Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Beschikking van Commissie, waarbij klacht betreffende schending van artikel 92 van Verdrag wordt afgewezen omdat aan de kaak gestelde maatregelen niet als staatssteun kunnen worden beschouwd
(EG-Verdrag, art. 92, 93 en 190)
2. Steunmaatregelen van de staten ° Onderzoek van klachten ° Verplichtingen van Commissie ° Eventuele organisatie van hoor en wederhoor met klager vanaf vooronderzoek
(EG-Verdrag, art. 93 en 100)
Samenvatting
1. Een beschikking waarbij de Commissie een klacht betreffende door een Lid-Staat aan een onderneming toegekende steun afwijst op grond van het feit dat de door de klager aan de kaak gestelde maatregelen geen steun in de zin van artikel 92 van het Verdrag opleveren, moet zodanig met redenen worden omkleed, dat daarin duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting komt, volgens welke redenering de Commissie daaraan de kwalificatie als steun heeft onthouden, ten einde de klager in staat te stellen de rechtvaardigingsgronden voor de afwijzing van zijn klacht te kennen teneinde zijn rechten te kunnen verdedigen en het Gerecht in staat te stellen de uitlegging en toepassing die de Commissie in het concrete geval aan het in het genoemde artikel bedoelde begrip staatssteun heeft gegeven, te toetsen.
Aan deze verplichting wordt niet voldaan door de motivering van een beschikking die is gegeven na een bijzonder lang onderzoek van een klacht welke aanvankelijk als geloofwaardig werd beschouwd, die zonder dat beroep wordt gedaan op een de-minimisregel een van de in de klacht aangevoerde grieven onvermeld laat, erkent dat met betrekking tot de sociale lasten een andere regeling geldt dan voor de ondernemingen die concurreren met de onderneming die steun zou ontvangen, maar niet verklaart waarom deze regeling geen staatssteun oplevert, en evenmin de eventueel door de overheid toegekende voordelen op het gebied van de huur van de aan deze onderneming ter beschikking gestelde bedrijfsruimten onderzoekt, hoewel deze voordelen in de klacht aan de kaak zijn gesteld, niet onderzoekt of, zoals in de klacht werd gekritiseerd, de diensten die de onderneming en de overheid over en weer verrichten, tegen de marktprijs in rekening worden gebracht, en ten slotte om het karakter van staatssteun aan een door de overheid verstrekte lening te ontzeggen, slechts opmerkt dat daarvoor rente wordt betaald, zonder te onderzoeken of het rentetarief al dan niet een voordeel oplevert voor de onderneming.
Dergelijke gebreken in de motivering kunnen niet worden gerechtvaardigd door de gestelde zwakte van de door de klager in zijn klacht aangevoerde elementen. Immers, het verzamelen van de noodzakelijke inlichtingen en gegevens om de juistheid van een klacht te onderzoeken die geloofwaardig lijkt, is voor de indiener van de klacht veel moeilijker dan voor de Commissie. De eerste ontmoet in het algemeen een tegenwerking van de administratie tegen wie hij een klacht wil indienen, terwijl de tweede over middelen beschikt die doeltreffender zijn en beter geschikt zijn om de inlichtingen in te winnen die noodzakelijk zijn voor een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek van de klacht, gedurende welk onderzoek zij, wanneer zij voornemens is de klacht af te wijzen zonder de klager in staat te stellen zich voor de vaststelling van de definitieve beschikking uit te spreken over de door haar ingewonnen gegevens, ambtshalve de grieven dient te onderzoeken die de klager zeker zou hebben aangevoerd, indien hij van deze gegevens kennis had kunnen nemen.
2. De verplichting van de Commissie om de beschikking waarbij zij een klacht betreffende door een Lid-Staat aan een onderneming toegekende steun afwijst op grond van het feit dat de door de klager aan de kaak gestelde maatregelen geen steun in de zin van artikel 92 van het Verdrag opleveren, kan onder bepaalde omstandigheden een hoor en wederhoor van de klager eisen, wanneer de Commissie, teneinde haar beoordeling van het karakter van een maatregel die door de indiener van de klacht als een steunmaatregel wordt aangemerkt, rechtens genoegzaam te rechtvaardigen, het standpunt van deze laatste betreffende de door haar in het kader van haar onderzoek verzamelde gegevens dient te kennen. In dergelijke omstandigheden vormt deze verplichting het noodzakelijke verlengstuk van de op de Commissie rustende verplichting om te zorgen voor een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek van het dossier, door alle noodzakelijke adviezen in te winnen, zonder dat dit prejudicieert op de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag.
Partijen
In zaak T-95/94,
Chambre syndicale nationale des entreprises de transport de fonds et valeurs (Sytraval), vennootschap naar Frans recht, en
Brink' s France SARL, vennootschap naar Frans recht,
vertegenwoordigd door J.-M. Payre, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin en B. Smulders, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door C. de Salins, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J.-M. Belorgey, chargé de mission bij dezelfde directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard du Prince Henri 9,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 31 december 1993, houdende afwijzing van het verzoek van verzoeksters dat de Commissie vaststelt dat de Franse Republiek, door steun te verlenen aan Sécuripost SA, inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 92 en 93 van het Verdrag,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Schintgen, C. P. Briët, R. García-Valdecasas en P. Lindh, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 26 april 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
1 Tot 1987 verzorgden de Franse posterijen (hierna: de "post") het vervoer van geld en waardepapieren met haar eigen interne diensten. In 1986 besloot de post een aantal activiteiten uit te oefenen door middel van commerciële maatschappijen. Aldus werd op 16 december 1986 de Société holding des filiales de la poste (hierna: "Sofipost") opgericht, die voor 99 % door de Franse Staat wordt gecontroleerd.
2 Op 16 april 1987 richtte Sofipost Sécuripost SA (hierna: "Sécuripost") op, die zij controleert voor 99,92 %. Doel van deze vennootschap is beveiligd vervoer van geld, bewaking en bescherming, alsmede surveillance. De post detacheerde meer dan 220 ambtenaren bij Sécuripost.
3 Bij privaatrechtelijke overeenkomst van 28 september 1987 droeg de post haar activiteiten op de hiervoor genoemde gebieden, die zij voordien zelf verrichtte, over aan Sécuripost. Sécuripost moest vervolgens haar cliënten en haar activiteiten uitbreiden.
4 Op 30 september 1987, werd tussen de minister van Posterijen en Telecommunicatie (hierna: "P en T") en Sécuripost een kaderovereenkomst gesloten.
5 Aan het eind van 1987 verstrekte Sofipost een voorschot van 5 000 000 FF aan Sécuripost. Deze lening is in de loop van het eerste half jaar van 1988 in het kapitaal opgenomen.
6 Op 1 januari 1988 verhoogde Sofipost het kapitaal van Sécuripost enerzijds door de inbreng van de op 19 225 000 FF geraamde nettowaarde van de sector activiteiten op het gebied van het geldtransport van de post, waarvoor een dochtermaatschappij was opgericht, en anderzijds door een inbreng van 9 775 000 FF in contant geld.
7 In de loop van het jaar 1989 verstrekte Sofipost een tweede lening, bij wege van voorschot, van 15 000 000 FF aan Sécuripost, die tegen de basisrentevoet, vermeerderd met een half procentpunt, zou zijn verleend.
8 Op 4 september 1989 dienden een aantal verenigingen en vennootschappen naar Frans recht, waaronder verzoeksters, bij de Commissie twee verzoeken in om een procedure in te leiden krachtens artikel 90, junctis de artikelen 85 en 86, EEG-Verdrag, respectievelijk tot vaststelling van inbreuken op de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag. Het onderhavige beroep heeft enkel betrekking op dit laatste verzoek.
9 Naar aanleiding van deze klacht verzocht de Commissie de Franse regering bij brief van 14 maart 1990 om opheldering.
10 De Franse regering antwoordde bij brief van 3 mei 1990.
11 Op 28 juni 1991 deelde de Commissie verzoeksters mee, dat hun klacht "een aantal belangrijke principiële vragen aan de orde stelt, die in casu door de betrokken diensten van de Commissie grondig moeten worden onderzocht".
12 Op 9 oktober 1991 deelde de Commissie verzoeksters nog eens mee, dat hun dossier "bijzonder ingewikkeld lijkt, waarbij vele technische analyses van het grote aantal door zowel de klagende ondernemingen als de Franse autoriteiten overgelegde documenten noodzakelijk zijn (...) Het was niet mogelijk om het onderzoek binnen de termijn die [zij hun] in haar brief van 28 juni 1991 had meegedeeld, af te ronden, doch dit is het gevolg van de ingewikkeldheid van het dossier en de daarmee samenhangende noodzaak om een besluit te nemen waarin rekening wordt gehouden met alle betrokken belangen."
13 Op 5 februari 1992, gaf de Commissie een beschikking, waarbij zij verzoeksters' klacht afwees. Daarin deelde zij onder meer mee:
"de Commissie is zich bewust van het feit dat het oprichten van een dochtermaatschappij voor de activiteiten van een openbaar bedrijf als de Franse post elementen van steun in de zin van het Verdrag in zich zou kunnen bergen. Daarom heeft gedurende het gehele onderzoek van dit dossier het criterium van de vergelijking van het aan de Franse Staat en Sécuripost verweten gedrag met het waarschijnlijke gedrag van een particuliere ondernemer in vergelijkbare omstandigheden ons als richtsnoer gediend. Bij de huidige stand van het dossier blijkt dat ofschoon Sécuripost stellig steun van de moedermaatschappij en de staat heeft ontvangen bij haar oprichting en haar installatie op de markt, toch niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van een steunmaatregel in de zin van de in artikel 92, lid 1, van het Verdrag gepreciseerde bewoordingen. In het bijzonder wil ik u meedelen dat de omstandigheden die op het eerste gezicht een onder artikel 92, lid 1, vallende steun aannemelijk maakten, door de Franse autoriteiten ° in voorkomend geval met bewijsstukken gestaafd ° zijn ontkend. Bijgevolg moet op basis van de beoordelingsgegevens waarover de Commissie beschikt, worden vastgesteld dat de handeling die tot de oprichting van Sécuripost heeft geleid, vergelijkbaar is met aan reorganisatie door een onderneming die besluit een dochtermaatschappij op te richten voor het afzonderlijke beheer van een sector van activiteiten."
14 Op 13 april 1992 stelden verzoeksters tegen deze beschikking bij het Hof van Justitie beroep tot nietigverklaring in.
15 Op 22 juni 1992 trok de Commissie haar beschikking van 5 februari 1992 in en het door verzoeksters ingestelde beroep werd, nadat zij afstand van instantie hadden gedaan, op 14 september 1992 doorgehaald.
16 Op 24 juli 1992 vulden verzoeksters de door hen bij de Commissie ingediende klacht aan.
17 Op 21 januari 1993 deelde de Commissie de partijen die een klacht hadden ingediend, mee dat zij de maatregelen van de Franse regering met betrekking tot Sécuripost onder nr. NN 5/93 had ingeschreven in het register van niet-aangemelde steunmaatregelen.
18 Op 26 maart 1993 gaf de Franse regering Sofipost toestemming Sécuripost te privatiseren.
19 Op 22 april 1993 dienden verzoeksters een nieuwe aanvullende klacht in.
20 Op 5 mei 1993 deelde de Commissie verzoeksters mee, dat zij had besloten het onderzoek van de zaak in twee onderdelen te splitsen, namelijk in een onderzoek voor en een onderzoek na de privatisering.
21 Op 11 oktober 1993 nodigden verzoeksters de Commissie krachtens artikel 175 EEG-Verdrag uit om op hun klacht van 4 september 1989 een beschikking te geven.
22 Op 31 december 1993 gaf de Commissie de bestreden beschikking, houdende afwijzing van het verzoek van verzoeksters dat de Commissie vaststelt dat de Franse Republiek, door steun te verlenen aan Sécuripost, inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 92 en 93 van het Verdrag.
23 Onder deze omstandigheden hebben verzoeksters bij op 2 maart 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift onderhavig beroep ingesteld.
24 Bij op 11 juli 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft de Franse regering verzocht, in de procedure te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
25 Bij beschikking van 15 september 1994 heeft de president van de Vierde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie toegestaan.
26 Het Gerecht (Vierde kamer ° uitgebreid) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
27 Ter terechtzitting van 26 april 1995 zijn partijen in hun pleidooien en hun antwoorden op mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.
Conclusies van partijen
28 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
° de beschikking van de Commissie van 31 december 1993 nietig te verklaren met alle gevolgen rechtens;
° de Commissie te verwijzen in de kosten.
29 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoeksters te verwijzen in de kosten.
30 De Franse regering ten slotte concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen.
Ten gronde
31 Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan: 1) schending van artikel 93, lid 2, van het Verdrag, aangezien de Commissie, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, ten onrechte zou hebben beslist om niet de in deze bepaling voorziene procedure in te leiden; 2) schending van verzoeksters' rechten van de verdediging, aangezien de Commissie in haar beschikking ° die bezwarend zou zijn voor verzoeksters ° stukken in aanmerking zou hebben genomen, die zij niet te hunner kennis zou hebben gebracht, zoals de opmerkingen van de Franse regering; 3) schending van artikel 190 EG-Verdrag, aangezien de Commissie in de bestreden beschikking niet zou hebben geantwoord op de door verzoeksters in hun klacht geformuleerde grieven betreffende de steunmaatregelen die zouden bestaan in de detachering van administratief personeel van de post bij Sécuripost, de terbeschikkingstelling van bedrijfsruimten van de post aan Sécuripost, de levering van brandstof en het onderhoud van de voertuigen tegen uitermate gunstige voorwaarden en de lening van 15 000 000 FF van Sofipost aan Sécuripost tegen een voorkeursrente; 4) kennelijk onjuiste beoordeling, gelet op de wijze waarop in de beschikking de verhoging van het kapitaal van Sécuripost met 9 775 000 FF, de door de post aan deze laatste verstrekte voorschotten op bestellingen en de door de post jegens haar toegepaste abnormale tarieven en garanties zijn behandeld.
32 Gelet op de processtukken is het Gerecht van mening, dat het zijn onderzoek dient toe te spitsen op het derde en het vierde middel gezamenlijk, ontleend aan de schending van artikel 190 van het Verdrag en de kennelijk onjuiste beoordeling.
De middelen: schending van artikel 190 van het Verdrag en kennelijk onjuiste beoordeling
Argumenten van partijen
° Schending van artikel 190 van het Verdrag
33 Verzoeksters stellen dat de Commissie de haar in artikel 190 van het Verdrag opgelegde verplichting tot motivering heeft geschonden, door niet op duidelijke en logische wijze aan te geven, van welke feitelijke en rechtelijke overwegingen zij is uitgegaan, en dat zij bijgevolg de belanghebbenden en het Gerecht niet in staat heeft gesteld om kennis te nemen van de voornaamste elementen van haar redenering om uit te maken of de beschikking gegrond is of niet. Zij beklemtonen dat de omvang van de motiveringsverplichting wordt bepaald door de context waarin de beschikking wordt gegeven en door de argumenten van partijen in de administratieve procedure (zie conclusie van advocaat-generaal Lenz bij arrest van 8 maart 1988, gevoegde zaken 62/87 en 72/87, Waalse Gewestexecutieve, Jurispr. 1988, blz. 1573, 1581). Zij betogen dat in casu de beschikking op vier belangrijke punten ontoereikend is gemotiveerd.
34 In de eerste plaats stellen zij dat de Commissie in de bestreden beschikking, wat de steun als gevolg van de detachering van administratief personeel bij Sécuripost betreft, slechts het rechtstreeks met de beloning en de sociale bijdragen verband houdende financiële voordeel heeft onderzocht, terwijl de partijen die een klacht hebben ingediend, in hun recapitulerende opmerkingen van 24 juli 1992 eveneens een bijzonder voordeel aan de kaak hadden gesteld, namelijk het feit dat de gedetacheerde ambtenaren op ieder moment weer ter beschikking van hun oorspronkelijke administratie kunnen worden gesteld, wanneer in de onderneming waarbij zij zijn gedetacheerd, personeelsinkrimpingen noodzakelijk blijken, en dat in dat geval geen enkele bijdrage aan de werkloosheidsfondsen of schadeloosstellingen en schadevergoedingen bij ontslag behoeven te worden betaald.
35 In de tweede plaats stellen verzoeksters, dat de Commissie de afwijzing van hun klacht niet rechtens genoegzaam met redenen heeft omkleed, voor zover deze klacht betrekking heeft op het feit dat aan Sécuripost tegen uitermate voordelige voorwaarden bedrijfsruimten ter beschikking zijn gesteld. Volgens de post worden haar bedrijfsruimten aan Sécuripost verhuurd "overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek inzake staatsdomeinen bij wege van een onzekere en herroepbare gebruiksovereenkomst". Deze prijzen zouden door de dienst domeinen zijn vastgesteld "onder verwijzing naar de prijzen die gelden voor bedrijfsruimten die in dezelfde geografische sector op dezelfde wijze worden gebruikt". De beschikking bevat echter geen enkele nadere precisering omtrent de toegepaste huurprijzen, terwijl de door de dienst domeinen toegepaste prijzen veel lager zijn dan die welke gelden voor bedrijfsruimten waartoe de concurrerende ondernemingen toegang hebben, hetgeen een steunmaatregel oplevert in de zin van artikel 92 van het Verdrag.
36 In de derde plaats herinneren verzoeksters eraan, dat zij in hun klacht hadden betoogd dat de voor de voertuigen van Sécuripost geleverde brandstof werd betaald met benzinebonnen van de post, waarvoor een tarief gold dat door een belastingverlaging ongeveer 50 centiem per liter lager was. De Commissie heeft evenwel niet onderzocht, welk tarief door Sécuripost wordt betaald, terwijl het feit dat een onderneming tegen een lager tarief dan het normale kan profiteren van een energiebron, kan worden aangemerkt als staatssteun (zie arrest Hof van 2 februari 1988, gevoegde zaken 67/85, 68/85 en 70/85, Van der Kooy, Jurispr. 1988, blz. 219). Hetzelfde geldt voor het onderhoud van de voertuigen.
37 In de vierde plaats merken verzoeksters op, dat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat de in 1989 door Sofipost aan Sécuripost verstrekte lening van 15 000 000 FF niet was aan te merken als een met de artikelen 92 en volgende van het Verdrag strijdige staatssteun, waar deze lening een transactie was waarvoor de basisrentevoet moest worden betaald, verhoogd met een half procentpunt, zonder zich af te vragen of dit tarief niet een bijzonder voordeel opleverde, terwijl een lager rentetarief een steunmaatregel is in zin van artikel 92 van het Verdrag (zie arrest Hof Waalse Gewestexecutieve, reeds aangehaald, en arrest Hof van 7 juni 1988, zaak 57/86, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 2855).
38 De Commissie antwoordt dat de bestreden beschikking op de vier door verzoeksters genoemde punten toereikend is gemotiveerd.
39 De Commissie, ondersteund door interveniënte, antwoordt in de eerste plaats, dat het niet betalen van schadeloosstellingen en schadevergoedingen bij ontslag slechts een ondergeschikt aspect was van een in de diverse klachten aangevoerde veel ruimere grief, namelijk het feit dat de staat de bezoldiging van het personeel van Sécuripost geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening neemt. Aangezien de Commissie tot de conclusie was gekomen dat er op dit punt geen sprake was van staatssteun, had zij het ook niet noodzakelijk gevonden om deze vraag expliciet te onderzoeken. Zij voegt hieraan toe, dat rechtstreeks noch indirect staatsmiddelen aan Sécuripost zijn overgedragen en dat het bijgevolg niet opportuun was, de beweringen van verzoeksters in aanmerking te nemen.
40 In de tweede plaats brengt de Commissie in herinnering, dat verzoeksters in hun oorspronkelijke klacht als feit aanvoerden dat Sécuripost steun had ontvangen en nog steeds ontving in de vorm van gratis ter beschikking gestelde bedrijfsruimten. Na onderzoek bleek deze bewering echter niet juist, omdat de Franse overheid had verklaard dat deze bedrijfsruimten werden verhuurd, hetgeen een gegronde reden was om de klacht op dit punt af te wijzen. De grief betreffende een lagere huurprijs dan de marktprijs verschilt van die welke tijdens de administratieve procedure is aangevoerd, en zij heeft bijgevolg daarop in haar beschikking niet nauwkeurig en gedetailleerd kunnen antwoorden.
41 In de derde plaats merkt de Commissie op, dat verzoeksters in hun klacht weliswaar verklaarden dat zij hadden "vastgesteld" dat wagens van Sécuripost brandstof kregen die bestemd was voor de wagens van de post, dan wel brandstof die werd betaald met benzinebonnen van de post waarvoor een lager tarief gold, doch dat zij de eerste bewering in hun verzoekschrift hebben laten vallen, terwijl de tweede bewering, gelet op de verklaringen van de Franse overheid, niet genoegzaam was aangetoond en dus niet uitdrukkelijk behoefde te worden beantwoord.
42 Met betrekking tot het onderhoud van de voertuigen stelt de Commissie vast, dat verzoeksters in hun klacht verklaarden dat dit "werd verzorgd door de nationale dienst werkplaatsen en garages van de PTT" (hierna: "NDWG"), en dat zij zich in haar beschikking terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat dit systeem van facturering een steunelement in zich kan bergen, gelet op het feit dat de buitendienst van het Ministerie van P en T alle voor Sécuripost verrichte diensten factureert en dat de facturen worden opgemaakt met behulp van "een systeem van facturering dat vergelijkbaar is met het systeem dat geldt in particuliere garages".
43 In de vierde plaats merkt de Commissie op dat met betrekking tot de door Sofipost aan Sécuripost verstrekte lening het middel afwijkt van de tijdens de administratieve procedure aangevoerde grief, voor zover verzoeksters nu niet meer stellen, zoals zij in hun klacht deden, dat de steun 20 000 000 FF bedroeg, waar hij thans slechts zou bestaan in het verschil tussen de rente waartegen de lening van 15 000 000 FF is verstrekt (9,75 %), en de marktrente in 1988 (11,67 %). Zij voegt daaraan toe dat zij in haar mededeling inzake regionale steunregelingen heeft verklaard dat het referentie-disconteringspercentage voor Frankrijk het tarief van het Crédit national voor leningen voor gebouwen en uitrusting is. Het is haar vaste praktijk om dit tarief toe te passen op alle ad hoc verstrekte leningen. In 1988 bedroeg dit tarief 9,91 %, hetgeen enigszins hoger is dan het aan Sécuripost in rekening gebrachte tarief, doch veel lager dan het door verzoeksters genoemde tarief.
° Kennelijk onjuiste beoordeling
44 Verzoeksters stellen dat de Commissie zich heeft schuldig gemaakt aan een kennelijk onjuiste beoordeling, door zich op het standpunt te stellen dat de kapitaalverhoging van Sécuripost met 9 775 000 FF, de door de post aan Sécuripost verstrekte voorschotten op bestellingen, alsmede de door de post jegens Sécuripost toegepaste tarieven en aan haar verleende garanties geen staatssteun in de zin van de artikelen 92 en volgende van het Verdrag opleverden. Zij merken in het bijzonder op dat zij in hun klacht hadden gesteld dat in de tussen de post en Sécuripost gesloten overeenkomsten, in het bijzonder wat de diensten op het gebied van het geldtransport betreft, veel hogere prijzen waren overeengekomen dan gewoonlijk in deze sector worden toegepast, en bovendien een volstrekt ongebruikelijke garantie van een minimum aan middelen werd verstrekt. Dit wordt overigens uitdrukkelijk bevestigd door de kaderovereenkomst van 30 september 1987 tussen de post en Sécuripost, waarin wordt vastgelegd dat de prijzen "binnen de kortst mogelijke termijn zullen moeten overeenstemmen met de prijzen die op de markt voor gelijkwaardige diensten gelden". Bijgevolg was hier volgens hen sprake van een steun van de Franse Staat aan Sécuripost, gelijk aan het verschil tussen de marktprijzen van de post en de normale marktprijzen.
45 Om deze grief te weerleggen heeft de Commissie volgens hen de door Sécuripost jegens de post en jegens de Casino-winkels toegepaste prijzen met elkaar vergeleken. De berekeningen van de Commissie zijn evenwel onbegrijpelijk en geven in het bijzonder niet aan op welk jaar zij betrekking hebben, terwijl de marktprijzen van de post in die tijd varieerden.
46 Na een beter inzicht in de berekeningen van de Commissie te hebben verkregen als gevolg van de in haar verweerschrift gegeven verklaringen, handhaven verzoeksters hun grieven, in het bijzonder wat het door de Commissie gekozen jaar betreft.
47 Zij merken op dat de berekeningen van de Commissie in elk geval laten zien, dat de door Sécuripost jegens de post toegepaste prijzen 10 % hoger liggen dan die welke jegens de Casino-winkels werden toegepast en dat zij in strijd zijn met de inhoud van de door hen in hun klacht overgelegde overeenkomsten tussen de post en Sécuripost, alsmede met de kaderovereenkomst van 30 september 1987 tussen de post en Sécuripost.
48 De Commissie antwoordt dat zij geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, toen zij zich op het standpunt stelde dat noch de kapitaalverhoging van Sécuripost, noch de door de post aan haar verleende voorschotten op bestellingen, noch de jegens de post toegepaste tarieven of aan haar verleende garanties een staatssteun in de zin van het Verdrag opleverden. Met betrekking tot de toegepaste tarieven voegt zij hieraan toe, dat de verwijzingen van verzoeksters naar de bepalingen van de kaderovereenkomst van 30 september 1987 niet relevant zijn, voor zover het daarin voorziene beding inzake aanpassing van de prijzen volstrekt logisch is in het kader van de overgang van rechtstreeks beheer naar het beheer door een dochter, waar het ten doel heeft de overgang van het ene systeem op het andere te vergemakkelijken, waardoor het gedrag van de post vergelijkbaar was met de houding van een particulier ondernemer die voor de voorheen door de moedermaatschappij beheerde activiteiten een dochtermaatschappij opricht.
49 Na haar berekeningen in de beschikking betreffende de toegepaste prijzen te hebben gespecificeerd en te hebben verklaard dat zij betrekking hadden op het jaar 1993, berekent zij de door de post toegepaste prijzen op basis van de tarieven van 1989 en komt zij tot een gemiddelde prijs voor de dienst, die overeenkomt met de door de post tot 1989 toegepaste prijzen. Zij voegt daaraan toe dat de vergelijking met de jegens Casino toegepaste prijzen onjuist is, omdat de geografische spreiding van de Casino-winkels volstrekt afwijkt van die van de postkantoren.
Beoordeling door het Gerecht
50 Om te beginnen beklemtoont het Gerecht, dat noch in het Verdrag noch in de gemeenschapswetgeving wordt bepaald, welke procedurele regels gelden voor klachten betreffende steunmaatregelen van de staten.
51 Vervolgens stelt het Gerecht vast dat de bestreden beschikking een beschikking van de Commissie is, waarbij de beweringen van verzoeksters worden verworpen, op grond dat de aan de kaak gestelde maatregelen niet als staatssteun in de zin van artikel 92 van het Verdrag zijn aan te merken. Niet wordt betwist, dat de bestreden beschikking een beschikking in de zin van artikel 189, vierde alinea,van het Verdrag is en dat zij dus krachtens artikel 190 van het Verdrag met redenen moet zijn omkleed.
52 Volgens de rechtspraak van het Hof moet de door artikel 190 vereiste motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest Hof van 14 februari 1990, zaak C-350/88, Delacre e.a., Jurispr. 1990, blz. I-395, r.o. 15, en de aldaar geciteerde verwijzingen). Het is eveneens vaste rechtspraak, dat bij de vraag of de motivering van een beschikking aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest Delacre e.a., reeds aangehaald, r.o. 16, en arrest Hof van 23 februari 1978, zaak 92/77, An Bord Bainne, Jurispr. 1978, blz. 497, r.o. 36 en 37).
53 Bijgevolg moet worden nagegaan of in casu de bestreden beschikking de redenering op basis waarvan de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat de door verzoeksters aan de kaak gestelde maatregelen geen staatssteun in de zin van artikel 92 van het Verdrag opleverden, zo duidelijk en ondubbelzinnig heeft doen uitkomen, dat degenen die de klacht hebben ingediend, de rechtvaardigingsgronden van de afwijzing van hun klacht kunnen kennen teneinde hun rechten te kunnen verdedigen, en het Gerecht zijn toezicht kan uitoefenen.
54 De rechterlijke toetsing die deze motivering mogelijk moet maken, is in casu niet een toetsing van een kennelijke beoordelingsfout, zoals die betreffende het onderzoek van de verenigbaarheid van reeds als steunmaatregelen aangemerkte nationale maatregelen, een onderzoek waartoe bij uitsluiting de Commissie bevoegd is (zie arresten van 22 maart 1977, zaak 78/76, Steinike en Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595, r.o. 9; 21 november 1991, zaak C-354/90, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires en Syndicat national des négociants et transformateurs de saumon, Jurispr. 1991, blz. I-5505, r.o. 14, en 9 augustus 1994, zaak C-44/93, Namur-Les assurances du crédit, Jurispr. 1994, blz. I-3829, r.o. 17), doch een toetsing van de uitlegging en de toepassing van het begrip staatssteun, als bedoeld in artikel 92 van het Verdrag, die de Commissie daaraan heeft gegeven om te bepalen of de door verzoeksters aan de kaak gestelde nationale maatregelen al dan niet als staatssteun moeten worden aangemerkt.
55 Bijgevolg moet de context waarbinnen de bestreden beschikking is gegeven, in herinnering worden gebracht, omdat zoals zojuist is verklaard (zie hiervoor, r.o. 52) bij de vraag of de motivering al dan niet toereikend is, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst, maar ook op de context van de beschikking.
56 In de eerste plaats stelt het Gerecht vast, dat de bestreden beschikking is vastgesteld op 31 december 1993, nadat een zeer lange termijn was verstreken. De Commissie blijkt namelijk meer dan 51 maanden nodig te hebben gehad om de oorspronkelijke klacht van verzoeksters, die is neergelegd op 4 september 1989, te behandelen. Verder heeft de Commissie gedurende deze periode van 51 maanden twee beschikkingen gegeven, de eerste op 5 februari 1992 en de tweede op 31 december 1993, dat wil zeggen met een tussenpauze van 22 maanden.
57 In de tweede plaats heeft de Commissie in haar briefwisseling met de klagende vennootschappen en verenigingen verklaard, dat hun klacht verschillende belangrijke principiële vragen aan de orde stelde, die een grondig onderzoek en vele technische analyses vereisten (schrijven van 28 juni 1991, bijlage 14 bij het verzoekschrift), dat het dossier bijzonder ingewikkeld leek (schrijven van 9 oktober 1991, bijlage 15 bij het verzoekschrift), dat het oprichten van een dochtermaatschappij voor de activiteiten van de Franse post "elementen van steun in de zin van het Verdrag in zich zou kunnen bergen" en dat "Sécuripost stellig steun van de moedermaatschappij en de staat heeft ontvangen bij haar oprichting en haar installatie op de markt" (beschikking van 5 februari 1992, bijlage 6 bij het verzoekschrift).
58 In de derde plaats stelt het Gerecht vast dat, in weerwil van deze nadere preciseringen, na het onderzoek van de klacht een eerste beschikking is vastgesteld op 5 februari 1992, dat wil zeggen 29 maanden na de indiening van de oorspronkelijke klacht. Tegen deze eerste beschikking tot afwijzing van de klacht is voor het Hof beroep tot nietigverklaring ingesteld, waarna deze beschikking door de Commissie is ingetrokken. Zij heeft toen besloten de klacht nader te onderzoeken met inachtneming van de inhoud van het op 13 april 1992 bij het Hof ingestelde beroep tot nietigverklaring (bijlagen 6 en 8 bij het verzoekschrift). Opgemerkt zij evenwel, dat in het beroep tot nietigverklaring slechts de verschillende door verzoeksters in hun oorspronkelijke klacht en in de latere recapitulaties daarvan aangevoerde grieven werden overgenomen, en dat geen nieuwe grieven werden opgeworpen. Niettemin heeft de Commissie naar aanleiding van de instelling van dit beroep haar beschikking van 5 februari 1992 ingetrokken en een aanvullend onderzoek verricht.
59 Verder zij opgemerkt dat de Commissie verzoeksters heeft meegedeeld dat zij na de intrekking van haar eerste beschikking van 5 februari 1992 de maatregelen waarop hun klacht betrekking had, onder nr. NN 5/93 had ingeschreven in het register van niet-aangemelde steunmaatregelen (bijlage 10 bij het verzoekschrift). Overigens heeft zij op 31 december 1993, dat wil zeggen de dag waarop de bestreden beschikking is vastgesteld, een schrijven aan de Franse minister van Buitenlandse zaken verstuurd, waarin zij haar teleurstelling uitsprak over het feit "dat geen van de met betrekking tot (...) Sécuripost genomen maatregelen van tevoren was aangemeld overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag", waarbij zij de aandacht van de Franse regering vestigde op het feit dat deze laatste verplicht was alle voornemens aan te melden die een steunmaatregel konden opleveren, ten aanzien waarvan het in de artikelen 92 en volgende van het Verdrag voorziene onderzoek diende te worden verricht (bijlage I bij het verweerschrift).
60 Met inachtneming van deze bevindingen moet worden onderzocht, of in casu de motivering van de bestreden beschikking de conclusie kan dragen, dat de door verzoeksters aan de kaak gestelde maatregelen geen steunmaatregelen in de zin van artikel 92 van het Verdrag opleverden.
61 Met betrekking tot in de eerste plaats het gedetacheerde administratieve personeel stelt het Gerecht vast, dat verzoeksters de Commissie verwijten dat zij niet het in de recapitulatie van hun klacht van 24 juli 1992 aan de kaak gestelde bijzondere voordeel heeft onderzocht, dat bestaat in het feit dat de door de post bij Sécuripost gedetacheerde ambtenaren op ieder moment weer in hun oorspronkelijke dienst kunnen worden tewerkgesteld, wanneer in de onderneming waarbij zij zijn gedetacheerd, personeelsinkrimpingen noodzakelijk blijken, zonder dat deze onderneming in dat geval enige schadeloosstelling of schadevergoeding bij ontslag behoeft te betalen. De Commissie, ondersteund door interveniënte, antwoordt dat het niet-betalen van schadeloosstellingen of schadevergoedingen bij ontslag slechts een bijkomend aspect van een in de diverse klachten aangevoerde grief was, namelijk het feit dat de staat de bezoldiging van het personeel van Sécuripost geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening nam, en dat zij het om die reden niet noodzakelijk achtte deze vraag uitdrukkelijk te onderzoeken en te beantwoorden.
62 Het Gerecht stelt vast dat de Commissie, zoals zij zelf toegeeft, in de bestreden beschikking niet op deze grief heeft geantwoord. Weliswaar is blijkens de rechtspraak niet vereist dat de Commissie ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door de betrokkenen zijn opgeworpen (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, zaak T-3/89, Atochem, Jurispr. 1991, blz. II-1177, r.o. 222), doch dat neemt niet weg dat zij gehouden is, met redenen omkleed te antwoorden op elk van de in de klacht geformuleerde grieven, al zij dit, in voorkomend geval, slechts door een verwijzing naar een de-minimis regel, wanneer het aspect in geding van zodanig ondergeschikt belang is, dat er geen reden is voor de Commissie om te lang daarbij stil te staan. Bijgevolg is de beschikking op dit punt gebrekkig gemotiveerd.
63 Vervolgens zij opgemerkt, dat de Commissie in de bestreden beschikking in antwoord op de grief, ontleend aan het feit dat Sécuripost geen bijdragen aan de werkloosheidsfondsen betaalde, heeft verklaard, dat "daarentegen voor het gebruik van gedetacheerde ambtenaren geen bijdragen aan de werkloosheidsfondsen verschuldigd zijn, omdat zij door hun statuut een gegarandeerde betrekking hebben". De Commissie erkent dat door Sécuripost geen bijdragen aan de werkloosheidsfondsen zijn betaald, doch zij verklaart op geen enkele wijze waarom zij van mening was dat het feit dat deze regeling verschilde van die van de concurrenten van Sécuripost, geen staatssteun in de zin van artikel 92 van het Verdrag opleverde. Daaruit volgt dat de motivering van de bestreden beschikking op dit punt eveneens gebrekkig is.
64 Wat in de tweede plaats de terbeschikkingstelling van bedrijfsruimten betreft, stelt het Gerecht vast dat verzoeksters de Commissie verwijten, dat zij de afwijzing van hun klacht niet rechtens genoegzaam met redenen heeft omkleed, voor zover zij betrekking heeft op het feit dat aan Sécuripost tegen uitermate gunstige voorwaarden bedrijfsruimten ter beschikking zijn gesteld, en in het bijzonder niet de toegepaste huurprijzen heeft onderzocht, terwijl de referentieprijzen van de dienst domeinen duidelijk lager zouden zijn dan die welke gelden voor de bedrijfsruimten waartoe met Sécuripost concurrerende ondernemingen toegang hebben. De Commissie antwoordt dat verzoeksters in hun oorspronkelijke klacht beweerden, dat de bedrijfsruimten gratis aan Sécuripost ter beschikking werden gesteld. Omdat deze grief onjuist was gebleken, gelet op de bij de Franse regering ingewonnen inlichtingen, had zij de klacht op dit punt verworpen. Zij stelt dus dat de grief betreffende de prijzen waartegen de bedrijfsruimten aan Sécuripost worden verhuurd, een andere is dan die welke verzoeksters tijdens de administratieve procedure hebben aangevoerd, en dat zij om die reden daarop in haar beschikking niet nauwkeurig en gedetailleerd heeft kunnen antwoorden.
65 Het Gerecht stelt vast dat uit de bij de Franse regering ingewonnen inlichtingen, die als zodanig zijn overgenomen in de beschikking, blijkt dat de bedrijfsruimten van Sécuripost aan haar ter beschikking zijn gesteld in het kader van een bijzonder onzekere gebruiksregeling en dat de Commissie in haar beschikking geen nadere gegevens heeft verstrekt omtrent de daadwerkelijk jegens Sécuripost toegepaste prijzen en omtrent de prijzen die de concurrenten van Sécuripost voor vergelijkbare bedrijfsruimten moeten betalen. Daaruit volgt dat de beschikking op dit punt niet genoegzaam met redenen is omkleed, aangezien daarin niet wordt uiteengezet, waarom het feit dat het mogelijk is dat de Franse regering niet een met de marktprijzen overeenkomende huur ontvangt, niet neerkomt op een overdracht van middelen van deze regering aan Sécuripost.
66 Het Gerecht is van mening dat in de omstandigheden van onderhavige zaak de Commissie uit hoofde van haar verplichting om het aan haar voor onderzoek voorgelegde dossier zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, inlichtingen over het bedrag van de door Sécuripost betaalde huur moest inwinnen en, in voorkomend geval, deze huur moest vergelijken met die van haar concurrenten. Wanneer de Commissie namelijk besluit om een klacht betreffende een maatregel die door degene die de klacht heeft ingediend, als een niet-aangemelde steunmaatregel is aangemerkt, af te wijzen zonder de indiener van de klacht in staat te stellen om zich vóór de vaststelling van de definitieve beschikking uit te spreken over de in het kader van haar onderzoek ingewonnen gegevens, is zij verplicht om ambtshalve de grieven te onderzoeken die de indiener van de klacht zeker zou hebben aangevoerd, indien hij van deze gegevens kennis had kunnen nemen, zoals in casu het geval is, gelet op het feit dat de Commissie wist dat de betrokken bedrijfsruimten aan Sécuripost ter beschikking werden gesteld overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek inzake staatsdomeinen, dat voor de terbeschikkingstelling voorwaarden stelt die verschillen van de marktvoorwaarden. Daaruit volgt dat de bestreden beschikking op dit punt eveneens gebrekkig is gemotiveerd.
67 Met betrekking tot in de derde plaats de levering van brandstof tegen lagere tarieven en het onderhoud van de voertuigen stelt het Gerecht vast, dat verzoeksters de Commissie enerzijds verwijten, dat zij niet heeft onderzocht tegen welke tarieven Total en Shell Sécuripost brandstof voor haar voertuigen leverden, en anderzijds dat zij in het geheel niet heeft onderzocht welke tarieven de NDWG voor het onderhoud van de voertuigen van Sécuripost toepaste. De Commissie antwoordt dat verzoeksters' beweringen betreffende de levering van brandstof door Total en Shell niet voldoende vaststaan, gelet op de verklaringen van de Franse overheid, hetgeen zou rechtvaardigen dat zij daarop niet uitdrukkelijk heeft geantwoord. Met betrekking tot de vraag van het onderhoud van de voertuigen van Sécuripost bij de NDWG heeft de Commissie kunnen vaststellen, dat deze dienst een "systeem van facturering gebruikte dat vergelijkbaar is met het systeem dat geldt in particulier garages". Omdat er geen reden is om aan te nemen dat dit systeem van facturering een steunelement in zich kan bergen, concludeerde de Commissie tot afwijzing van deze grief.
68 Het Gerecht is van mening dat de Commissie met betrekking tot de levering van brandstof terecht is afgegaan op de door de Franse regering gegeven verklaringen, voor zover de beweringen in de klacht betrekking hadden op het gebruik van benzinebonnen van de post. Deze specifieke beweringen werden namelijk door geen enkele aanwijzing gestaafd. De juistheid van het standpunt van de Commissie wordt overigens bevestigd door het feit dat verzoeksters hun bewering dienaangaande niet staande hebben gehouden voor het Gerecht. Bovendien kunnen verzoeksters de Commissie niet verwijten dat zij de door Total en Shell jegens Sécuripost toegepaste tarieven niet heeft onderzocht, omdat zij geen enkele reden had om aan te nemen dat particuliere ondernemingen op initiatief van de Franse regering voordelige tarieven toepassen jegens Sécuripost. Daaruit volgt dat de beschikking op dit punt genoegzaam met redenen is omkleed.
69 Wat het onderhoud van de voertuigen van Sécuripost door de NDWG betreft, zij opgemerkt dat de Commissie in haar beschikking niet heeft geantwoord op de grief van verzoeksters, omdat zij zich heeft beperkt tot een verwijzing naar het systeem van facturering van de NDWG, zonder te onderzoeken of de toegepaste tarieven al dan niet een steunmaatregel aan het licht brachten, ofschoon dit het doel van de door verzoeksters geformuleerde grief was. Deze leemte in de motivering van de beschikking kan niet worden gerechtvaardigd, te meer waar het door de NDWG gebruikte systeem van facturering, zoals de Commissie heeft vastgesteld, vergelijkbaar was met het systeem dat geldt in particuliere garages, zodat het voor de Commissie gemakkelijk was geweest om de toegepaste tarieven met elkaar te vergelijken. Bijgevolg is het Gerecht van mening, dat de bestreden beschikking op dit punt ontoereikend met redenen is omkleed.
70 Wat in de vierde plaats de door Sofipost aan Sécuripost verstrekte leningen betreft, stelt het Gerecht vast dat verzoeksters de Commissie verwijten dat zij zich niet heeft afgevraagd of een transactie waarvoor de basisrente, vermeerderd met een half procentpunt, werd betaald, niet een bijzonder voordeel opleverde, door het aldus bepaalde percentage te vergelijken met het percentage dat de concurrenten op hetzelfde tijdstip bij de banken konden krijgen. Zij voegen daaraan toe dat de Commissie het door haar in het kader van haar onderzoek van de klacht als vergelijkingsbasis gebruikte percentage niet kon rechtvaardigen door te verwijzen naar het in haar mededeling inzake regionale steun voorziene percentage, omdat deze mededeling een volstrekt ander doel zou dienen dan de in casu gestelde steunmaatregelen. Na eraan te hebben herinnerd dat de door verzoeksters in hun verzoekschrift geformuleerde grief een andere is dan die welke voorkwam in hun oorspronkelijke klacht, wijst de Commissie erop dat zij omwille van de cohesie en transparentie altijd hetzelfde referentiepercentage gebruikt om te bepalen of een lening een steunelement in de zin van artikel 92 van het Verdrag bevat.
71 Het Gerecht is van mening dat de Commissie met betrekking tot de voor het begrotingsjaar 1987 aan Sécuripost verstrekte lening van 5 000 000 FF terecht is afgegaan op de door de Franse regering verstrekte uitleg. De Commissie heeft namelijk verklaard, dat deze lening van 5 000 000 FF een aandeelhoudersvoorschot is, dat in 1988 in het kapitaal van Sécuripost is opgenomen. Verder heeft de Commissie verklaard, dat dit aandeelhoudersvoorschot niet het karakter van een steunmaatregel heeft, daar het nieuwe kapitaal is ingebracht onder omstandigheden die aanvaardbaar zouden zijn voor een particulier investeerder die onder de normale omstandigheden van een markteconomie handelt, en dat het gebruikelijk is dat een investeerder die een nieuwe activiteit aanvat, de goederen en het kapitaal die daarvoor nodig zijn, slechts geleidelijk ter beschikking stelt. Aldus heeft de Commissie haar beschikking op dit punt rechtens genoegzaam met redenen omkleed.
72 Daarentegen is het Gerecht van mening dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft geantwoord op verzoeksters' grief betreffende de verstrekking van een voorschot van 15 000 000 FF aan Sécuripost voor het begrotingsjaar 1989. In de bestreden beschikking volstaat de Commissie namelijk met de vaststelling dat dit bedrag is verstrekt in het kader van een intra-concernovereenkomst tussen de vennootschappen van de groep Sofipost en dat het daarop toegepaste rentepercentage in overeenstemming is met de basisrentevoet, vermeerderd met een half procentpunt. De Commissie leidt daaruit dan ook af, dat de grief moet worden afgewezen, omdat de lening van 15 000 000 FF een transactie is waarvoor wordt betaald. Ter zake zij opgemerkt dat het feit dat het een transactie betreft waarvoor wordt betaald, op zichzelf niet volstaat om aan te tonen dat het geen steunmaatregel in de zin van artikel 92 van het Verdrag is, omdat een dergelijke transactie waarvoor wordt betaald, ook mogelijk is tegen een percentage dat voor Sécuripost een bijzonder voordeel oplevert ten opzichte van haar concurrenten. Bovendien kan de Commissie zich om de in rechtsoverweging 66 genoemde redenen niet beroepen op het feit dat de voor het Gerecht aangevoerde grief een andere is dan die welke in de oorspronkelijke klacht is geformuleerd. Bijgevolg is het Gerecht van mening, dat de bestreden beschikking op dit punt ontoereikend is gemotiveerd.
73 Verder merkt het Gerecht op, dat verzoeksters stellen dat de bestreden beschikking een kennelijk onjuiste beoordeling bevat met betrekking tot in het bijzonder de door Sécuripost jegens de post toegepaste prijzen. Volgens verzoeksters was in de overeenkomsten tussen de post en Sécuripost in het bijzonder op het gebied van de diensten betreffende het geldtransport een veel hogere prijs overeengekomen dan gewoonlijk in de sector werd toegepast. Hierdoor is volgens hen sprake van een steun van de Franse Staat aan Sécuripost, die gelijk is aan het verschil tussen de marktprijzen van de post en de normale marktprijzen. Om deze grief te weerleggen heeft de Commissie in de bestreden beschikking een vergelijking gemaakt met een zeer belangrijke door Sécuripost verkregen opdracht betreffende het geldtransport van de Casino-winkels. Ter zake betogen verzoeksters enerzijds dat de Commissie niet heeft gepreciseerd, welk jaar haar berekeningen betroffen, terwijl de marktprijzen van de post in de loop van de tijd varieerden, en anderzijds dat op basis van de berekeningen van de Commissie in elk geval kan worden vastgesteld, dat de door Sécuripost jegens de post toegepaste prijzen tien procent hoger liggen dan de prijzen die zij de Casino-winkels in rekening bracht.
74 Het Gerecht merkt op dat de Commissie in de bestreden beschikking ermee heeft volstaan om de respectievelijk aan de post en Casino in rekening gebrachte prijs van de dienst uitsluitend te vergelijken op basis van gegevens betreffende het jaar 1993, zonder hiervoor redenen te geven of dit nader te preciseren. In de bestreden beschikking verklaart de Commissie namelijk op geen enkele wijze, waarom zij zich op het standpunt heeft gesteld, dat de verschillen tussen de gedurende de jaren 1987, 1988, 1989, 1990, 1991 en 1992 toegepaste prijzen geen steunmaatregelen in de zin van artikel 92 van het Verdrag zijn. De Commissie betwist overigens niet de realiteit van deze prijsverschillen gedurende de jaren vóór 1993, ook al stelt zij in het kader van de onderhavige procedure, dat wil zeggen na de bestreden beschikking, dat dit verschil althans vanaf 1989 is te verklaren door het feit dat rekening is gehouden met een verschil in geografische spreiding op de markt van de post en op de markt van Casino. Bovendien zijn de door Sécuripost aan de post in rekening gebrachte tarieven van 1987 tot 1993 voortdurend gedaald, zulks in het bijzonder overeenkomstig de kaderovereenkomst van 30 september 1987 tussen de post en Sécuripost, zodat de door verzoeksters gestelde verschillen nog groter zijn.
75 Bij gebreke van nadere gegevens betreffende de gedurende de jaren 1987, 1988, 1989, 1990, 1991 en 1992 door Sécuripost jegens de post en andere cliënten toegepaste prijzen, is het Gerecht van mening dat het niet over de gegevens beschikt om de juistheid van de bestreden beschikking te kunnen toetsen en dat het dus ambtshalve het middel dat de bestreden beschikking op dit punt gebrekkig is gemotiveerd, dient op te werpen (arrest Hof van 20 maart 1959, zaak 18/57, Nold, Jurispr. 1958-1959, blz. 93, en arresten Gerecht van 28 januari 1992, zaak T-45/90, Speybrouck, Jurispr. 1992, blz. II-33, en 2 juli 1992, zaak T-61/89, Dansk Pelsdyravlerforening, Jurispr. 1992, blz. II-1931, r.o. 129). Het Gerecht is derhalve van mening dat de bestreden beschikking op dit punt ontoereikend met redenen is omkleed.
76 Bovendien zij opgemerkt dat de Commissie in de bestreden beschikking bij wijze van antwoord op deze grief heeft volstaan met een letterlijke herhaling van het antwoord van de Franse regering in haar schrijven van 12 januari 1993, zonder dat uit de motivering van de bestreden beschikking blijkt dat zij de juistheid ervan had onderzocht.
77 Overigens is het Gerecht van mening dat de Commissie zich niet, zoals zij ter terechtzitting heeft gedaan, kan beroepen op het feit dat de door verzoeksters tot staving van hun klacht aangevoerde elementen nogal zwak zouden zijn, om de ontoereikende motivering van haar beschikking te rechtvaardigen. Immers, het verzamelen van de noodzakelijke inlichtingen en gegevens om de juistheid van een klacht te onderzoeken, waarvan de Commissie in haar schrijven van 28 juni 1991 en 9 oktober 1991 zelf heeft toegegeven dat ze geloofwaardig was, is voor de indieners van een klacht veel moeilijker dan voor de Commissie. De indieners van een klacht ontmoeten in het algemeen een tegenwerking van de administratie, die inherent is aan dit soort stappen, omdat zij ° zonder over enig dwangmiddel te beschikken ° een bevestiging van de grieven dienen te verkrijgen, die zij juist opwerpen bij diensten ten aanzien waarvan zij vermoeden dat zij zich schuldig maken aan een schending van de communautaire regeling op het gebied van de staatssteun. Daarentegen beschikt de Commissie over middelen die doeltreffender zijn en beter geschikt zijn om de voor een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek van de klacht noodzakelijke inlichtingen in te winnen. Gelet op de problemen waarmee verzoeksters onvermijdelijk werden geconfronteerd, blijken de elementen die zij hebben geproduceerd tot staving van hun klacht en van de verschillende recapitulaties die zij tot de Commissie hebben gericht, van dien aard dat zij de door hen geformuleerde grieven voldoende staven, dat de Commissie verplicht is een met redenen omkleed antwoord op elk daarvan te geven. Het Gerecht brengt dienaangaande in herinnering, dat de omstandigheden van onderhavige zaak de op de Commissie rustende motiveringsverplichting versterken (zie hiervoor, r.o. 56-59).
78 Bovendien is het Gerecht van mening, dat de verplichting van de Commissie om haar beschikkingen met redenen te omkleden in bepaalde omstandigheden een hoor en wederhoor van de indiener van een klacht kan eisen, wanneer de Commissie, teneinde haar beoordeling van het karakter van een maatregel die door de indiener van de klacht als een steunmaatregel wordt aangemerkt, rechtens genoegzaam te rechtvaardigen, het standpunt van deze laatste betreffende de door haar in het kader van haar onderzoek verzamelde gegevens dient te kennen (zie conclusie van advocaat-generaal Tesauro bij arrest Hof van 19 mei 1993, zaak C-198/91, Cook, Jurispr. 1993, blz. I-2487, I-2502, punten 17-19). In dergelijke omstandigheden vormt deze verplichting het noodzakelijke verlengstuk van de op de Commissie rustende verplichting om te zorgen voor een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek van het dossier, door alle noodzakelijke adviezen in te winnen.
79 Hieraan dient te worden toegevoegd dat de Commissie niet kan stellen, zoals zij ter terechtzitting heeft gedaan, dat een dergelijk hoor en wederhoor over de inhoud van de klacht en van haar onderzoek in feite erop neer komt, dat de Commissie verplicht wordt de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag voorziene procedure in te leiden en dus de tenuitvoerlegging van de betrokken maatregel op te schorten, terwijl deze maatregel uiteindelijk niet een steunmaatregel in de zin van artikel 92 van het Verdrag zou kunnen blijken te zijn. Immers, in bepaalde gevallen legt de Commissie, zoals zij ter terechtzitting heeft erkend, de opmerkingen die door de betrokken Lid-Staat in het kader van de voorbereidende fase van de onderzoeksprocedure bij haar zijn ingediend, voor aan degenen die een klacht hebben ingediend. De Commissie beschikt in het kader van de voorbereidende fase van de procedure dus over voldoende middelen om de klacht zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en om haar verplichting te eerbiedigen, om haar beschikking tot afwijzing van een klacht, op grond dat de gewraakte maatregel niet is aan te merken als een steunmaatregel in de zin van artikel 92 van het Verdrag, met redenen te omkleden. Overigens merkt het Gerecht op, dat de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, dat het reeds thans wel eens de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag voorziene procedure inleidt om op tegenspraak het karakter van de betrokken maatregel te onderzoeken en aan het eind van deze procedure tot de conclusie komt dat de betrokken maatregel niet een steunmaatregel in de zin van artikel 92 van het Verdrag oplevert.
80 Uit al het voorgaande volgt, dat de bestreden beschikking nietig moet worden verklaard, omdat de motivering van de bestreden beschikking de conclusie dat de door verzoeksters aan de kaak gestelde maatregelen geen steunmaatregelen in de zin van artikel 92 van het Verdrag opleverden, niet kan dragen. Bijgevolg behoeven de andere middelen niet nader te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
81 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt elke partij die in het ongelijk is gesteld, in de kosten verwezen, indien zulks is gevorderd. Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig verzoeksters' vordering ter zake in de kosten te worden verwezen.
82 Overeenkomstig artikel 87, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zal interveniënte haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer ° uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig de beschikking van de Commissie van 31 december 1993, houdende afwijzing van het verzoek van verzoeksters dat de Commissie vaststelt dat de Franse Republiek, door steun te verlenen aan Sécuripost SA, inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 92 en 93 van het Verdrag.
2) Verwijst de Commissie in haar eigen kosten, alsmede in de kosten van verzoeksters.
3) Verstaat dat de Franse Republiek haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy