Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Toepasselijke wetgeving ° Ambtenaar die in dienst is van Lid-Staat op grondgebied van andere Lid-Staat en die bij beëindiging van dienstverband met terugwerkende kracht als gewoon werknemer wordt gekwalificeerd, om met terugwerkende kracht voor sociale verzekering in aanmerking te komen ° Wetgeving van Lid-Staat waar betrokkene in dienst was
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 13, lid 2, sub d)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Werkloosheid ° Volledig werkloze werknemer (niet zijnde grensarbeider) die op grondgebied van andere Lid-Staat woont dan staat van tewerkstelling ° Recht op uitkeringen van staat van tewerkstelling
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 71, lid 1, sub b-i)
Samenvatting
1. Een ambtenaar in dienst van een Lid-Staat, die zijn werkzaamheden op het grondgebied van een andere Lid-Staat verricht en die op het moment van beëindiging van zijn dienstverband door eerstbedoelde Lid-Staat bij wijze van fictie met terugwerkende kracht wordt geacht zijn werkzaamheden in loondienst en niet als ambtenaar te hebben verricht, teneinde hem in aanmerking te doen komen voor werkloosheidsuitkeringen en voor toepassing van de wetgeving inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, is onderworpen aan de wetgeving van de Lid-Staat waaronder de dienst ressorteert waarbij hij werkzaam is, overeenkomstig artikel 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71, zoals gecodificeerd bij verordening nr. 2001/83. Een dergelijke kwalificatie met terugwerkende kracht kan immers niet tot gevolg hebben, dat betrokkene onder een andere bepaling van de verordening komt te vallen dan gedurende de periode van werkzaamheid van toepassing was.
2. Artikel 71, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat een volledig werkloze werknemer die geen grensarbeider is en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat woont, werkloosheidsuitkeringen ten laste van de bevoegde staat kan ontvangen, wanneer hij zich als werkzoekende bij de diensten van die staat laat inschrijven en zich aan hun controle onderwerpt. Dit recht op uitkering wordt niet aangetast doordat betrokkene in het buitenland woont, want genoemde bepaling heeft juist de werklozen op het oog die niet op het grondgebied van de bevoegde Lid-Staat wonen, en ook een werkloze ambtenaar ontleend daaraan aanspraken, want de omstandigheid dat ambtenaren in artikel 13, lid 2, sub d, van de verordening met het oog op de vaststelling van de op hen toe te passen wetgeving als afzonderlijke categorie worden genoemd, ontneemt hun niet de hoedanigheid van werknemer voor de toepassing van de overige bepalingen van de verordening.
Partijen
In zaak C-308/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Arbeidshof te Luik (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening
en
H. Naruschawicus,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris (rapporteur), kamerpresident, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° H. Naruschawicus, vertegenwoordigd door C. Theysgens en B. Lespire, advocaten te Luik,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 oktober 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 15 november 1994, ingekomen bij het Hof op 22 november daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Luik krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 13, lid 2, sub a en sub d, en 71, lid 1, sub b-i, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening nr. 1408/71").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: "RVA"), appellante in het hoofdgeding, en H. Naruschawicus, geïntimeerde in het hoofdgeding, naar aanleiding van de beschikking van de regionaal inspecteur, dat Naruschawicus geen recht had op een werkloosheidsuitkering.
3 Blijkens het dossier was Naruschawicus, van Belgische nationaliteit, van 1 juni 1981 tot en met 20 april 1991 voltijds werkzaam in dienst van de Belgische strijdkrachten in Duitsland (hierna: "BSD"). Gedurende deze periode woonde zij in Duitsland, maar behield zij wegens haar hoedanigheid van ambtenaar haar wettelijke woonplaats te Blégny in België. Per 1 juli 1991 nam de BSD haar opnieuw in dienst als arbeidskracht in deeltijdverband.
4 Terwijl zij in Duitsland bleef wonen, vroeg Naruschawicus bij het regionale bureau voor werkloosheid te Luik, dat op grond van haar wettelijke woonplaats bevoegd was, per 22 april 1991 een werkloosheidsuitkering aan. Zij onderwierp zich aan de werklozencontrole van dat bureau, door zich regelmatig van haar woonplaats Arnsberg (Duitsland) naar Luik te begeven.
5 Per 22 april 1991 werd Naruschawicus een werkloosheidsuitkering toegekend, die haar tot en met 30 juni 1991 werd uitbetaald. Bij beschikking van 21 november 1991 besloot de regionaal inspecteur evenwel, de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 22 april 1991 in te trekken. Hij vorderde terugbetaling van de inmiddels genoten uitkering, op grond dat betrokkene zich niet ter beschikking had gehouden op de algemene arbeidsmarkt, doordat zij haar daadwerkelijke woonplaats niet in België had.
6 Betrokkene vocht deze beschikking aan voor de Arbeidsrechtbank te Luik. Deze besliste bij vonnis van 25 februari 1993, dat Naruschawicus recht had op een werkloosheidsuitkering ten laste van de RVA.
7 Deze instelling ging van dit vonnis in hoger beroep bij het Arbeidshof te Luik, dat in twijfel verkeerde over de uitlegging van de artikelen 13, lid 2, sub a en sub d, en artikel 71, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1408/71.
8 Artikel 13, lid 2, luidt als volgt:
"Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
a) is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat;
(...)
d) is op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;
(...)"
9 Ingevolge artikel 71, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71 komt de werkloze werknemer die geen grensarbeider is en die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonde, in aanmerking voor een werkloosheidsuitkering volgens de wettelijke regeling van de bevoegde staat (geval bedoeld sub i), dan wel van de staat van zijn woonplaats (geval bedoeld sub ii).
10 Artikel 71, lid 1, sub b-i, bepaalt in het bijzonder:
"een werknemer die geen grensarbeider is en gedeeltelijk of door onvoorziene omstandigheden of volledig werkloos is, doch ter beschikking blijft van zijn werkgever of van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde Staat, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die Staat, alsof hij op het grondgebied van die Staat woonde; deze uitkering wordt door het bevoegde orgaan verleend".
11 In het verwijzingsarrest vermeldt het Arbeidshof te Luik in de eerste plaats, dat in de periode waarin verweerster in het hoofdgeding werkzaam was, de Belgische Staat (Ministerie van Landsverdediging) als werkgever de sociale-zekerheidsbijdragen aan de RVA betaalde, zodat het Koninkrijk België de bevoegde staat is in de zin van verordening nr. 1408/71.
12 Naar het Arbeidshof evenwel overweegt, is de onderhavige zaak in zoverre bijzonder, dat verweerster tijdens het verrichten van haar werkzaamheden ambtenaar in dienst van het Ministerie van Landsverdediging was, doch op het moment van beëindiging van haar dienstverband bij wijze van fictie werd geacht in loondienst te hebben gewerkt; ter zake ontving zij het door de Belgische wet voorgeschreven ontslagbewijs "model B". Deze kwalificatie achteraf had tot doel, haar aanspraak te geven op een werkloosheidsuitkering en haar in aanmerking te doen komen voor toepassing van de wetgeving inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering. Indien verweerster werd geacht vanaf het begin van haar werkzaamheid in loondienst te hebben gewerkt, zou ingevolge artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening de Duitse wetgeving de toe te passen wetgeving zijn, terwijl, indien zij als ambtenaar of gelijkgestelde werd aangemerkt, ingevolge artikel 13, lid 2, sub d, van de verordening de Belgische wetgeving van toepassing zou zijn.
13 Vervolgens overweegt het Arbeidshof te Luik dat, gesteld dat de Belgische wetgeving van toepassing is, nog moet worden gepreciseerd wat moet worden verstaan onder beschikbaarheid in de zin van artikel 71, lid 1, sub b-i, van de verordening, en met name of inschrijving bij de bevoegde diensten voor arbeidsbemiddeling daarvoor volstaat, dan wel of er een wettelijk vermoeden bestaat, dat de betrokkene zich niet ter beschikking houdt, wanneer hij zijn daadwerkelijke woonplaats buiten het nationale grondgebied heeft.
14 De verwijzende rechter heeft derhalve besloten, het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Moet de wetgeving die van toepassing is op een werknemer die als ambtenaar in dienst van een Lid-Staat, in casu de Belgische Staat (Ministerie van Landsverdediging), die zijn werkzaamheden verricht op het grondgebied van een andere Lid-Staat, in casu de Duitse Staat, op het grondgebied waarvan deze werknemer daadwerkelijk woont, en die op het moment van beëindiging van zijn dienstverband met terugwerkende kracht wordt geacht in loondienst te hebben gewerkt om hem in aanmerking te doen komen voor werkloosheidsuitkeringen en voor toepassing van de wetgeving inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, aan de hand van artikel 13, lid 2, sub a of sub d, van verordening nr. 1408/71 worden bepaald?
2) Moet artikel 71, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat een volledig werkloze werknemer die geen grensarbeider is, werkloosheidsuitkeringen ten laste van de bevoegde staat kan ontvangen zonder dat acht wordt geslagen op de voorwaarde inzake de woonplaats, mits hij zich als werkzoekende inschrijft bij de diensten voor arbeidsbemiddeling van het bevoegde orgaan, ook al is hij wegens de afstand in mindere mate beschikbaar om te solliciteren naar de door bedoelde diensten aangeboden betrekkingen en ook al kan door de betrokken diensten van het bevoegde orgaan niet worden gecontroleerd of hij aan de voorwaarden voor toekenning van de uitkeringen voldoet?
3) Kan een Belgische werknemer die sinds meer dan tien jaar woont in Duitsland, waar hij was tewerkgesteld door de Belgische Staat, die hem na enkele maanden volledige werkloosheid opnieuw in dienst zal nemen, niet met de in artikel 71, lid 1, sub b, bedoelde werknemer worden gelijkgesteld, gezien de persoonlijke en beroepsmatige banden die hij met de bevoegde staat heeft?"
15 Alvorens de prejudiciële vragen te onderzoeken, zij opgemerkt, dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden van de materiële werkingssfeer van de verordening uitsluit. Blijkens het dossier gaat de verwijzende er evenwel van uit, dat Naruschawicus, als ambtenaar van de Belgische Staat, ter zake van de werkloosheidsverzekering niet aan een bijzondere regeling voor ambtenaren, maar aan de naar Belgisch recht voor werknemers in het algemeen geldende regeling was onderworpen.
De eerste vraag
16 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de wetgeving die van toepassing is op een werknemer die als ambtenaar in dienst is van een Lid-Staat, die zijn werkzaamheden op het grondgebied van een andere Lid-Staat verricht en die op het moment van beëindiging van zijn dienstverband door eerstbedoelde Lid-Staat bij wijze van fictie met terugwerkende kracht wordt geacht zijn werkzaamheden in loondienst en niet als ambtenaar te hebben verricht, teneinde hem in aanmerking te doen komen voor werkloosheidsuitkeringen en voor toepassing van de wetgeving inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, moet worden bepaald aan de hand van artikel 13, lid 2, sub a, of sub d, van verordening nr. 1408/71.
17 Blijkens het dossier was Naruschawicus ambtenaar tot het moment waarop haar dienstverband werd beëindigd. Tot die datum was op Naruschawicus dus de in artikel 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71 bedoelde wetgeving van toepassing. Dat was de wetgeving van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij Naruschawicus werkzaam was, ressorteerde, te weten de Belgische.
18 Aan deze vaststelling en de gevolgen die artikel 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71 daaraan verbindt, wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat betrokkene bij de beëindiging van haar dienstverband door de Lid-Staat waar zij in dienst was bij wijze van fictie met terugwerkende kracht werd geacht in loondienst te hebben gewerkt, teneinde haar in aanmerking te doen komen voor werkloosheidsuitkeringen en ziekte- en invaliditeitsuitkeringen.
19 Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat de wetgeving die van toepassing is op een ambtenaar in dienst van een Lid-Staat, die zijn werkzaamheden op het grondgebied van een andere Lid-Staat verricht en die op het moment van beëindiging van zijn dienstverband door eerstbedoelde Lid-Staat bij wijze van fictie met terugwerkende kracht wordt geacht zijn werkzaamheden in loondienst en niet als ambtenaar te hebben verricht, teneinde hem in aanmerking te doen komen voor werkloosheidsuitkeringen en voor toepassing van de wetgeving inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, moet worden bepaald aan de hand van artikel 13, lid 2, sub d, van die verordening.
De tweede vraag
20 Met deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of artikel 71, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat een volledig werkloze werknemer die geen grensarbeider is en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat woont, werkloosheidsuitkeringen ten laste van de bevoegde staat kan ontvangen, wanneer hij zich als werkzoekende bij de diensten voor arbeidsbemiddeling van die staat laat inschrijven, ook al is hij wegens de afstand in mindere mate beschikbaar om te solliciteren naar de door bedoelde diensten aangeboden betrekkingen en ook al kan door de bevoegde diensten van die staat niet worden gecontroleerd of hij aan de voorwaarden voor toekenning van de uitkeringen voldoet.
21 Vooraf zij opgemerkt, dat de omstandigheid dat ambtenaren in artikel 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71 met het oog op de vaststelling van de op hen toe te passen wetgeving als afzonderlijke categorie worden genoemd, hen voor de toepassing van de overige bepalingen van deze verordening niet de hoedanigheid ontneemt van werknemers, een ruimer begrip (zie in deze zin arrest van 24 maart 1994, zaak C-71/93, Van Poucke, Jurispr. 1994, blz. I-1101, r.o. 17 en 18).
22 Derhalve geldt artikel 71, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 voor ambtenaren op dezelfde wijze als voor iedere werknemer.
23 Volgens deze bepaling heeft "een werknemer die geen grensarbeider is en (...) volledig werkloos is, doch ter beschikking blijft van (...) de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde Staat, (...) recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die Staat, alsof hij op het grondgebied van die Staat woonde (...)".
24 Deze bepaling preciseert niet, wanneer aan de voorwaarde van beschikbaarheid is voldaan.
25 Evenwel moet onmiddellijk worden opgemerkt, dat het feit dat de betrokken werknemer op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat woont, niet aan toepassing van die bepaling in de weg staat, maar juist een voorwaarde voor de toepassing ervan vormt.
26 Bijgevolg kunnen de voorwaarden die vervuld moeten zijn opdat aan de voorwaarde inzake de beschikbaarheid wordt voldaan, niet rechtstreeks of indirect ten gevolge hebben dat die werknemer van woonplaats moet veranderen.
27 In het licht van deze overwegingen moet worden vastgesteld, dat een dergelijke werknemer ter beschikking blijft van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde staat, wanneer hij zich als werkzoekende bij die diensten laat inschrijven (zie in die zin arrest van 27 mei 1982, zaak 227/81, Aubin, Jurispr. 1982, blz. 1991, r.o. 20) en zich aan de controle van de bevoegde diensten van die staat onderwerpt.
28 Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord, dat artikel 71, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat een volledig werkloze werknemer die geen grensarbeider is en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat woont, werkloosheidsuitkeringen ten laste van de bevoegde staat kan ontvangen, wanneer hij zich als werkzoekende bij de diensten van die staat laat inschrijven en zich aan hun controle onderwerpt.
De derde vraag
29 Deze vraag is gesteld voor het geval een werknemer als Naruschawicus in beginsel van de werkingssfeer van artikel 71, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 zou zijn uitgesloten. Uit de antwoorden op de eerste en de tweede prejudiciële vraag blijkt evenwel, dat een persoon in de situatie als die van geïntimeerde in het hoofdgeding onder de werkingssfeer van die bepaling valt.
30 Bijgevolg behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Luik bij arrest van 15 november 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat de wetgeving die van toepassing is op een ambtenaar in dienst van een Lid-Staat, die zijn werkzaamheden op het grondgebied van een andere Lid-Staat verricht en die op het moment van beëindiging van zijn dienstverband door eerstbedoelde Lid-Staat bij wijze van fictie met terugwerkende kracht wordt geacht zijn werkzaamheden in loondienst en niet als ambtenaar te hebben verricht, teneinde hem in aanmerking te doen komen voor werkloosheidsuitkeringen en voor toepassing van de wetgeving inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, moet worden bepaald aan de hand van artikel 13, lid 2, sub d, van die verordening.
2) Artikel 71, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat een volledig werkloze werknemer die geen grensarbeider is en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat woont, werkloosheidsuitkeringen ten laste van de bevoegde staat kan ontvangen, wanneer hij zich als werkzoekende bij de diensten van die staat laat inschrijven en zich aan hun controle onderwerpt.
Full & Egal Universal Law Academy