Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Sociale politiek ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 ° Beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van richtlijn ° Geval van persoon die vóór intreden van arbeidsongeschiktheid niet enig inkomen uit beroepswerkzaamheid heeft verworven
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 2)
2. Sociale politiek ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Richtlijn 79/7 ° Nationale wettelijke regeling die toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk stelt van voorwaarde, dat betrokkene in jaar voordat arbeidsongeschiktheid is ingetreden, enig inkomen in verband met beroepswerkzaamheid heeft verworven ° Voorwaarde die meer vrouwen dan mannen treft ° Objectieve rechtvaardiging ° Toelaatbaarheid ° Wettelijke regeling die einde maakt aan eerdere regeling waaraan meer personen rechten ontleenden ° Geen invloed
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 4, lid 1)
Samenvatting
1. Het begrip beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, is bijzonder ruim, aangezien het doelt op iedere werknemer, daaronder begrepen hij die slechts op zoek is naar werk, zodat iemand die in het jaar voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, niet enig inkomen uit of in verband met een beroepswerkzaamheid heeft verworven, niet noodzakelijkerwijs buiten de personele werkingssfeer van de richtlijn valt.
2. De ingevolge de artikelen 117 en 118 van het Verdrag aan de Lid-Staten toekomende bevoegdheid om, in het kader van de door de Commissie georganiseerde nauwe samenwerking, hun sociaal beleid en, bijgevolg, de aard en de omvang van de sociale-beschermingsmaatregelen, daaronder begrepen die op het gebied van de sociale zekerheid, alsmede de concrete uitvoeringsmodaliteiten ervan te bepalen, wordt door richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, onverlet gelaten.
Hieruit volgt, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de betrokkene in het jaar voordat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, enig inkomen uit of in verband met een beroepswerkzaamheid heeft verworven, zelfs indien die voorwaarde meer vrouwen dan mannen treft. In de eerste plaats immers beantwoordt het garanderen van een minimuminkomen aan degenen die een inkomen genoten uit of in verband met een dergelijke werkzaamheid waarvan zij de uitoefening wegens arbeidsongeschiktheid hebben moeten staken, aan een legitieme doelstelling van sociaal beleid, en in de tweede plaats is de regel, dat dat minimuminkomen enkel wordt uitgekeerd indien aan genoemde voorwaarde is voldaan, een geschikt en, naar de nationale wetgever in de uitoefening van zijn bevoegdheid in redelijkheid heeft kunnen oordelen, noodzakelijk middel om dat doel te bereiken.
De omstandigheid dat een dergelijke regeling in de plaats is gekomen van een zuivere volksverzekering en de groep van personen die voor een uitkering in aanmerking komen, vergeleken met laatstgenoemde regeling heeft verkleind, doet niet af aan haar verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht. Immers, waar het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat maatregelen neemt als gevolg waarvan bepaalde categorieën van personen het recht op een uitkering van sociale zekerheid wordt ontnomen, op voorwaarde dat daarbij het in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 geformuleerde beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in acht wordt genomen, staat het de Lid-Staten eveneens vrij, in het kader van hun sociaal beleid nieuwe modaliteiten te bepalen, als gevolg waarvan het aantal personen dat voor een uitkering van sociale zekerheid in aanmerking komt, kleiner wordt.
Partijen
In zaak C-280/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Centrale Raad van Beroep, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Y. M. Posthuma-van Damme
en
Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen,
en tussen
N. OEzturk
en
Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. Hirsch, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler (rapporteur) en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen, vertegenwoordigd door zijn juridisch medewerkers J. R. van Es-de Vries en J. van Doorn,
° het Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door C. R. J. A. M. Brent, hoofd Beleid en Juridische zaken van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius en B. J. Drijber, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen, vertegenwoordigd door J. van Doorn, het Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door F. W. M. Keunen, juridisch medewerker bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. S. van den Oosterkamp, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, ter terechtzitting van 9 november 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij bevel van 7 oktober 1994, ingekomen bij het Hof op 17 oktober daaraanvolgend, heeft de Centrale Raad van Beroep krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24; hierna: "richtlijn 79/7").
2 Die vragen zijn gerezen in twee gedingen, tussen Y. Posthuma-van Damme en het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (hierna: "Detam"), en tussen N. Oztuerk en het Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (hierna: "NAB"), over de intrekking (in het geval van Posthuma) en de weigering (in het geval van Oztuerk) van een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: "AAW") van 11 december 1975.
3 Met betrekking tot de in geding zijnde wettelijke regeling, die reeds is beschreven in het arrest van het Hof van 24 februari 1994 (zaak C-343/92, Roks e.a., Jurispr. 1994, blz. I-571, r.o. 3-8), zij het volgende in herinnering gebracht.
4 Aanvankelijk gaf de AAW, die sinds 1 oktober 1976 van kracht is, mannen en ongehuwde vrouwen na een arbeidsongeschiktheidsperiode van een jaar recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarvan de hoogte niet afhankelijk was van de eventuele overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde of van de door deze geleden inkomensderving.
5 Met de Wet invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen van 20 december 1979 kregen ook gehuwde vrouwen recht op een AAW-uitkering. Tegelijkertijd voerde die wet voor alle verzekerden, met uitzondering van bepaalde categorieën, de bepaling in, dat er slechts recht op uitkering bestond indien de betrokkene in het jaar voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, uit of in verband met zijn of haar arbeid een bepaald inkomen ° oorspronkelijk minimaal 3 423,81 HFL ° had verworven (hierna: "inkomenseis"). Die inkomenseis gold voor alle personen die op of na 1 januari 1979 arbeidsongeschikt waren geworden.
6 Ingevolge de overgangsbepalingen van genoemde wet van 20 december 1979 behielden mannen en ongehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt waren geworden, hun recht op uitkering zonder aan de inkomenseis te hoeven voldoen. Gehuwde vrouwen wier arbeidsongeschiktheid dateerde van voor 1 oktober 1975, hadden geen recht op uitkering, zelfs indien zij aan de inkomenseis voldeden, en gehuwde vrouwen die tussen 1 oktober 1975 en 1 januari 1979 arbeidsongeschikt waren geworden, hadden enkel recht op uitkering indien zij aan de inkomenseis voldeden.
7 Bij een aantal uitspraken van 5 januari 1988 oordeelde de Centrale Raad van Beroep, dat die overgangsbepalingen een discriminatie op grond van geslacht vormden, die onverenigbaar was met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966 (Recueil des traités, vol. 999, blz. 171), en dat gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt waren geworden, met ingang van 1 januari 1980 ° datum van inwerkingtreding van de wet van 20 december 1979 ° onder dezelfde voorwaarden als mannen recht hadden op een AAW-uitkering, dat wil zeggen zonder aan de inkomenseis te hoeven voldoen, zelfs indien hun arbeidsongeschiktheid dateerde van voor 1 oktober 1975.
8 De volgens de Centrale Raad van Beroep voor gehuwde vrouwen discriminerende overgangsbepalingen werden ingetrokken bij wet van 3 mei 1989. Artikel III van die wet bepaalt echter, dat personen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden en na 3 mei 1989 een AAW-uitkering aanvragen, aan de inkomenseis moeten voldoen, en artikel IV bepaalt dat de AAW-uitkering van personen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden, wordt ingetrokken indien niet aan de inkomenseis is voldaan. Die intrekking, die oorspronkelijk op 1 juni 1990 had moeten plaatsvinden, werd bij een latere wet bepaald op 1 juli 1991.
9 Bij uitspraak van 23 juni 1992 besliste de Centrale Raad van Beroep, dat de hoogte van de inkomenseis (in 1988: 4 403,52 HFL per jaar) vrouwen indirect discrimineerde en derhalve in strijd was met artikel 26 van eerdergenoemd Internationaal Verdrag en met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7. Volgens de Centrale Raad van Beroep moest aan de inkomenseis worden geacht te zijn voldaan, indien de betrokkene in het jaar voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid "enig inkomen" had verworven.
10 Mevrouw Posthuma-van Damme, die met haar echtgenoot als zelfstandige werkzaam was in een tankstation, legde eind 1974 om gezondheidsredenen haar werkzaamheden neer en werd per 1 oktober 1976 arbeidsongeschikt verklaard. Naar aanleiding van bovengenoemde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 5 januari 1988 besloot de Detam op 25 juli 1989, haar met ingang van 14 april 1985 een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de AAW toe te kennen. Overeenkomstig artikel IV van de wet van 3 mei 1989, zoals nadien gewijzigd, trok de Detam evenwel bij beslissing van 26 maart 1991 deze uitkering weer in, op grond dat Posthuma in het jaar voorafgaand aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid, niet had voldaan aan de inkomenseis.
11 De heer Oztuerk was tot 1988 bij verschillende werkgevers werkzaam. Nadien ontving hij tot 17 april 1990 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers. Later werd vastgesteld, dat hij sinds 1 april 1989 als arbeidsongeschikt moest worden beschouwd. Ingevolge artikel 6 AAW, zoals gewijzigd bij de wet van 20 december 1979, weigerde de NAB bij beslissing van 23 oktober 1992 hem een AAW-uitkering toe te kennen, op grond dat hij in het jaar voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, niet had voldaan aan de inkomenseis.
12 De beroepen die Posthuma en Oztuerk bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam hadden ingesteld tegen de beslissingen houdende intrekking respectievelijk weigering van een AAW-uitkering, werden ongegrond verklaard. Daarop stelden betrokkenen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, die besloot het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"Indien vaststaat dat door het stellen van een inkomensvoorwaarde in een wettelijke regeling betreffende arbeidsongeschiktheid meer vrouwen dan mannen worden getroffen:
1) (met betrekking tot zaak 1) Moet het geldende gemeenschapsrecht zo worden uitgelegd, dat dit zich verzet tegen de beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW, verkregen uit hoofde van een vóór 1 januari 1979 ingetreden arbeidsongeschiktheid, als gevolg van de toepassing van artikel IV van de wet van 3 mei 1989, op grond van welke bepaling met betrekking tot het behoud van de aanspraak op uitkering vanaf 1 juli 1991 de voorwaarde wordt gesteld, dat voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen uit of in verband met arbeid is verworven?
2) (met betrekking tot zaak 2) Moet het geldende gemeenschapsrecht zo worden uitgelegd, dat dit zich verzet tegen de weigering van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW als gevolg van de toepassing van artikel 6 van de AAW (zoals dit luidt sedert de inwerkingtreding van de wet van 20 december 1979, en met inachtneming van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 1992), op grond van welke bepaling voor de toekenning van een uitkering de voorwaarde geldt dat in het jaar voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, in casu te stellen op 1 april 1989, inkomen uit of in verband met arbeid is verworven?"
13 In zijn verwijzingsbevel preciseert de verwijzende rechter, dat hij met deze vragen wenst te vernemen, of een inkomensvoorwaarde, gesteld in een wettelijke regeling betreffende de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, en wat precies de reikwijdte is van de dienaangaande door het Hof in het arrest Roks e.a. (reeds aangehaald) gegeven antwoorden. Naar zijn oordeel is dat arrest, gezien bepaalde erin gebezigde formuleringen, voor meer dan één uitlegging vatbaar, en hij vraagt zich in het bijzonder af, of het antwoord van het Hof op de derde vraag niet een wijdere strekking heeft dan de context waarin deze vraag was gesteld (beoogd werd te vernemen, of een bepaling als artikel IV van de wet van 3 mei 1989, die het behoud van het recht op uitkering afhankelijk stelt van een nadere voorwaarde betreffende de derving van arbeidsinkomen in het jaar voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, kan worden gerechtvaardigd door budgettaire overwegingen).
14 In verband met die vragen van de verwijzende rechter zij allereerst in herinnering gebracht, dat het Hof in het arrest Roks e.a. in antwoord op de hem door de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch gestelde vragen voor recht heeft verklaard, dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen de invoering van een nationale wettelijke regeling die, door het behoud van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk te stellen van een voorwaarde die voortaan voor zowel mannen als vrouwen geldt, tot gevolg heeft, dat vrouwen voor de toekomst rechten worden ontnomen die zij ontleenden aan de rechtstreekse werking van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 (punt 2 van het dictum).
15 Het Hof heeft eveneens voor recht verklaard, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de betrokkene in het jaar voordat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, enig inkomen heeft verworven, welke voorwaarde, ofschoon zij geen onderscheid maakt naar geslacht, een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, zelfs wanneer de vaststelling van deze regeling haar rechtvaardiging vindt in budgettaire overwegingen (punt 3 van het dictum).
16 Toen het Hof vervolgens onderzocht, of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen de invoering van een nationale wettelijke regeling die, door het behoud van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk te stellen van een voorwaarde die voortaan voor zowel mannen als vrouwen geldt, tot gevolg heeft, dat vrouwen voor de toekomst rechten worden ontnomen die zij ontleenden aan de rechtstreekse werking van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, hield het uitdrukkelijk de vraag aan, of een inkomensvoorwaarde als in het hoofdgeding aan de orde, als zodanig in overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen (arrest Roks e.a., reeds aangehaald, r.o. 29, in fine).
17 Ten slotte moet worden gepreciseerd, dat met de derde vraag in de zaak Roks e.a. uitsluitend werd beoogd te vernemen, of een uit de toepassing van een dergelijke inkomensvoorwaarde voortvloeiende indirecte discriminatie op grond van geslacht, waarvan volgens de nationale rechter sprake was, kon worden gerechtvaardigd door budgettaire overwegingen, zodat aan het ontkennend antwoord van het Hof ter zake geen conclusies kunnen worden verbonden met betrekking tot eventuele andere rechtvaardigingsgronden.
18 Gelet op het voorgaande moeten de prejudiciële vragen van de Centrale Raad van Beroep aldus worden verstaan, dat zij ertoe strekken te vernemen, of artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de betrokkene in het jaar voordat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, enig inkomen uit of in verband met een beroepswerkzaamheid heeft verworven, wanneer vaststaat dat die voorwaarde meer vrouwen dan mannen treft.
19 Waar de Commissie ter terechtzitting in twijfel heeft getrokken, of personen die niet aan een dergelijke inkomensvoorwaarde voldoen, dat wil zeggen in het jaar voorafgaand aan het intreden van hun arbeidsongeschiktheid, niet enig inkomen uit of in verband met een beroepswerkzaamheid hebben verworven, onder de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 vallen, moet om te beginnen in herinnering worden geroepen, dat deze richtlijn ingevolge artikel 2 "van toepassing [is] op de beroepsbevolking ° met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden ° alsmede op gepensioneerde of invalide werknemers en zelfstandigen".
20 Zoals het Hof voorts heeft vastgesteld in zijn arresten van 14 december 1995 (zaak C-317/93, Nolte, Jurispr. 1995, blz. I-4625, r.o. 17, en zaak C-444/93, Megner en Scheffel, Jurispr. 1995, blz. I-4741, r.o. 16), volgt uit deze bepaling, dat het begrip beroepsbevolking bijzonder ruim is, aangezien het doelt op iedere werknemer, daaronder begrepen hij die slechts op zoek is naar werk, maar dat het niet van toepassing is op personen die nooit ter beschikking van de arbeidsmarkt zijn geweest of die dit niet meer zijn om een reden die geen verband houdt met het intreden van een van de in de richtlijn bedoelde risico' s (zie ook, in dezelfde zin, arrest van 27 juni 1989, gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88, Achterberg-te Riele e.a., Jurispr. 1989, blz. 1963, r.o. 11).
21 Uit het voorgaande volgt, dat iemand die in het jaar voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, niet enig inkomen uit of in verband met een beroepswerkzaamheid heeft verworven, niet noodzakelijkerwijs buiten de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt.
22 Overigens heeft de nationale rechter, die als enige bevoegd is de feiten van de hoofdgedingen te beoordelen en op basis van die feiten te bepalen, of verzoekers in de hoofdgedingen onder de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 vallen, in zijn verwijzingsbevel met zoveel woorden vastgesteld, dat Posthuma moet worden geacht haar werkzaamheden hetzij als gevolg van arbeidsongeschiktheid, hetzij in verband met werkloosheid te hebben gestaakt, en dat Oztuerk het verrichten van arbeid vóór april 1989, toen hij arbeidsongeschikt werd, heeft gestaakt in verband met werkloosheid.
23 Ter beantwoording van de gestelde vragen, zoals deze in rechtsoverweging 18 zijn geherformuleerd, zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 op het gebied van de sociale zekerheid iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, verboden is, in het bijzonder met betrekking tot de werkingssfeer van de sociale-zekerheidsregelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot die regelingen.
24 Volgens vaste rechtspraak verzet deze bepaling zich tegen de toepassing van een nationale maatregel die, al is hij op neutrale wijze geformuleerd, in feite een veel groter percentage vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij die maatregel zijn rechtvaardiging vindt in objectieve factoren, die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Dit is het geval, wanneer de gekozen middelen beantwoorden aan een legitieme doelstelling van het sociale beleid van de Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling in geding is, en zij ter bereiking van dat doel geschikt en noodzakelijk zijn (zie laatstelijk arresten Nolte en Megner en Scheffel, beide reeds aangehaald, r.o. 28 resp. r.o. 24).
25 De Detam, de NAB en de Nederlandse regering betogen, zakelijk weergegeven, dat de wet van 20 december 1979, door de inkomensvoorwaarde in de AAW te introduceren, de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsregeling heeft getransformeerd van een zuivere volksverzekering in een inkomensdervingsverzekering die de verzekerden een minimuminkomen garandeert. Door te bepalen, dat de inkomenseis voortaan geldt voor alle verzekerden, mannen en vrouwen, gehuwden en ongehuwden, die op of na 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden, zou de wet van 3 mei 1989 dit inkomensdervingsbeginsel hebben aangescherpt. De Nederlandse wetgever zou hiermee een legitieme doelstelling van sociaal beleid hebben nagestreefd, die inherent is aan tal van regelingen op het gebied van de sociale zekerheid en hierin bestaat, dat een bepaalde uitkering wordt gegarandeerd aan personen die als gevolg van het intreden van het door de betrokken regeling gedekte risico in inkomen zijn achteruitgegaan.
26 Gelijk het Hof in het arrest Roks (reeds aangehaald, r.o. 28) in herinnering heeft gebracht, wordt de ingevolge de artikelen 117 en 118 van het Verdrag aan de Lid-Staten toekomende bevoegdheid om, in het kader van de door de Commissie georganiseerde nauwe samenwerking, hun sociaal beleid en, bijgevolg, de aard en de omvang van de sociale-beschermingsregels, daaronder begrepen die op het gebied van de sociale zekerheid, alsmede de concrete uitvoeringsmodaliteiten ervan te bepalen, door richtlijn 79/7 onverlet gelaten. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid beschikken de Lid-Staten over een ruime beoordelingsmarge (zie arresten Nolte en Megner en Scheffel, beide reeds aangehaald, r.o. 33 resp. r.o. 29).
27 Het garanderen van een minimuminkomen aan degenen die een inkomen genoten uit of in verband met een beroepswerkzaamheid waarvan zij de uitoefening wegens arbeidsongeschiktheid hebben moeten staken, beantwoordt aan een legitieme doelstelling van sociaal beleid. De regel, dat dat minimuminkomen enkel wordt uitgekeerd indien de betrokkene in het jaar voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, een dergelijk inkomen heeft verworven, is een geschikt en, naar de nationale wetgever in de uitoefening van zijn bevoegdheid in redelijkheid heeft kunnen oordelen, noodzakelijk middel om dat doel te bereiken.
28 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat een dergelijke regeling in de plaats is gekomen van een zuivere volksverzekering en dat de groep van personen die voor een uitkering ingevolge die regeling in aanmerking komen, later is verkleind tot degenen die op het moment van het intreden van het risico daadwerkelijk inkomen uit of in verband met een beroepswerkzaamheid derfden.
29 Uit de rechtspraak die het Hof in het arrest Roks e.a. (reeds aangehaald, r.o. 29) in herinnering bracht en heeft bevestigd in zijn arrest van 19 oktober 1995 (zaak C-137/94, Richardson, Jurispr. 1995, blz. I-3407, r.o. 24), volgt immers, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat maatregelen neemt als gevolg waarvan bepaalde categorieën van personen het recht op een uitkering van sociale zekerheid wordt ontnomen, op voorwaarde dat daarbij het in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 geformuleerde beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in acht wordt genomen. Onder dezelfde voorwaarde staat het een Lid-Staat dus eveneens vrij, in het kader van zijn sociaal beleid nieuwe modaliteiten te bepalen, als gevolg waarvan het aantal personen dat voor een uitkering van sociale zekerheid in aanmerking komt, kleiner wordt.
30 Gelet op het voorgaande moet op de vragen van de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de betrokkene in het jaar voordat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, enig inkomen uit of in verband met een beroepswerkzaamheid heeft verworven, zelfs indien vaststaat dat die voorwaarde meer vrouwen dan mannen treft.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Centrale Raad van Beroep bij bevel van 7 oktober 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, verzet zich niet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de betrokkene in het jaar voordat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, enig inkomen uit of in verband met een beroepswerkzaamheid heeft verworven, zelfs indien vaststaat dat die voorwaarde meer vrouwen dan mannen treft.
Full & Egal Universal Law Academy