Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1 EGKS - Mededingingsregelingen - Onderneming - Begrip - Economische eenheid
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1; EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2 EGKS - Mededingingsregelingen - Verbod - Inbreuk gepleegd door dochtermaatschappij - Administratieve ondersteuning door moedermaatschappij - Toerekening aan dochtermaatschappij
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)
3 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Bepaling van geldboete door gemeenschapsrechter - Volledige rechtsmacht
(EGKS-Verdrag, art. 36, tweede alinea)
Samenvatting
1 Het verbod van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag is net als dat van artikel 85, lid 1, EG-Verdrag in het bijzonder gericht tot "ondernemingen". Onder het begrip onderneming in de zin van artikel 85 EG-Verdrag dient een economische eenheid te worden verstaan die uit een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële middelen bestaat, duurzaam een bepaald economisch doel nastreeft en kan deelnemen aan een in die bepaling bedoelde inbreuk. Dit geldt ook voor artikel 65 EGKS-Verdrag.
2 Volgens de rechtspraak kunnen gedragingen van dochtermaatschappijen onder bepaalde omstandigheden aan de moedermaatschappij, waarmee zij een economische eenheid vormen, worden toegerekend, met name wanneer de dochtermaatschappij ondanks haar eigen rechtspersoonlijkheid niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, doch in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt. Evenzo kan de vennootschap die verantwoordelijk is voor de coördinatie van het optreden van een groep vennootschappen, aansprakelijk worden gesteld voor inbreuken gepleegd door de vennootschappen van de groep, zelfs indien deze juridisch geen dochtermaatschappijen zijn.
Gelet op het fundamentele begrip economische eenheid dat aan deze rechtspraak ten grondslag ligt, kan deze rechtspraak ook in de omgekeerde situatie worden toegepast. Zo mag de Commissie het gedrag van de moedermaatschappij toerekenen aan haar dochtermaatschappij, wanneer die dochtermaatschappij de voornaamste dader is en het meeste voordeel van de gepleegde inbreuken heeft gehad, terwijl haar moedermaatschappij enkel een aanvullende rol speelde in de vorm van het verlenen van administratieve ondersteuning en daarmede het plegen van de inbreuken door haar dochter vergemakkelijkte, zonder dat zij haar stempel kon drukken op de beslissingen of een initiatiefrecht had.
3 De bepaling van de hoogte van een geldboete door het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is naar haar aard geen nauwkeurige wiskundige operatie. Overigens is het Gerecht niet gebonden aan de berekeningen van de Commissie, maar dient het met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval een eigen oordeel te vormen.
Partijen
In zaak T-145/94,
Unimétal - Société française des aciers longs SA, gevestigd te Rombas (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Winckler, advocaat te Parijs, en C. Levi, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Hoss, Côte d'Eich 15,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, en G. de Bergues, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, later door J.-L. Dewost, directeur-generaal van de juridische dienst, J. Currall en G. Charrier, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende primair een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Tweede kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, waarnemend voor de kamerpresident, A. Potocki en J. Pirrung, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 23, 24, 25, 26 en 27 maart 1998,
het navolgende
Arrest(1)
Overwegingen van het arrest
De feiten
A - Inleiding
1 Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1; hierna: "beschikking"). De Commissie heeft daarbij vastgesteld, dat zeventien Europese staalondernemingen en één van hun ondernemersverenigingen hadden deelgenomen aan een reeks overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen ter vaststelling van prijzen, verdeling van markten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie op de markt van balken in de Gemeenschap. Ter zake van deze inbreuken op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, die tussen 1 juli 1988 en 31 december 1990 hadden plaatsgevonden, heeft zij aan veertien ondernemingen uit de betrokken sector geldboeten opgelegd.
2 Blijkens de beschikking is Unimétal - Société française des aciers longs SA (hierna: "Unimétal") de belangrijkste producent van lange producten van de Franse groep Usinor Sacilor, waarvan zij een volle dochtermaatschappij is. In 1990 bedroeg haar omzet 6,896 miljard FF; de verkoop van balken in de Gemeenschap maakte 1,164 miljard FF ofwel 168 miljoen ECU uit. Usinor Sacilor SA (hierna: "Usinor Sacilor") is een staatsholding die het merendeel van de Franse staalbedrijven controleert, en de op één na grootste staalproducent ter wereld. In 1990 bedroeg haar geconsolideerde omzet 96 053 miljoen FF.
(...)
D - De beschikking
3 De beschikking is verzoekster ter kennis gekomen op 3 maart 1994 en ging vergezeld van een brief van de heer Van Miert, gedateerd 28 februari 1994 (hierna: "Brief"). Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
De volgende ondernemingen hebben in de in deze beschikking beschreven mate deelgenomen aan de bij hun naam vermelde concurrentiebeperkende praktijken, welke de normale werking van de mededinging op de gemeenschappelijke markt hebben belet, beperkt en vervalst. Waar geldboeten worden opgelegd, wordt de duur van de inbreuk in maanden aangegeven, behalve in het geval van de harmonisatie van toeslagen, waar deelneming aan de inbreuk met $x' wordt aangegeven.
(...)
Unimétal
a) Uitwisseling van vertrouwelijke informatie via het $Poutrelles Committee'(30)
b) Vaststelling van prijzen in het $Poutrelles Committee'(30)
c) Vaststelling van prijzen op de Italiaanse markt(6)
d) Vaststelling van prijzen op de Deense markt(16) e) Verdeling van de markt, $Traverso-systeem'(3 + 3)
f) Verdeling van de markt, Frankrijk(3)
g) Verdeling van de markt, Italië(3)
h) Harmonisatie van toeslagen(x)
i) Vaststelling van prijzen op de Franse markt
(...)
Artikel 4
Voor de in artikel 1 beschreven inbreuken die na 30 juni 1988 (na 31 december 1989(2) in het geval van Aristrain en Ensidesa) zijn geschied, worden de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
Unimétal SA12 300 000 ECU
(...)
Artikel 6
Deze beschikking is gericht tot:
(...)
- Unimétal
(...)"
(...)
De primaire vordering: nietigverklaring van de beschikking
(...)
A - Schending van de rechten van de verdediging van verzoekster
Beperkte toegang tot het dossier van de Commissie
(...)
Beoordeling door het Gerecht
(...)
4 Aangaande het verwijt, dat de Commissie zou hebben geweigerd om verzoekster een niet-vertrouwelijke samenvatting ter beschikking te stellen van een aantal als niet-toegankelijk gekwalificeerde stukken, na eerst te hebben aangeboden dit wel te doen, moet worden opgemerkt, dat dit verzoek bijna al deze stukken betrof (meerdere honderden en geen twintigtal, zoals in haar memories gesteld) en dat verzoekster daarvoor enkel aanvoerde, "te willen aantonen, dat zij niet [had] deelgenomen aan een aantal van de gewraakte praktijken". Naar het oordeel van het Gerecht heeft de Commissie terecht geweigerd op dit verzoek in te gaan, dat zo algemeen was, dat het in feite niet gemotiveerd was.
5 Bovendien zijn deze stukken niet tegen verzoekster gebruikt en bevatten zij ook niets à décharge, hetgeen verzoekster overigens niet heeft ontkend nadat zij in het kader van de gerechtelijke procedure na de beschikking van 19 juni 1996 toegang had gekregen tot deze stukken.
6 In die omstandigheden heeft verzoekster naar het oordeel van het Gerecht niet aangetoond, dat zij niet in staat is geweest om in de loop van de administratieve procedure stelling te nemen tegen de in de mededeling van de punten van bezwaar tegen haar gebruikte stukken.
(...)
De subsidiaire vordering: nietigverklaring, althans verlaging van de geldboete
(...)
Verhoging van de geldboete wegens het gedrag van Usinor Sacilor
7 Blijkens de gedetailleerde toelichting van de Commissie in de loop van het geding is verzoeksters boete wegens harmonisatie van toeslagen met 10 % verhoogd om rekening te houden met het feit dat haar moedermaatschappij, Usinor Sacilor, deze harmonisatie had voorgesteld.
8 In zoverre moet worden vastgesteld, dat deze verzwarende omstandigheid nergens in de beschikking wordt vermeld en voor het eerst is genoemd in verweersters antwoord van 19 januari 1998 op de schriftelijke vragen van het Gerecht. De beschikking is derhalve totaal niet gemotiveerd op dit punt.
9 Bijgevolg moet artikel 4 van de beschikking nietig worden verklaard voor zover verzoeksters geldboete is verhoogd omdat Usinor Sacilor de stuwende kracht achter de harmonisatie van toeslagen zou zijn geweest.
10 Verder blijkt uit de gedetailleerde toelichting van verweerster in de loop van het geding, dat de geldboete die verzoekster is opgelegd wegens de uitwisseling van vertrouwelijke informatie, met 10 % is verhoogd omdat Usinor Sacilor het secretariaat van het "Poutrelles Committee" verzorgde, hetgeen overigens niet wordt betwist door verzoekster.
11 Gelet op de overwegingen in punt 321 van de beschikking, waarin de Commissie aangeeft dat "bij het bepalen van de aan Unimétal opgelegde geldboete (...) rekening [is] gehouden met het gedrag van haar moedermaatschappij bij de administratieve ondersteuning van het Poutrelles Committee'", kan niet worden gesteld, dat de beschikking op dit punt gebrekkig gemotiveerd is. Verzoekster heeft er immers uit kunnen opmaken, dat de Commissie de gedragingen van haar moedermaatschappij, die door haar secretariaatswerk het plegen van de inbreuken binnen het "Poutrelles Committee" vergemakkelijkte, aan haar heeft toegerekend en dat de boete om die reden is verhoogd. In haar verzoekschrift heeft verzoekster deze toerekening en de verhoging van de boete overigens met een aantal materiële argumenten bestreden (zie hiervóór, punten 561 en 562).
12 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt, dat er geen tegenspraak is tussen de punten 321 en 285 van de beschikking. In punt 285 wordt immers geenszins gesteld, dat de bijdrage van Usinor Sacilor aan de activiteiten van de Eurofer/Scandinavië-groep, waarvan zij het secretariaat voerde, geen deelname aan een inbreuk op artikel 65, lid 1, van het Verdrag inhield. Hoogstens kan erin worden gelezen, dat die bijdrage niet "noemenswaardig individueel" genoeg was om naast de beschikking tegen dochter Unimétal een afzonderlijke beschikking tegen haarzelf vast te stellen. Verder moet punt 321 worden gelezen tegen de achtergrond van punt 319, waarin wordt gezegd, dat wanneer meer dan één onderneming van een groep bij de inbreuken betrokken is geweest, de beschikking tot de producerende onderneming is gericht, omdat het vooral deze onderneming is die van de voorkennis over prijzen en hoeveelheden profijt trekt. In punt 321 van de beschikking wordt dit beginsel toegepast op het concrete geval van Unimétal, die als de balkenproducerende dochtermaatschappij van Usinor Sacilor wordt aangewezen, en wordt gesteld, dat bij de bepaling van de aan Unimétal opgelegde geldboete rekening is gehouden met het gedrag van haar moedermaatschappij, die het "Poutrelles Committee" administratief had ondersteund.
13 In elk geval heeft punt 285 van de beschikking enkel betrekking op de activiteiten van de Eurofer/Scandinavië-groep en verwijst het dus enkel naar de prijsvaststelling op de Deense markt, terwijl punt 321 van de beschikking betrekking heeft op de activiteiten van het "Poutrelles Committee". Uit de toelichting van de Commissie in de loop van het geding blijkt evenwel, dat de verhoging van verzoeksters boete met 10 % wegens verzwarende omstandigheden - te weten wegens het gedrag van Usinor Sacilor - slechts betrekking heeft op het gedeelte van de boete dat de uitwisseling van vertrouwelijke informatie binnen het "Poutrelles Committee" betreft.
14 Omtrent de rechtmatigheid van deze toerekening zij om te beginnen opgemerkt, dat het verbod van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag net als dat van artikel 85, lid 1, EG-Verdrag in het bijzonder is gericht tot "ondernemingen". Blijkens de rechtspraak van het Gerecht (zie arrest Shell/Commissie, reeds aangehaald, punt 311) dient onder het begrip onderneming in de zin van artikel 85 EG-Verdrag een economische eenheid te worden verstaan die uit een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële middelen bestaat, duurzaam een bepaald economisch doel nastreeft en kan deelnemen aan een in die bepaling bedoelde inbreuk (zie ook arrest Hof van 12 juli 1984, Hydrotherm, 170/83, Jurispr. blz. 2999, punt 11, en arrest Gerecht van 12 januari 1995, Viho/Commissie, T-102/92, Jurispr. blz. II-17, punt 50, bevestigd door arrest Hof van 24 oktober 1996, Viho/Commissie, C-73/95 P, Jurispr. blz. I-5457, punten 15-18). Naar het oordeel van het Gerecht geldt deze definitie ook voor artikel 65 EGKS-Verdrag.
15 In casu moeten Usinor Sacilor en haar volle dochter Unimétal worden beschouwd als één en dezelfde onderneming in de zin van deze bepaling.
16 Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen gedragingen van dochtermaatschappijen onder bepaalde omstandigheden aan de moedermaatschappij, waarmee zij een economische eenheid vormen, worden toegerekend, met name wanneer de dochtermaatschappij ondanks haar eigen rechtspersoonlijkheid niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, doch in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt (zie arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punten 132-135). Evenzo kan volgens de rechtspraak van het Gerecht de vennootschap die verantwoordelijk is voor de coördinatie van het optreden van een groep vennootschappen, aansprakelijk worden gesteld voor inbreuken gepleegd door de vennootschappen van de groep, zelfs indien deze juridisch geen dochtermaatschappijen zijn (zie arrest Shell/Commissie, reeds aangehaald, punten 312-315).
17 Gelet op het fundamentele begrip economische eenheid dat aan deze rechtspraak ten grondslag ligt, kan deze rechtspraak naar het oordeel van het Gerecht ook in de omgekeerde situatie worden toegepast, die zich in deze zaak voordoet.
18 Aangezien Usinor Sacilor door haar administratief secretariaatswerk het plegen van de inbreuken binnen het "Poutrelles Committee" heeft vergemakkelijkt, heeft de Commissie terecht hiermee rekening gehouden bij het bepalen van de precieze betrokkenheid en rol van deze onderneming bij de gewraakte praktijken.
19 Verder heeft de Commissie terecht het gedrag van Usinor Sacilor aan haar dochter Unimétal toegerekend, in plaats van omgekeerd, aangezien verzoekster in de bijzondere omstandigheden van het geval, als dochtermaatschappij die verantwoordelijk is voor de balkenproductie binnen de groep Usinor Sacilor, de voornaamste dader is en het meeste voordeel van de gepleegde inbreuken heeft gehad, terwijl haar moedermaatschappij enkel een aanvullende rol speelde in de vorm van het verlenen van administratieve ondersteuning. Verzoekster heeft in dit verband in haar memories benadrukt, dat Usinor Sacilor geen stempel kon drukken op de beslissingen en geen initiatiefrecht had, toen zij het administratief secretariaat van het "Poutrelles Committee" op zich nam.
20 Gelet op het voorgaande moeten verzoeksters argumenten betreffende de verhoging van de boete wegens de administratieve ondersteuning van de activiteiten van het "Poutrelles Committee" door Usinor Sacilor worden verworpen.
(...)
De uitoefening door het Gerecht van zijn volledige rechtsmacht
21 Artikel 1 van de beschikking is door het Gerecht reeds nietig verklaard wat betreft de daarin aan verzoekster verweten deelneming aan een overeenkomst tot vaststelling van prijzen op de Italiaanse markt (zie hiervóór, punt 403). De door de Commissie ter zake opgelegde geldboete bedraagt 70 600 ECU.
22 Om de hiervóór in punt 422(3) genoemde redenen dient voorts de periode van 1 juli tot en met 31 december 1988 buiten beschouwing te blijven bij de berekening van de boete voor de inbreuk ter zake van de prijsvaststelling op de Deense markt; op basis van de door de Commissie toegepaste methode leidt dit tot een verlaging van verzoeksters boete met 16 800 ECU.
23 Verder heeft het Gerecht de verhoging van verzoeksters boete wegens recidive, door de Commissie bepaald op 3 074 200 ECU, om de hierboven genoemde redenen (punten 581 e.v.)(4) nietig verklaard.
24 Bovendien heeft het de verhoging van verzoeksters boete wegens het feit dat Usinor Sacilor de stuwende kracht zou zijn geweest achter de harmonisatie van toeslagen, door de Commissie bepaald op 84 000 ECU, nietig verklaard (zie hiervóór, punt 595).
25 Ten slotte dient om de hiervóór (punten 615-621)(5) genoemde redenen het totaalbedrag van de wegens de overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen tot vaststelling van prijzen opgelegde geldboete met 15 % te worden verlaagd, aangezien de Commissie de anticoncurrentiële gevolgen van de vastgestelde inbreuken enigszins heeft overschat. Rekening houdend met de reeds genoemde verminderingen in verband met de prijsovereenkomsten op de Deense markt leidt dit op basis van de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode tot een verlaging van 777 800 ECU.
26 Uitgaande van de methode van de Commissie zou de geldboete van verzoekster derhalve met 4 023 400 ECU moeten worden verlaagd.
27 De bepaling van de hoogte van een geldboete door het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is naar haar aard geen nauwkeurige wiskundige operatie. Overigens is het Gerecht niet gebonden aan de berekeningen van de Commissie, maar dient het met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval een eigen oordeel te vormen.
28 Gelet op de omstandigheden van het geval is de algemene aanpak die de Commissie ter bepaling van de hoogte van de geldboeten heeft gevolgd (zie hiervóór, punten 548 e.v.)(6), naar het oordeel van het Gerecht gerechtvaardigd. De inbreuken waar het hier om gaat, te weten het vaststellen van prijzen en verdelen van markten, hetgeen in artikel 65, lid 1, van het Verdrag uitdrukkelijk wordt verboden, moeten immers als bijzonder zwaar worden beschouwd, aangezien zij een rechtstreekse ingreep in de belangrijkste mededingingsparameters op de betrokken markt betekenen. Ook de aan verzoekster ten laste gelegde systemen voor de uitwisseling van vertrouwelijke informatie hadden op soortgelijke wijze een verdeling van de markten aan de hand van de traditionele handelsstromen ten doel. Alle voor de geldboete in aanmerking genomen inbreuken zijn na het einde van de crisisregeling en na desbetreffende waarschuwingen aan het adres van de ondernemingen gepleegd. Naar het Gerecht heeft vastgesteld, was het algemene doel van de betrokken overeenkomsten en praktijken juist, de met het vervallen van de crisisregeling gepaard gaande terugkeer naar de normale mededinging te verhinderen of te vervalsen. Bovendien wisten de ondernemingen, dat die overeenkomsten en praktijken onrechtmatig waren, en hebben zij ze bewust voor de Commissie geheim gehouden.
29 Gelet op het voorgaande en op de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162, blz. 1) op 1 januari 1999 moet de geldboete worden bepaald op 8 300 000 euro.
(...)
Dictum
rechtdoende:
1) Verklaart artikel 1 van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten nietig voor zover verzoekster daarin ten laste wordt gelegd, gedurende drie maanden te hebben deelgenomen aan een overeenkomst tot verdeling van de Italiaanse markt.
2) Bepaalt het bedrag van de bij artikel 4 van beschikking 94/215/EGKS aan verzoekster opgelegde geldboete op 8 300 000 euro.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verwijst verzoekster in haar eigen kosten alsmede in de helft van de kosten van de Commissie. Verstaat dat de Commissie de helft van haar eigen kosten zal dragen.
(1) - Enkel die rechtsoverwegingen worden weergegeven waarvan het Gerecht de publicatie nuttig acht. De overige punten zijn grotendeels identiek aan of stemmen overeen met die van het arrest van het Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen/Commissie (T-141/94, Jurispr. blz. II-347), met uitzondering van de punten 413-422 daarvan, die niet terugkomen in het onderhavige arrest. Ook zijn de inbreuken op artikel 65, lid 1, van het Verdrag, die verzoekster op bepaalde nationale markten zou hebben gepleegd, niet dezelfde als in de zaak Thyssen/Commissie aan de orde waren. De gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking berust in casu in wezen op het ontbreken van het bewijs voor verzoeksters deelneming aan de in punt 1 van het dictum van het onderhavige arrest bedoelde inbreuk.
(2) - Deze datum wordt vermeld in de Franse en de Spaanse versie van de beschikking. In de Duitse en de Engelse versie wordt als datum 31 december 1988 vermeld.
(3) - Zie arrest Thyssen/Commissie, punt 451.
(4) - Zie arrest Thyssen/Commissie, punten 614 e.v.
(5) - Zie arrest Thyssen/Commissie, punten 640 e.v.
(6) - Zie arrest Thyssen/Commissie, punten 577 e.v.
Full & Egal Universal Law Academy