Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 EGA - Voorzieningsregeling - Afweging van vraag en aanbod - Vereenvoudigde procedure - Voorlegging van leveringscontract dat geografische oorsprong van materiaal niet vermeldt - Verplichting voor Agentschap zijn besluit te nemen binnen gestelde termijn - Geen
(EGA-Verdrag, art. 60; verordening van Voorzieningsagentschap van Euratom, waarbij wordt bepaald op welke wijze vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, art. 5 bis)
2 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - EGA-Verdrag
(EG-Verdrag, art. 190; EGA-Verdrag, art. 162)
3 Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip
4 EGA - Voorzieningsregeling - Afweging van vraag en aanbod - Vereenvoudigde procedure - Exclusief recht om leveringscontracten af te sluiten - Verplichting na te gaan of sprake is van juridische dan wel materiële bezwaren - Beoordelingsbevoegdheid van Agentschap - Omvang van rechterlijk toezicht - Concreet geval
(EGA-Verdrag, art. 52 tot en met 76; verordening van Voorzieningsagentschap van Euratom, waarbij wordt bepaald op welke wijze vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, art. 5 bis; overeenkomst EEG/EGA-USSR van 27 februari 1990, art. 14)
5 Niet-contractuele aansprakelijkheid - Voorwaarden - Onrechtmatigheid - Schade - Oorzakelijk verband
(EGA-Verdrag, art. 151 en 188, tweede alinea)
Samenvatting
6 Bij de uitvoering van artikel 5 bis van de verordening van het Voorzieningsagentschap van Euratom, waarbij wordt bepaald op welke wijze vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, welk artikel in het kader van een "vereenvoudigde procedure" bepaalt, dat leveringscontracten ter ondertekening aan het Agentschap moeten worden voorgelegd, en dat het Agentschap dan beschikt over een termijn van tien werkdagen om zich uit te spreken, hetzij door het contract af te sluiten, hetzij door de afsluiting te weigeren, neemt de geografische oorsprong van de te leveren stoffen een centrale plaats in onder de elementen van een leveringscontract die moeten worden meegedeeld. De kennis van de geografische oorsprong van de leveranties is voor het Agentschap immers onmisbaar om de met de voorzieningspolitiek beoogde zekerheid van voorziening te garanderen.
Een onderneming die uranium verbruikt en een leveringscontract heeft voorgelegd zonder de geografische oorsprong van het te leveren materiaal te vermelden, ofschoon deze, althans stilzwijgend, tussen de partijen was overeengekomen, kan zich derhalve niet beroepen op eerdergenoemde termijn. Integendeel, in een dergelijk geval heeft het Agentschap het recht partijen vóór het verstrijken van de termijn te verzoeken, het dossier aan te vullen door de oorsprong van het te leveren materiaal mee te delen, en vervolgens binnen een redelijke termijn zijn besluit te nemen. Een dergelijke handelwijze levert noch schending van artikel 5 bis, sub f, van de verordening, noch schending van de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid op.
7 In het kader van het EG-Verdrag, in het bijzonder artikel 190 daarvan, moet de motivering van een handeling de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen, en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen, en moet de omvang van de motiveringsplicht worden beoordeeld met inachtneming van de context waarin zij is gegeven. Artikel 162 EGA-Verdrag, dat betrekking heeft op de motiveringsplicht, is in wezen identiek aan artikel 190 EG-Verdrag en moet op dezelfde wijze als laatstgenoemde bepaling worden uitgelegd.
8 Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft in het gemeenschapsrecht een welbepaalde omvang en ziet op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend. Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd.
9 Uit de opzet van het EGA-Verdrag en de door hoofdstuk 6 daarvan opgezette voorzieningsregeling blijkt, dat de taak van het Voorzieningsagentschap van Euratom erin bestaat, de zekerheid van de voorziening met nucleair materiaal te verzekeren volgens het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen, en dat het daartoe het uitsluitend recht heeft om contracten te sluiten voor de levering van deze producten, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap. Met name worden door de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening, waarbij wordt bepaald op welke wijze vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, het Agentschap zijn exclusieve rechten niet ontnomen. Zelfs in dit kader heeft het Agentschap derhalve het recht, zich te verzetten tegen een contract dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar zou kunnen brengen.
Het Agentschap moet in het algemeen het beginsel van de afweging van vraag en aanbod in acht nemen wanneer het gebruik maakt van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten af te sluiten. Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag is het Agentschap evenwel ook steeds verplicht na te gaan, of de uitvoering van de bestelling op juridische of materiële bezwaren stuit. Het Agentschap beschikt bij beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid, in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden in ieder geval over een ruime beoordelingsmarge, zodat de controle van het Gerecht hoe dan ook beperkt dient te blijven tot gevallen van kennelijk verkeerde beoordeling of van misbruik van bevoegdheid.
Gezien deze juridische context mag het Agentschap zich tegen invoer van nucleair materiaal uit het Gemenebest van onafhankelijke staten verzetten, voor zover deze invoer in de eerste plaats, indien zij in onbeperkte hoeveelheden zou plaatsvinden, de geografische spreiding van de bevoorradingsbronnen buiten de Gemeenschap in gevaar zou brengen, in de tweede plaats in strijd met artikel 14 van de handelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken, niet tegen aan de marktprijzen gerelateerde prijzen zou plaatsvinden, of, in de derde plaats, een particuliere verbruiker een bevoorrechte positie zou verschaffen ten opzichte van zijn concurrenten. De vaststelling van een maximaal toelaatbare afhankelijkheid door het Agentschap aan de hand van de situatie op de markt is een gerechtvaardigd middel om de gelijke toegang tot de hulpbronnen te verzekeren overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Verdrag.
10 De niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap ontstaat pas wanneer is voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade.
Partijen
In de gevoegde zaken T-149/94 en T-181/94,
Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Lingen (Ems) (Duitsland), vertegenwoordigd door B. Kunth, G. Wiedemann, M. Ungemach en H. Nicolaus, advocaten te Düsseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Bonn, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Grunwald, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 94/95/Euratom van de Commissie van 4 februari 1994 betreffende een procedure voor de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB 1994, L 48, blz. 45), en een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 94/285/Euratom van de Commissie van 21 februari 1994 betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB 1994, L 122, blz. 30), alsook een verzoek tot schadevergoeding,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Eerste kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Saggio, president, C. W. Bellamy, A. Kalogeropoulos, V. Tiili en R. M. Moura Ramos, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 18 september 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten, de relevante bepalingen en het procesverloop
1 Verzoekster, Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH (hierna: "KLE"), is eigenaar en exploitant van een kerncentrale in Niedersachsen (Duitsland). Volgens haar uiteenzetting van de feiten voert zij op het gebied van de brandstofvoorziening een beleid op middellange termijn en sluit zij op regelmatige tijdstippen leveringscontracten af die haar brandstoffenbehoefte voor ten hoogste vijf boekjaren dekken.$
2 In juni 1993 vroeg zij offerte voor de levering van natuurlijk uraniumhexafluoride (hierna: "UF6"). Op 10 en 22 november 1993 sloot zij met de in Groot-Brittannië gevestigde vennootschap British Nuclear Fuels plc (hierna "BNFL"), die de gunstigste offerte had ingediend, een leveringscontract af. Ter nakoming van dit contract moest uiterlijk op 31 maart 1995 400 ton natuurlijk UF6 worden geleverd aan een op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigd verrijkingsbedrijf. De overeengekomen koopprijs bedroeg 22 USD (zonder BTW) per kilogram. Het contract vermeldde de plaats van herkomst van het te leveren uranium niet, maar BNFL verplichtte zich ertoe, uiterlijk bij elke gedeeltelijke levering verzoekster en het Voorzieningsagentschap van Euratom (hierna: "Agentschap") de naam van het land van herkomst mee te delen. Volgens zijn bewoordingen zou het contract slechts rechtsgevolg hebben na toestemming van het Agentschap.
3 De verordening van het Agentschap van 5 mei 1960, waarbij wordt bepaald op welke wijze vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen (PB 1960, blz. 777; hierna: "verordening"), is vastgesteld ingevolge artikel 60, zesde alinea, Euratomverdrag (hierna: "Verdrag") en gewijzigd bij de verordening van het Agentschap van 15 juli 1975 (PB 1975, L 193, blz. 37). Artikel 5 bis, sub d, van deze verordening bepaalt in het kader van een "vereenvoudigde procedure", dat leveringscontracten ter ondertekening aan het Agentschap moeten worden voorgelegd. Ingevolge artikel 5 bis, sub f, beschikt het Agentschap dan over een termijn van tien werkdagen om zich uit te spreken, hetzij door het contract af te sluiten, hetzij door de afsluiting te weigeren.
4 Op 29 november 1993 ontving het Agentschap ter ondertekening het contract dat KLE en BNFL wensten af te sluiten.
5 Bij brief van 10 december 1993, ontvangen op 13 december daaraanvolgend, de laatste dag van de ondertekeningstermijn van tien werkdagen, verzocht het Agentschap verzoekster en BNFL om inlichtingen over de herkomst van het uranium waarop het contract betrekking had. Op 14 december 1993 deelde BNFL het Agentschap mee, dat het uranium afkomstig was uit het Gemenebest van onafhankelijke staten (hierna: "GOS"), waarschijnlijk uit Rusland.
6 Bij brief van 20 december 1993 deelde het Agentschap de partijen mee, dat zijn beleid erop gericht is, "de afhankelijkheid van de gebruikers van de Gemeenschap [Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: $Gemeenschap' of $Euratom')] van één bepaalde voorzieningsbron binnen redelijke grenzen te houden en ervoor te zorgen, dat kernmateriaal van oorsprong uit de republieken van het GOS wordt aangekocht tegen aan de marktprijzen gerelateerde prijzen (dat wil zeggen prijzen die de productiekosten weerspiegelen en vergelijkbaar zijn met de in landen met een markteconomie gehanteerde prijzen)". Het zette uiteen, dat zijn diversificatiebeleid erop gericht is, het aandeel van de leveranties uit het GOS te beperken tot 20 à 25 % van de behoefte van de particuliere gebruikers van de Gemeenschap. Volgens het Agentschap dreigde verzoekster door het door haar voorgelegde contract te zeer van uranium uit het GOS afhankelijk te worden. Volgens de berekeningen van het Agentschap, waarin alle leveranties aan KLE in de laatste drie jaar waren betrokken, had zij recht op aankoop van ongeveer 45 ton natuurlijk uranium uit het GOS per jaar. KLE had echter reeds hoeveelheden gekocht die de mate van redelijke afhankelijkheid aanzienlijk en voor meerdere jaren overschreden. Bovendien weerspiegelden de voorgestelde prijzen niet de normale productiekosten en waren zij niet vergelijkbaar met de prijzen in een markteconomie. Het Agentschap achtte het dan ook niet opportuun, het contract af te sluiten, maar verzocht de partijen nog wel, hun standpunten aan hem kenbaar te maken voordat een definitief besluit werd genomen.
7 Op 29 december 1993 legde verzoekster de zaak op grond van artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag aan de Commissie voor, waarbij zij stelde dat het Agentschap in gebreke was gebleven.
8 Op 6 januari 1994 werd besluit nr. 1/94 van het Agentschap betreffende het op 29 november 1993 voorgelegde leveringscontract aan verzoekster betekend. Volgens dit besluit sloot het Agentschap het contract van 10 en 22 november 1993 tussen KLE en BNFL af, onder toevoeging van de voorwaarde dat het geleverde natuurlijke uranium niet rechtstreeks of indirect uit het GOS afkomstig zou zijn.
9 Op 10 januari 1994 deelde de Commissie de gemachtigden van verzoekster mee, dat het op 6 januari 1994 aan verzoekster meegedeelde besluit volgens haar binnen de termijn was genomen, zodat de voorleggingsprocedure zonder voorwerp was geworden.
10 Bij brief van 20 januari 1994 vulde verzoekster haar verzoek van 29 december 1993 aan teneinde besluit nr. 1/94 daarin te betrekken.
11 Bij een tweede brief van dezelfde datum legde zij voorts krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag dit besluit aan de Commissie voor.
12 In de eerste procedure, betreffende de gestelde nalatigheid van het Agentschap, gaf de Commissie op 4 februari 1994 beschikking 94/95/Euratom betreffende een procedure voor de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB 1994, L 48, blz. 45; hierna: "beschikking 94/95"). Zij besliste afwijzend op de verzoeken van KLE, die waren gebaseerd op de stelling dat het Agentschap zich niet binnen de termijn had uitgesproken, en met name ertoe strekten, dat de Commissie het Agentschap zou gelasten het contract van 10 en 22 november 1993 af te sluiten. Volgens de Commissie was het Agentschap niet nalatig geweest, aangezien het gerechtigd was zijn dossier aan te vullen, zodat de termijn van tien werkdagen eerst was ingegaan op de datum van ontvangst van de gevraagde nadere inlichtingen, te weten 14 december 1993, en was verstreken op 6 januari 1994, de datum waarop besluit 1/94 daadwerkelijk was genomen.
13 In de procedure betreffende besluit nr. 1/94 gaf de Commissie op 21 februari 1994 beschikking 94/285/Euratom betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB 1994, L 122, blz. 30; hierna: "beschikking 94/285"). Zij achtte het besluit van het Agentschap rechtmatig en wees de verzoeken van KLE derhalve af.
14 In die omstandigheden kon het leveringscontract volgens KLE niet worden nagekomen. BNFL en KLE zegden het op.
15 Op 8 en 14 maart 1994 sloten KLE en BNFL een nieuw contract af voor de levering van 400 ton UF6 tegen een prijs van 27 USD per kilogram, waarin de voorwaarde was opgenomen, dat het materiaal niet rechtstreeks of indirect uit het GOS afkomstig zou zijn. Dit contract werd door het Agentschap afgesloten op 30 maart 1994.
16 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 11 en 27 april 1994, heeft verzoekster de onderhavige beroepen ingesteld, die zijn ingeschreven onder de nummers T-149/94 en T-181/94.
17 Bij beschikking van 23 maart 1995 heeft het Gerecht (Eerste kamer - uitgebreid) de twee zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
18 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Verzoekster heeft de haar door het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang gestelde vragen vóór de datum van de terechtzitting schriftelijk beantwoord. Ter terechtzitting van 18 september 1996 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de door het Gerecht gestelde mondelinge vragen.
De conclusies van partijen
19 In zaak T-149/94 concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
- beschikking 94/95 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten, die van de voorafgaande procedure daaronder begrepen.
20 In deze eerste zaak concludeert verweerster dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
21 In zaak T-181/94 concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
- beschikking 94/285 nietig te verklaren;
- Euratom te veroordelen haar een schadevergoeding van 3 511 279,30 DM te betalen, met rente tegen 6 % per jaar vanaf 7 april 1994;
- de Commissie te verwijzen in de kosten, die van de voorafgaande procedure daaronder begrepen, voor zover deze niet in het kader van de schadevordering in aanmerking zijn genomen.
22 In deze tweede zaak concludeert verweerster dat het het Gerecht behage:
- het beroep tot nietigverklaring te verwerpen,
- de schadevordering niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren,
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
Zaak T-149/94
23 Voor haar vordering tot nietigverklaring draagt verzoekster vijf middelen voor, respectievelijk schending van artikel 5 bis, sub f, van de verordening alsook van de bepalingen van hoofdstuk 6 van het Verdrag, betreffende de voorziening, schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van bescherming van de rechtszekerheid, schending van de regels voor de bevoegdheidsverdeling, schending van de motiveringsplicht, en misbruik van bevoegdheid.
24 Het eerste en het tweede middel zijn gericht tegen de mogelijkheid voor het Agentschap om nadere inlichtingen te vragen en geen definitieve beslissing te nemen voordat het dossier volledig is, dat wil zeggen voordat het ten minste de op grond van artikel 5 bis, sub c, van de verordening vereiste gegevens bevat.
25 Deze twee middelen dienen tezamen te worden onderzocht.
Het eerste en het tweede middel: schending van artikel 5 bis, sub f, van de verordening en schending van het evenredigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
26 Verzoekster stelt om te beginnen, dat de bestreden beschikking in strijd is met artikel 5 bis, sub f, van de verordening. Ingevolge deze bepaling moet het Agentschap binnen tien werkdagen na de ontvangst van het contract mededelen of het voorgelegde contract al dan niet wordt afgesloten. Volgens verzoekster had het Agentschap uiterlijk op 13 december 1993 een definitief besluit moeten nemen, terwijl het dit in werkelijkheid heeft gedaan op 6 januari 1994, bijna vier weken later.
27 Dat het Agentschap binnen de termijn om nadere inlichtingen heeft verzocht, volstaat volgens verzoekster niet om te kunnen stellen, dat het zich binnen deze termijn heeft uitgesproken.
28 De discretionaire bevoegdheid om nadere inlichtingen te vragen, waarop het Agentschap zich op basis van artikel 5 bis van de verordening beroept, druist in tegen de doelstellingen van de in dat artikel geregelde vereenvoudigde procedure. Artikel 5 bis geeft een volledige en uitputtende definitie van de vereisten waaraan de af te sluiten contracten moeten voldoen. In elk geval moet het Agentschap zó tijdig om de noodzakelijk geachte inlichtingen verzoeken, dat de contracterende partijen deze binnen de termijn van tien werkdagen kunnen verstrekken.
29 Bovendien beschikte het Agentschap reeds op 29 november 1993 over alle door artikel 5 bis, sub f, van de verordening verlangde inlichtingen. Verzoekster stelt vast, dat artikel 5 bis, sub c, punt 5, voorziet in de mogelijkheid, dat het land van oorsprong van de te leveren stoffen niet in het voorgelegde contract wordt vermeld, mits de leverancier zich jegens de gebruiker en het Agentschap verplicht hun vóór de levering het land van oorsprong mee te delen. Aan dit vereiste was in het betrokken contract voldaan.
30 In de tweede plaats betoogt verzoekster, dat het onevenredig was nadere inlichtingen te verlangen, daar het Agentschap hoe dan ook het contract niet zou hebben getekend, zonder de mogelijkheid uit te sluiten dat het uranium uit het GOS afkomstig zou zijn. Voorts is het nemen van de beslissing meer vertraagd dan voor de aanvulling van het dossier noodzakelijk was. Verzoekster verwijt de Commissie, haar een procedure van onvoorzienbare duur te hebben opgedrongen door in te stemmen met het verzoek van het Agentschap om nadere inlichtingen. Aan het Agentschap mocht niet worden toegestaan, de termijn naar eigen goeddunken te verlengen en aldus de besluiten betreffende de afsluiting van contracten naar willekeur te vertragen. In dit verband verwijt verzoekster de Commissie, het beginsel van behoorlijk bestuur en het rechtszekerheidsbeginsel te hebben geschonden.
31 Verweerster betoogt, dat de tekst van artikel 5 bis, sub c, van de verordening, dat betrekking heeft op normale gevallen, in het belang van een snelle afwikkeling van de procedure slechts bepaalde minimale gegevens vereist, die in bijzondere gevallen eventueel moeten worden aangevuld. Artikel 55 van het Verdrag verleent het Agentschap uitdrukkelijk het recht, de inlichtingen te verlangen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten af te sluiten.
32 De toepasselijke termijn is pas ingegaan op de datum dat het Agentschap de nadere inlichtingen had ontvangen. Het zou onverenigbaar zijn met de beginselen van de rechtsstaat, dat het Agentschap ter eerbiediging van de in geding zijnde termijn zou moeten afzien van noodzakelijke nadere inlichtingen en de afsluiting van het contract zou moeten weigeren. In elk geval is de termijn van tien dagen geen dwingende vervaltermijn, maar een administratieve termijn die het Agentschap zichzelf heeft gesteld.
33 Het land van oorsprong zou slechts achteraf mogen worden meegedeeld, indien de leverancier dit gegeven op het tijdstip van de afsluiting van het contract niet kon verstrekken. Op dat tijdstip wist BNFL echter waar het product vandaan zou komen, aangezien zij het Agentschap deze inlichting binnen één dag na het desbetreffende verzoek heeft verstrekt, en een offerte als die van BNFL, waarbij een nauwkeurige prijs en leveringstermijn werden voorgesteld, uitsluitend kon worden uitgebracht door een onderneming die een duidelijke notie had van de bron van het te leveren materiaal en van de termen van het toeleveringscontract.
2. Beoordeling door het Gerecht
34 Artikel 5 bis, sub c, van de verordening bepaalt:
"Het leveringscontract moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
(...)
5. land van oorsprong van de te leveren stoffen. Indien de leverancier deze gegevens niet kan verstrekken bij het afsluiten van het contract, moet hij zich jegens de gebruiker en het agentschap schriftelijk verplichten hen later het land van oorsprong van elke gedeeltelijke levering mede te delen
(...)"
35 De geografische oorsprong van de te leveren stoffen neemt derhalve een centrale plaats in onder de elementen van een leveringscontract die ter uitvoering van artikel 5 bis van de verordening aan het Agentschap moeten worden meegedeeld. De kennis van de geografische oorsprong van de leveranties is voor het Agentschap immers onmisbaar om de met de voorzieningspolitiek beoogde zekerheid van voorziening te garanderen, zoals zal blijken uit de behandeling van zaak T-181/94 (zie in het bijzonder r.o. 92-94).
36 Bovendien blijkt uit de hiervoor aangehaalde tekst van artikel 5 bis, sub c, van de verordening duidelijk, dat een mededeling achteraf van het land van oorsprong enkel toelaatbaar is indien de leverancier dit gegeven op het tijdstip van de afsluiting van het contract niet kon verstrekken.
37 In casu blijkt echter, dat verzoekster en haar leverancier, althans stilzwijgend, waren overeengekomen, dat de stoffen uit het GOS afkomstig zouden zijn. BNFL heeft het Agentschap immers binnen één dag na het verzoek om inlichtingen de waarschijnlijke oorsprong van het uranium meegedeeld. Daarbij komt dat, gelijk de Commissie terecht betoogt, een offerte als die van BNFL, met een nauwkeurig bepaalde prijs en leveringstermijn, enkel kon worden uitgebracht door een onderneming die een duidelijke notie had van de herkomst van het te leveren product en van de termen van het toeleveringscontract. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft erkend, was de tussen de partijen overeengekomen prijs overigens zo laag, dat het voor elke ondernemer in deze sector op het eerste gezicht duidelijk was, dat het materiaal uit het GOS zou komen. Ten slotte mag redelijkerwijs worden aangenomen, dat een voorzichtig ondernemer zich op de hoogte stelt van de herkomst van het uranium waarop een leveringscontract betrekking heeft.
38 Door in het leveringscontract de geografische oorsprong van het uranium niet te vermelden, ofschoon deze, althans stilzwijgend, tussen de partijen was overeengekomen, heeft verzoekster de administratieve moeilijkheden die het Agentschap ondervond om een besluit te nemen, over zichzelf afgeroepen. In die omstandigheden kon verzoekster zich niet beroepen op artikel 5 bis, sub f, van de verordening, dat voorziet in een versnelde procedure, waarbij het Agentschap in gevallen die geen problemen opleveren, binnen een termijn van tien werkdagen uitspraak moet doen.
39 Integendeel, het Gerecht is van oordeel, dat het Agentschap in het onderhavige geval het recht had, partijen vóór het verstrijken van de in artikel 5 bis, sub f, van de verordening gestelde termijn te verzoeken, het dossier aan te vullen door de oorsprong van het te leveren materiaal mee te delen. Noch artikel 5 bis, sub f, van de verordening noch het Verdrag staan immers in de weg aan een dergelijk verzoek, dat door de omstandigheden van het geval juist gerechtvaardigd was.
40 Blijkens de stukken heeft het Agentschap zijn besluit genomen op 6 januari 1994, de tiende werkdag na 14 december 1993, de datum waarop het de gevraagde inlichtingen heeft ontvangen. Deze termijn was redelijk en leverde noch een schending van artikel 5 bis, sub f, van de verordening, noch een schending van de door verzoekster ingeroepen beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid op.
41 Mitsdien moeten het eerste en het tweede middel ongegrond worden verklaard.
Het derde middel: schending van de regels voor de bevoegdheidsverdeling
42 Verzoekster heeft haar derde middel, schending van de regels voor de bevoegdheidsverdeling, niet uitgewerkt.
43 Over de gegrondheid van dit middel behoeft het Gerecht zich derhalve niet uit te spreken.
Het vierde middel: schending van de motiveringsplicht
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
44 Volgens verzoekster bevat de bestreden beschikking geen argument dat uitstel van het aanvangstijdstip van de aan het Agentschap gestelde termijn rechtvaardigt. De motiveringsplicht zou ook zijn geschonden door de tegenstrijdigheden en zwakke punten in het betoog van het Agentschap en de Commissie. Met name heeft de Commissie niet gepreciseerd, waarom de door het Agentschap verlangde inlichtingen, die essentieel heetten te zijn voor het nemen van het besluit, niet binnen de in de verordening gestelde termijn konden worden gevraagd. Voorts is de Commissie vóór het geven van de omstreden beschikking voorbijgegaan aan een aantal belangrijke punten die verzoekster te berde had gebracht.
45 Verweerster stelt, dat het Agentschap noch zijzelf verzoekster in onzekerheid heeft gelaten ten aanzien van de gronden voor hun beschikkingen. Alle brieven en beschikkingen bevatten een samenhangende motivering waaruit verzoekster zonder moeite de belangrijkste gronden voor het standpunt van het Agentschap en de Commissie had kunnen afleiden.
2. Beoordeling door het Gerecht
46 Het is vaste rechtspraak in het kader van het EG-Verdrag, dat de door artikel 190 van dat Verdrag vereiste motivering van een handeling de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig moet doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen, en dat de omvang van de motiveringsplicht moet worden beoordeeld met inachtneming van de context waarin zij is gegeven (arrest Gerecht van 24 april 1996, gevoegde zaken T-551/93, T-231/94, T-232/94, T-233/94 en T-234/94, Industrias Pesqueras Campos e.a., Jurispr. 1996, blz. II-247, r.o. 140).
47 Artikel 162 EGA-Verdrag, dat betrekking heeft op de motiveringsplicht, is in wezen identiek aan artikel 190 EG-Verdrag. Het moet op dezelfde wijze als laatstgenoemde bepaling worden uitgelegd.
48 In casu heeft de Commissie in de tiende overweging van de considerans van beschikking 94/95 het volgende uiteengezet:
"(...) Op de hoogte zijn van de herkomst van de stoffen is voor het Agentschap van bijzonder belang in de huidige situatie op de wereldmarkt voor natuurlijk uranium, die gekenmerkt wordt door een aanzienlijke toename van uit het GOS afkomstige uraniumleveranties tegen prijzen die in een markteconomie in geen enkele verhouding staan tot de produktiekosten. (...) de diversifiëring van bevoorradingsbronnen, en derhalve de doelstelling van een regelmatige en billijke voorziening (...) [dreigt] door deze leveranties in gevaar (...) te worden gebracht. Om die redenen draagt het Agentschap (...) er zorg voor dat de afhankelijkheid van de Gemeenschap van één bepaalde voorzieningsbron binnen redelijke grenzen blijft, en dat het uit het GOS afkomstige kernmateriaal tegen aan marktprijzen gerelateerde prijzen wordt aangekocht."
49 Zij merkte op, dat KLE reeds grote hoeveelheden natuurlijk uranium van oorsprong uit het GOS had aangekocht. Zij beklemtoonde, dat "de in artikel 5 bis, onder c, van de verordening van het Agentschap genoemde gegevens slechts minimaal vereiste gegevens zijn", en concludeerde, dat "het Agentschap gerechtigd [was] het dossier (...) aan te vullen" (elfde overweging van de considerans van beschikking 94/95). Ten slotte zette zij uiteen, dat de termijn was ingegaan op de dag na de datum waarop het Agentschap de gevraagde nadere inlichtingen had ontvangen, en dat hij verstreek op de dag dat het Agentschap zijn definitieve besluit had genomen (twaalfde en dertiende overweging).
50 Derhalve doet de motivering van beschikking 94/95 de gevolgde redenering duidelijk en ondubbelzinnig uitkomen.
51 Mitsdien kan het vierde middel niet worden aanvaard.
Het vijfde middel: misbruik van bevoegdheid
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
52 Tot staving van haar middel inzake misbruik van bevoegdheid voert verzoekster in wezen aan, dat het Agentschap en de Commissie geen discretionaire bevoegdheid hadden, maar tot afsluiting van het door verzoekster in het kader van de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening voorgelegde contract verplicht waren.
2. Beoordeling door het Gerecht
53 Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft in het gemeenschapsrecht een welbepaalde omvang en ziet op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend. Dienaangaande is het vaste rechtspraak, dat bij een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd (arrest Industrias Pesqueras Campos e.a., reeds aangehaald, r.o. 168).
54 Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt, dat het Agentschap en de Commissie een ander doel hebben nagestreefd dan de uitvoering van de voorzieningspolitiek.
55 Derhalve moet ook het vijfde middel worden afgewezen.
56 Gelet op het voorgaande moet het beroep in zaak T-149/94 ongegrond worden verklaard.
Zaak T-181/94
Het beroep tot nietigverklaring
57 Verzoekster voert vijf middelen aan, respectievelijk schending van artikel 5 bis van de verordening en de bepalingen van hoofdstuk 6 van het Verdrag, betreffende de voorziening, schending van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, schending van de regels voor de bevoegdheidsverdeling, schending van de motiveringsplicht en misbruik van bevoegdheid.
1. Het eerste middel: schending van artikel 5 bis van de verordening en de bepalingen van hoofdstuk 6 van het Verdrag, betreffende de voorziening
58 Het eerste middel valt uiteen in vier onderdelen, die hierna achtereenvolgens worden besproken.
59 Volgens het eerste onderdeel van het eerste middel heeft het Agentschap zich niet gehouden aan zijn verplichting om overeenkomstig artikel 5 bis van de verordening het contract af te sluiten, en volgens het tweede onderdeel van het eerste middel is de voorzieningspolitiek, zoals deze in casu is gedefinieerd en toegepast, in strijd met de artikelen 61, eerste alinea, 60 en 65, eerste alinea, alsook met de artikelen 52, lid 2, en 64 van het Verdrag; met beide onderdelen van het middel wordt opgekomen tegen de mogelijkheid om bij de uitoefening van het uitsluitend recht om leveringscontracten voor uranium af te sluiten, van de werking van vraag en aanbod af te wijken.
60 Deze onderdelen van het middel dienen derhalve tezamen te worden behandeld.
Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel: schending van de verplichting van het Agentschap om overeenkomstig artikel 5 bis van de verordening het contract af te sluiten, en schending van de artikelen 61, eerste alinea, 60 en 65, eerste alinea, alsook 52, lid 2, en 64 van het Verdrag
- Samenvatting van de argumenten van partijen
61 Verzoekster betoogt, dat het Agentschap bij de uitoefening van zijn bevoegdheden het beginsel van de markteconomie moet eerbiedigen. Gelijk advocaat-generaal Roemer in zijn conclusie bij het arrest van het Hof van 14 december 1971 (zaak 7/71, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1971, blz. 1003, 1031) heeft uiteengezet, vormt de voorzieningsregeling een compromis tussen een dirigistische visie en een vrijemarktvisie. Op grond van de artikelen 60 en 65 van het Verdrag geldt het beginsel van de afweging van vraag en aanbod ongeacht de herkomst van het uranium.
62 Op een markt waar het aanbod de vraag overtreft, een kopersmarkt derhalve, zou de afwegingsprocedure van artikel 60 van het Verdrag te omslachtig zijn, reden waarom de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening in het leven is geroepen. De Commissie is voorbijgegaan aan de plaats van genoemd artikel in het systeem van het verdragshoofdstuk betreffende de voorziening. Aan het doel van deze vereenvoudigde procedure, namelijk de handhaving van het directe contact tussen de gebruikers en de producenten, zou volledig worden voorbijgeschoten, indien het Agentschap het recht had de afsluiting van de hem overeenkomstig de verordening ter ondertekening voorgelegde contracten te weigeren.
63 Bijgevolg heeft het Agentschap volgens verzoekster in het kader van deze procedure geen enkele beoordelingsmarge. Een weigering om een contract af te sluiten, is slechts denkbaar onder de in de verordening genoemde algemene voorwaarden. De bevoegdheid van het Agentschap is immers beperkt tot, enerzijds, het in het oog houden van de marktsituatie, zoals bedoeld in de derde overweging van de considerans van de verordening van het Agentschap van 15 juli 1975 (reeds aangehaald) waarbij artikel 5 bis in de verordening van 5 mei 1960 is ingelast, en anderzijds, het controleren of de partijen de hun in dit artikel opgelegde informatieplicht zijn nagekomen. Door aan het contract een beperkende voorwaarde te verbinden, ofschoon het in overeenstemming was met de verordening, heeft het Agentschap zijn bevoegdheid overschreden, hetgeen de Commissie had moeten erkennen.
64 Verzoekster merkt voorts op, dat de regels van het Verdrag het Agentschap niet toestaan, een beleid van diversificatie van de voorzieningsbronnen in te voeren en toe te passen, quota vast te stellen en aldus de vrije keuze van de herkomst van het uranium te beperken.
65 Het overvloedige aanbod van natuurlijk uranium op de markt is niet enkel te wijten aan de staten van de voormalige Sovjet-Unie, maar ook aan het feit dat in het Westen aanzienlijke voorraden uranium op de markt zijn gebracht. Het ligt voor de hand, dat bij een overvloedig aanbod de effectieve productie uit mijnen met hoge exploitatiekosten terugloopt. Deze situatie komt evenwel niet overeen met een "structureel tekort", aangezien als criterium niet de effectieve productie, die slechts een momentopname is, moet worden gehanteerd, maar de beschikbare productiecapaciteit. De productie zou globaal kunnen worden verhoogd, zodat het "structureel tekort" tot nul wordt teruggebracht. De scherpe prijsdaling in perioden dat het aanbod de vraag overtreft, is kenmerkend voor een gevoelig reagerende markt.
66 Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag is het Agentschap in beginsel verplicht, aan alle bestellingen te voldoen binnen de termen voortvloeiend uit de afweging van vraag en aanbod zoals vastgelegd in de artikelen 60 en 65, eerste alinea, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten. Deze laatste beperking, die het karakter van een uitzondering heeft, moet derhalve strikt worden uitgelegd. De Commissie heeft een rechtsdwaling begaan, toen zij onder verwijzing naar haar voorzieningspolitiek verklaarde dat er een juridisch bezwaar bestond, zonder te hebben nagegaan, of er in de omstandigheden van het geval werkelijk een bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag bestond.
67 De geografische oorsprong van het te leveren uranium is volgens verzoekster geen juridisch of materieel bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag. Enkel in het in artikel 65, tweede alinea, van het Verdrag genoemde geval heeft het Agentschap het recht, de geografische oorsprong van het te leveren uranium te bepalen. Volgens deze bepaling kan het Agentschap de oorsprong bepalen, voor zover het aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd. Het Agentschap heeft verzoekster evenwel geen even gunstig contract voorgesteld als het thans in geding zijnde.
68 Verder stelt verzoekster, dat het Agentschap niet in de prijsvorming mag ingrijpen. Ingevolge artikel 67 van het Verdrag kan de in de vereenvoudigde procedure onderhandelde prijs slechts worden aangevochten in de in het Verdrag genoemde omstandigheden. Uitzonderingen zijn te vinden in de artikelen 68 en 69 van het Verdrag. Het is niet eens noodzakelijk, na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 68, eerste alinea, betreffende prijsmanipulaties die ten doel hebben aan bepaalde verbruikers een bevoorrechte positie te verschaffen, daar het Agentschap hoe dan ook niet bevoegd is om op basis van dit artikel de afsluiting van het contract te weigeren. Volgens de tweede en de derde alinea van dit artikel kan het Agentschap dergelijke manipulaties immers hooguit aan de Commissie melden, en is deze als enige bevoegd tot ingrijpen. Volgens artikel 69 van het Verdrag is alleen de Raad bevoegd om prijzen vast te stellen.
69 De door verweerster aangevoerde handelsovereenkomst, die is ondertekend op 18 december 1989 en is gesloten krachtens besluit 90/117/Euratom van de Commissie van 27 februari 1990 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking (PB 1990, L 68, blz. 2; hierna: "handelsovereenkomst"), kan geen ingrijpen in de prijsvorming rechtvaardigen. Artikel 14 van de handelsovereenkomst is om te beginnen niet rechtstreeks toepasselijk, daar het niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is en de gemeenschapsinstellingen een beoordelingsmarge laat. Bovendien betreft het geen in het Verdrag genoemde uitzondering in de zin van artikel 67, op grond waarvan ingrijpen in de prijzen zou zijn toegestaan. Ten slotte is het zelfs in het kader van artikel 64 van het Verdrag, dat bepaalt dat het Agentschap eventueel kan optreden in het kader van tussen de Gemeenschap en een derde staat gesloten akkoorden, op grond van artikel 14 van de handelsovereenkomst niet mogelijk minimumprijzen vast te stellen, aangezien daartoe het in artikel 69, eerste alinea, van het Verdrag bedoelde uitsluitend recht van de Raad tot vaststelling van de prijzen zou moeten worden omzeild. Het Agentschap kan derhalve niet met een beroep op deze bepaling een offerte met zijns inziens niet aan de marktprijzen gerelateerde prijzen weigeren, tenzij het daartoe volgens het bevoegdhedenstelsel van het Verdrag was gemachtigd, hetgeen niet het geval is.
70 In casu bedroeg de reële prijs van natuurlijk-uraniumconcentraat (hierna: "U3O8") 20,86 USD per kilogram - of 8,02 USD per pond -, rekening houdend met de rente en de omrekeningskosten. Deze prijs was vergelijkbaar met de zuivere productiekosten van de meest concurrerende westerse uraniummijnen. Hij lag tussen de huidige marktprijzen van uit het GOS afkomstig uranium en de prijzen van niet uit het GOS afkomstig uranium in.
71 Verzoekster kant zich tegen de vaststelling van de Commissie, dat wanneer aan verzoekster zou worden toegestaan opnieuw uranium uit het GOS te betrekken, dit haar een bevoorrechte positie zou opleveren, hetgeen een juridisch bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag zou zijn. Gezien de aan de gebruikers verleende vrijheid om leveringscontracten af te sluiten met een producent van hun keuze en gezien het overschot aan de aanbodzijde, hadden alle gebruikers in wezen gelijke toegang tot de bronnen.
72 Verweerster brengt hiertegen in, dat de verordening onderworpen blijft aan de bepalingen van het Verdrag. Het Hof heeft in het arrest Commissie/Frankrijk (reeds aangehaald, r.o. 43) erkend, dat "de omstandigheid dat in een bepaalde periode als gevolg van de marktsituatie wellicht minder sterk de noodzaak klemde om de in het Verdrag aangegeven voorzieningsregelingen toe te passen, niet voldoende is om aan de bepalingen van deze regelingen bindende kracht te ontnemen". Verweerster beklemtoont, dat het bij artikel 52, lid 2, sub b, van het Verdrag aan het Agentschap verleende uitsluitend recht om contracten af te sluiten, het recht omvat om deze afsluiting te weigeren. Dit weigeringsrecht omvat als minder vergaande maatregel ook de bevoegdheid, de afsluiting van het contract toe te staan onder welbepaalde voorwaarden.
73 Alvorens artikel 65, eerste alinea, van het Verdrag, dat verwijst naar de in artikel 60 van het Verdrag bedoelde procedure van afweging van vraag en aanbod, toe te passen, moest worden nagegaan, of zich tegen de bestellingen geen juridische bezwaren in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag verzetten. Deze analyse is te vinden in de eenentwintigste overweging van de considerans van beschikking 94/285. Artikel 61, eerste alinea, is overigens geen uitzonderingsbepaling, maar verplicht het Agentschap elke bestelling te onderzoeken en na te gaan, of de uitvoering ervan op juridische of materiële bezwaren stuit.
74 In de eerste plaats wijst de Commissie op het beleid van spreiding van de externe voorzieningsbronnen van de Gemeenschap in de energiesector, dat is geformuleerd in resolutie 86/C 241/01 van de Raad van 16 september 1986 betreffende nieuwe doelstellingen inzake het energiebeleid van de Gemeenschap voor 1995 en de convergentie van het beleid van de Lid-Staten (PB 1986, C 241, blz. 1; hierna: "resolutie van de Raad").
75 Zij beklemtoont de snelle toename van de leveranties uit het GOS sinds 1990 (1989: 0 ton; 1990: 600 ton; 1991: 2 100 ton; 1992: 3 100 ton).
76 Verder merkt zij op, dat de prijs van kernmateriaal uit het GOS uitzonderlijk laag is geweest tot aan recente ontwikkelingen, die zich na de feiten van het geding hebben voorgedaan.
77 Gelet op de toename van de exporten uit het GOS kon een zekere mate van afhankelijkheid van leveranties van die oorsprong worden toegestaan. Deze mate moest worden vastgesteld aan de hand van met name de productiecapaciteit van het GOS op lange termijn. Aangezien deze ongeveer 25 % van de wereldproductie van uranium vertegenwoordigde, heeft het Agentschap dit percentage aangehouden als maximaal toelaatbare afhankelijkheid van leveranties uit het GOS.
78 In de tweede plaats stelt de Commissie, dat een krachtens artikel 64 of artikel 101, tweede alinea, van het Verdrag gesloten overeenkomst een bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag kan opleveren. Zij noemt in dit verband de op artikel 101, tweede alinea, van het Verdrag gebaseerde handelsovereenkomst.
79 Artikel 6 van de handelsovereenkomst bepaalt het volgende: "Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, vinden de handel en andere vormen van commerciële samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun respectieve voorschriften plaats"; overeenkomstig artikel 14 van deze overeenkomst vindt de "uitwisseling van goederen tussen de overeenkomstsluitende partijen (...) plaats tegen op de markt afgestemde prijzen". De Commissie concludeert daaruit, dat het krachtens artikel 64 van het Verdrag, toegepast in samenhang met deze twee bepalingen, aan het Agentschap staat, te verzekeren dat de levering in de Gemeenschap van kernmateriaal afkomstig uit het GOS plaatsvindt tegen op de markt afgestemde prijzen. De handelsovereenkomst stelt geen invoerquota vast, maar beoogt de toepassing van de beginselen van de markteconomie in het GOS alsook de harmonische ontwikkeling en de diversifiëring van het handelsverkeer op het gebied van kernenergie te bevorderen.
80 In de derde plaats betoogt verweerster, dat artikel 65, tweede alinea, van het Verdrag niet op het onderhavige geval van toepassing is, omdat het Agentschap geen geografische oorsprong van de leveringen heeft bepaald.
81 Tegen het argument ontleend aan de verdragsbepalingen inzake de prijzen brengt verweerster in, dat artikel 67 van het Verdrag betrekking heeft op normale gevallen van prijsvorming. Het is de Gemeenschap evenwel zeker niet verboden, zich tegen leveringen tegen ruïneuze prijzen uit derde landen te verweren, met name door het sluiten van overeenkomsten van internationaal publiekrecht. Het in artikel 68 neergelegde verbod van discriminerende praktijken inzake de prijzen ziet enkel op de producenten van de Gemeenschap, de enige marktdeelnemers aan wie ingevolge artikel 67 van het Verdrag juridische verplichtingen kunnen worden opgelegd.
82 Wat het prijsniveau betreft, acht verweerster de prijs van 22 USD per kilogram UF6 uitzonderlijk laag. Na aftrek van de omrekeningskosten bedraagt de prijs slechts 18 USD per kilogram - of 6,93 USD per pond - U3O8.
83 Verweerster stelt, dat contracten betreffende zeer laag geprijsde hoeveelheden afkomstig uit het GOS in het belang van de gebruikers konden zijn afgesloten. Zij zet uiteen, dat de gebruikers gewoonlijk in hun basisbehoeften voorzien door middel van meerjarencontracten, maar dat zij ook in kortetermijnbehoeften kunnen voorzien, ten belope van ongeveer 10 % van hun jaarlijkse behoeften, op de spotmarkt. Verzoekster had evenwel in meer dan 150 % van haar jaarlijkse behoeften voorzien op de spotmarkt voor materialen afkomstig uit het GOS.
84 Een schending van de beginselen van het voorzieningsbeleid van de Gemeenschap ten gunste van individuele verbruikers zou deze verbruikers een bevoorrechte positie in de zin van artikel 52, lid 2, sub a, van het Verdrag opleveren, aangezien zij daardoor ten opzichte van hun concurrenten ontoelaatbare prijzen en mededingingsvoordelen zouden verkrijgen.
- Beoordeling door het Gerecht
85 De door hoofdstuk 6 van het Verdrag opgezette voorzieningsregeling moet worden onderzocht in het licht van de aan de Gemeenschap gestelde doelen. Dienaangaande blijkt uit de opzet van het Verdrag, dat de taak van het Agentschap erin bestaat, de verwezenlijking te verzekeren van een van de belangrijkste doelstellingen die de Gemeenschap ingevolge artikel 2, sub d, van het Verdrag dient na te streven, te weten de zekerheid van de voorziening, volgens het in artikel 52, lid 1, van het Verdrag neergelegde beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen. Dit blijkt duidelijk uit artikel 52, lid 2, sub b, van het Verdrag, waarbij dat gespecialiseerde orgaan uitdrukkelijk met dat doel is opgericht en waarbij daaraan, in beginsel, exclusieve rechten worden toegekend om te verzekeren, dat de gebruikers van de Gemeenschap op regelmatige en billijke wijze worden voorzien van nucleair materiaal, zowel afkomstig uit de Gemeenschap als uit derde landen. Ingevolge deze bepaling moet de voorzieningsregeling immers ten uitvoer worden gelegd door het Agentschap, dat ter vervulling van zijn taak het uitsluitend recht heeft om contracten te sluiten voor de levering van deze producten, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap (zie arrest Gerecht van 15 september 1995, gevoegde zaken T-458/93 en T-523/93, ENU, Jurispr. 1995, blz. II-2459, r.o. 57).
86 Met name worden door de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening het Agentschap zijn exclusieve rechten niet ontnomen (arrest ENU, reeds aangehaald, r.o. 73). Zelfs in het kader van de vereenvoudigde procedure heeft het Agentschap derhalve het recht, zich te verzetten tegen een contract dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar zou kunnen brengen.
87 Bovendien moet het Agentschap in het algemeen het beginsel van de afweging van vraag en aanbod in acht nemen wanneer het gebruik maakt van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten af te sluiten. Deze principeverplichting volgt met name uit de artikelen 60 en 65, eerste alinea, van het Verdrag, betreffende de afwegingsprocedure, uit artikel 67 van het Verdrag, volgens hetwelk de prijzen tot stand komen door deze afweging, alsook uit artikel 65, tweede alinea, volgens hetwelk het Agentschap bepaalt welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen herkomstig van buiten de Gemeenschap zal zijn, voor zover het daardoor de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd.
88 Het Verdrag maakt evenwel een nauwkeurig omschreven uitzondering op de eerbiediging van de wet van vraag en aanbod. Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag is het Agentschap verplicht, aan alle bestellingen te voldoen, "tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten". Zoals verweerster terecht stelt, moet het Agentschap derhalve steeds nagaan, of de uitvoering van de bestelling op juridische of materiële bezwaren stuit.
89 In casu heeft verweerster drie dergelijke bezwaren aangevoerd, ten eerste het bezwaar dat het gevolg is van de vereisten van het beleid van spreiding van de voorzieningsbronnen van buiten de Gemeenschap, ten tweede het bezwaar betreffende het prijsniveau voortvloeiend uit de handelsovereenkomst, en ten derde het bezwaar voortvloeiend uit de verplichting een gelijke toegang tot de bronnen te verzekeren.
90 Dienaangaande moet er om te beginnen aan worden herinnerd, dat het Agentschap bij beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid, in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden in ieder geval over een ruime beoordelingsmarge beschikt. Onder deze omstandigheden dient de controle van het Gerecht in elk geval beperkt te blijven tot gevallen van kennelijk verkeerde beoordeling of van misbruik van bevoegdheid (arrest ENU, reeds aangehaald, r.o. 67).
91 Wat het eerste bezwaar betreft, is de Commissie van mening, dat de in het GOS gevraagde prijzen zo laag zijn, dat de gebruikers van de Gemeenschap geneigd zijn in een zo groot mogelijk deel van hun behoeften te voorzien met kernmateriaal van oorsprong uit het GOS. Indien onbeperkte invoer uit het GOS werd toegestaan, zouden de gemeenschapsondernemingen van deze voorzieningsbron afhankelijk worden. Dit zou om twee redenen bezwaarlijk zijn. In de eerste plaats zou de continuïteit op lange termijn niet kunnen worden gewaarborgd. In de tweede plaats zouden alternatieve bronnen dreigen te verdwijnen. De Commissie herinnert eraan, dat een spreidingsbeleid is bekrachtigd door de Raad in zijn resolutie van 16 september 1986. Aldus zou het risico, dat massale import van nucleair materiaal uit het GOS tegen aanzienlijk lagere prijzen dan de westerse de zekerheid van de voorziening in de Gemeenschap in gevaar brengt, een bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag vormen.
92 Het Gerecht is van oordeel, dat het Agentschap zich tegen invoer van nucleair materiaal mag verzetten, indien die invoer de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kan brengen, met name door de invloed ervan op de bevoorradingsbronnen. Een dergelijk risico kan immers worden aangemerkt als een juridisch bezwaar dat zich verzet tegen het voldoen aan een bestelling, in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag (arrest ENU, reeds aangehaald, r.o. 64). Anders gezegd, het Agentschap heeft ter verzekering van een geografische spreiding van de bevoorradingsbronnen buiten de Gemeenschap de discretionaire bevoegdheid om zich - door middel van zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen en andere splijtstoffen, teneinde aldus, overeenkomstig de hem door het Verdrag opgedragen taak, de zekerheid van de voorziening te waarborgen met inachtneming van het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen - te verzetten tegen bepaalde uraniumimporten die voor die spreiding nadelig zouden zijn (arrest ENU, reeds aangehaald, r.o. 68).
93 In casu is, wat het bestaan van een gevaar voor de zekerheid van de voorziening betreft, niet betwist, dat de omvang van de leveranties uit het GOS in de Gemeenschap sinds 1990 aanzienlijk is toegenomen. Verweerster stelt, dat de wereldproductie ten opzichte van het gebruik van uranium een structureel tekort vertoont, maar verzoekster betwist dit. Volgens een door verzoekster overgelegde grafiek betreffende de productie en het verbruik van natuurlijk uranium in het Westen van 1994 tot en met 2004, zal de nominale productiecapaciteit in het jaar 2000 de vraag overtreffen. Er zij evenwel op gewezen, dat volgens deze grafiek de vraag in de periode van 1994 tot 2000 nog altijd groter zal zijn dan de productie.
94 In deze omstandigheden was het op het tijdstip dat de Commissie beschikking 94/285 gaf, niet uitgesloten, dat de zekerheid van een regelmatige en billijke voorziening van kernmateriaal als bedoeld in artikel 2, sub d, van het Verdrag, in gevaar kon worden gebracht indien zou worden toegestaan dat nucleair materiaal uit het GOS verder in onbeperkte hoeveelheden werd ingevoerd en gedurende enige tijd de leveranties van andere herkomst zou vervangen, zonder dat op lange termijn blijvende leveringen konden worden gewaarborgd.
95 Derhalve moet worden erkend, dat het eerste juridische bezwaar dat de Commissie aanvoert, reëel is.
96 Wat het tweede bezwaar betreft, stelt de Commissie, dat de door het Verdrag ingestelde voorzieningsregeling tot doel heeft, ervoor te zorgen dat de invoer van kernmateriaal in de Gemeenschap tegen aan de marktprijzen gerelateerde prijzen plaatsvindt. Dat dit beginsel geldt in de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Sovjet-Unie of vervolgens de landen van het GOS, is met name erkend in artikel 14 van de handelsovereenkomst.
97 Zoals verweerster opmerkt, heeft het Hof voor recht verklaard, dat een door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomst voor ondernemingen rechten en verplichtingen kan doen ontstaan.
98 Het Hof sprak zich in deze zin uit met betrekking tot de overeenkomst inzake de externe beveiliging van nucleaire stoffen, inrichtingen en transporten (uitspraak 1/78 van 14 november 1978, Jurispr. 1978, blz. 2151, r.o. 36):
"De taken die de Gemeenschap daarbij zal hebben te vervullen, houden voornamelijk verband met de voorzieningsregeling en het beheer van de gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie (...) De desbetreffende bepalingen van het Verdrag zullen tezamen met de overeenkomst - die, eenmaal door de Gemeenschap aangegaan, een integrerend bestanddeel van het gemeenschapsrecht zal vormen - een geëigende rechtsgrondslag voor de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen bieden."
99 Artikel 14 van de handelsovereenkomst maakt derhalve deel uit van het gemeenschapsrecht. Ingevolge artikel 64 van het Verdrag is het Agentschap voorts gehouden, eventueel op te treden in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde staat gesloten akkoord.
100 Teneinde na te gaan, of artikel 14 van de handelsovereenkomst in casu door het Agentschap en de Commissie naar behoren is uitgevoerd, is evenwel een analyse van de beschikbare gegevens over de prijzen noodzakelijk. Volgens een tabel die als bijlage bij het jaarverslag van het Agentschap over 1993 is gevoegd, varieerde de gemiddelde prijs van meerjarige langetermijnleveranties tussen 1990 en 1993 van 29,39 tot 21,17 USD per pond U3O8 en voor leveranties op de spotmarkt van 9,68 tot 9,05 USD per pond U3O8. Volgens verzoekster bedroeg de werkelijke prijs in haar contract 8,02 USD per pond U3O8, doch volgens verweerster was dit slechts 6,93 USD per pond U3O8. Gezien het feit dat verzoekster luidens haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht met het leveringscontract geen kortetermijnbehoeften wilde dekken, maar haar basisbehoeften voor een periode van vijftien maanden, was dit contract, dat is afgesloten tegen een prijs die nog lager was dan de gemiddelde prijs op de spotmarkt, niet in overeenstemming met de regel dat de leveranties tegen aan de marktprijzen gerelateerde prijzen plaatsvinden.
101 In die omstandigheden moet een tweede juridisch bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag worden geacht te zijn aangetoond.
102 Het derde bezwaar tegen de sluiting van het contract vloeit voort uit de verplichting, een gelijke toegang tot de hulpbronnen te verzekeren en te voorkomen dat een verbruiker een bevoorrechte positie krijgt ten opzichte van zijn concurrenten. Indien de importen moeten worden beperkt, moet het hanteren van een maximaal toelaatbare afhankelijkheid die aan de hand van de situatie op de markt wordt bepaald op een percentage van het verbruik van particuliere verbruikers, gerechtvaardigd worden geacht om de gelijke toegang tot de hulpbronnen te verzekeren overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Verdrag.
103 Het Agentschap heeft binnen de grenzen van zijn ruime beoordelingsvrijheid de maximaal toelaatbare afhankelijkheid bepaald op 25 %, waarbij het met name rekening heeft gehouden met de bestaande productiecapaciteit op lange termijn van het GOS en met het feit dat deze ongeveer 25 % van de wereldproductie vertegenwoordigde.
104 In casu is niet betwist, dat verzoekster reeds uranium uit het GOS had aangekocht in hoeveelheden die dit maximum overschreden.
105 Terecht heeft de Commissie derhalve dienaangaande het bestaan van een juridisch bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag vastgesteld.
106 Bovendien kunnen de bijzondere verdragsbepalingen inzake de prijzen, dat wil zeggen de artikelen 67 tot en met 69, anders dan verzoekster stelt, niet aldus worden uitgelegd, dat zij de toepassing van artikel 61, lid 1, van het Verdrag verhinderen op grond dat het Agentschap of de Commissie in de prijzen die in het kader van de vereenvoudigde procedure zijn onderhandeld, slechts zouden kunnen ingrijpen onder de voorwaarden neergelegd in de artikelen 68 of 69. Artikel 61 heeft immers juist tot doel, het Agentschap in staat te stellen, wanneer er tegen de uitvoering van een bestelling enig juridisch of materieel bezwaar bestaat, zich tegen die bestelling te verzetten en daarbij zo nodig af te wijken van het beginsel van de afweging van vraag en aanbod, dat krachtens artikel 67 met name geldt op het gebied van de prijzen. Het Agentschap is overigens, anders dan verzoekster stelt, niet overgegaan tot vaststelling van de prijs door aan het contract een voorwaarde betreffende de oorsprong van de te leveren materialen toe te voegen.
107 Om al de hierboven uiteengezette redenen heeft het Agentschap het recht niet verkeerd toegepast, noch een kennelijke beoordelingsfout begaan door te weigeren, het in geding zijnde leveringscontract zonder voorbehoud af te sluiten, en door aan dat contract de voorwaarde toe te voegen, dat het uranium niet uit het GOS afkomstig mag zijn.
108 De beschikking van de Commissie waarbij het besluit van het Agentschap werd bevestigd, kan derhalve niet onwettig worden verklaard.
109 Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel zijn derhalve ongegrond en moeten worden afgewezen.
Het derde onderdeel van het eerste middel: schending van de doelstellingen van artikel 1 van het Verdrag
- Samenvatting van de argumenten van partijen
110 Verzoekster is van mening, dat beschikking 94/285 ingaat tegen de taak die de Gemeenschap volgens artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag heeft, namelijk "door het scheppen van de voorwaarden noodzakelijk voor de snelle totstandkoming en groei van de industrie op het gebied van de kernenergie, bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard in de Lid-Staten en de ontwikkeling van de betrekkingen met andere landen". De Commissie en het Agentschap zouden zich uitsluitend hebben gericht naar de belangen van de producenten en eigenlijk geen rekening hebben gehouden met de belangen van de verbruikers. Bovendien zouden door het beleid van het Agentschap de binnen de Gemeenschap gevestigde producenten, die slechts 20 % van de communautaire behoeften aan uranium dekken, slechts matig worden beschermd, en de producenten van bepaalde derde landen worden begunstigd.
111 Verweerster verklaart, dat indien alle verbruikers van natuurlijk uranium zich hoofdzakelijk of volledig bij het GOS zouden bevoorraden, de communautaire productie van natuurlijk uranium binnen enkele jaren zou instorten bij gebrek aan voldoende vraag, hetgeen strijdig zou zijn met het communautaire belang. Importen tegen niet aan de marktprijzen gerelateerde prijzen zouden overigens niet alleen schade toebrengen aan de industriële ondernemingen die in de Gemeenschap UF6 produceren, maar ook aan alle toeleveringsbedrijven van deze fabricatie.
112 Bovendien kan de Gemeenschap het zich niet veroorloven, op korte termijn aan bepaalde derde landen ten nadele van alle andere een bevoorrechte toegang tot de communautaire markt te verlenen, waardoor deze derde landen een dominerende positie zouden verkrijgen en partners waarmee reeds lang verbindingen bestonden, met inbegrip van ontwikkelingslanden, van de markt zouden verdrijven. Tevens zou de Gemeenschap de gevaren moeten bestrijden die voortvloeien uit het feit dat de vraag structureel de productiecapaciteit verre overstijgt.
- Beoordeling door het Gerecht
113 Het Agentschap streeft ernaar, de zekerheid van de voorziening te waarborgen en de continuïteit van de leveranties aan de verbruikers in de Gemeenschap te verzekeren. Het is met name in het belang van de nucleaire industrie in de Gemeenschap, dat een bepaalde bevoorradingsbron niet te belangrijk wordt in verhouding tot de andere bronnen. Ook is het in het belang van de gehele Gemeenschap en in overeenstemming met de doelstelling van de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen met andere landen, dat de importen plaatsvinden tegen prijzen die aan de marktprijzen gerelateerd zijn, zoals met name blijkt uit artikel 14 van de handelsovereenkomst. Beschikking 94/285 voldoet derhalve, zoals het Gerecht hierboven reeds heeft vastgesteld, aan de vereisten van de voorzieningspolitiek. Zij is derhalve niet in strijd met de taak van de Gemeenschap.
114 Mitsdien moet het derde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Het vierde onderdeel van het eerste middel: schending van de regels voor de werking van de gemeenschappelijke markt van natuurlijk uranium, met name de artikelen 2, sub g, en 92 e.v. van het Verdrag
- Samenvatting van de argumenten van partijen
115 Volgens verzoekster moet in de mate van het mogelijke en op grond van de aan het verdragshoofdstuk inzake de voorziening ten grondslag liggende opvatting van de markteconomie aan de ondernemers de vrijheid worden verzekerd, zich te bevoorraden bij een in een andere Lid-Staat gevestigde leverancier van hun keuze. Deze vrijheid wordt beschermd door de artikelen 2, sub g, en 92 en volgende van het Verdrag. Aangezien het in geding zijnde leveringscontract een zuiver intracommunautair karakter had, was die vrijheid in casu aangetast.
116 Verweerster is van mening, dat verzoeksters redenering dienaangaande evenmin steek houdt.
- Beoordeling door het Gerecht
117 De onderneming moet de vrijheid om zich bij een in een andere Lid-Staat gevestigde leverancier van haar keuze te bevoorraden, gebruiken binnen de door het Verdrag gestelde grenzen, die hierboven zijn uiteengezet, en wel met name aldus, dat de zekerheid van de voorziening niet in gevaar wordt gebracht. In casu is het contract van verzoekster op bepaalde juridische bezwaren gestuit, die volgens artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag deze vrijheid beperken. De leverancier van verzoekster was immers weliswaar een binnen de Gemeenschap gevestigde vennootschap, doch speelde slechts de rol van tussenpersoon en het te leveren materiaal was afkomstig uit het GOS.
118 In deze omstandigheden moet ook het vierde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
2. Het tweede middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel
Samenvatting van de argumenten van partijen
119 Om te beginnen is volgens verzoekster het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Het Agentschap zou onvoldoende doorzichtig zijn opgetreden, aangezien het zijn besluitvormingscriteria eerst in het kader van het onderhavige geding heeft onthuld. Het Agentschap heeft het recht niet geëerbiedigd, daar het niet overeenkomstig de regeling en volgens doorzichtige criteria heeft gehandeld.
120 Vervolgens stelt verzoekster, dat door de criteria die het Agentschap en de Commissie hebben aangelegd, het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Zij beklemtoont, dat de zekerheid van de voorziening moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie van de eindverbruikers van de verschillende energiebronnen. Vanuit het oogpunt van de elektriciteitsvoorziening zijn de eindverbruikers echter niet van verzoekster afhankelijk. De productie van elektriciteit in Duitsland is immers slechts voor een gering deel afhankelijk van kernenergie. Voor de afnemer die zijn energie van verzoekster betrekt, speelt de zekerheid van de voorziening van natuurlijk uranium een minder belangrijke rol dan voor de afnemer van een onderneming die het grootste deel van de elektriciteitsvoorziening van een land door middel van kernenergie verzekert.
121 Ten slotte zou het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden. De doelstelling van diversificatie kan, met handhaving van de mededinging op de gemeenschapsmarkt, even goed worden bereikt door middel van artikel 65, tweede alinea, van het Verdrag. Voorts zijn in de artikelen 70 en 72 van het Verdrag bevoegdheden neergelegd die de rechten van de verbruikers in de Gemeenschap niet aantasten en de Commissie of de Raad in staat stellen, de door hen juist geachte doelstellingen van het Agentschap na te streven.
122 Verweerster betwist, dat de beschikking onvoldoende doorzichtig is. Verzoekster was noodzakelijkerwijs op de hoogte van alle essentiële aspecten van het beleid van diversificatie van de voorziening.
123 De argumenten van verzoeksters tweede middel, dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, acht verweerster ongegrond. Bovendien gaat het in casu, los van de rol die elektriciteit uit kernenergie speelt in de voorziening op nationaal niveau, om het gedrag van verzoekster, dat, zo het regel zou zijn, gevaar zou opleveren voor de communautaire producenten van natuurlijk uranium en op middellange of lange termijn, door de ondraaglijke vergroting van de afhankelijkheid ten opzichte van de landen van het GOS, de zekerheid van de voorziening van de gehele Gemeenschap op het gebied van kernenergie zou bedreigen.
124 Evenmin meent verweerster het evenredigheidsbeginsel te hebben geschonden. De ontwikkeling van een gezonde mededinging die de doelstellingen van de Gemeenschap verwezenlijkt, eist dat offertes tegen prijzen die niet aan de marktprijzen zijn gerelateerd, worden afgewezen.
Beoordeling door het Gerecht
125 Wat de grief inzake het beginsel van de rechtszekerheid betreft, moet worden vastgesteld, dat de grondslagen van de aanpak van het Agentschap, namelijk de resolutie van de Raad, in punt 5, sub a, tweede streepje, waarvan de doelstelling van de geografische diversificatie van de bevoorradingsbronnen van buiten de Gemeenschap wordt geformuleerd, en de handelsovereenkomst, waarvan artikel 14 eist, dat de prijzen aan de marktprijzen gerelateerd zijn, beide zijn bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen is neergelegd in artikel 52, lid 1, van het Verdrag.
126 Bovendien werd in het jaarverslag van het Agentschap over 1992 (zie het algemeen overzicht van de bevooradingssituatie in de Gemeenschap) geconstateerd, dat de import van natuurlijk uranium uit het GOS ongeveer 25 % van de nettobehoefte van de Gemeenschap dekte, en dat reeds contracten waren afgesloten voor de toekomstige levering van zeer grote hoeveelheden uit die bron afkomstig uranium. Het niveau van de leveranties van materiaal uit het GOS werd door de Commissie en het Agentschap gevaarlijk geacht omdat, indien de sinds 1990 geconstateerde tendens zou aanhouden, de toekomstige zekerheid van de voorziening in gevaar zou kunnen komen. In het verslag werd uiteengezet, dat een in het kader van het Raadgevend comité ingestelde werkgroep van deskundigen had geconcludeerd, dat de uit het GOS afkomstige materialen en diensten op de gemeenschapsmarkt werden aangeboden tegen prijzen die niet aan de in het Westen geconstateerde productiekosten waren gerelateerd. Volgens het verslag waren de Commissie en het Agentschap van mening, dat correctiemaatregelen gerechtvaardigd waren, waarbij zij zich hoofdzakelijk baseerden op het uitsluitend recht om contracten af te sluiten. Ook werd in dit verslag vastgesteld, dat het beleid van het Agentschap over het algemeen gunstig was ontvangen.
127 Gezien het bestaan van gemakkelijk toegankelijke informatiebronnen, die een redelijk zorgvuldige onderneming in deze zeer specifieke en duidelijk omlijnde sector moet worden geacht te kennen, kan derhalve niet worden gesteld, dat er sprake is van onvoldoende doorzichtigheid.
128 Mitsdien moet het middel, dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, worden afgewezen.
129 Opgemerkt zij, dat het interne richtgetal voor de "maximaal toelaatbare afhankelijkheid", volgens welke elke in de Gemeenschap gevestigde onderneming ten hoogste ongeveer 25 % van haar behoeften met uit het GOS afkomstig materiaal mag dekken, door het Agentschap zelf is vastgesteld.
130 Ofschoon het Agentschap deze maximaal toelaatbare afhankelijkheid als zodanig niet heeft gepubliceerd, maakt dit beschikking 94/285 niet onwettig. Dit maximum was gewoon een intern beoordelingscriterium dat het Agentschap hanteerde om de gelijke toegang van de verbruikers in de Gemeenschap tot de bronnen te verzekeren. Het was geen strakke regel, daar de ontwikkeling van de situatie op de betrokken markt een flexibele aanpak vereiste. Bovendien had verzoekster in de omstandigheden van het concrete geval kunnen begrijpen, dat, gezien het feit dat zij reeds eerder grote hoeveelheden materiaal uit het GOS had aangekocht, een nieuwe import voor haar rekening als strijdig met de belangen van de Gemeenschap kon worden aangemerkt.
131 Wat het gelijkheidsbeginsel betreft, lijkt verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen van mening te zijn, dat dit beginsel wordt geschonden wanneer bij de beoordeling van de situatie geen rekening wordt gehouden met de wisselende mate van afhankelijkheid van de in de verschillende Lid-Staten gevestigde ondernemingen van kernmateriaal uit het GOS. Ter terechtzitting heeft zij evenwel betoogd, dat het onrechtmatige verschil in behandeling is gelegen in het feit, dat de Commissie zich niet heeft gehouden aan haar verplichting erop toe te zien, dat alle ondernemingen hun contracten voor de levering van nucleair materiaal ter afsluiting aan het Agentschap voorleggen. Aangaande dit laatste punt heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard, dat haar geen enkel geval bekend is waarin een contract niet aan het Agentschap is voorgelegd.
132 Verder moet nog worden opgemerkt, dat het Agentschap een maximaal toelaatbare afhankelijkheid hanteert om aan de in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen de gelijke toegang tot de hulpbronnen te verzekeren. Een dergelijke aanpak is gerechtvaardigd op basis van artikel 52, lid 1, van het Verdrag. Van het Agentschap en de Commissie kan niet worden geëist, dat zij rekening houden met de bijzondere situatie in de verschillende Lid-Staten. Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond, dat er gevallen zijn waarin het Agentschap en de Commissie zich niet tegen een schending van artikel 5 bis van de verordening hebben verzet.
133 In die omstandigheden kan het middel inzake schending van het gelijkheidsbeginsel niet worden aanvaard.
134 Wat ten slotte het evenredigheidsbeginsel betreft, verklaart verzoekster, dat het beoogde resultaat had kunnen worden bereikt in het kader van artikel 65, tweede alinea, van het Verdrag, volgens hetwelk het Agentschap kan bepalen, welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen zal zijn, voor zover het daardoor aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd, of in het kader van de artikelen 70 en 72 van het Verdrag, betreffende de bevordering van de opsporing en de vorming van handels- en veiligheidsvoorraden.
135 De toepassing van die bepalingen had het probleem evenwel niet kunnen oplossen, daar het Agentschap zich met het oog op de doelstellingen van zijn voorzieningsbeleid moest verzetten tegen importen uit het GOS tegen niet aan de marktprijzen gerelateerde prijzen. Voorts is het contract goedgekeurd onder de voorwaarde, dat het materiaal niet uit het GOS komt. Een dergelijke voorwaarde kan om de hierboven, met name in de rechtsoverwegingen 92-94, uiteengezette redenen niet onevenredig zijn.
136 Het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel dient derhalve eveneens te worden afgewezen.
3. Het derde middel: schending van de regels betreffende de bevoegdheidsverdeling
Samenvatting van de argumenten van partijen
137 Verzoekster stelt, dat noch het Agentschap noch het Raadgevend comité instellingen van de Gemeenschap in de zin van artikel 3, lid 1, van het Verdrag zijn. De formulering van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid is voorbehouden aan de beleidsinstellingen van de Gemeenschap, te weten de Commissie en de Raad. Het Agentschap is uitsluitend belast met het commerciële aspect van de voorziening. Het is met name niet bevoegd tot het vaststellen van invoerquota. Aangezien de handelsovereenkomst aan het primaire gemeenschapsrecht onderworpen was, kon zij het Agentschap ook geen bevoegdheid verlenen voor de ontwikkeling van een voorzieningsbeleid.
138 Verweerster zet uiteen, dat het Agentschap in het rechtskader van de Gemeenschap als door het Verdrag ingestelde instantie ermee is belast, de noodzakelijke maatregelen te nemen op basis van het Verdrag. De taak van het Agentschap beperkt zich niet tot "handelsvraagstukken", maar omvat ook de bevoegdheid, bepaalde "beleidsbeslissingen" in de zin van het betoog van verzoekster te nemen. De uitvoeringsmaatregelen van het Agentschap en de uitoefening van zijn recht om contracten af te sluiten, worden ondersteund door de Commissie en de Raad, die in casu geen gebruik hebben gemaakt van de bestaande mogelijkheden om bezwaar te maken. Het Agentschap streeft overigens op het gebied van de kernenergie geen "handelspolitieke" doeleinden na, maar voorzieningspolitieke doeleinden, waarvoor de Gemeenschap een uitsluitend recht heeft zowel binnen de Gemeenschap als in de externe betrekkingen, zoals is bevestigd in uitspraak 1/78 van het Hof (reeds aangehaald, r.o. 14).
139 Het Raadgevend comité is door de Raad ingesteld bij het vaststellen van de statuten van het Agentschap krachtens artikel 54, lid 2, van het Verdrag. Het Raadgevend comité heeft tot taak, het Agentschap te adviseren en bij te staan. Het is een verbindingsorgaan tussen het Agentschap aan de ene en de gebruikers en de belanghebbende kringen aan de andere kant. Voor zover verzoekster grieven formuleert tegen het Raadgevend comité, moesten deze volgens verweerster worden gericht tot de Raad en niet tot het Agentschap of de Commissie.
Beoordeling door het Gerecht
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0149.1
140 Op basis van de hierboven (zie met name r.o. 85-109) gemaakte analyse kan ervan worden uitgegaan, dat het Agentschap de door de Raad en de Commissie uitgezette weg heeft gevolgd en heeft gehandeld binnen de ruime beoordelingsmarge waarover het beschikt voor het nemen van beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid (arrest ENU, reeds aangehaald, r.o. 67). Voor zover verzoekster de bevoegdheden van het Agentschap betwist, moet in elk geval worden opgemerkt, dat beschikking 94/285 van de Commissie afkomstig is. In het kader van haar toezicht op de handeling van het Agentschap die haar door verzoekster krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag was voorgelegd, heeft de Commissie de beoordeling van het Agentschap immers voor haar rekening genomen. Zij heeft daarmee de bestanddelen en de uitvoering van het voorzieningsbeleid van het Agentschap goedgekeurd overeenkomstig de bij het Verdrag ingestelde procedure.
141 Het derde middel is derhalve ongegrond en moet eveneens worden verworpen.
4. Het vierde middel: schending van de motiveringsplicht
Samenvatting van de argumenten van partijen
142 Verzoekster is van mening, dat de motivering van beschikking 94/285 niet doet blijken van het systematisch verband tussen de bevoegdheden van het Agentschap en het Verdrag, en dat niets erop wijst, dat de Commissie de juridische argumenten van verzoekster in aanmerking heeft genomen. In het bijzonder heeft de Commissie niet uiteengezet, waarom verzoekster afhankelijk zou worden van uranium uit het GOS en waarin de in het leveringscontract overeengekomen aankoopprijs niet met de economische marktsituatie overeenstemde of niet aan de marktprijzen gerelateerd was.
143 Verweerster meent in dit verband, dat verzoekster de geest en het doel van de voorleggingsprocedure miskent. Gelet op de korte termijnen waarover de belanghebbenden beschikken om een handeling van het Agentschap aan de Commissie voor te leggen, en de Commissie om zich uit te spreken, kunnen noch aan de motivering van de voorleggingsbrief noch aan die van de beschikking van de Commissie buitensporige eisen worden gesteld. In casu was de motivering van de Commissie toereikend. Voor het overige zijn alle relevante juridische argumenten van verzoekster bij het geven van de beschikking in aanmerking genomen.
Beoordeling door het Gerecht
144 Het Gerecht heeft er reeds aan herinnerd (zie r.o. 46), dat de motivering van een handeling de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig moet doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen, en dat de omvang van de motiveringsplicht moet worden beoordeeld met inachtneming van de context waarin zij is gegeven.
145 De Commissie heeft in haar beschikking evenwel te verstaan gegeven, dat het Agentschap niet verplicht is aan bestellingen te voldoen wanneer juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten (veertiende overweging van de considerans van beschikking 94/285). Vervolgens heeft zij melding gemaakt van de voorzieningspolitiek alsook van de algemene doelstelling en de grondslagen van een diversificatie van de voorzieningsbronnen, zoals de resolutie van de Raad (vijftiende en zestiende overweging). Vervolgens heeft zij zich enerzijds beroepen op artikel 64 van het Verdrag, volgens hetwelk het Agentschap eventueel optreedt in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde staat gesloten akkoorden, en anderzijds op de handelsovereenkomst, met name op artikel 14 daarvan (eenentwintigste overweging). Ten slotte heeft de Commissie uiteengezet, dat een verhoging van het aandeel van het GOS in de totale leveringen, dat thans is vastgesteld op 20 tot 25 %, moeilijk te verenigen zou zijn met de belangen van de Gemeenschap op het gebied van de voorziening op lange termijn (drieëndertigste overweging).
146 Gezien de context en het feit dat de beschikking was voorafgegaan door de hierboven in rechtsoverweging 6 genoemde brief van 20 december 1993 en door de beschikking waartegen het eerste beroep was gericht, blijken uit beschikking 94/285 duidelijk en ondubbelzinnig de belangrijkste redenen voor de weigering om het door verzoekster voorgelegde contract af te sluiten.
147 Het vierde middel kan derhalve evenmin slagen.
5. Het vijfde middel: misbruik van bevoegdheid
Samenvatting van de argumenten van partijen
148 Tot staving van haar middel inzake misbruik van bevoegdheid betoogt verzoekster in wezen ook in het kader van dit tweede beroep, dat het Agentschap en de Commissie geen discretionaire bevoegdheid hadden, maar verplicht waren het door verzoekster voorgelegde contract af te sluiten.
Beoordeling door het Gerecht
149 Zoals hierboven (zie r.o. 53) reeds werd vastgesteld, heeft het begrip misbruik van bevoegdheid in het gemeenschapsrecht een welbepaalde omvang en ziet het op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend. In dit verband is het vaste rechtspraak, dat bij een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd.
150 Verzoekster toont niet aan, dat het Agentschap en de Commissie een ander doel dan de uitvoering van het voorzieningsbeleid van Euratom hebben nagestreefd.
151 Het vijfde middel moet daarom eveneens worden afgewezen.
152 Mitsdien moet het beroep tot nietigverklaring in zijn geheel ongegrond worden verklaard.
De schadevordering
153 Verzoekster vordert in wezen, de Gemeenschap krachtens artikel 188, tweede alinea, van het Verdrag te veroordelen tot vergoeding van de schade die het Agentschap haar zou hebben berokkend door het leveringscontract niet af te sluiten in de vorm waarin het hem was voorgelegd, maar daarin een bijkomende voorwaarde op te nemen, en tot vergoeding van de schade die de Commissie haar zou hebben berokkend door de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet na te komen.
154 Hoewel zij opmerkingen ten gronde heeft gemaakt, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen de schadevordering, die naar haar zeggen tot het Agentschap had moeten worden gericht en niet tot haarzelf. Verweerster meent dat het Agentschap niet van de aansprakelijkheid voor zijn handelingen wordt ontheven door het enkele feit dat deze voor wettigheidstoetsing aan de Commissie kunnen worden voorgelegd.
155 Er zij aan herinnerd, dat volgens artikel 188, tweede alinea, EGA-Verdrag de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap pas ontstaat wanneer is voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (arrest ENU, reeds aangehaald, r.o. 90, en arrest Hof van 27 maart 1990, zaak C-308/87, Grifoni, Jurispr. 1990, blz. I-1203, r.o. 6).
156 Aangezien de handelwijze die het Agentschap in deze zaak wordt verweten, en de weigering van de Commissie om aan de haar door verzoekster voorgelegde verzoeken te voldoen, geen enkele onregelmatigheid vertonen, gelijk eerder in dit arrest is vastgesteld, moet de schadevordering ongegrond worden verklaard, zonder dat behoeft te worden beslist over de ontvankelijkheid ervan.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
157 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie tot verwijzing van verzoekster in de kosten heeft geconcludeerd, moet laatstgenoemde in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer - uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt de beroepen. 2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy