Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Prejudiciële vragen - Bevoegdheid van Hof - Grenzen - Kennelijk irrelevante vraag
(EG-Verdrag, art. 177)
2 Vrij verrichten van diensten - Televisie-omroepactiviteiten - Richtlijn 89/552 - Aan Lid-Staten geboden mogelijkheid tot uitbreiding van reclamezendtijd - Voorwaarden voor uitoefening - Uitzending van rechtstreekse aanbiedingen aan publiek of andere reclamevormen die doorgaans meer tijd in beslag nemen dan reclameboodschappen
(Richtlijn 89/552 van de Raad, art. 1, sub b, en 18)
3 Vrij verrichten van diensten - Televisie-omroepactiviteiten - Richtlijn 89/552 - Gesponsorde uitzendingen - Vermelding van naam of logo van sponsor op andere momenten dan aan begin of eind van programma - Toelaatbaarheid
(Richtlijn 89/552 van de Raad, art. 17, lid 1, sub b)
Samenvatting
4 In het kader van de procedure van samenwerking tussen het Hof en de gerechtelijke instanties van de Lid-Staten is de nationale rechter de enige die rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding en die het best in staat is om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen.
Wanneer de door de nationale rechterlijke instantie gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Daarentegen kan het Hof geen uitspraak doen over een prejudiciële vraag, wanneer onder meer de uitlegging van het gemeenschapsrecht of het onderzoek naar de geldigheid van een gemeenschapsregel, waarom de nationale rechter verzoekt, geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
5 Richtlijn 89/552 inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, en in het bijzonder de artikelen 1, sub b, en 18, moet aldus worden uitgelegd, dat in het kader van de gemeenschapsregeling de uitdrukking "vormen van reclame zoals de rechtstreekse aanbieding aan het publiek" in artikel 18, wat de mogelijkheid betreft om de maximale dagelijkse zendtijd voor reclame tot 20 % uit te breiden, de functie van voorbeeld heeft, zodat zij ook betrekking kan hebben op andere vormen van reclame zoals "telepromoties" die evenals "rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek" door hun wijze van presentatie meer tijd in beslag nemen dan reclameboodschappen.
De gemeenschapswetgever heeft immers in een uitbreiding van de maximum zendtijd voor rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek voorzien, omdat die verkoopvorm meer zendtijd in beslag neemt dan gewone reclameboodschappen, en niet omdat die aanbiedingen uitzendingen zijn waarin produkten worden getoond die rechtstreeks per telefoon, per post of langs elektronische weg kunnen worden besteld en bij de kijkers thuis worden bezorgd, want het bestellen van produkten door de kijker is een verrichting die volledig los staat van de televisiepresentatie waarom het in de richtlijn gaat. Daarom is het normaal, dat andere reclamevormen die doorgaans ook meer tijd in beslag nemen dan reclameboodschappen, in aanmerking kunnen komen voor de uitdrukkelijk, maar niet uitsluitend voor de rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek bedoelde uitbreiding. Elke Lid-Staat behoort evenwel, zo hij al gebruik zou willen maken van de in artikel 18 geboden mogelijkheid om de maximum zendtijd voor reclame voor onder zijn bevoegdheid ressorterende televisie-omroeporganisaties tot 20 % uit te breiden, met inachtneming van het Verdrag te beslissen, of die uitbreiding kan gelden voor andere reclamevormen die zich onderscheiden van reclameboodschappen, maar toch geen rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek vormen.
6 Richtlijn 89/552 inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, en in het bijzonder artikel 7, lid 1, sub b, moet aldus worden uitgelegd dat zij, wanneer het om gesponsorde programma's gaat, de vermelding van de naam en/of het logo van de sponsor op andere momenten dan aan het begin en/of aan het eind van het programma niet verbiedt. De Lid-Staten hebben evenwel ingevolge artikel 3, lid 1, van de richtlijn de mogelijkheid om voor de onder hun bevoegdheid ressorterende televisie-omroeporganisaties ter zake strengere of meer gedetailleerde regels vast te stellen, voor zover zij geen afbreuk doen aan de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden en met name niet aan het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van goederen. Deze uitlegging doet geen afbreuk aan het feit dat gesponsorde televisieprogramma's in geen geval mogen aansporen tot aankoop of verhuring van produkten of diensten van de sponsor of van derden, in het bijzonder door specifieke aanprijzingen van die produkten of diensten.
Partijen
In de gevoegde zaken C-320/94, C-328/94, C-329/94, C-337/94, C-338/94 en C-339/94,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunale amministrativo regionale del Lazio (Italië), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Reti Televisive Italiane SpA (RTI),
in aanwezigheid van
Publitalia '80,
en
Ministero delle Poste e Telecomunicazioni (C-320/94),
in aanwezigheid van
Federazione Italiana Editori Giornali (FIEG),
Coordinamento delle associazioni per la difesa dell'ambiente e dei diritti degli utenti e consumatori (Codacons) en Associazione Utenti Radiotelevisivi,
en tussen
Radio Torre
en
Ministero delle Poste e Telecomunicazioni (C-328/94),
in aanwezigheid van
Federazione Italiana Editori Giornali (FIEG),
en tussen
Rete A Srl
en
Ministero delle Poste e Telecomunicazioni (C-329/94),
in aanwezigheid van
Federazione Italiana Editori Giornali (FIEG),
Coordinamento delle associazioni per la difesa dell'ambiente e dei diritti degli utenti e consumatori (Codacons) en Associazione Utenti Radiotelevisivi,
en tussen
Vallau Italiana Promomarket Srl
en
Ministero delle Poste e Telecomunicazioni (C-337/94),
in aanwezigheid van
Federazione Italiana Editori Giornali (FIEG),
Coordinamento delle associazioni per la difesa dell'ambiente e dei diritti degli utenti e consumatori (Codacons) en Associazione Utenti Radiotelevisivi,
en tussen
Radio Italia Solo Musica Srl e.a.
en
Ministero delle Poste e Telecomunicazioni (C-338/94),
in aanwezigheid van
Federazione Italiana Editori Giornali (FIEG),
en tussen
GETE Srl
en
Ministero delle Poste e Telecomunicazioni (C-339/94),
in aanwezigheid van
Federazione Italiana Editori Giornali (FIEG),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB 1989, L 298, blz. 23), en in het bijzonder van artikel 17, lid 1, betreffende sponsoring, en de artikelen 1, sub b, en 18,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray (rapporteur), C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Reti Televisive Italiane SpA (RTI), vertegenwoordigd door A. Bonomo, advocaat te Milaan, C. Mezzanotte en S. Previti, advocaten te Rome,
- de Federazione Italiana Editori Giornali (FIEG), vertegenwoordigd door F. Lubrano, advocaat te Rome,
- de Coordinamento delle associazioni per la difesa dell'ambiente e dei diritti degli utenti e consumatori (Codacons) en de Associazione Utenti Radiotelevisivi, vertegenwoordigd door C. Rienzi, G. Lo Mastro, R. Canestrelli, M. Lioi, L. Selmi, S. Viti en R. Garozzo, advocaten te Rome,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door P. Camarineas, juridisch adviseur van de staat, en J. P. Kiki, secretaris bij de bijzondere juridische dienst voor de Europese Gemeenschappen, als gemachtigden,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door W. Okresek, Ministerialrat, als gemachtigde,
- de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal communautaire zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, J. Santos Cardos, lid van die dienst, en L. P. Rebelo Barreto Xavier, juridisch hoofdadviseur van de voorzitter van de ministerraad, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur A. Abate en B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Reti Televisive Italiane SpA (RTI), vertegenwoordigd door A. Frignani, advocaat te Turijn; Vallau Italiana Promomarket Srl, vertegenwoordigd door G. Giovannelli, advocaat te Rome; de Federazione Italiana Editori Giornali (FIEG), vertegenwoordigd door F. Lubrano; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia; de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, als gemachtigde; de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. P. Rebelo Barreto Xavier, en de Commissie, vertegenwoordigd door A. Abate en B. J. Drijber, ter terechtzitting van 23 mei 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 19 oktober 1994, ingekomen ten Hove op 8 (C-320/94), 12 (C-328/94 en C-329/94) en 28 december (C-337/94, C-338/94 en C-339/94) daaraanvolgend, heeft het Tribunale amministrativo regionale del Lazio krachtens artikel 177 EG-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB 1989, L 298, blz. 23), en in het bijzonder van artikel 17, lid 1, betreffende sponsoring, en de artikelen 1, sub b, en 18.
2 In artikel 1, sub b, van de richtlijn wordt "televisiereclame" omschreven als "de door een overheidsbedrijf of particuliere onderneming tegen vergoeding of soortgelijke betaling uitgezonden boodschap - in welke vorm ook - in verband met de uitoefening van enige commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of van een vrij beroep met het oog op de bevordering van de levering van goederen of diensten tegen betaling, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen". Voorts wordt daar bepaald: "Behoudens voor de in artikel 18 bedoelde doeleinden valt hieronder niet de rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog op de verkoop, de aankoop of de verhuring van produkten of de verrichting van diensten tegen vergoeding."
3 Artikel 1, sub d, van de richtlijn definieert "sponsoring" als "elke bijdrage van een overheidsbedrijf of particuliere onderneming die zich niet bezig houdt met televisie-omroepactiviteiten of met de vervaardiging van audiovisuele produkties, aan de financiering van televisieprogramma's met het doel zijn naam, handelsmerk, imago, activiteiten of realisaties meer bekendheid te geven".
4 Artikel 17, lid 1, van de richtlijn luidt:
"1. Gesponsorde televisieprogramma's moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) inhoud en programmering van een gesponsorde uitzending mogen nimmer dusdanig door de sponsor worden beïnvloed dat daardoor de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de omroeporganisatie ten aanzien van de uitzendingen worden aangetast;
b) zij worden aan het begin en/of aan het eind duidelijk als gesponsorde programma's gekenmerkt door vermelding van naam en/of logo van de sponsor;
c) zij mogen niet aansporen tot aankoop of huur van produkten of diensten van de sponsor of van derden, in het bijzonder door specifieke aanprijzingen van die produkten of diensten."
5 Artikel 18 bepaalt:
"1. De zendtijd voor reclame mag niet meer dan 15 % van de dagelijkse zendtijd uitmaken. Dit percentage kan eventueel tot 20 % worden opgetrokken indien het vormen van reclame omvat zoals de rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog op verkoop, aankoop en verhuring van produkten of met het oog op het verrichten van diensten, mits de reclameboodschappen niet meer dan 15 % van de programma's uitmaken.
2. De zendtijd voor reclameboodschappen binnen een bepaalde periode van één uur mag niet meer dan 20 % bedragen.
3. Onverminderd lid 1 mogen reclamevormen zoals de rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog op verkoop, aankoop of verhuring van produkten of het oog op het verrichten van diensten niet meer dan één uur per dag in beslag nemen."
6 Bij artikel 3, lid 2, van besluitwet nr. 408/92 van 19 oktober 1992 (GURI nr. 246 van 19 oktober 1992), met wijzigingen omgezet in wet nr. 483 van 17 december 1992 (GURI nr. 297 van 18 december 1992) werd aan de Italiaanse minister van Posterijen en Telecommunicatie opgedragen ministerieel besluit nr. 439/91 van 4 juli 1991 (GURI nr. 19 van 24 januari 1992), voor zover betrekking hebbende op sponsoring en rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek, te wijzigen teneinde ze in overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrecht.
7 Op basis van die besluitwet heeft de minister van Posterijen en Telecommunicatie, op voorstel van de Garante per la radiodiffusione e l'editoria en na raadpleging van de bevoegde parlementaire commissies en de Raad van State, besluit nr. 581/93 van 9 december 1993 vastgesteld, houdende regeling van de sponsoring van radio- en televisieprogramma's en van rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek (GURI nr. 8 van 12 januari 1994; hierna: "besluit nr. 581/93").
8 Artikel 4 van dit besluit bepaalt:
"1. Sponsoring van televisieprogramma's mag uitsluitend blijken uit onmiddellijk aan het programma zelf voorafgaande aanbevelingen en aankondigingen, en in afkondigingen of andere soortgelijke mededelingen aan het einde van het programma (zogenoemde $billboards'), door vermelding van uitsluitend de naam en/of het logo van een of meer ondernemingen, niet zijnde de omroeporganisatie, met uitsluiting van iedere reclameslagzin en zonder aanbieding van goederen of diensten van die ondernemingen.
2. Eveneens zijn toegestaan niet langer dan acht seconden durende vooraankondigingen of aanprijzingen van programma's die de omroeporganisatie op een later tijdstip zal uitzenden (zogenoemde $promotie'), waarin uitsluitend de naam en/of het logo van de sponsor wordt vermeld, met uitsluiting van iedere reclameslagzin en zonder aanbieding van diens goederen of diensten. Voor programma's die door omroeporganisaties op nationale schaal worden uitgezonden, zijn ten hoogste drie vooraankondigingen of aanprijzingen toegestaan.
3. Wanneer de gesponsorde uitzending een duur van meer dan 40 minuten heeft, mag de naam of het logo van de sponsor tijdens de uitzending eenmaal gedurende niet meer dan vijf seconden worden getoond. Bij de bepaling van de duur van het programma wordt rekening gehouden met de gegevens of titels aan het begin of aan het einde, maar niet met eventuele pauzes, onderbrekingen voor reclame of anderszins, daaronder begrepen onderbrekingen om technische redenen.
4. Wanneer de sponsoring dient ter financiering van een spelprogramma of een wedstrijd, mogen de produkten of de diensten van de sponsor in de vorm van prijzen aan de deelnemers worden toegekend, eventueel zelfs met de vermelding dat de sponsor de prijs ter beschikking heeft gesteld, mits er geen afbeelding van wordt getoond of reclame ervoor wordt gemaakt, en zij enkel bij overhandiging kort en onopvallend worden getoond. Voor de deelneming aan spelen of wedstrijden of voor de toekenning van prijzen mag in geen geval worden verlangd, dat de betrokkene aantoont produkten of diensten van de sponsor of van een derde te hebben gekocht.
5. Behoudens het bepaalde in artikel 6, is elke vorm van promotionele mededeling met een andere of bijkomende inhoud of die op andere wijze geschiedt dan in de voorgaande leden bedoeld, als reclameboodschap te beschouwen, met name met het oog op de bepaling van de zendtijd die eraan mag worden besteed."
9 Artikel 12 van besluit nr. 581/93 bevat regels voor reclameboodschappen onder de titel "Spots, telepromoties, naamsvermeldingen; rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek; beperking van de zendtijd". In artikel 12, sub b, wordt "het tonen van produkten, het mondeling of visueel presenteren van goederen, diensten, de naam, het merk of de activiteit van een producent van goederen door de omroeporganisatie (zogenoemde $telepromotie')" gelijkgesteld aan gewone televisiereclame, met name met het oog op de bepaling van de zendtijd die eraan mag worden besteed.
10 Reti Televisive Italiane SpA (RTI), Publitalia '80, Radio Torre, Rete A Srl, Vallau Italiana Promomarket Srl, Radio Italia Solo Musica Srl e.a. en GETE Srl (hierna: "verzoeksters in het hoofdgeding") hebben bij het Tribunale amministrativo regionale del Lazio beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit nr. 581/93.
11 Onder meer stellen zij, dat de Italiaanse regels met betrekking tot telepromotie en sponsoring niet in overeenstemming zijn met de richtlijn.
12 Met betrekking tot telepromotie komen verzoeksters in het hoofdgeding op tegen de gelijkstelling, in besluit nr. 581/93, van telepromotie met reclame in de vorm van spots. Huns inziens gaat het bij telepromotie om een reclamevorm die "more time consuming" is en daardoor kan worden vergeleken met rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek, waarvoor de zendtijd ingevolge artikel 18, lid 1, van de richtlijn en binnen de grenzen van lid 3 van die bepaling 20 % van de dagelijkse zendtijd kan bedragen.
13 Wat sponsoring betreft, zijn verzoeksters in het hoofdgeding van mening, dat besluit nr. 581/93 restrictiever is dan artikel 17 van de richtlijn. Dit artikel verbiedt immers niet, de naam van de sponsor of van zijn produkten ook tijdens het programma te vermelden, voor zover daarbij niet door specifieke aanprijzingen speciaal tot het kopen van die produkten wordt aangespoord.
14 Zij verwijten de minister voorts, de hem door de wetgever verleende bevoegdheden te hebben overschreden. Hij zou enkel gemachtigd zijn geweest om in de bestaande regeling de wijzigingen aan te brengen die noodzakelijk waren voor de aanpassing ervan aan het gemeenschapsrecht.
15 Van oordeel dat de beslechting van de aanhangige gedingen afhangt van de uitlegging van de artikelen 1, sub b, 17, lid 1, en 18, van de richtlijn, heeft de nationale rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
"1) Moet richtlijn 89/552/EEG, in het bijzonder de artikelen 1, sub b, en 18, daarvan, aldus worden uitgelegd, dat in het kader van de gemeenschapsregeling de in laatstgenoemd artikel voorkomende uitdrukking $vormen van reclame (...) zoals de rechtstreekse aanbieding aan het publiek', wat de mogelijkheid betreft om de zendtijd die maximaal aan reclame mag worden besteed, tot 20 % van de dagelijkse zendtijd uit te breiden:
a) slechts als een voorbeeld is bedoeld, zodat zij ook andere, van reclameboodschappen onderscheiden reclamevormen kan omvatten, zoals de in casu bedoelde $telepromoties', die, zonder een $aanbieding aan het publiek' te zijn, wegens een aantal kenmerken daarmee toch kunnen worden gelijk gesteld ($telepromoties' worden hierdoor gekenmerkt, dat zij, ofschoon door passende onderbrekingen duidelijk onderscheiden van de redactionele context waarin zij worden uitgezonden, doorgaans toch een zekere programmatische eenheid daarmee vertonen, en dat zij langer duren dan reclameboodschappen - $more time consuming' zijn - doordat zij show- of spelelementen bevatten), of
b) als een toelichting of beperking is bedoeld (in de zin van artikel 12 van het bestreden besluit), in die zin, dat de mogelijkheid om de reclamezendtijd tot 20 % van de dagelijkse zendtijd uit te breiden, slechts geldt voor $aanbiedingen aan het publiek' stricto sensu en niet tevens voor andere vormen van reclame zoals $telepromoties', juist omdat deze missen wat voor een $aanbieding' typerend is? (C-320/94 en C-337/94)
2) Moet richtlijn 89/552/EEG, in het bijzonder artikel 17, lid 1, sub b, daarvan, aldus worden uitgelegd, dat zij een volstrekt verbod inhoudt van vormen van sponsoring waarbij de naam en/of het logo van de sponsor elders in het programma dan aan het begin en/of aan het eind wordt getoond (welk verbod, behoudens enkele afwijkingen, is opgenomen in artikel 4 van het bestreden besluit), dan wel aldus, dat herhaalde vermeldingen van de sponsor ook in het programma zelf zijn toegestaan?" (C-320/94, C-328/94, C-329/94, C-337/94, C-338/94 en C-339/94)
16 Bij beschikking van de president van het Hof van 9 februari 1995 zijn de zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
De eerste vraag
De ontvankelijkheid
17 De Coordinamento delle associazioni per la difesa dell'ambiente e dei diritti degli utenti e consumatori (hierna: "Codacons"), l'Associazione Utenti Radiotelevisivi (hierna: "AUR") en de Federazione Italiana Editori Giornali (hierna: "FIEG"), interveniënten in het hoofdgeding, zijn van mening, dat de eerste vraag van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk is.
18 Om te beginnen achten AUR, Codacons en FIEG uitlegging van artikel 18, lid 1, van de richtlijn niet noodzakelijk voor de beslechting van het geding, omdat de Lid-Staten de mogelijkheid hebben om voor de onder hun bevoegdheid ressorterende televisie-omroeporganisaties strengere of meer gedetailleerde voorschriften op het onder die bepaling vallende gebied vast te stellen.
19 Voorts verklaart FIEG, dat de argumenten die voor de verwijzende rechter zijn aangevoerd, in wezen betrekking hebben op de nationale bepalingen bedoeld in artikel 9 quater van de Italiaanse wet nr. 483 houdende goedkeuring van besluitwet nr. 408/92, terwijl aan het Hof enkel vragen met betrekking tot het gemeenschapsrecht kunnen worden voorgelegd.
20 Allereerst zij eraan herinnerd, dat indien een vraag over de uitlegging van het Verdrag of van afgeleide handelingen van de instellingen van de Gemeenschap voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten wordt opgeworpen, deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof kan verzoeken over die vraag een uitspraak te doen.
21 In het kader van die verwijzingsprocedure is de nationale rechter de enige die rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding en die het best in staat is om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen (zie arresten van 29 november 1978, zaak 83/78, Redmond, Jurispr. 1978, blz. 2347, en 28 november 1991, zaak C-186/90, Durighello, Jurispr. 1991, blz. I-5773).
22 Wanneer de door de nationale rechterlijke instantie gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie arrest van 8 november 1990, zaak C-231/89, Gmurzynska-Bscher, Jurispr. 1990, blz. I-4003, r.o. 20).
23 Over een voor een nationale rechter opgeworpen prejudiciële vraag meent het Hof met name geen uitspraak te kunnen doen wanneer de uitlegging van het gemeenschapsrecht of het onderzoek naar de geldigheid van een gemeenschapsregel, waarom de nationale rechter verzoekt, geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding (zie arresten van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r.o. 6; Durighello, reeds aangehaald, r.o. 9, en 16 juli 1992, zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673, r.o. 18).
24 In casu moet erop worden gewezen, dat de vraag van de verwijzende rechter niet slechts de uitlegging van een handeling van de instellingen betreft, maar tevens duidelijk van belang is voor de oplossing van het hoofdgeding.
25 De eerste vraag moet dus ontvankelijk worden geacht.
Ten gronde
26 Vooraf moet erop worden gewezen, dat de richtlijn wel een definitie bevat van het begrip televisiereclame, maar niet van "rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog op verkoop, aankoop of verhuring van produkten of met het oog op het verrichten van diensten" en evenmin van "reclameboodschappen". De term "telepromotie" komt in de richtlijn in het geheel niet voor.
27 Vervolgens moet worden vastgesteld, in welk(e) geval(len) een Lid-Staat de zendtijd voor reclame van 15 tot 20 % van de dagelijkse zendtijd kan uitbreiden.
28 Daartoe dient te worden onderzocht, wat de juiste betekenis is van de zinsnede "vormen van reclame zoals de rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog op verkoop, aankoop en verhuring van produkten, of met het oog op het verrichten van diensten" in artikel 18, lid 1, tweede zin, van de richtlijn.
29 Uit het gebruik van het woord "zoals" blijkt, dat de gemeenschapswetgever "rechtstreekse aanbieding aan het publiek" slechts heeft willen noemen als voorbeeld van het type reclame dat aanleiding kan geven tot uitbreiding van de dagelijkse zendtijd. Had de wetgever de mogelijkheid voor de Lid-Staten om de maximale dagelijkse zendtijd voor reclame uit te breiden, strikt willen beperken tot het geval waarin de zendtijd voor reclame "rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek" omvat, zou hij dat immers uitdrukkelijk hebben gezegd.
30 Derhalve moet worden onderzocht, wat de specifieke kenmerken van die aanbiedingen zijn.
31 Rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek zijn uitzendingen waarin produkten worden getoond die rechtstreeks per telefoon, per post of langs elektronische weg kunnen worden besteld en bij de kijkers thuis worden bezorgd. Voorts zijn programma's met rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek van aanzienlijk langere duur dan reclameboodschappen, waarbij het doorgaans gaat om zeer korte, uiterst suggestieve reclamevormen, die meestal groepsgewijs met wisselende tussenpozen gedurende of tussen de programma's worden uitgezonden en vervaardigd zijn door de leveranciers van de produkten of de diensten dan wel hun agenten, en niet door de omroeporganisaties zelf.
32 Van genoemde kenmerken lijkt enkel de langere duur van "rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek", die verband houdt met de wijze van presentatie van dit type reclame, een rechtvaardiging te zijn voor de mogelijkheid van zendtijduitbreiding, en wel om ze niet in het nadeel te brengen ten opzichte van reclameboodschappen. De omstandigheid dat de produkten vervolgens per telefoon, per post of ook langs elektronische weg kunnen worden besteld, heeft immers geen enkel belang voor de zendtijduitbreiding, omdat het bestellen van de produkten een verrichting is die volledig los staat van de televisiepresentatie waarom het in de betrokken bepaling gaat.
33 Deze analyse wordt overigens bevestigd bij lezing van de toelichting bij het Europees Verdrag over grensoverschrijdende televisie van 5 mei 1989, dat gelijktijdig met de richtlijn werd voorbereid en waarnaar in de considerans van de richtlijn wordt verwezen. Volgens punt 168 van die toelichting is de mogelijkheid om de maximumzendtijd voor reclame tot 20 % uit te breiden, zoals voorzien in artikel 12 van het verdrag - een bepaling waarvan de tekst identiek is met die van artikel 18, lid 1, van de richtlijn -, gerechtvaardigd door de noodzaak rekening te houden met de ontwikkeling van nieuwe reclamevormen zoals telewinkelen, die doorgaans meer tijd in beslag nemen dan de klassieke reclameboodschappen.
34 De in artikel 18, lid 1, tweede zin, geboden mogelijkheid om het percentage van de zendtijd voor reclame uit te breiden tot 20 % van de dagelijkse zendtijd, kan dus eveneens worden gebruikt voor reclamevormen die, zonder "aanbiedingen aan het publiek" te zijn, toch evenals deze en door hun wijze van presentatie meer tijd in beslag nemen dan reclameboodschappen.
35 Waar uit de tekst van de eerste vraag en uit de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen blijkt, dat telepromotie een vorm van reclame is die door de wijze van presentatie meer tijd in beslag neemt dan reclameboodschappen, kan daarvoor in beginsel gebruik worden gemaakt van de in artikel 18, lid 1, van de richtlijn geboden mogelijkheid om de dagelijkse reclamezendtijd uit te breiden.
36 Wel moet worden beklemtoond, dat artikel 18, lid 1, tweede zin, de Lid-Staten geenszins verplicht de dagelijkse reclamezendtijd uit te breiden. Zo zij al gebruik zouden willen maken van de door die bepaling geboden mogelijkheid, zijn zij evenzo vrij, dat uitsluitend te doen voor bepaalde "more time consuming" reclamevormen. Waar artikel 19 van de richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten "voor de zendtijd en de aard van de televisie-uitzending van de onder hun bevoegdheid ressorterende televisie-omroeporganisaties strengere voorschriften mogen vaststellen dan bedoeld in artikel 18", moet het immers aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten strengere regels kunnen vaststellen ter bepaling van de reclamevormen die voor de in artikel 18, lid 1, tweede zin, bedoelde extra zendtijd in aanmerking komen, mits die regels verenigbaar zijn met de verdragsbepalingen.
37 Uit het voorgaande volgt, dat de richtlijn, en in het bijzonder de artikelen 1, sub b, en 18, aldus moet worden uitgelegd, dat in het kader van de gemeenschapsregeling de uitdrukking "vormen van reclame zoals de rechtstreekse aanbieding aan het publiek" in artikel 18, wat de mogelijkheid betreft om de maximale dagelijkse zendtijd voor reclame tot 20 % uit te breiden, de functie van voorbeeld heeft, zodat zij ook betrekking kan hebben op andere vormen van reclame, zoals "telepromoties", die evenals "rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek" door hun wijze van presentatie meer tijd in beslag nemen dan reclameboodschappen.
De tweede vraag
De ontvankelijkheid
38 AUR en Codacons zijn van mening, dat de uitlegging van artikel 17, lid 1, sub b, van de richtlijn niet noodzakelijk is voor de beslechting van het geding, omdat de Lid-Staten de mogelijkheid hebben om voor de onder hun bevoegdheid ressorterende televisie-omroeporganisaties strengere of meer gedetailleerde voorschriften vast te stellen, met name op het onder die bepaling vallende gebied.
39 Verder zijn zij van mening, dat de Italiaanse wettelijke regeling minder beperkingen bevat dan die van de richtlijn, omdat de naam en het logo van de sponsor ook in aankondigingen en afkondigingen van het programma mogen worden vermeld alsmede gedurende ten hoogste vijf seconden tijdens dagelijkse uitzendingen die ten minste 40 minuten duren. Verzoeksters in het hoofdgeding hebben volgens AUR en Codacons dus geen enkel belang bij betwisting van de in geding zijnde regeling, waartegen overigens incidentele beroepen zijn ingesteld door de in het hoofdgeding interveniërende verenigingen, die bezwaar maken tegen de buitensporige toename van de televisiereclame.
40 Wat de vraag betreft, of uitlegging van artikel 17, lid 1, sub b, van de richtlijn noodzakelijk is, moet het betoog van AUR en Codacons worden verworpen om dezelfde redenen als reeds in de rechtsoverwegingen 20 tot en met 24 van dit arrest zijn uiteengezet.
41 De vraag of verzoeksters in het hoofdgeding er belang bij hebben om tegen besluit nr. 581/93 op te komen, behoort tot de bevoegdheid van de nationale rechter, ook indien zij eerst beantwoord zou kunnen worden nadat de richtlijn is uitgelegd.
42 De tweede vraag moet derhalve ontvankelijk worden geacht.
Ten gronde
43 Met betrekking tot de uitlegging die aan artikel 17, lid 1, sub b, van de richtlijn moet worden gegeven, zij opgemerkt dat niets in de bewoordingen van die bepaling erop wijst, dat de gemeenschapswetgever de sponsoring enkel aan het begin en/of aan het eind van de programma's vermeld wenste te zien.
44 De conclusie dat deze bepaling wat de vermelding van de naam en/of het logo van de sponsor betreft, slechts een minimumvereiste inhoudt, wordt bevestigd door het feit dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie (PB 1986, C 179, blz. 4), waarin de vermelding van de sponsor uitdrukkelijk werd beperkt tot het begin en het eind van het programma, niet is aanvaard, ondanks het feit dat het Europees Parlement niet slechts op 20 januari 1988 met het voorstel instemde (PB 1988, C 49, blz. 53), maar ook in tweede lezing heeft getracht de oorspronkelijke bepaling door middel van een amendement weer in de tekst op te nemen (PB 1989, C 158, blz. 138).
45 Hoewel artikel 17, lid 1, sub b, dus niet belet, dat de naam en/of het logo van de sponsor in de loop van het programma wordt vermeld, dient er wel aan te worden herinnerd, dat gesponsorde televisieprogramma's volgens die bepaling in geen geval mogen aansporen tot aankoop of verhuring van produkten of diensten van de sponsor of van derden, in het bijzonder door specifieke aanprijzingen van die produkten of diensten.
46 Verder moet worden beklemtoond, dat de Lid-Staten ingevolge artikel 3, lid 1, van de richtlijn de mogelijkheid hebben om voor de onder hun bevoegdheid ressorterende televisie-omroeporganisaties strengere of meer gedetailleerde voorschriften vast te stellen op de gebieden die onder de richtlijn vallen. Dit betekent, dat ook al verbiedt artikel 17, lid 1, sub b, de vermelding van de naam en/of het logo van de sponsor in de loop van het programma niet, de Lid-Staten voor onder hun bevoegdheid ressorterende televisie-omroeporganisaties strengere regels kunnen vaststellen, voor zover die regels geen afbreuk doen aan de door het EG-Verdrag gewaarborgde vrijheden en met name niet aan het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van goederen.
47 Uit het voorgaande volgt, dat de richtlijn, en in het bijzonder artikel 17, lid 1, sub b, aldus moeten worden uitgelegd, dat zij de vermelding van de naam en/of het logo van de sponsor op andere momenten dan het begin en/of het eind van het programma niet verbiedt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 De kosten door de Italiaanse, de Griekse, de Oostenrijkse en de Portugese regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale amministrativo regionale del Lazio bij beschikking van 19 oktober 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, en in het bijzonder de artikelen 1, sub b, en 18, moet aldus worden uitgelegd, dat in het kader van de gemeenschapsregeling de uitdrukking "vormen van reclame zoals de rechtstreekse aanbieding aan het publiek" in artikel 18, wat de mogelijkheid betreft om de maximale dagelijkse zendtijd voor reclame tot 20 % uit te breiden, de functie van voorbeeld heeft, zodat zij ook betrekking kan hebben op andere vormen van reclame zoals "telepromoties" die evenals "rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek" door hun wijze van presentatie meer tijd in beslag nemen dan reclameboodschappen.
2) Richtlijn 89/552, en in het bijzonder artikel 17, lid 1, sub b, moet aldus worden uitgelegd, dat zij de vermelding van de naam en/of het logo van de sponsor op andere momenten dan aan het begin en/of aan het eind van het programma niet verbiedt.
Full & Egal Universal Law Academy