Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Maatregelen van gelijke werking ° Verbod om pesticiden in handel te brengen, in te voeren of te gebruiken, die niet vooraf zijn toegelaten ° Biociden ° Rechtvaardiging ° Bescherming van volksgezondheid ° Voorwaarden
(EG-Verdrag, art. 30 en 36)
Samenvatting
Een wettelijke regel van een Lid-Staat, waarbij verbod wordt opgelegd bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik in de handel te brengen, te verwerven, aan te bieden, ten toon of te koop te stellen, in het bezit te houden, te bereiden, te vervoeren, te verkopen, af te staan onder bezwarende titel of kosteloos in te voeren of te gebruiken, die niet vooraf zijn toegelaten, levert een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag op.
Voor zover een dergelijk verbod betrekking heeft op biociden die gevaarlijke stoffen bevatten en ten aanzien waarvan in de communautaire regelgeving nog geen bepalingen betreffende het in de handel brengen zijn vastgesteld, is het gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 36 van het Verdrag, zelfs indien deze produkten reeds in een andere Lid-Staten tot de verkoop zijn toegelaten. Bij gebreke van harmonisatievoorschriften blijven de Lid-Staten namelijk vrij te beslissen, in welke mate zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen willen waarborgen en of zij een voorafgaande toelating voor het in de handel brengen van dergelijke produkten eisen. De bevoegde autoriteiten moeten evenwel bijdragen aan een verlichting van de controles in het intracommunautaire verkeer en mogen bijgevolg niet nodeloos technische of chemische analyses of laboratoriumproeven eisen, wanneer dezelfde analyses en proeven reeds in de andere Lid-Staat zijn verricht en de resultaten ervan ter beschikking van die autoriteiten staan of hun desgevraagd ter beschikking kunnen worden gesteld.
Partijen
In zaak C-293/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout (België), in de aldaar dienende strafzaak tegen
J. Brandsma,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 van het EG-Verdrag
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, L. Sevón (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Brandsma, vertegenwoordigd door J. M. van Hille, advocaat te Gent,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. G. Lammers, waarnemend juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door M. F. Cede, Botschafter bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Zweedse regering, vertegenwoordigd door L. Nordling, raettschef bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Braviner, van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door D. Lloyd Jones, Barrister,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier, juridisch adviseur, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Brandsma, vertegenwoordigd door M. Ryckman, advocaat te Gent, de Zweedse regering, vertegenwoordigd door L. Nordling en E. Brattgaard, departementsraad bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. van Lier, ter terechtzitting van 1 februari 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 februari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 20 oktober 1994, ingekomen ten Hove op 28 oktober daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 van dit Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen mevrouw Brandsma, in haar hoedanigheid van bedrijfsleidster van het HEMA-warenhuis te Turnhout, wegens overtreding van artikel 8 van het Belgisch koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische produkten. Brandsma wordt vervolgd wegens de verkoop van een produkt, "HEMA-Tegelreiniger" genaamd, een middel ter bestrijding van groene aanslagwieren op muren en grinttegels. Voor het produkt was geen toelating aangevraagd bij het Belgische Ministerie van Volksgezondheid, doch het droeg wel een nummer van toelating in Nederland, waar het in de verschillende warenhuizen van de HEMA-groep wordt verkocht.
3 Van oordeel dat de zaak een uitlegging van het gemeenschapsrecht vereiste, heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"1. Dient een wettelijke regel van een Lid-Staat, waarbij verbod wordt opgelegd bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik in de handel te brengen, te verwerven, aan te bieden, ten toon of te koop te stellen, in het bezit te houden, te bereiden, te vervoeren, te verkopen, af te staan onder bezwarende titel of kosteloos in te voeren of te gebruiken, die niet vooraf door de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, zijn toegelaten, te worden beschouwd als kwantitatieve beperking of een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, indien door deze nationale maatregel een bestrijdingsmiddel voor niet-landbouwkundig gebruik dat in een andere Lid-Staat rechtmatig in de handel is gebracht, bij invoer in de eerstgenoemde Lid-Staat niet mag worden verkocht zo geen voorafgaande toelating van de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, in de eerstgenoemde Lid-Staat werd bekomen?
2. Indien het antwoord op de eerste vraag positief is en dergelijke regel in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag, kan de eerstgenoemde Lid-Staat zich in de voormelde omstandigheden rechtsgeldig beroepen op de uitzondering voorzien bij artikel 36 EEG-Verdrag en de hierin voorziene bescherming van de volksgezondheid om de maatregel te handhaven en het verbod voorzien in artikel 30 EEG-Verdrag terzijde te schuiven?"
4 Wat de eerste vraag betreft, zijn alle partijen het erover eens dat de Belgische wettelijke regeling als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag moet worden aangemerkt.
5 Volgens vaste rechtspraak vormt een regeling als in de onderhavige zaak van toepassing is, namelijk een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag, wanneer zij de handel tussen Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren (zie met name arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837).
6 Zo gezien moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een wettelijke regel van een Lid-Staat, waarbij verbod wordt opgelegd bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik in de handel te brengen, te verwerven, aan te bieden, ten toon of te koop te stellen, in het bezit te houden, te bereiden, te vervoeren, te verkopen, af te staan onder bezwarende titel of kosteloos in te voeren of te gebruiken, die niet vooraf zijn toegelaten, een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag oplevert.
7 Met betrekking tot de tweede vraag verklaart Brandsma, dat het door haar verkochte produkt in Nederland is toegelaten en aan alle vereisten van de ter zake toepasselijke richtlijnen voldoet. In dit verband noemt zij richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 1967, L 196, blz. 1), richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (PB 1976, L 262, blz. 201) en richtlijn 78/631/EEG van de Raad van 26 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (bestrijdingsmiddelen) (PB 1978, L 206, blz. 13). Artikel 36 zou dan ook slechts ter sprake komen voor zover het vereiste van een nieuwe toelating verder gaat dan door de richtlijnen is vereist. Daarenboven zou het, gelet op artikel 36 van het Verdrag, onaanvaardbaar zijn om het produkt in België aan een nieuwe toelatingsprocedure te onderwerpen, aangezien door de afgifte van de toelating in Nederland de volksgezondheid in België genoegzaam is beschermd. Overigens heeft Brandsma' s raadsman ter terechtzitting verklaard, dat HEMA noch zijn cliënt in België een toelating voor het produkt had aangevraagd. Ten slotte zou het hoe dan ook aan het Openbaar ministerie staan om te bewijzen, dat de Belgische formaliteit essentieel is voor de volksgezondheid en dat de Nederlandse toelating ter zake onvoldoende is.
8 De Nederlandse, de Oostenrijkse, de Zweedse en de Britse regering, alsmede de Commissie merken op, dat het produkt behoort tot de categorie van biociden, waarvoor thans nog geen harmonisatierichtlijn bestaat, doch enkel een voorstel voor een richtlijn, dat in nationale toelatingsprocedures voorziet (PB 1995, C 261, blz. 5).
9 Zij achten deze zaak vergelijkbaar met die welke het Hof heeft beslecht in zijn arrest van 17 december 1981 (zaak 272/80, Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Producten, Jurispr. 1981, blz. 3277), en concluderen dat een nationale maatregel die het in de handel brengen van een produkt afhankelijk stelt van een voorafgaande toelating, gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid in de zin van artikel 36 van het Verdrag. De Britse en de Zweedse regering noemen daarnaast de bescherming van het milieu als rechtvaardigingsgrond.
10 Bij de huidige stand van de communautaire regelgeving bestaat er nog geen maatregel betreffende het in de handel brengen van biociden. Om de door de advocaat-generaal in de punten 16 tot en met 18 van zijn conclusie uiteengezette redenen zijn de door verdachte in het hoofdgeding aangevoerde richtlijnen niet relevant voor het in de handel brengen van een produkt als HEMA-Tegelreiniger. Bijgevolg moet in het licht van de afwijkingen bedoeld in artikel 36 van het Verdrag worden nagegaan of een nationale regel zoals in het hoofdgeding aan de orde is, kan worden gerechtvaardigd.
11 Aangezien biociden worden gebruikt ter bestrijding van organismen die schadelijk zijn voor de gezondheid van mens en dier, en natuurlijke of vervaardigde produkten kunnen aantasten, bevatten zij onvermijdelijk gevaarlijke stoffen. Gelijk de Nederlandse, de Oostenrijkse, de Zweedse en de Britse regering, alsmede de Commissie terecht hebben opgemerkt, blijven de Lid-Staten bij gebreke van harmonisatievoorschriften vrij te beslissen, in welke mate zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen willen waarborgen en of zij een voorafgaande toelating voor het in de handel brengen van dergelijke produkten eisen.
12 Ofschoon het een Lid-Staat, zoals het Hof in het arrest Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Producten (reeds aangehaald, r.o. 14) heeft geoordeeld, vrijstaat om een produkt als het onderhavige dat in een andere Lid-Staat reeds is toegelaten, aan een nieuwe onderzoeks- en toelatingsprocedure te onderwerpen, moeten de autoriteiten van de Lid-Staten evenwel bijdragen aan een verlichting van de controles in het intracommunautaire handelsverkeer en rekening houden met de technische of chemische analyses of laboratoriumproeven die reeds in een andere Lid-Staat zijn verricht.
13 Op de tweede vraag dient dus te worden geantwoord dat een nationale wettelijke regeling ingevolge welke het verboden is een biocide, als de onderhavige, die gevaarlijke stoffen bevat, zonder voorafgaande toelating in de handel te brengen, zelfs indien dit produkt in een andere Lid-Staat tot de verkoop is toegelaten, gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 36 van het Verdrag. De nationale autoriteiten mogen evenwel niet nodeloos technische of chemische analyses of laboratoriumproeven eisen, wanneer dezelfde analyses en proeven reeds in die Lid-Staat zijn verricht en de resultaten ervan ter beschikking van die autoriteiten staan of hun desgevraagd ter beschikking kunnen worden gesteld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 De kosten door de Nederlandse, de Oostenrijkse, de Zweedse en de Britse regering, alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout bij vonnis van 20 oktober 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Een wettelijke regel van een Lid-Staat, waarbij verbod wordt opgelegd bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik in de handel te brengen, te verwerven, aan te bieden, ten toon of te koop te stellen, in het bezit te houden, te bereiden, te vervoeren, te verkopen, af te staan onder bezwarende titel of kosteloos in te voeren of te gebruiken, die niet vooraf zijn toegelaten, levert een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EG-Verdrag op.
2) Een nationale wettelijke regeling ingevolge welke het verboden is een biocide, als de onderhavige, die gevaarlijke stoffen bevat, zonder voorafgaande toelating in de handel te brengen, zelfs indien dit produkt in een andere Lid-Staat tot de verkoop is toegelaten, is gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 36 van het Verdrag. De nationale autoriteiten mogen evenwel niet nodeloos technische of chemische analyses of laboratoriumproeven eisen, wanneer dezelfde analyses en proeven reeds in die Lid-Staat zijn verricht en de resultaten ervan ter beschikking van die autoriteiten staan of hun desgevraagd ter beschikking kunnen worden gesteld.
Full & Egal Universal Law Academy