht zijn type of afmetingen, het identificatiesymbool of de identificatiewimpel, beschreven in bijlage I bij de verordening, moet voeren of tonen.
11 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de kapitein van een vissersvaartuig zich ter rechtvaardiging van het feit dat hij de hem krachtens artikel 3 van de verordening gegeven bevelen niet heeft opgevolgd, erop kan beroepen dat de inspectieautoriteit zich niet als zodanig kenbaar heeft gemaakt door middel van het symbool of de wimpel, bedoeld in artikel 2 van de verordening.
12 Er zij op gewezen, dat dit symbool en deze wimpel herkenningstekens zijn. Wanneer zij ontbreken, wordt een door een Lid-Staat als inspectievaartuig aangewezen vaartuig deze hoedanigheid niet ontnomen.
13 Het duidelijk zichtbaar voeren of tonen van dit symbool of deze wimpel volstaat dus als middel om de hoedanigheid van de met inspectie belaste autoriteit te bewijzen, zonder evenwel het enige middel te zijn. Wanneer deze tekens op een inspectievaartuig ontbreken, wordt een kapitein van een te inspecteren vissersvaartuig vermoed niet te weten, dat het bevel tot stoppen hem wordt gegeven door een vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat. Dit vermoeden wordt evenwel weerlegd, indien wordt aangetoond, dat de kapitein van het te inspecteren vaartuig de hoedanigheid van de inspectieautoriteit kende.
14 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de verplichting krachtens artikel 3 van de verordening om de bevelen van een vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat op te volgen, onderstelt dat de kapitein van een te inspecteren vaartuig de hoedanigheid van deze vertegenwoordiger kende. Indien het identificatiesymbool of de identificatiewimpel, voorgeschreven in artikel 2 van de verordening, ontbreekt, wordt de kapitein vermoed deze hoedanigheid niet te kennen, tenzij de autoriteiten die de overtreding vervolgen, aantonen dat hij deze hoedanigheid wel kende.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 De kosten door de Deense regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Kriminal- og Skifteret i Frederikshavn bij beschikking van 6 oktober 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1382/87 van de Commissie van 20 mei 1987 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de inspectie van vissersvaartuigen, moet aldus worden uitgelegd, dat elk inspectievaartuig, ongeacht zijn type of afmetingen, het identificatiesymbool of de identificatiewimpel, beschreven in bijlage I bij deze verordening, moet voeren of tonen.
2) De verplichting krachtens artikel 3 van de verordening om de bevelen van een vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat op te volgen, onderstelt dat de kapitein van een te inspecteren vaartuig de hoedanigheid van deze vertegenwoordiger kende. Indien het identificatiesymbool of de identificatiewimpel, voorgeschreven in artikel 2 van de verordening, ontbreekt, wordt de kapitein vermoed deze hoedanigheid niet te kennen, tenzij de autoriteiten die de overtreding vervolgen, aantonen dat hij deze wel kende.
Full & Egal Universal Law Academy