Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van feiten ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 51)
2. Hogere voorziening ° Middelen ° Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 49 en 51; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
Samenvatting
1. Volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG kan de hogere voorziening alleen rechtsvragen betreffen en moet zij gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht. Een middel dat slechts de vaststelling van de feiten door het Gerecht betwist, is dus niet-ontvankelijk.
2. Uit artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG, juncto artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, het is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op door het Gerecht verworpen feiten, herhaalt of letterlijk overneemt, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG niet bevoegd is.
Partijen
In zaak C-26/94 P,
X, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te St. Gilles, Brussel, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Thiel, advocaat te Luxemburg, vervolgens door J.-M. Flagothier, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Thiel, Rue de la Loge 3,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het op 25 november 1993 door het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) in de gevoegde zaken T-89/91, T-21/92 en T-89/92 (Jurispr. 1993, blz. II-1235) gewezen arrest tussen X en de Commissie, en strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur G. Valsesia en A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebben te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco, D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris (rapporteur), R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 25 januari 1994 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft X krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het op 25 november 1993 door het Gerecht van eerste aanleg in de gevoegde zaken T-89/91, T-21/92 en T-89/92 (Jurispr. 1993, blz. II-1235) gewezen arrest tussen X en de Commissie, waarbij het Gerecht, in de eerste plaats, oordeelde dat in de zaken T-89/91 en T-21/92 geen uitspraak behoefde te worden gedaan en, in de tweede plaats, het beroep in zaak T-89/92 verwierp.
2 Blijkens de stukken strekte het door X in zaak T-89/91 ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van het bevorderingscomité om haar niet op de lijst van de voor het begrotingsjaar 1991 het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te plaatsen. Het beroep in zaak T-21/92 strekte tot nietigverklaring van een nota van de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer van 17 december 1991, waarbij requirante ervan op de hoogte werd gesteld, dat de bevorderingsprocedure voor haar zou worden heropend. Het beroep in zaak T-82/92 strekte tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie om bepaalde ambtenaren in het kader van het begrotingsjaar 1991 naar de rang B3 te bevorderen.
3 Blijkens het bestreden arrest heeft requirante in de loop van de procedure verklaard ervan uit te gaan, dat haar vordering in zaak T-89/92 de vorderingen in de zaken T-89/91 en T-21/92 omvatte. Onder die omstandigheden oordeelde het Gerecht, dat het in deze zaken geen uitspraak behoefde te doen, aangezien zij zonder voorwerp waren geraakt (r.o. 22 van het bestreden arrest). De hogere voorziening heeft geen betrekking op dit gedeelte van het arrest.
4 Wat zaak T-89/92 betreft, blijkt uit het bestreden arrest, dat requirante tot staving van haar beroep tot nietigverklaring één middel had aangevoerd, bestaande uit twee onderdelen, ontleend aan, in de eerste plaats, schending van artikel 45 Ambtenarenstatuut en van de "uitvoeringsbepalingen vervat in het besluit van de Commissie van 21 december 1970, zoals gewijzigd bij het besluit van 14 juli 1991" [lees: 1971], doordat verweerster had geweigerd de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen, onderling te vergelijken, en, in de tweede plaats, een kennelijke beoordelingsfout (r.o. 23).
5 Na verhoor van een getuige oordeelde het Gerecht, dat rechtens afdoende was aangetoond, dat het onderzoek van het bevorderingscomité dermate zorgvuldig was uitgevoerd, dat het voldeed aan de bepalingen van artikel 45 van het Statuut en aan de vereisten van het beginsel van goed bestuur (r.o. 47). Het Gerecht oordeelde voorts, dat het bevorderingscomité, welks conclusies aan het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag ten grondslag lagen, geen kennelijke beoordelingsfout had gemaakt (r.o. 51).
6 Het Gerecht verklaarde het door requirante aangevoerde middel derhalve ongegrond en verwierp het beroep in zaak T-89/92.
7 Blijkens haar conclusies in hogere voorziening verzoekt requirante het Hof thans om vernietiging van dit arrest van het Gerecht, voor zover daarbij het beroep in zaak T-89/92 is verworpen.
8 Tot staving van de hogere voorziening voert requirante een middel aan, ontleend aan schending van de bepalingen van artikel 45, lid 1, Ambtenarenstatuut en van de uitvoeringsbepalingen vervat in het besluit van de Commissie van 21 december 1970, zoals gewijzigd bij het besluit van 14 juli 1971, doordat het tot aanstelling bevoegd gezag, in de eerste plaats, heeft geweigerd de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen en de over hen opgestelde beoordelingsrapporten onderling te vergelijken, en, in de tweede plaats, een kennelijke fout heeft gemaakt bij de beoordeling van requirantes verdiensten, door zich te baseren op andere criteria dan in genoemd artikel voorzien. Requirante betwist hiermee het oordeel van het Gerecht, dat het bevorderingscomité de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen, onderling heeft vergeleken en geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
9 In haar memorie van antwoord verzoekt de Commissie het Hof, de hogere voorziening krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, omdat hierin slechts een in eerste aanleg aangevoerd middel wordt herhaald.
10 Er zij aan herinnerd, dat de hogere voorziening volgens artikel 49, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG gericht moet zijn tegen een beslissing van het Gerecht.
11 Volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG kan de hogere voorziening overigens alleen rechtsvragen betreffen en moet zij gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. Artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt, dat de hogere voorziening de tot staving van de conclusies aangevoerde middelen en argumenten rechtens moet vermelden.
12 Hieruit volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, het is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
13 Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op door het Gerecht verworpen feiten ° herhaalt of letterlijk overneemt, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van zijn Statuut-EEG niet bevoegd is (zie beschikking van 26 april 1993, zaak C-244/92 P, Kupka-Floridi, Jurispr. 1993, blz. I-2041, r.o. 7-10; arrest van 22 december 1993, zaak C-354/92 P, Eppe, Jurispr. 1993, blz. I-7027, r.o. 8, en beschikking van 7 maart 1994, zaak C-338/93 P, De Hoe, Jurispr. 1994, blz. I-819, r.o. 19).
14 In casu betwist requirante met het aangevoerde middel ten dele de vaststelling van het Gerecht, dat de jury de verdiensten van de kandidaten onderling heeft vergeleken en geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Voor het overige herhaalt zij slechts een reeds voor het Gerecht aangevoerd middel.
15 Onder die omstandigheden moet het aangevoerde middel en daarmee de hogere voorziening krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 Artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste blijven. Volgens artikel 122 van het Reglement geldt die bepaling echter niet, indien de hogere voorziening door een ambtenaar of een ander personeelslid van een instelling is ingesteld. In het kader van een dergelijke procedure moet artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast, volgens hetwelk de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen. Aangezien in deze zaak requirante in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten van deze instantie worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Requirante wordt verwezen in de kosten van deze instantie.
Luxemburg, 26 september 1994.
Full & Egal Universal Law Academy