Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Lid-Staten ° Verplichtingen ° Verplichting tot bestraffing van overtredingen van gemeenschapsrecht ° Draagwijdte
(EG-Verdrag, art. 5; EGKS-Verdrag, art. 86)
2. Lid-Staten ° Verplichtingen ° Verplichting tot bestraffing van overtredingen van gemeenschapsrecht ° Sanctie op overtreding van communautaire douanebepalingen ° Inbreuk gepleegd bij invoer van produkten van oorsprong uit derde land dat nadien in communautair douanegebied is opgenomen ° Bevoegdheid van nationale rechterlijke instanties
Samenvatting
1. Ingevolge artikel 86 EGKS-Verdrag en artikel 5 EG-Verdrag zijn de Lid-Staten gehouden, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren, wanneer een gemeenschapsregeling geen specifieke sanctie stelt op overtreding van de bepalingen ervan, of daarvoor verwijst naar nationale bepalingen. Daartoe dienen de Lid-Staten erop toe te zien, dat overtredingen van de gemeenschapsregeling onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij weliswaar vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, doch deze moeten hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
2. Een uitbreiding van het communautair douanegebied, zoals deze is voortgevloeid uit de Duitse eenwording of als gevolg van de toetreding van een nieuwe Lid-Staat, kan tot gevolg hebben, dat een produkt dat voordien van oorsprong was uit een derde land, de hoedanigheid van communautair produkt verkrijgt, maar dat betekent niet dat de invoer ervan, toen deze uitbreiding daadwerkelijk tot stand kwam, kon geschieden zonder dat de voor de handel met derde landen voorziene communautaire bepalingen werden nageleefd. Een dergelijke uitbreiding is een nieuw materieel feit, dat niet tot gevolg heeft, dat zij de Lid-Staten ontslaat van hun verplichting, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het ten tijde van de feiten geldende gemeenschapsrecht te verzekeren, en kan de nationale rechterlijke instanties dus niet beletten, overtredingen van de op de dag van invoer geldende communautaire voorschriften onder gelijke materiële en formele voorwaarden te bestraffen als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht, doch de sancties moeten hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
Inzonderheid staan de communautaire douanebepalingen die na de eenwording van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek van toepassing zijn geworden, niet eraan in de weg, dat het feit dat in een Lid-Staat produkten van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek waren ingevoerd, doch waren aangegeven als van oorsprong uit een ander land, na deze eenwording eventueel wordt geherkwalificeerd in het nationale recht om overtredingen van de ten tijde van het feit geldende communautaire voorschriften te bestraffen.
Partijen
In zaak C-341/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Cour d' appel de Paris, in de aldaar dienende strafzaak tegen
A. Allain,
in tegenwoordigheid van
Steel Trading France SARL, als burgerlijk aansprakelijke partij,
om een prejudiciële beslissing over de gevolgen van de eenwording van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek voor het goederenverkeer tussen het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek en de rest van het douanegebied van de Gemeenschap, in verband met een eventuele strafrechtelijke herkwalificatie van de feiten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Martinet, secretaris buitenlandse zaken bij dezelfde directie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Allain, vertegenwoordigd door G. Senusson, advocaat te Parijs, de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Martinet, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Nolin, ter terechtzitting van 25 januari 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 20 december 1994, ingekomen bij het Hof op 30 december daaraanvolgend, heeft de Cour d' appel de Paris krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de gevolgen van de eenwording van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek voor het goederenverkeer tussen het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek en de rest van het douanegebied van de Gemeenschap, in verband met een eventuele strafrechtelijke herkwalificatie van de feiten.
2 In 1985 en 1986 voerde de vennootschap Steel Trading France (hierna: "Steel Trading"), een te Nantes gevestigde import- en distributieonderneming van ijzer- en staalprodukten, waarvan Allain directeur was, stalen balken en platen in Frankrijk in, die zij aangaf als afkomstig uit Joegoslavië. Bij nationale en internationale douaneonderzoeken kwam evenwel vast te staan, dat de goederen van oorsprong waren uit de Duitse Democratische Republiek.
3 Na deze bevindingen stelde de douane in november 1990 tegen Allain en Steel Trading strafvervolging in wegens valse verklaringen van oorsprong ter ontduiking van het invoerverbod op deze goederen en van de betaling van de verschuldigde rechten. Naar Frans douanerecht is de "invoer zonder aangifte van verboden goederen" in de zin van de artikelen 414, eerste alinea, 423 tot en met 427 en 38 van de Code des douanes, strafbaar (artikelen 414, eerste alinea, 437, eerste alinea, en 438 van die code).
4 Bij vonnis van 21 maart 1991 veroordeelde het Tribunal de grande instance de Nantes Allain tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en, hoofdelijk met Steel Trading, tot betaling van een boete van 73 551 080 FF en een bedrag van 73 551 080 FF in de plaats van verbeurdverklaring van de goederen waarmee het bedrog was gepleegd.
5 Allain ging van deze beslissing zowel in eigen naam als namens Steel Trading in hoger beroep bij de Cour d' appel de Rennes, die de beslissing bij arrest van 21 januari 1992 bevestigde.
6 Op het beroep tot cassatie van Allain en Steel Trading vernietigde de strafkamer van de Franse Cour de cassation voornoemd arrest bij arrest van 2 juni 1993 in alle onderdelen op grond van de volgende overwegingen:
"toen de douanevervolging werd ingesteld, waren de communautaire bepalingen inzake onder meer het vrije verkeer van goederen op het douanegebied van de Europese Economische Gemeenschap en die inzake het verbod van alle beperkingen of maatregelen van gelijke werking, door de eenwording van de DDR en de BRD bij het op 3 oktober 1990 in werking getreden verdrag van 31 augustus 1990, op Oostduits grondgebied van toepassing geworden;
de Cour d' appel heeft bovenbedoelde bepalingen miskend door aldus te beslissen, zonder, zelfs ambtshalve, te onderzoeken, of als gevolg van deze gunstiger, rechtstreeks op de lopende vervolging toepasselijke communautaire bepalingen, het wettelijk element van de dagvaarding betreffende het verboden karakter van de goederen niet was gewijzigd, en, in voorkomend geval, of de feiten niet anders konden worden gekwalificeerd, in het bijzonder als bedoeld in artikel 410, tweede alinea, sub a, van de Code des douanes".
7 Artikel 410, eerste en tweede alinea, sub a, van de Franse Code des douanes luidt als volgt:
"1. Overtreding van de bepalingen van wetten en verordeningen die de douane moet toepassen, wordt gestraft met een boete van 20 000 FF, tenzij de onregelmatigheid elders in dit wetboek strenger wordt bestraft.
2. Onder het bepaalde in de voorgaande alinea vallen in het bijzonder: a) elke weglating of onjuistheid met betrekking tot vermeldingen die de aangiften dienen te bevatten, wanneer de onregelmatigheid geen invloed heeft op de toepassing van de rechten of de verbodsmaatregelen."
8 De zaak werd verwezen naar de Cour d' appel de Paris, die, alvorens uitspraak te doen, bij arrest van 20 december 1994 heeft besloten het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen:
"Staat de eenwording van de DDR en de BRD, waardoor de naar nationaal recht tegen A. Allain wegens invoer van verboden goederen ingestelde vervolging zonder voorwerp lijkt te zijn geraakt op grond van de terugwerkende kracht van de nieuwe, gunstiger wet, gelet op de communautaire douanebepalingen die daardoor van toepassing zijn geworden, in de weg aan een eventuele herkwalificatie van de feiten in het nationale recht, namelijk als valse aangifte van goederen, zoals de douane heeft geconcludeerd, of laat zij voor de douane geen andere mogelijkheid open dan, zonder verdere fiscale consequenties, uitsluitend betaling van de ontdoken rechten te vorderen, zoals verweerders betogen?"
De ontvankelijkheid
9 De Franse regering twijfelt aan de ontvankelijkheid van de vraag van de Cour d' appel de Paris, daar deze rechterlijke instantie het Hof van Justitie lijkt te verzoeken, de omstandigheden te beoordelen waaronder de Cour de cassation in een beginseluitspraak heeft ingestemd met de toepassing van het beginsel van terugwerkende kracht van de gunstiger strafwet op douanegebied, zulks in het bijzondere geval van de eenwording van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek.
10 Volgens de Franse regering zou het Hof van Justitie dus regels van nationaal recht moeten uitleggen, in casu een beginsel dat de Franse Conseil constitutionnel in besluit nr. 81-127-DC van 19 en 20 januari 1981 grondwettelijk heeft verklaard op basis van artikel 8 van de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger van 26 augustus 1789, dat is overgenomen in artikel 112-1 van de nieuwe Code pénal.
11 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht, dat het Hof van Justitie in het kader van artikel 177 EG-Verdrag niet bevoegd is om bij prejudiciële beslissing regels van intern recht uit te leggen (zie arrest van 19 maart 1964, zaak 75/63, Unger, Jurispr. 1964, blz. 371).
12 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt evenwel, dat de nationale rechter het noodzakelijk heeft geacht, het Hof een vraag te stellen over de uitlegging van de communautaire bepalingen die ingevolge de eenwording van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek van toepassing zijn geworden, op grond dat hij in voorkomend geval het in zijn nationale recht erkende beginsel van terugwerkende kracht van de gunstigste strafwet zou toepassen. Hij zou dus de nationale bepalingen inzake de vervolging wegens valse aangifte van goederen, als bedoeld in artikel 410, lid 2, sub a, van de Code des douanes, buiten toepassing laten, voor zover de communautaire douanebepalingen die ingevolge de Duitse eenwording van toepassing zijn geworden, in de weg zouden staan aan die vervolging om overtreding van de ten tijde van de feiten geldende communautaire regeling te bestraffen.
13 Mitsdien moet de gestelde vraag worden beantwoord, daar het aan de nationale rechter staat, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen (zie, in die zin, arrest van 23 februari 1995, gevoegde zaken C-358/93 en C-416/93, Bordessa e.a., Jurispr. 1995, blz. I-361, r.o. 10).
Ten gronde
14 Reeds in 1977 heeft de Commissie op grondslag van de artikelen 74 en 86 EGKS-Verdrag aanbeveling 77/328/EGKS van 15 april 1977 betreffende de bescherming tegen invoer die ernstig nadeel berokkent of dreigt te berokkenen aan de produktie in de gemeenschappelijke markt van overeenkomstige of rechtstreeks daarmee concurrerende goederen (PB 1977, L 114, blz. 4) geformuleerd en, op grondslag van artikel 74 EGKS-Verdrag, aanbeveling 77/330/EGKS van 15 april 1977 aan de regeringen van de Lid-Staten betreffende de instelling van een communautair toezicht op de invoer in de Gemeenschap van sommige onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende ijzer- en staalprodukten van oorsprong uit derde landen (PB 1977, L 114, blz. 15).
15 Dienaangaande blijkt uit de vierde overweging van de considerans van aanbeveling 77/330, dat "men voor het opstellen van gedetailleerde programmavooruitzichten de voornemens inzake invoer zo nauwkeurig mogelijk dient te kennen, en dat het voorts noodzakelijk is er op toe te zien dat de invoer, of de voorwaarden waaronder de invoer plaats vindt, geen ernstig nadeel dreigen te berokkenen aan de communautaire produktie". In de zesde overweging van de considerans van deze aanbeveling heette het, dat "het in die omstandigheden in het belang van de Gemeenschap is om tijdelijk de invoer in de Gemeenschap van sommige bijzonder gevoelige ijzer- en staalprodukten van oorsprong uit derde landen afhankelijk te stellen van de overlegging van een invoerdocument, gebaseerd op uniforme criteria".
16 Ten tijde van de feiten werd de Duitse Democratische Republiek voor de handel in onder het EGKS-Verdrag vallende produkten met andere Lid-Staten dan de Bondsrepubliek Duitsland, als een derde land beschouwd. De aanbevelingen die golden voor het communautaire toezicht, waren aanbeveling 41/85/EGKS van de Commissie van 4 januari 1985 betreffende het communautaire toezicht op de invoer van sommige onder het EGKS-Verdrag vallende ijzer- en staalprodukten van oorsprong uit derde landen, andere dan Spanje (PB 1985, L 7, blz. 5), en vervolgens aanbeveling 3658/85/EGKS van de Commissie van 23 december 1985 betreffende het communautaire toezicht op de invoer van sommige onder het EGKS-Verdrag vallende ijzer- en staalprodukten van oorsprong uit derde landen (PB 1985, L 348, blz. 32).
17 Artikel 1 van aanbeveling 41/85 bepaalde, dat de invoer in de Gemeenschap van de in bijlage III A en in bijlage III B genoemde onder het EGKS-Verdrag vallende ijzer- en staalprodukten van oorsprong uit derde landen, andere dan Spanje, afhankelijk werd gesteld van de afgifte van een invoerdocument. Artikel 1 van aanbeveling 3658/85 voorzag eveneens in de afgifte van dit document voor het in het vrije verkeer brengen van deze produkten, van oorsprong uit derde landen.
18 Blijkens artikel 2, lid 1, sub a, van de aanbevelingen 41/85 en 3658/85 diende de aanvraag van de importeur het land van oorsprong en het land van herkomst van de produkten te vermelden. Luidens artikel 2, lid 4, van deze aanbevelingen diende de importeur "de juistheid van zijn verzoek om een invoerdocument te staven".
19 Uit de antwoorden van de Franse regering op de vragen van het Hof blijkt, dat het Franse Ministerie van Buitenlandse handel op 7 maart 1985 een mededeling aan de importeurs van bepaalde produkten van oorsprong uit alle landen (JORF van 7 maart 1985, blz. 2848) heeft bekendgemaakt, om zich te voegen naar aanbeveling 41/85. Volgens hoofdstuk 4 van deze mededeling bleef de bijzondere regeling inzake het toezicht op produkten afkomstig uit de Duitse Democratische Republiek, van toepassing.
20 Voor de invoer van de betrokken produkten afkomstig uit dit land gold namelijk een bijzondere controleregeling in de vorm van invoervergunningen, overeenkomstig de mededelingen van het Ministerie van Industriële herstructurering en Buitenlandse handel aan de importeurs van bepaalde ijzer- en staalprodukten van oorsprong en afkomstig uit de Duitse Democratische Republiek (JORF van 29 december 1984, blz. 12168, en 5 maart 1986, blz. 3452).
21 In dit verband zij opgemerkt, dat de thans geldende communautaire voorschriften inzake toezicht op de invoer van bepaalde ijzer- en staalprodukten van oorsprong uit bepaalde derde landen, steeds de verplichting voor de importeur behelzen, het land van oorsprong en het land van herkomst van de ingevoerde goederen te vermelden [zie artikel 2 van verordening (EG) nr. 2914/95 van de Commissie van 18 december 1995 tot instelling van voorafgaand communautair toezicht op de invoer van bepaalde onder het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag vallende ijzer- en staalprodukten van oorsprong uit bepaalde derde landen (PB 1995, L 305, blz. 23)].
22 De aanbevelingen 41/85 en 3658/85 noch verordening nr. 2914/95 hebben evenwel specifieke sancties gesteld op overtreding van de bepalingen ervan.
23 Artikel 14, derde alinea, EGKS-Verdrag luidt als volgt: "De aanbevelingen zijn verbindend ten aanzien van de daarin gestelde doeleinden, doch laten degenen, tot wie zij zijn gericht, de keuze van de middelen ter bereiking daarvan." Hoewel deze bepaling de Lid-Staten vrij laat bij de keuze van de middelen en wegen voor de uitvoering van een aanbeveling, doet deze vrijheid niet af aan de verplichting van elke Lid-Staat waartoe zij is gericht, in het kader van zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van aanbevelingen overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (zie in die zin, met betrekking tot richtlijnen, arrest van 10 april 1984, zaak 14/83, Von Colson en Kamann, Jurispr. 1984, blz. 1891, r.o. 15).
24 Ingevolge de artikelen 86 EGKS-Verdrag en 5 EG-Verdrag zijn de Lid-Staten gehouden, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren, wanneer een gemeenschapsregeling geen specifieke sanctie stelt op overtreding van de bepalingen ervan, of daarvoor verwijst naar nationale bepalingen. Daartoe dienen de Lid-Staten erop toe te zien, dat overtredingen van de gemeenschapsregeling onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij weliswaar vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, doch deze moeten hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (zie in die zin, met betrekking tot verordeningen, arrest van 26 oktober 1995, zaak C-36/94, Siesse, Jurispr. 1995, blz. I-3573, r.o. 20, en, met betrekking tot richtlijnen, arrest van 8 juni 1994, zaak C-382/92, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1994, blz. I-2435, r.o. 55).
25 De uit een aanbeveling voortvloeiende verplichting der Lid-Staten om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de verplichting der Lid-Staten krachtens artikel 86 EGKS-Verdrag, om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, gelden voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de Lid-Staten, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties (zie, voor richtlijnen, arrest Von Colson en Kamann, reeds aangehaald, r.o. 26).
26 De Commissie wijst erop, dat als gevolg van de eenwording van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek op 3 oktober 1990, het gemeenschapsrecht op het grondgebied van deze laatste automatisch van toepassing werd. In deze nieuwe communautaire context bleven de aangifteformaliteiten op douanegebied tussen de Lid-Staten van toepassing, doch hoofdzakelijk voor fiscale of statistische doeleinden dan wel in het kader van de artikelen 36 of 115 EEG-Verdrag.
27 Voorts is de Commissie van mening, dat deze formaliteiten per 1 januari 1993 met de verwezenlijking van de interne markt zijn afgeschaft, zodat een Lid-Staat bij de invoer van communautaire produkten op zijn grondgebied geen verklaring van oorsprong meer mag verlangen. Derhalve moet de nationale rechter beoordelen, welke gevolgen deze ontwikkeling, in samenhang met de uitbreiding van het douanegebied van de Gemeenschap tot het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek en gelet op de vereisten van het vrije goederenverkeer en van de interne markt, heeft kunnen hebben voor een eventuele strafrechtelijke herkwalificatie van feiten die zich vóór de eenwording hebben voorgedaan. Ter terechtzitting heeft de Franse regering zich bij dit standpunt aangesloten.
28 Evenwel moet worden beklemtoond, dat de uitbreiding van het communautair douanegebied door de eenwording van een Lid-Staat of de toetreding van nieuwe Lid-Staten, een nieuw materieel feit is, dat de Lid-Staten niet ontslaat van hun verplichting, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het ten tijde van de feiten geldende gemeenschapsrecht te verzekeren.
29 Een dergelijke uitbreiding heeft derhalve niet tot gevolg, dat zij de nationale rechterlijke instanties belet, overtredingen van de communautaire voorschriften onder gelijke materiële en formele voorwaarden te bestraffen als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht, met een sanctie die hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend is.
30 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat de communautaire douanebepalingen, die na de eenwording van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek van toepassing zijn geworden, niet in de weg staan aan een eventuele herkwalificatie van de feiten naar nationaal recht om overtredingen van de ten tijde van de feiten geldende communautaire voorschriften te bestraffen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Cour d' appel de Paris bij arrest van 20 december 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De communautaire douanebepalingen, die na de eenwording van de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek van toepassing zijn geworden, staan niet in de weg aan een eventuele herkwalificatie van de feiten in het nationale recht om overtredingen van de ten tijde van de feiten geldende communautaire voorschriften te bestraffen.
Full & Egal Universal Law Academy