Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Oliën en vetten - Olijfolie - Productiesteun - Vaststelling op basis van opbrengst van olijfbomen in productie - Forfaitaire vaststelling van opbrengst - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie - Rol van Lid-Staten en van Commissie - Vervanging van door Lid-Staten meegedeelde gegevens door gegevens van Commissie - Toelaatbaarheid - Voorwaarden - Vervanging in kader van verordening nr. 1840/94 - Voorwaarden vervuld
(EG-Verdrag, art. 155; verordeningen van de Raad nr. 136/66, art. 5, lid 2, en nr. 2261/84, art. 18; verordeningen van de Commissie nr. 3061/84, art. 12, en nr. 1840/94)
2 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte
(EG-Verdrag, art. 190)
3 Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip
(EG-Verdrag, art. 173)
Samenvatting
4 Met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden welke de Raad de Commissie verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt, volgt uit het stelsel van het Verdrag, waarin artikel 155, vierde streepje, van het Verdrag moet worden gezien, en uit de eisen van de praktijk, dat het begrip uitvoering ruim moet worden uitgelegd. Aangezien de Commissie als enige in staat is, de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en nauwlettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist, kan de Raad genoopt zijn, de Commissie op dit gebied een ruime bevoegdheid te laten, die tot op zekere hoogte ook geldt voor de vaststelling van de basisgegevens en waarvan de grenzen met name moeten worden bepaald aan de hand van de wezenlijke algemene doelstellingen van de marktordening.
Gelet op die beginselen spelen de Commissie en de Lid-Staten in het bij artikel 5, lid 2, van verordening nr. 136/66 ingevoerde stelsel van de steunregeling voor de producenten van olijven en olijfolie, en meer bepaald bij de toekenning van steun aan olijfproducenten die per verkoopseizoen een overeenkomstig de procedure van artikel 18 van verordening nr. 2261/84 en artikel 12 van verordening nr. 3061/84 forfaitair vastgestelde gemiddelde opbrengst van de olijfbomen in productie hebben van minder dan 500 kg olijfolie, dus een aanvullende rol: de producerende Lid-Staten moeten bepaalde gegevens verstrekken aan de Commissie, die deze mag controleren om uiteindelijk de betrokken opbrengsten vast te stellen. Wanneer de door de bevoegde nationale instanties verzamelde en door de producerende Lid-Staten meegedeelde gegevens aanzienlijk afwijken van de feitelijke situatie op de markt, behoeft de Commissie er zich niet toe te beperken, die gegevens te corrigeren, maar kan zij die gegevens zo nodig met gebruikmaking van haar eigen parameters vervangen door gegevens die zij rechtstreeks bij de verschillende marktdeelnemers heeft verzameld, mits deze gegevens de reële situatie en evolutie van de olijven- en olijfoliemarkt getrouw weergeven.
De vervanging van de door de Italiaanse autoriteiten meegedeelde basisgegevens in verordening nr. 1840/94 van de Commissie voldeed aan deze laatste voorwaarde, daar de gegevens die de Commissie heeft gebruikt, beter overeenstemden met de feitelijke economische situatie op de Italiaanse olijfoliemarkt dan de door de Italiaanse administratie verstrekte cijfers.
5 In de door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Het is evenwel niet noodzakelijk, dat alle relevante gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een besluit aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context waarin het is genomen en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
6 Een handeling van een gemeenschapsinstelling berust op misbruik van haar bevoegdheid, wanneer zij is verricht met het uitsluitende, althans doorslaggevende oogmerk, andere doeleinden te bereiken dan de instelling zegt na te streven, dan wel om te ontkomen aan de toepassing van een procedure die het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan zekere omstandigheden het hoofd te bieden.
Partijen
In zaak C-285/94,
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door professor U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adelaïde 5,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March als gemachtigde, bijgestaan door A. Carnelutti, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1840/94 van de Commissie van 27 juli 1994 houdende vaststelling van de opbrengst aan olijven en aan olie voor het verkoopseizoen 1993/1994 (PB 1994, L 193, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray en G. Hirsch (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 3 oktober 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 november 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 oktober 1994, heeft de Italiaanse Republiek krachtens artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1840/94 van de Commissie houdende vaststelling van de opbrengst aan olijven en aan olie voor het verkoopseizoen 1993/1994 (PB 1994, L 193, blz. 1; hierna: "bestreden verordening").
2 Deze verordening is een onderdeel van de regeling inzake gemeenschapssteun aan de producenten van olijven en olijfolie.
3 Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, blz. 3025), voorziet in gemeenschapssteun aan de producenten van olijven en olijfolie. Artikel 5, lid 2, van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3499/90 van de Raad van 27 november 1990 (PB 1990, L 338, blz. 1), luidt als volgt:
"2. De steun
- wordt op basis van de werkelijk geproduceerde hoeveelheid olijfolie toegekend aan olijfproducenten die per verkoopseizoen een gemiddelde produktie van ten minste 500 kg olijfolie hebben,
- wordt aan de overige olijfproducenten toegekend op basis van het aantal en het produktiepotentieel van hun olijfbomen en van de forfaitair vastgestelde opbrengst daarvan, op voorwaarde bovendien dat de geproduceerde olijven werkelijk tot olie zijn verwerkt."
4 Krachtens artikel 2, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2261/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende algemene voorschriften inzake de toekenning van de produktiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties (PB 1984, L 208, blz. 3), in de versie van wijzigingsverordening (EEG) nr. 3500/90 van de Raad van 27 november 1990 (PB 1990, L 338, blz. 3), wordt aan grote producenten in de zin van artikel 5, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 136/66 steun verleend voor hun werkelijke productie, terwijl de in artikel 5, lid 2, tweede streepje, van die verordening bedoelde andere producenten steun ontvangen die gelijk is "aan het bedrag dat wordt verkregen bij toepassing van de op grond van artikel 18 van de onderhavige verordening forfaitair vastgestelde gemiddelde opbrengst aan olijven en olijfolie van de laatste vier verkoopseizoenen ten opzichte van het aantal olijfbomen in produktie", op voorwaarde dat de olijven in een erkende fabriek tot olie zijn verwerkt.
5 Artikel 17 bis van verordening nr. 2261/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3500/90, bevat een gedetailleerde regeling voor de vaststelling van de verschillende hoeveelheden die nodig zijn voor de berekening van de diverse soorten steun:
"1. Vóór 1 december bepaalt de Commissie voor het lopende verkoopseizoen de gemiddelde opbrengst aan olijven en olie van de laatste vier verkoopseizoenen.
2. Vóór 1 april worden voor het lopende verkoopseizoen volgens de procedure van artikel 38 van verordening nr. 136/66/EEG vastgesteld:
- de geraamde produktie;
- het bedrag van de produktiesteun per eenheid dat mag worden voorgeschoten. Dit bedrag moet op een zodanig niveau worden vastgesteld dat rekening houdend met de produktieramingen voor dat verkoopseizoen, elk risico van onverschuldigde betaling aan de olijvenproducenten wordt uitgesloten.
3. Uiterlijk zes maanden na het einde van het verkoopseizoen worden, volgens de in lid 2 bedoelde procedure, voor dat verkoopseizoen vastgesteld:
- de werkelijke produktie waarvoor het recht op steun is erkend;
- (...)
- (...)
4. De Lid-Staten delen de Commissie uiterlijk op 15 maart de gegevens mede inzake de geraamde olijfolieproduktie voor het lopende verkoopseizoen. De Commissie kan gebruik maken van andere informatiebronnen en eventueel studies of onderzoeken over de olijfolieproduktie laten uitvoeren."
6 Artikel 18 van verordening nr. 2261/84 omschrijft de wijze waarop de opbrengst aan olijven en olijfolie wordt berekend, als volgt:
"De in artikel 5, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 136/66/EEG bedoelde opbrengsten aan olijven en olijfolie worden uiterlijk op 31 mei van elk jaar per homogeen produktiegebied vastgesteld op grond van de gegevens die door de producerende Lid-Staten jaarlijks uiterlijk 30 april worden verstrekt."
7 Artikel 19 van deze verordening voegt daaraan toe, dat de opbrengsten in de zin van artikel 18 worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van verordening nr. 136/66, de zogenoemde "beheerscomitéprocedure".
8 Met betrekking tot de basisgegevens die de Commissie nodig heeft om die opbrengsten vast te stellen, bepaalt artikel 12 van verordening (EEG) nr. 3061/84 van de Commissie van 31 oktober 1984 houdende uitvoeringsbepalingen van de produktiesteunregeling voor olijfolie (PB 1984, L 288, blz. 52), het volgende:
"1. Voor de vaststelling van de in artikel 18 van verordening (EEG) nr. 2261/84 bedoelde opbrengsten aan olijven en olijfolie verstrekken de producerende Lid-Staten aan de Commissie bepaalde gegevens voor homogene produktiegebieden welke worden opgesteld met inachtneming van met name:
- de geografische situatie en de agronomische kenmerken van het terrein;
- de overwegend voorkomende soorten olijfbomen, de meest toegepaste snoeiwijze en de ouderdom van de bomen.
2. Voor elk produktiegebied omvatten de gegevens ten minste:
a) de geografische begrenzing van het gebied;
b) een schatting van het olijfbomenareaal;
c) een schatting van het gemiddelde aantal olijfbomen per hectare in gespecialiseerde teelt;
d) de gemiddelde olijvenopbrengst per boom;
e) de gemiddelde olieopbrengst per 100 kilogram olijven.
3. Voor elk produktiegebied moeten de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens vergezeld gaan van een verslag over de produktieomstandigheden in het gebied in de loop van het verkoopseizoen.
4. Voor de vaststelling van de opbrengsten aan olijfolie gaan de producerende Lid-Staten, voor elk produktiegebied, in oliefabrieken die verschillend zijn uitgerust en die representatief zijn voor de verwerkingscapaciteit in het gebied, op verschillende tijdstippen van de oogst over tot de vaststelling van de opbrengst aan olie van de olijven van het betrokken gebied.
Voor de vaststelling van de opbrengsten aan olijven gaan de Lid-Staten, ten minste voor de belangrijkste produktiegebieden, bij het begin van het verkoopseizoen over tot de vaststelling van de opbrengsten aan olijven van olijfbomen die representatief zijn voor de produktieomstandigheden in het gebied.
5. Functionarissen van de Commissie worden betrokken bij de vaststelling van de hierboven bedoelde gegevens."
9 Teneinde een correcte en uniforme toepassing van de regeling inzake de productiesteun te waarborgen, en daar de ervaring had geleerd, dat de administratieve structuur van de producerende Lid-Staten niet voldoende was aangepast voor de uitvoering van de in de communautaire regeling voorgeschreven controles, bepaalt artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2262/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende bijzondere maatregelen in de sector olijfolie (PB 1984, L 208, blz. 11), het volgende: "Elke producerende Lid-Staat richt, overeenkomstig zijn rechtsstelsel, een speciaal bureau op dat wordt belast met bepaalde controles en activiteiten in het kader van de regeling inzake produktiesteun voor olijfolie." De Italiaanse Republiek heeft daarvoor Age-Control SpA opgericht (hierna: "Age-Control").
10 Wat in het bijzonder het seizoen 1993/1994 betreft, dat in dit geschil aan de orde is, werden in artikel 1 van verordening (EG) nr. 1187/94 van de Commissie van 26 mei 1994 tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 1993/1994, van de geraamde olijfolieproduktie en van het bedrag van de produktiesteun per eenheid dat kan worden voorgeschoten (PB 1994, L 132, blz. 4), de volgende cijfers vastgesteld:
"Voor het verkoopseizoen voor olijfolie 1993/1994:
- wordt de geraamde produktie vastgesteld op 1 283 000 ton;
- (...)"
11 Ten slotte zijn in bijlage I bij de bestreden verordening, waarnaar in artikel 1, lid 1, wordt verwezen, voor de daarin genoemde productiegebieden forfaitaire opbrengsten aan olijven en aan olie vastgesteld.
12 Dienaangaande wordt in de eerste overweging van de considerans verwezen naar artikel 18 van verordening nr. 2261/84, volgens hetwelk de opbrengst aan olijven en aan olie per homogeen productiegebied wordt vastgesteld op basis van de door de producerende Lid-Staten meegedeelde gegevens, met de verklaring dat, rekening houdend met de ontvangen gegevens, deze opbrengst moet worden vastgesteld zoals in bijlage I is aangegeven.
13 Met betrekking tot de Italiaanse opbrengsten wordt in deze overweging in het bijzonder gesteld, dat de in bijlage I vermelde cijfers "door de Lid-Staat opgegeven cijfers zijn die zijn gecorrigeerd om ze coherent te maken met de in verordening (EG) nr. 1187/94 van de Commissie geraamde produktie".
14 Tot staving van haar beroep voert de Italiaanse regering drie middelen aan:
- schending van artikel 155, vierde streepje, EG-Verdrag, artikel 18 van verordening nr. 2261/84, artikel 12 van verordening nr. 3061/84, artikel 1 van verordening nr. 2262/84 en het rechtszekerheidsbeginsel,
- schending van artikel 190 EG-Verdrag, en
- misbruik van bevoegdheid.
Het eerste middel
15 Tot staving van haar eerste middel betoogt de Italiaanse regering, dat de Commissie bij de vaststelling van de in de bestreden verordening vermelde opbrengsten niet is uitgegaan van de gegevens van Age-Control, maar van haar eigen gegevens, die niet op de door de gemeenschapsregeling voorziene wijze zijn verzameld. De Commissie heeft namelijk een selectie gemaakt van de marktgegevens, met name door enkel uit te gaan van olie verkregen bij de eerste persing.
16 Volgens de Italiaanse regering staan artikel 155, vierde streepje, van het Verdrag, artikel 18 van verordening nr. 2261/84, artikel 12 van verordening nr. 3061/84 en artikel 1 van verordening nr. 2262/84 alsook het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg, dat de Commissie bij de berekening van de gemiddelde opbrengst aan olijven en olie overeenkomstig artikel 18 van verordening nr. 2261/84 een methode hanteert waarbij zij de gegevens en de cijfers van de in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2262/84 bedoelde nationale speciale bureaus, in casu Age-Control, vervangt door cijfers die vrijelijk zijn vastgesteld op grond van andere criteria.
17 Volgens de Italiaanse regering is de Commissie bij het verzamelen van de basisgegevens immers ook gebonden door de betrokken gemeenschapsregeling. Anders zouden de nationale bureaus, die de Lid-Staten hebben moeten oprichten om op nationaal niveau de gegevens te verzamelen en te controleren die nodig zijn om de opbrengst van de olijventeelt vast te stellen, en die werken op basis van een door de Commissie vooraf goedgekeurd programma, onder toezicht van ambtenaren van de Commissie en volgens haar instructies, geen bestaansreden hebben.
18 De Italiaanse regering erkent evenwel, dat de Commissie in het kader van de beoordelingsmarge waarover zij bij de vaststelling van de opbrengsten beschikt, de door de Lid-Staten verstrekte gegevens mag aanpassen wanneer zij aantoont, dat de nationale gegevens niet volgens de in artikel 12 van verordening nr. 3061/84 vermelde objectieve criteria voor de vaststelling van de opbrengsten zijn vastgesteld.
19 Aangaande verordening nr. 1187/94 en de bestreden verordening, die beide betrekking hebben op het verkoopseizoen 1993/1994, zij allereerst eraan herinnerd, dat de Commissie, na in het kader van verordening nr. 1187/94 de Italiaanse raming van de productie te hebben teruggeschroefd, in de bestreden verordening de forfaitaire opbrengsten in kg olijven per boom en in kg olie per 100 kg olijven heeft vastgesteld op een niveau dat, overeenkomstig de geraamde productie, ongeveer 30 % lager ligt dan het niveau dat volgt uit de berekening op basis van de cijfers van Age-Control alleen. De omvang van die korting met 30 % wordt niet betwist.
De uitvoerings- en beoordelingsbevoegdheid van de Commissie en de producerende Lid-Staten
20 Wat de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de producerende Lid-Staten bij het beheer van de steunregeling voor producenten van olijven en olijfolie betreft, zij eraan herinnerd, dat krachtens artikel 155, vierde streepje, van het Verdrag de Commissie, teneinde de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt te verzekeren, de bevoegdheden uitoefent welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt.
21 Bij de artikelen 17 bis en 18 van verordening nr. 2261/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3500/90, heeft de Raad de Commissie gelast, tijdens en na een verkoopseizoen volgens de beheerscomitéprocedure de verschillende hoeveelheden olijven en olijfolie vast te stellen, namelijk de gemiddelde opbrengst van de laatste vier verkoopseizoenen, de geraamde productie, de opbrengsten per verkoopseizoen en de werkelijke productie. Deze gegevens zijn nodig voor de toekenning van steun aan de producenten in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 136/66.
22 Uit het stelsel van het Verdrag, waarin artikel 155 moet worden gezien, en uit de eisen van de praktijk volgt, dat het begrip uitvoering ruim moet worden uitgelegd. Aangezien de Commissie als enige in staat is, de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en nauwlettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist, kan de Raad genoopt zijn, de Commissie op dit gebied een ruime beoordelings- en handelingsbevoegdheid te laten. De grenzen van die bevoegdheid moeten dan met name worden bepaald aan de hand van de wezenlijke algemene doelstellingen van de marktordening (arrest van 17 oktober 1995, zaak C-478/93, Nederland/Commissie, Jurispr. 1995, blz. I-3081, r.o. 30).
23 Volgens de rechtspraak van het Hof geldt die discretionaire bevoegdheid tot op zekere hoogte ook voor de vaststelling van de basisgegevens (zie dienaangaande, arrest van 29 oktober 1980, zaak 138/79, Roquette Frères, Jurispr. 1980, blz. 3333, r.o. 25). Zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het Hof onlangs in het arrest Nederland/Commissie (reeds aangehaald) bevestigd, dat de Commissie de juistheid van de door de nationale administraties verstrekte gegevens ambtshalve kan controleren en desgevallend kan corrigeren. De uitoefening van deze bevoegdheid mag evenwel niet indruisen tegen de basisregeling of de uitvoeringsregeling, die in casu onder meer is neergelegd in verordening nr. 2261/84.
24 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat een letterlijke uitlegging van artikel 18 van verordening nr. 2261/84 zich er niet tegen verzet, dat de Commissie niet alleen de gegevens van de producerende Lid-Staten in aanmerking neemt. Zij kan die gegevens ook corrigeren wanneer blijkt dat zij niet overeenstemmen met de feitelijke situatie op de markt.
25 In de eerste plaats worden de opbrengsten dan, overeenkomstig deze bepaling, berekend "op grond van" de door de producerende Lid-Staten verstrekte gegevens. Deze formulering sluit immers niet uit, dat de door de producerende Lid-Staten verstrekte gegevens worden gewijzigd, noch dat andere gegevens in aanmerking worden genomen, zoals door artikel 12, lid 2, van verordening nr. 3061/84 wordt bevestigd. Daarin wordt dienaangaande slechts een beperkt aantal door de producerende Lid-Staten te verzamelen en aan de Commissie mee te delen gegevens vermeld, zonder dat het inwinnen van andere gegevens wordt uitgesloten.
26 In de tweede plaats blijkt uit het feit, dat in artikel 19 van verordening nr. 2261/84 voor de vaststelling van de opbrengsten in de zin van artikel 18 van die verordening naar de beheerscomitéprocedure wordt verwezen, dat het daarbij niet enkel gaat om een berekening op basis van de door de bevoegde instanties van de Lid-Staten meegedeelde gegevens, maar dat de Commissie, eventueel bijgestaan door het beheerscomité, een zekere beslissingsbevoegdheid heeft.
27 Mochten de opbrengsten immers worden vastgesteld door een simpele berekening volgens strenge en nauwkeurig omschreven regels op basis van door de producerende Lid-Staten verstrekte onveranderlijke cijfers, dan zou zowel het optreden van het beheerscomité voor oliën en vetten als dat van de Commissie overbodig zijn, en zou de definitieve vaststelling van de opbrengsten, zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, uiteindelijk rechtstreeks door de producerende Lid-Staat geschieden.
28 Teneinde de voornaamste doelstelling van de steunregeling voor de producenten van olijven en olijfolie te bereiken, namelijk de gelijke behandeling van alle producenten van olijven en olijfolie in alle Lid-Staten, en om de goede werking van de steunregeling voor de producenten op basis van juiste gegevens te verzekeren, moet de Commissie de door elke Lid-Staat meegedeelde gegevens dus kunnen controleren en desnoods corrigeren.
29 Deze uitlegging wordt bevestigd doordat de Commissie in het kader van de betrokken regeling volgens de beheerscomitéprocedure als enige verantwoordelijk is voor de vaststelling van de verschillende hoeveelheden die voor de toekenning van steun in aanmerking moeten worden genomen. Derhalve stelt zij volgens artikel 17 bis, lid 2, van verordening nr. 2261/84 vóór 1 april de geraamde productie, en volgens de artikelen 18 en 17 bis, lid 3, van die verordening uiterlijk op 31 mei de opbrengsten en uiterlijk zes maanden na het einde van het verkoopseizoen de werkelijke productie vast.
30 In het stelsel van de steunregeling voor de producenten van olijven en olijfolie spelen de Commissie en de Lid-Staten dus aanvullende rollen: de producerende Lid-Staten moeten bepaalde gegevens verstrekken aan de Commissie, die deze mag controleren om uiteindelijk de opbrengsten van olijven en olijfolie vast te stellen.
De bevoegdheid van de Commissie om andere gegevens te gebruiken
31 De Italiaanse regering verwijt de Commissie, dat deze gegevens heeft gebruikt die niet volgens de relevante gemeenschapsregels zijn verzameld. Derhalve moet de draagwijdte worden onderzocht van de bevoegdheid van de Commissie om de door de producerende Lid-Staten verstrekte gegevens te corrigeren.
32 Wanneer de door de bevoegde nationale instanties verzamelde en door de producerende Lid-Staten meegedeelde gegevens aanzienlijk afwijken van de feitelijke situatie op de markt, hoeft de Commissie er zich niet toe te beperken die gegevens te corrigeren, maar kan zij die gegevens zo nodig met gebruikmaking van haar eigen parameters vervangen door gegevens die zij rechtstreeks bij de verschillende marktdeelnemers heeft verzameld, mits deze gegevens de reële situatie en evolutie van de olijven- en olijfoliemarkt getrouw weergeven.
33 Zonder deze bevoegdheid om gegevens te vervangen, zou de Commissie de goede werking van de steunregeling voor de producenten van olijven en olijfolie niet op basis van juiste gegevens kunnen verzekeren en derhalve één van de belangrijkste doelstellingen van het gemeenschapsbeleid ter zake, de gelijke behandeling van alle producenten van olijven en olijfolie in alle Lid-Staten, niet kunnen doen eerbiedigen.
34 Deze uitlegging is voor het overige niet in strijd met artikel 18 van verordening nr. 2261/84 en artikel 12 van verordening nr. 3061/84. Anders dan artikel 17 bis, lid 4, van verordening nr. 2261/84 voorzien deze artikelen weliswaar niet uitdrukkelijk in het gebruik van andere informatiebronnen of in de mogelijkheid om in voorkomend geval studies of onderzoeken over de olijfolieproductie te laten uitvoeren, maar, zoals in rechtsoverweging 25 van dit arrest reeds is gebleken, de bewoordingen van artikel 18 van verordening nr. 2261/84 sluiten niet uit, dat gebruik wordt gemaakt van andere bronnen dan de overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 3061/84 van de Commissie door de producerende Lid-Staten verzamelde en meegedeelde gegevens.
35 Hieruit volgt dat, wanneer de door een Lid-Staat verzamelde gegevens slechts kunnen worden gecorrigeerd door ze te vervangen door andere gegevens, die de marktsituatie en de opbrengsten voor het betrokken verkoopseizoen getrouwer weergeven dan de nationale gegevens, de bevoegdheid van de Commissie om tot een dergelijke vervanging over te gaan, niet indruist tegen artikel 18 van verordening nr. 2261/84.
36 De gebruikmaking van andere informatiebronnen, zoals voorzien in artikel 17 bis, lid 4, van verordening nr. 2261/84, moet met betrekking tot de opbrengsten worden toegestaan, te meer daar die opbrengsten als geheel genomen de uitdrukking zijn van de werkelijke productie, die de Commissie krachtens artikel 17 bis, lid 3, eerste streepje, van die verordening uiterlijk zes maanden na het einde van het verkoopseizoen moet vaststellen.
37 Voor het overige moet worden opgemerkt, dat zo de correctie van de door de producerende Lid-Staten verstrekte gegevens verschilt van de verrichting waarbij die gegevens door gegevens uit andere bronnen worden vervangen, die twee verrichtingen tot dezelfde basiscijfers voor de berekening van de opbrengsten kunnen leiden, zodat vervolgens onmogelijk kan worden vastgesteld, op welke wijze die opbrengsten zijn bepaald.
De vervanging van gegevens in het kader van de bestreden verordening
38 Teneinde te beoordelen of de Commissie in casu haar eigen gegevens in de plaats mocht stellen van die van de bevoegde Italiaanse instanties, moet dus worden nagegaan, of de parameters die zij heeft toegepast op de gegevens die van de verschillende deelnemers op de Italiaanse markt afkomstig waren, de werkelijke situatie op de Italiaanse markt beter weergaven dan de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte gegevens, en of zij de stelling van de Italiaanse regering, dat de productie in het verkoopseizoen 1993/1994 hoger lag dan de werkelijke productie in het vorige verkoopseizoen, tegenspraken.
39 Nu het om de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie gaat, zij er allereerst aan herinnerd dat wanneer de Commissie, zoals in casu, over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, volgens de rechtspraak van het Hof de gemeenschapsrechter bij de toetsing van de rechtmatige uitoefening van die vrijheid zijn oordeel niet in de plaats mag stellen van dat van het bevoegde gezagsorgaan, doch enkel heeft te onderzoeken of het oordeel van het gezagsorgaan niet kennelijk onjuist is dan wel misbruik van bevoegdheid oplevert (arrest van 14 januari 1997, zaak C-169/95, Spanje/Commissie, Jurispr. 1997, blz. I-135, r.o. 34).
40 In casu heeft de Italiaanse regering het bestaan van een dergelijke onjuistheid niet bewezen.
41 In de eerste plaats diende de Commissie, gelet op de ervaring met de vaststelling van de opbrengsten, de Italiaanse gegevens te controleren en te corrigeren of zelfs te vervangen. De prognose van de Italiaanse productie door de Italiaanse autoriteiten, die is opgenomen in de in verordening nr. 1187/94 vastgestelde raming, was namelijk reeds verlaagd. Ofschoon er tussen verordening nr. 1187/94 en de bestreden verordening geen oorzakelijk verband bestaat, kon de Commissie niet, zonder haar rol bij het beheer van de steun aan de producenten van olijven en olijfolie te miskennen, voorbijgaan aan een verschil van ongeveer 30 % tussen de in het kader van die eerste verordening geraamde productie en de opbrengsten volgens de door Age-Control meegedeelde oorspronkelijke gegevens.
42 Voorts geven de door de Commissie gehanteerde parameters, waaronder de groothandelsprijzen, het verband tussen de marktprijs en het aanbod, de hoeveelheden in particuliere opslag, de voor interventie aangeboden hoeveelheden, het tijdstip waarop de particuliere voorraden bij het begin van het verkoopseizoen worden verkocht en de weersomstandigheden in bepaalde Italiaanse regio's, tezamen een betrouwbaar beeld van de feitelijke situatie op de markt en de marktevolutie.
43 Ondanks de gegronde kritiek van de Italiaanse regering op bepaalde details van de parameters en op bepaalde conclusies die de Commissie daaruit heeft getrokken, moet worden vastgesteld, dat de gezamenlijke gegevens van de verschillende marktdeelnemers, anders dan de door Age-Control verzamelde en door de Italiaanse autoriteiten meegedeelde gegevens, in vergelijking met het vorige verkoopseizoen een dalende productie te zien geven.
44 Zoals de advocaat-generaal in de punten 54 en volgende van zijn conclusie heeft opgemerkt, stemden de gegevens die de Commissie heeft gebruikt voor de vaststelling van de opbrengsten, die op hun beurt de werkelijke productie uitdrukken in de zin van artikel 17 bis, lid 3, van verordening nr. 2261/84, beter overeen met de feitelijke economische situatie op de Italiaanse olijfoliemarkt dan de door de Italiaanse administratie verstrekte cijfers.
45 Wat het rechtszekerheidsbeginsel betreft, zij er meer in het bijzonder aan herinnerd, dat dit beginsel niet geschonden kan worden geacht, aangezien de betrokken Lid-Staat wist waarom de Commissie zich op haar eigen gegevens baseerde, de methode kende om die gegevens te verzamelen en zelf toegang tot de gebruikte gegevens had. Op grond van die informatie kon hij de gegevens vergelijken en eventueel zijn eigen cijfers herzien. Wat meer bepaald het verkoopseizoen 1993/1994 betreft, heeft de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie uiteengezet, dat de Italiaanse regering over alle informatie beschikte, zodat het rechtszekerheidsbeginsel is geëerbiedigd.
46 In die omstandigheden moet het middel inzake schending van artikel 155, vierde streepje, EG-Verdrag, artikel 18 van verordening nr. 2261/84, artikel 12 van verordening nr. 3061/84 en artikel 1 van verordening nr. 2262/84 alsook het rechtszekerheidsbeginsel ongegrond worden verklaard.
Het tweede middel
47 De Italiaanse regering stelt, dat de bestreden verordening onvoldoende met redenen is omkleed en dat de Commissie dus de ingevolge artikel 190 van het Verdrag op haar rustende motiveringsplicht heeft geschonden.
48 Volgens vaste rechtspraak moet in de door artikel 190 EG-Verdrag vereiste motivering de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Het is evenwel niet noodzakelijk, dat alle feitelijk of rechtens relevante gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een besluit aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context waarin het is genomen en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest Nederland/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 48 en 49, en arrest van 15 april 1997, zaak C-22/94, Irish Farmers Association e.a., Jurispr. 1997, blz. I-1809, r.o. 39).
49 Dienaangaande volstaat een verwijzing naar de bewoordingen van de eerste overweging van de considerans van de bestreden verordening, waarin met betrekking tot de Italiaanse opbrengsten duidelijk en ondubbelzinnig wordt gesteld, dat de in bijlage I vermelde cijfers door de Lid-Staat opgegeven cijfers zijn die zijn gecorrigeerd om ze coherent te maken met de in verordening nr. 1187/94 geraamde productie. Ongeacht de gegrondheid van haar verzet tegen het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de geraamde productie en de opbrengsten, kon de Italiaanse Republiek dus niet onwetend zijn van de redenen waarom de Commissie de uit Italië afkomstige gegevens had gecorrigeerd.
50 Het middel inzake ontoereikende motivering van de bestreden verordening moet derhalve worden afgewezen.
Het derde middel
51 Met het derde middel stelt de Italiaanse regering, met een beroep op de eerste overweging van de considerans van de bestreden verordening, dat de Commissie haar bevoegdheid heeft misbruikt door het niveau van de opbrengsten aldus vast te stellen, dat deze overeenstemmen met de in het kader van verordening nr. 1187/94 geraamde productie en dat haar restrictieve raming van de productie voor het verkoopseizoen 1993/1994 wordt bevestigd.
52 Volgens vaste rechtspraak berust een handeling van een gemeenschapsinstelling op misbruik van haar bevoegdheid, wanneer zij is verricht met het uitsluitende, althans doorslaggevende oogmerk, andere doeleinden te bereiken dan de instelling zegt na te streven, dan wel om te ontkomen aan de toepassing van een procedure die het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan zekere omstandigheden het hoofd te bieden (arrest van 12 november 1996, zaak C-84/94, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr. 1996, blz. I-5755, r.o. 69).
53 Dit is met de bestreden verordening niet het geval.
54 Met betrekking tot het doel van deze verordening zet de Commissie in de eerste overweging van de considerans uiteen, dat de opbrengst aan olijven en aan olie per homogeen productiegebied moet worden vastgesteld op basis van de door de producerende Lid-Staten meegedeelde gegevens en dat, rekening houdend met de ontvangen gegevens, deze opbrengst moet worden vastgesteld zoals in bijlage I is aangegeven. Het lijdt dan ook geen twijfel, dat de bestreden verordening strekt ter bereiking van het in artikel 18 van verordening nr. 2261/84 omschreven doel, te weten de vaststelling van de opbrengsten.
55 Wat de Italiaanse productie betreft, zet de Commissie vervolgens in de laatste zin van die overweging uiteen, waarom zij de Italiaanse cijfers heeft gecorrigeerd, in tegenstelling tot de cijfers van de andere Lid-Staten, die zij als zodanig heeft gehanteerd. Zoals de advocaat-generaal in punt 80 van zijn conclusie heeft opgemerkt, geeft de Commissie daarmee slechts een verklaring voor een wijziging die is aangebracht in een middel ter bepaling van de opbrengsten, zonder dat zij daarmee een ander doel tracht te bereiken dan in de eerste twee zinnen van die overweging is vermeld.
56 Nu de Italiaanse regering niet heeft aangetoond, dat de bestreden verordening strekt ter bereiking van een ander doel dan de vaststelling van de opbrengsten, berust de vaststelling van de opbrengsten niet op een kennelijke onjuistheid. Dit middel, inzake misbruik van bevoegdheid, moet dus eveneens worden afgewezen.
57 Mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
58 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Italiaanse Republiek in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy