Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Vervoer ° Wegvervoer ° Sociale bepalingen ° Afwijkingen ° Voertuigen van diensten van vuilnisophaling ° Begrip
(Verordening nr. 3820/85 van de Raad, art. 4, sub 6)
2. Vervoer ° Wegvervoer ° Sociale bepalingen ° Gebieden uitgesloten van werkingssfeer van verordening nr. 3820/85 ° Bevoegdheid van Lid-Staten om rijtijden te regelen
(Verordening nr. 3820/85 van de Raad)
Samenvatting
1. Artikel 4, sub 6, van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, moet, wanneer het onder de categorieën van vervoer die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de verordening, het vervoer noemt dat plaatsvindt met "voertuigen van de diensten van de vuilnisophaling", aldus worden uitgelegd, dat het betrekking heeft op voertuigen die worden gebruikt voor het ophalen van allerlei soorten vuilnis dat niet onder een meer specifieke regeling valt alsmede voor het vervoer ervan in de nabije omgeving, in het kader van een algemene dienst van openbaar belang, die rechtstreeks door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen wordt verricht.
2. Op gebieden die niet onder verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer vallen, blijven de Lid-Staten bevoegd om regelingen op het gebied van de rijtijden vast te stellen.
Partijen
In zaak C-335/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Amtsgericht Recklinghausen (Duitsland), in het geding, aldaar tegen de oplegging van een geldboete aanhangig gemaakt door
H. W. Mrozek
en
B. Jaeger,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4, sub 6, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door W. Okresek, Ministerialrat bij het Bundeskanzleramt ° Verfassungsdienst, als gemachtigde,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Nicoll, van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door N. Paines, Barrister,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. zur Hausen, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door N. Green, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. zur Hausen, ter terechtzitting van 30 november 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 januari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 31 oktober 1994, ingekomen ten Hove op 28 december daaraanvolgend, heeft het Amtsgericht Recklinghausen krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4, sub 6, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 1; hierna: de "verordening").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding, tegen de oplegging van een geldboete aanhangig gemaakt door Mrozek en Jaeger, die ervan worden verdacht de Duitse regeling inzake de werktijd van bestuurders te hebben overtreden.
3 In de afdelingen IV en V van de verordening is de duur van de rij- en rusttijden geregeld. Artikel 4 van de verordening bepaalt echter:
"Deze verordening is niet van toepassing op vervoer met:
(...)
6) voertuigen van de rioleringsdiensten, de diensten ter bescherming tegen overstromingen, of van de diensten van de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de gemeentereiniging, de vuilnisophaling, de telegraaf en telefoon, de postzendingen, de radio-omroep, de televisie en de opsporing van radio- en televisiezend- en ontvangtoestellen;
(...)"
4 Mrozek en Jaeger zijn als opzichter in dienst bij de vennootschap Rethmann Entsorgungswirtschaft (hierna: "Rethmann") te Marl (Duitsland) en zijn verantwoordelijk voor de indeling van de verschillende chauffeurs van de onderneming in ploegen alsmede voor de ritten. De arbeidsinspectie, het Staatliches Gewerbeaufsichtsamt Recklinghausen, legde hun geldboetes op, omdat zij de werktijden van de bestuurders niet hadden ingedeeld overeenkomstig de Ausfuehrungsverordnung zur Arbeitszeitordnung.
5 Het betrokken vervoer betrof, in de eerste plaats, bijzonder huishoudelijk afval, zoals droge batterijen en chemicaliën, en, in de tweede plaats, industrieel afval. Voor huishoudelijk afval heeft Rethmann met bepaalde gemeenten of districten lange-termijncontracten gesloten. Zij verzorgt niet alleen de ophaling van het afval, waartoe zij op bepaalde data containers ter beschikking van de bewoners stelt, maar zorgt eveneens voor de sortering en de definitieve verwijdering ervan.
6 In het tegen deze boetes voor het Amtsgericht Recklinghausen ingestelde beroep betogen Mrozek en Jaeger, dat het vervoer had plaatsgevonden met "voertuigen van de diensten van de vuilnisophaling" in de zin van artikel 4, sub 6, van de verordening, zodat het was vrijgesteld van de door de verordening opgelegde verplichtingen. Voorts stelden zij, dat de in de communautaire regeling opgenomen uitzondering tevens de mogelijkheid uitsloot, dat het nationale recht voorschriften op het gebied van de rijtijden bevatte.
7 Het Amtsgericht Recklinghausen heeft derhalve besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Hoe moet het begrip vuilnisophaling in artikel 4, sub 6, van verordening (EEG) nr. 3820/85 worden uitgelegd?
a) Betreft het hier enkel de ophaling van huishoudelijk afval of omvat het ook het vervoer van industrieel afval?
b) Met betrekking tot huishoudelijk afval:
aa) Valt bijzonder huishoudelijk afval zoals batterijen, verf en oplosmiddelen ook onder de uitzondering van artikel 4, sub 6, van verordening (EEG) nr. 3820/85?
bb) Geldt deze uitzondering enkel voor kort vervoer binnen een gemeente, inzonderheid het vervoer van deur tot deur, of ook voor langer vervoer, bij voorbeeld naar een verder afgelegen stortplaats?
cc) Valt het vervoer ook onder artikel 4, sub 6, van de verordening, wanneer particuliere ondernemingen in opdracht van de gemeente het vuilnis ophalen?
c) Indien ook het vervoer van industrieel afval onder dat begrip valt:
aa) Geldt dit voor het vervoer van industrieel afval van welke aard dan ook?
bb) Valt in dat geval ook langer vervoer, bij voorbeeld naar stortplaatsen, onder artikel 4, sub 6, van de verordening?
d) Vallen ook ritten met lege voertuigen, bij voorbeeld de terugrit van de stortplaats zonder vracht, onder artikel 4, sub 6, van de verordening?
e) Vallen daaronder ook ritten ter voorbereiding van vervoer, bij voorbeeld voor de uitwisseling van voertuigen of opleggers tussen verschillende vestigingen van de onderneming?
2) Hoe verhoudt de uitzondering van artikel 4, sub 6, van verordening (EEG) nr. 3820/85 zich tot nationale regelingen inzake rijtijden?
a) Wanneer een rit onder de uitzondering van artikel 4, sub 6, van de verordening valt, kunnen nationale regelingen de rijtijd dan toch nog beperken?
b) Of zijn op dergelijk vervoer ook nationale regelingen als bij voorbeeld de Arbeitszeitordnung of de Ausfuehrungsverordnung zur Arbeitszeitordnung niet van toepassing?"
De eerste vraag
8 Met deze vraag verzoekt de nationale rechter in wezen om een definitie van het begrip "voertuigen van de diensten van de vuilnisophaling", als bedoeld in artikel 4, sub 6, van de verordening.
9 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat artikel 4 van de verordening een opsomming geeft van bepaalde categorieën vervoer die van de werkingssfeer ervan zijn uitgesloten. Als afwijking van de algemene regeling kan artikel 4 daarom niet aldus worden uitgelegd, dat de gevolgen ervan verder gaan dan noodzakelijk is ter vrijwaring van de belangen die het beoogt te beschermen. Bovendien moet de draagwijdte van de toegestane afwijkingen worden bepaald in het licht van de doelstelling van de verordening (zie arrest van 25 juni 1992, zaak C-116/91, British Gas, Jurispr. 1992, blz. I-4071, r.o. 12).
10 Aangaande de belangen die artikel 4, sub 6, van de verordening beoogt te beschermen, dient te worden opgemerkt dat de in die bepaling voorziene afwijkingen zijn gebaseerd op de aard van de diensten waarvoor de voertuigen worden gebruikt. Dienaangaande blijkt uit de opsomming in artikel 4, punt 6, van de verordening, dat de in die bepaling bedoelde diensten alle algemene diensten van openbaar belang zijn (arrest British Gas, reeds aangehaald, r.o. 13).
11 Blijkens de eerste overweging van de considerans van de verordening beoogt deze de concurrentievoorwaarden te harmoniseren en de arbeidsvoorwaarden en de verkeersveiligheid te verbeteren.
12 Gelet op deze doelstellingen, in het bijzonder die betreffende de verbetering van de verkeersveiligheid, moet het begrip "vuilnisophaling" aldus worden uitgelegd, dat het enkel betrekking heeft op het ophalen van vuilnis vanaf een plaats waar dit is gedeponeerd. De voertuigen die voor deze werkzaamheid worden gebruikt, verplaatsen zich over een korte afstand en gedurende korte tijd, waarbij het vervoer ondergeschikt aan de vuilnisophaling blijft. Vervoer van vuilnis, dat deze kenmerken niet vertoont, kan niet onder de uitzondering vallen. De nationale rechter dient in elk bij hem aanhangig geding te bepalen, of dit het geval is.
13 Aangezien de in artikel 4, sub 6, bedoelde diensten van algemeen belang zijn, moet de vuilnis waarop de betrokken activiteit betrekking kan hebben, worden omschreven als afval van zowel huishoudelijke als industriële aard alsmede bijzonder afval, wanneer de ophaling ervan beantwoordt aan het algemeen belang. Deze uitlegging is voorts in overeenstemming met de beoogde harmonisatie van de concurrentievoorwaarden, zonder evenwel in de weg te staan aan de toepassing van meer specifieke bepalingen betreffende bepaalde soorten afval, zoals artikel 13, lid 1, sub d, van de verordening, dat betrekking heeft op het vervoer van slachtafvallen.
14 Binnen de aldus omschreven grenzen vallen ook ritten met lege voertuigen alsmede ritten in het kader van de voorbereiding van vervoer, onder artikel 4, sub 6, van de verordening.
15 Tot slot is het niet noodzakelijk dat de betrokken voertuigen, om onder de uitzondering te kunnen vallen, rechtstreeks door overheidsinstanties worden gebruikt. Verordening nr. 3820/85 beoogt een versoepeling van verordening (EEG) nr. 543/69 van de Raad van 25 maart 1969 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1969, L 77, blz. 49). Anders dan de bepaling die het vervangt, te weten artikel 4, sub 4, van verordening nr. 543/69, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2827/77 van de Raad van 12 december 1977 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 543/69 (PB 1977, L 334, blz. 1), verwijst artikel 4, sub 6, van verordening nr. 3820/85 niet meer naar "door andere overheidsinstanties voor openbare diensten gebruikte voertuigen". Deze tekstuele wijziging heeft tot gevolg, dat de afwijking zowel kan worden gebruikt door overheidsinstanties als door particuliere ondernemingen die, onder toezicht van die instanties, een algemene dienst van openbaar belang verrichten.
16 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat het begrip "voertuigen van de diensten van de vuilnisophaling" in artikel 4, sub 6, van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat het betrekking heeft op voertuigen die worden gebruikt voor het ophalen van allerlei soorten vuilnis dat niet onder een meer specifieke regeling valt alsmede voor het vervoer ervan in de nabije omgeving, in het kader van een algemene dienst van openbaar belang, die rechtstreeks door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen wordt verricht.
De tweede vraag
17 Met deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de nationale regelingen inzake rijtijden van toepassing kunnen zijn op gebieden die van de werkingssfeer van de communautaire regeling zijn uitgesloten, zoals die genoemd in artikel 4, sub 6, van de verordening.
18 Artikel 4 van de verordening sluit op algemene wijze bepaald vervoer van de communautaire regeling uit. Voor dit vervoer beoogt de verordening geen harmonisatie van de bepalingen van sociale aard, zodat de Lid-Staten de bevoegdheid om dit vervoer te regelen hebben behouden.
19 Deze uitlegging wordt versterkt door de veertiende overweging van de considerans van de verordening, die bepaalt dat deze regeling geen afbreuk kan doen aan de nationale voorschriften die de bestuurder verplichten het voertuig slechts zolang te besturen als hij dit in volledige veiligheid kan doen.
20 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord dat, op gebieden die niet onder de verordening vallen, de Lid-Staten bevoegd blijven om regelingen op het gebied van de rijtijden vast te stellen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 De kosten door de Oostenrijkse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Amtsgericht Recklinghausen bij beschikking van 31 oktober 1994 gestelde prejudiciële vragen, verklaart voor recht:
1) Het begrip "voertuigen van de diensten van de vuilnisophaling" in artikel 4, sub 6, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, moet aldus worden uitgelegd, dat het betrekking heeft op voertuigen die worden gebruikt voor het ophalen van allerlei soorten vuilnis dat niet onder een meer specifieke regeling valt alsmede voor het vervoer ervan in de nabije omgeving, in het kader van een algemene dienst van openbaar belang, die rechtstreeks door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen wordt verricht.
2) Op gebieden die niet onder verordening (EEG) nr. 3820/85 vallen, blijven de Lid-Staten bevoegd om regelingen op het gebied van de rijtijden vast te stellen.
Full & Egal Universal Law Academy