Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Gedrag dat afwijkt van wat in kartelverband is overeengekomen - Beoordeling
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)
2 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Houding van onderneming tijdens administratieve procedure
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)
3 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Bepaling van geldboete door gemeenschapsrechter - Volledige rechtsmacht
(EGKS-Verdrag, art. 36, tweede alinea)
Samenvatting
1 Het feit dat een onderneming waarvan de deelname aan een onderlinge afstemming van prijzen met haar concurrenten is aangetoond, zich op de markt niet conform de met haar concurrenten overeengekomen wijze heeft gedragen, is niet noodzakelijkerwijs een verzachtende omstandigheid waarmee bij de vaststelling van de op te leggen geldboete rekening moet worden gehouden. Een onderneming die ondanks de onderlinge afstemming met haar concurrenten een min of meer zelfstandig marktbeleid voert, kan immers gewoonweg proberen zich het kartel ten nutte te maken.
2 Een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure is slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag van de beschuldigde onderneming de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken.
3 De bepaling van de hoogte van een geldboete door het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is naar haar aard geen nauwkeurige wiskundige operatie. Overigens is het Gerecht niet gebonden aan de berekeningen van de Commissie, maar dient het met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval een eigen oordeel te vormen.
Partijen
In zaak T-138/94,
COCKERILL-SAMBRE SA, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door A. Vandencasteele, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, en G. de Bergues, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, later door J.-L. Dewost, directeur-generaal van de juridische dienst, J. Currall en G. Charrier, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, bijgestaan door J.-Y. Art, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende primair een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Tweede kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, waarnemend voor de kamerpresident, A. Potocki en J. Pirrung, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 23, 24, 25, 26 en 27 maart 1998,
het navolgende
Arrest(1)
Overwegingen van het arrest
De feiten
A - Inleiding
1 Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1; hierna: "beschikking"). De Commissie heeft daarbij vastgesteld, dat zeventien Europese staalondernemingen en één van hun ondernemersverenigingen hadden deelgenomen aan een reeks overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen ter vaststelling van prijzen, verdeling van markten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie op de markt van balken in de Gemeenschap. Ter zake van deze inbreuken op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, die tussen 1 juli 1988 en 31 december 1990 hadden plaatsgevonden, heeft zij aan veertien ondernemingen uit de betrokken sector geldboeten opgelegd.
2 Blijkens de beschikking (punt 13) is Cockerill-Sambre SA (hierna: "Cockerill-Sambre") de grootste Belgische staalproducent. In de periode waarop de beschikking betrekking heeft, was NV Steelinter (hierna: "Steelinter") de belangrijkste verkoopmaatschappij van Cockerill-Sambre, die direct of indirect alle aandelen in Steelinter bezat. Op 30 december 1989 werd Steelinter volledig overgenomen door Cockerill-Sambre (verzoekschrift, punt 6). In 1990 bedroeg de omzet van de Cockerill-Sambregroep 203 miljard BFR. In 1989, het laatste jaar waarin Cockerill-Sambre balken heeft geproduceerd, bedroeg haar omzet op dit gebied 5,74 miljard BFR ofwel 132 miljoen ECU.
(...)
D - De beschikking
3 De kennisgeving van de beschikking aan verzoekster ging vergezeld van een brief van de heer Van Miert, gedateerd 28 februari 1994 (hierna: "Brief"). Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
De volgende ondernemingen hebben in de in deze beschikking beschreven mate deelgenomen aan de bij hun naam vermelde concurrentiebeperkende praktijken, welke de normale werking van de mededinging op de gemeenschappelijke markt hebben belet, beperkt en vervalst. Waar geldboeten worden opgelegd, wordt de duur van de inbreuk in maanden aangegeven, behalve in het geval van de harmonisatie van toeslagen, waar deelneming aan de inbreuk met $x' wordt aangegeven.
(...)
Cockerill-Sambre
a) Uitwisseling van vertrouwelijke informatie via het $Poutrelles Committee' (18)
b) Vaststelling van prijzen in het $Poutrelles Committee'(18) c) Vaststelling van prijzen op de Deense markt(12)
d) Verdeling van de markt, $Traverso-systeem'(3)
e) Verdeling van de markt, Frankrijk(3)
f) Verdeling van de markt, Italië(3)
g) Harmonisatie van toeslagen(x)
h) Vaststelling van prijzen op de Franse markt
i) Vaststelling van prijzen op de Italiaanse markt
(...)
Artikel 4
Voor de in artikel 1 beschreven inbreuken die na 30 juni 1988 (na 31 december 1989(2) in het geval van Aristrain en Ensidesa) zijn geschied, worden de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
Cockerill-Sambre SA4 000 000 ECU
(...)
Artikel 6
Deze beschikking is gericht tot:
(...)
- Cockerill-Sambre SA
(...)"
Subsidiaire vordering: nietigverklaring van artikel 4 van de beschikking of althans verlaging van de geldboete
(...) Beoordeling van de ernst van de inbreuken
(...)
4 Aangaande het argument van verzoekster, dat zij zich concurrerend, ja zelfs agressief had opgesteld op de markt, moet eraan herinnerd worden, dat het feit dat een onderneming waarvan de deelname aan een onderlinge afstemming van prijzen met haar concurrenten is aangetoond, zich op de markt niet conform de met haar concurrenten overeengekomen wijze heeft gedragen, niet noodzakelijkerwijs een verzachtende omstandigheid is waarmee bij de vaststelling van de op te leggen geldboete rekening moet worden gehouden (zie arrest Gerecht, Petrofina/Commissie, reeds aangehaald, punt 173, en arrest Gerecht van 14 mei 1998, Cascades/Commissie, T-308/94, Jurispr. blz. II-925, punt 230). Een onderneming die ondanks de onderlinge afstemming met haar concurrenten een min of meer zelfstandig marktbeleid voert, kan immers gewoonweg proberen zich het kartel ten nutte te maken. De door verzoekster verstrekte gegevens laten niet de conclusie toe, dat haar werkelijke marktgedrag de concurrentiebeperkende gevolgen van de vastgestelde inbreuken heeft kunnen neutraliseren.
(...)
De vermeende coöperatieve houding van verzoekster tijdens de administratieve procedure
5 Aangaande de "volledige en bijzondere medewerking" die verzoekster naar eigen zeggen tijdens het onderzoek aan de Commissie zou hebben verleend, moet om te beginnen worden opgemerkt, dat zowel verzoekster als Steelinter in hun antwoord van 7 november 1991 op een inlichtingenverzoek op grond van artikel 47 van het Verdrag hebben verklaard, niet over lijsten van deelnemers aan de bijeenkomsten van het "Poutrelles Committee" en van de Eurofer/Scandinavië-groep te beschikken en evenmin over de in het verzoek van de Commissie bedoelde verslagen, notulen of rapporten van een aantal van deze bijeenkomsten, terwijl nochtans uit het dossier blijkt, dat zij geregeld dergelijke stukken ontving.
6 Bovendien heeft verzoekster, buiten haar deelname aan een aantal van deze bijeenkomsten, geen van de haar ten laste gelegde feiten erkend.
7 Terecht heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld, dat verzoekster zich met een dergelijk antwoord niet heeft gedragen op een wijze die een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure rechtvaardigt. Een verlaging om die reden is namelijk slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken (zie arrest Cascades/Commissie, reeds aangehaald, punten 255 e.v.).
(...)
De uitoefening door het Gerecht van zijn volledige rechtsmacht
8 Artikel 1 van de beschikking is door het Gerecht reeds nietig verklaard wat betreft de daarin aan verzoekster verweten deelneming aan een overeenkomst tot verdeling van de Italiaanse markt (zie hiervóór, punt 364). De door de Commissie ter zake opgelegde geldboete bedraagt 59 400 ECU.
9 Om de hiervóór in de punten 402 en 411(3) genoemde redenen dient voorts de periode van 1 juli tot en met 31 december 1988 buiten beschouwing te blijven bij de bepaling van de boete voor de inbreuk ter zake van de prijsvaststelling op de Deense markt; op basis van de door de Commissie toegepaste methode leidt dit tot een verlaging van verzoeksters boete met 13 200 ECU.
10 Ten slotte dient om de hiervóór in de punten 561 en volgende(4) genoemde redenen het totaalbedrag van de wegens de overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen opgelegde geldboete met 15 % te worden verlaagd, aangezien de Commissie de anticoncurrentiële gevolgen van de vastgestelde inbreuken enigszins heeft overschat. Rekening houdend met de reeds genoemde verminderingen in verband met de prijsovereenkomsten op de Deense markt leidt dit op basis van de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode tot een verlaging van 338 600 ECU.
11 Uitgaande van de methode van de Commissie zou de geldboete van verzoekster derhalve met 411 200 ECU moeten worden verlaagd.
12 De bepaling van de hoogte van een geldboete door het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is naar haar aard geen nauwkeurige wiskundige operatie. Overigens is het Gerecht niet gebonden aan de berekeningen van de Commissie, maar dient het met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval een eigen oordeel te vormen.
13 Gelet op de omstandigheden van het geval is de algemene aanpak die de Commissie ter bepaling van de hoogte van de geldboeten heeft gevolgd (zie hiervóór, punten 522 e.v.(5)), naar het oordeel van het Gerecht gerechtvaardigd. De inbreuken waar het hier om gaat, te weten het vaststellen van prijzen en verdelen van markten, hetgeen in artikel 65, lid 1, van het Verdrag uitdrukkelijk wordt verboden, moeten immers als bijzonder zwaar worden beschouwd, aangezien zij een rechtstreekse ingreep in de belangrijkste mededingingsparameters op de betrokken markt betekenen. Ook de aan verzoekster te laste gelegde systemen voor de uitwisseling van vertrouwelijke informatie hadden op soortgelijke wijze een verdeling van de markten aan de hand van de traditionele handelsstromen ten doel. Alle voor de geldboete in aanmerking genomen inbreuken zijn na het einde van de crisisregeling en na desbetreffende waarschuwingen aan het adres van de ondernemingen gepleegd. Naar het Gerecht heeft vastgesteld, was het algemene doel van de betrokken overeenkomsten en praktijken juist, de met het vervallen van de crisisregeling gepaard gaande terugkeer naar de normale mededinging te verhinderen of te vervalsen. Bovendien wisten de ondernemingen, dat die overeenkomsten en praktijken onrechtmatig waren, en hebben zij ze bewust voor de Commissie geheim gehouden.
14 Gelet op het voorgaande en op de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162, blz. 1) op 1 januari 1999 moet de geldboete worden bepaald op 3 580 000 euro.
(...)
Dictum
rechtdoende:
1) Verklaart artikel 1 van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten nietig voor zover verzoekster daarin ten laste wordt gelegd, enerzijds gedurende drie maanden te hebben deelgenomen aan een overeenkomst tot verdeling van de Italiaanse markt, en anderzijds tussen 1 juli en 3 november 1988 te hebben deelgenomen aan een inbreuk met betrekking tot de vaststelling van prijzen op de Deense markt.
2) Bepaalt het bedrag van de bij artikel 4 van beschikking 94/215/EGKS aan verzoekster opgelegde geldboete op 3 580 000 euro.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verwijst verzoekster in haar eigen kosten alsmede in viervijfde van de kosten van de Commissie. Verstaat dat de Commissie eenvijfde van haar eigen kosten zal dragen.
(1) - Enkel die rechtsoverwegingen worden weergegeven waarvan het Gerecht de publicatie nuttig acht. Behoudens het feit dat de aan verzoekster verweten inbreuken werden beëindigd op 31 december 1989, zijn de overige punten grotendeels identiek aan of in overeenstemming met die van het arrest van het Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen/Commissie (T-141/94, Jurispr. blz. II-347), met uitzondering van met name de punten 74-120, 413-422, 566-574 en 614-625 daarvan, die niet terugkomen in het onderhavige arrest. Ook zijn de inbreuken op artikel 65, lid 1, van het Verdrag, die verzoekster op bepaalde nationale markten zou hebben gepleegd, niet dezelfde als in de zaak Thyssen/Commissie aan de orde zijn. De gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking berust in casu in wezen op het ontbreken van bewijs voor verzoeksters deelneming aan de in punt 1 van het dictum van het onderhavige arrest bedoelde inbreuk.
(2) - Deze datum wordt vermeld in de Franse en de Spaanse versie van de beschikking. In de Duitse en de Engelse versie wordt als datum 31 december 1988 vermeld.
(3) - Zie arrest Thyssen/Commissie, punt 451.
(4) - Zie arrest Thyssen/Commissie, punten 640 e.v.
(5) - Zie arrest Thyssen/Commissie, punten 577 e.v.
Full & Egal Universal Law Academy