Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot schadevergoeding ° Beroepstermijnen ° Vijfjarige verjaringstermijn ° Verzoek aan instellingen om schadevergoeding, niet gevolgd door beroep tot nietigverklaring of wegens nalaten ° Geen invloed
(EEG-Verdrag, art. 173 en 175; 's Hofs Statuut-EEG, art. 43)
2. Beroep tot schadevergoeding ° Voorafgaande uitputting van nationale rechtsmiddelen ° Later beroep op gemeenschapsrechter ter verkrijging van vergoeding van schade, die zou bestaan in onvergoed gebleven proceskosten voor nationale rechter ° Uitsluitende bevoegdheid van nationale rechter, die nationaal recht toepast ° Niet-ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 178 en 215, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 104, lid 5)
3. Beroep tot schadevergoeding ° Voorafgaande uitputting van nationale rechtsmiddelen ° Uitzondering ° Onmogelijkheid vergoeding te verkrijgen bij nationale rechter ° Vordering tot vergoeding van schade als gevolg van opneming van krediet ter voldoening van bij ongeldig verklaarde verordening ingestelde anti-dumpingrechten ° Ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 178 en 215, tweede alinea)
4. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert ° Handeling in kader van anti-dumpingprocedure ° Voldoende gekwalificeerde schending van ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel
(EEG-Verdrag, art. 215, tweede alinea)
5. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Normatieve handeling ° Ontoereikende motivering ° Geen aansprakelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 190 en 215, tweede alinea)
6. Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Rechten van verdediging ° Inachtneming in administratieve procedures ° Anti-dumping ° Personen die schending voor rechter kunnen inroepen ° Onafhankelijke importeur ° Daarvan uitgesloten
7. Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Zorgvuldigheidsbeginsel ° Inachtneming in administratieve procedures ° Anti-dumping ° Verplichting van Commissie tot serieus en grondig onderzoek van argumenten van onafhankelijke importeur, die als "belanghebbende partij" aan procedure mag deelnemen
8. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert ° Voldoende gekwalificeerde schending van ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel ° Onjuiste beoordeling van omvang van verplichtingen die in anti-dumpingprocedure uit zorgvuldigheidsbeginsel voortvloeien ° Geen aansprakelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 215, tweede alinea)
Samenvatting
1. Wanneer een tot de bevoegde instellingen van de Gemeenschap gericht verzoek om vergoeding van een schade niet binnen de in de artikelen 173 en 175 van het Verdrag bepaalde termijnen wordt gevolgd door een beroep tot nietigverklaring of wegens nalaten, blijft een beroep tot schadevergoeding ontvankelijk, indien het wordt ingesteld binnen de termijn van vijf jaar voorzien in artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG, daar deze bepaling ten doel heeft om het verstrijken van de termijn van vijf jaar te stuiten en niet om de aldus bepaalde vijfjarige verjaringstermijn te verkorten.
2. Een verzoeker die, op grond dat een communautaire anti-dumpingverordening zijns inziens onwettig is, tegen de toepassing ervan door de nationale autoriteiten is opgekomen voor de nationale gerechten waar hij na een prejudiciële verwijzing in het gelijk wordt gesteld, en die zijn proceskosten niet integraal vergoed heeft gekregen voor deze gerechten, kan niet met betrekking tot dit resterende bedrag een beroep tot schadevergoeding instellen bij de gemeenschapsrechter op grond van het argument, dat de vaststelling van die verordening onrechtmatig was.
Wanneer de bescherming van zijn rechten door de nationale gerechten op doeltreffende wijze kan worden gewaarborgd, dient hij zijn vordering primair bij deze gerechten in te stellen, die op het geschil en de daarmee samenhangende bijkomende vraagstukken, zoals dat van de proceskosten, dienen te beslissen volgens het nationale recht voor zover het gemeenschapsrecht ter zake niets bepaalt.
Bovendien bepaalt artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat de nationale rechter die gebruik heeft gemaakt van de prejudiciële procedure, heeft te beslissen over de daardoor ontstane kosten.
3. Ingeval geen nationaalrechtelijke rechtsgang openstaat voor een onderneming ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van betaalde bankrente over bedragen die zij heeft moeten lenen ter voldoening van anti-dumpingrechten uit hoofde van een ongeldig verklaarde gemeenschapsverordening, kan zij, gelet op het feit dat die verordening ongeldig is verklaard wegens een onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsinstellingen en de aansprakelijkheid van de nationale overheidsinstanties afhangt van het bewijs van een fout van hun kant, niet naar de nationale gerechten worden verwezen die in casu geen doeltreffende bescherming van de krachtens het gemeenschapsrecht aan de betrokkene toekomende rechten kunnen bieden.
Het door de betrokkene bij het Gerecht ingestelde beroep, strekkende tot vergoeding door de Gemeenschap van de voormelde schade die die verordening zou hebben veroorzaakt, is derhalve ontvankelijk.
4. De handelingen van de Raad en de Commissie die verband houden met een procedure voor de eventuele vaststelling van anti-dumpingmaatregelen, zijn normatieve handelingen die economische beleidskeuzen impliceren. De Gemeenschap kan voor dergelijke handelingen slechts aansprakelijk worden gesteld in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel.
5. Een gebrekkige motivering van een regelgevende handeling kan niet tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap leiden.
6. De anti-dumpingprocedure en de eventuele aan het einde daarvan getroffen beschermende maatregelen zijn slechts gericht tegen buitenlandse producenten en exporteurs van derde landen en, in voorkomend geval, tegen gebonden importeurs, doch niet tegen onafhankelijke importeurs. Een onafhankelijke importeur kan derhalve geen aanspraak maken op bescherming van het recht van verweer en zich voor de rechter op schending daarvan beroepen; deze mogelijkheid bestaat enkel voor degenen waarvoor de procedure in een voor hen bezwarende handeling kan leiden.
7. Wanneer de instellingen van de Gemeenschap over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken, is de naleving van de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen des te fundamenteler. Tot die waarborgen behoren met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, het recht van de belanghebbende om zijn standpunt kenbaar te maken en zijn recht op een beschikking die toereikend is gemotiveerd.
Ofschoon de rechten van de betrokkenen bij een anti-dumpingprocedure afhankelijk zijn van het stadium van de procedure, van de hoedanigheid waarin zij eraan deelnemen alsmede van de verschillende bepalingen van de basisverordening, handelt de Commissie niettemin in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, dat een tot bescherming van particulieren strekkende regel is, wanneer een onafhankelijk importeur een toereikend belang aannemelijk maakt voor deelneming aan een anti-dumpingprocedure als "belanghebbende partij" en de Commissie niettegenstaande de twijfels die diens betoog aan de geschiktheid van het gekozen vergelijkingsland opwerpt, in strijd met haar verplichtingen nalaat zijn argumenten of voorstellen serieus op hun gegrondheid te onderzoeken.
8. Wanneer de gemeenschapsinstellingen in een anti-dumpingprocedure hun verplichting tot zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur jegens een belanghebbende onafhankelijke importeur niet volledig hebben miskend, doch bij de keuze van een vergelijkingsland enkel de omvang van hun uit dit beginsel voortvloeiende verplichtingen verkeerd hebben beoordeeld, dan kan, in aanmerking genomen de ruime beoordelingsbevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen bij de uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek, niet worden gesproken van een voldoende gekwalificeerde of kennelijke en ernstige schending van dit beginsel en kan derhalve de Gemeenschap ter zake niet aansprakelijk worden gehouden.
Partijen
In zaak T-167/94,
D. Noelle, handeldrijvend onder de naam "Eugen Noelle", te Remscheid (Duitsland), vertegenwoordigd door F. Montag en H.-J. Priess, advocaten te Brussel,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Monteiro en J. Huber, juridisch adviseurs, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe en G. Berrisch, advocaten te Hamburg en Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door C.-M. Happe, een ter beschikking van de Commissie gestelde nationale ambtenaar, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
betreffende een beroep krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, strekkende tot vergoeding van de schade die de verzoekende onderneming beweert te hebben geleden door verordening (EEG) nr. 725/89 van de Raad van 20 maart 1989 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en definitieve inning van het voorlopige anti-dumpingrecht dat op deze invoer is ingesteld, welke verordening bij arrest van het Hof van 22 oktober 1991 (zaak C-16/90, Noelle, Jurispr. 1991, blz. I-5163) ongeldig is verklaard,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, D. P. M. Barrington, H. Kirschner, A. Kalogeropoulos en V. Tiili, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 18 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Naar aanleiding van een klacht in april 1986 van de Europese Federatie van de borstel-, kwasten- en penseelindustrie (hierna: "FEIBP") opende de Commissie een anti-dumpingprocedure ter zake van de invoer van bepaalde soorten borstels, kwasten en penselen van oorsprong uit China. Het onderzoek werd voorlopig beëindigd nadat de Chinese onderneming China National Native Produce & Animal By-Products Import & Export Corporation (hierna: "China National") zich had verbonden de uitvoer naar de Gemeenschap te beperken. Deze verbintenis werd bij besluit 87/104/EEG van de Raad van 9 februari 1987 (PB 1987, L 46, blz. 45; hierna "besluit 87/104") aanvaard.
2 Deze aldus voorlopig beëindigde procedure werd door de Commissie heropend naar aanleiding van een nieuwe klacht van FEIBP, nu ter zake van niet-naleving van de verbintenis door China National. De belanghebbende partijen werden hiervan in kennis gesteld door een bericht waarin de heropening van een procedure inzake anti-dumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer in de Gemeenschap van bepaalde borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China werd aangekondigd (PB 1988, C 257, blz. 5). De Commissie constateerde, dat de invoer van de betrokken produkten vanuit de Volksrepubliek China in alleen al de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk de totale in de verbintenis vastgestelde hoeveelheid in ruime mate overschreed, waarop zij een voorlopig ad valorem anti-dumpingrecht instelde van 69 % van de nettoprijs per stuk van de betrokken produkten [verordening (EEG) nr. 3052/88 van 29 september 1988 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 1988, L 272, blz. 16; hierna: "verordening nr. 3052/88")].
3 Op 20 maart 1989 bevestigde de Raad het door de Commissie ingestelde voorlopige anti-dumpingrecht en stelde hij een definitief recht, gelijk aan het voorlopige, in bij verordening (EEG) nr. 725/89 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en definitieve inning van het voorlopige anti-dumpingrecht dat op deze invoer is ingesteld (PB 1989, L 79, blz. 24; hierna: "verordening nr. 725/89").
4 Op 21 november 1988, 8 en 14 februari 1989 liet de onderneming Eugen Noelle (hierna: "Noelle") drie partijen schoonmaak- en verfkwasten van oorsprong uit de Volksrepubliek China inklaren, waarvoor het Hauptzollamt Bremen-Freihafen (hierna: "Hauptzollamt") betaling vorderde van het voorlopig anti-dumpingrecht volgens verordening nr. 3052/88. Conform artikel 1, lid 4, van die verordening stelde Noelle een waarborg ten belope van het verschuldigde bedrag ad 52 400 DM. Bij drie beschikkingen van 14 april 1989 vorderde het Hauptzollamt van Noelle betaling van 51 217,40 DM, gelijk aan het definitieve anti-dumpingrecht vastgesteld bij verordening nr. 725/89.
5 Van mening dat die drie beschikkingen onwettig waren omdat de eraan ten grondslag liggende verordening in strijd was met hogere regels van gemeenschapsrecht, diende Noelle eerst een bezwaarschrift in bij het Hauptzollamt, dat dit verwierp, en stelde vervolgens bij het Finanzgericht Bremen beroep in tot nietigverklaring van de drie beschikkingen.
6 Op 22 januari 1990 legde de nationale rechter het Hof een prejudiciële vraag voor over de geldigheid van verordening nr. 725/89. Tegelijk met deze verwijzing volgens artikel 177 EEG-Verdrag werd de tenuitvoerlegging van de litigieuze beschikkingen opgeschort.
7 Bij arrest van 22 oktober 1991 verklaarde het Hof verordening nr. 725/89 ongeldig, op grond dat de normale waarde van de betrokken produkten niet was vastgesteld "op passende en niet onredelijke wijze" in de zin van artikel 2, lid 5, sub a, van de verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1; hierna: "basisverordening"). Het was van oordeel, dat Noelle in de loop van de anti-dumpingprocedure voldoende elementen had aangevoerd om "twijfel te doen ontstaan omtrent de vraag, of Sri Lanka als vergelijkingsland passend en niet onredelijk was" voor de bepaling van een normale waarde, en dat de Commissie en de Raad "niet serieus en voldoende hebben trachten na te gaan, of Taiwan als geschikt vergelijkingsland kon worden aangemerkt", zoals Noelle had voorgesteld (arrest Noelle, zaak C-16/90, Jurispr. 1991, blz. I-5163).
8 Na dit arrest verklaarde het Finanzgericht Bremen bij beschikking van 21 januari 1992 de zaak afgedaan en verwees bij beschikking van 31 juli 1992 het Hauptzollamt in de kosten. Deze kosten werden overeenkomstig de toepasselijke Duitse bepalingen vastgesteld op 10 941,40 DM, met 4 % rente vanaf de datum van instelling van de vordering.
9 Bij brieven van 30 juni 1992 aan de Raad en aan de Commissie vorderde Noelle vergoeding van de schade die hij door de vaststelling van de ongeldig verklaarde verordening nr. 725/89 zou hebben geleden. Die schade bestond enerzijds uit betaalde bankrente (50 188,15 DM) over de bedragen die hij had moeten lenen ter voldoening van de bij andere, niet voor de rechter aangevochten douanebeschikkingen vastgestelde anti-dumpingrechten, en anderzijds uit de kosten van de procesvertegenwoordiging (39 424,88 DM). Bij brieven van respectievelijk 22 juli en 30 november 1992 wezen de Raad en de Commissie deze vordering af.
10 In deze omstandigheden heeft Noelle op 25 juni 1993 beroep ingesteld bij het Hof (zaak C-326/93).
11 Krachtens artikel 4 van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21) is de zaak bij beschikking van het Hof van 18 april 1994 naar het Gerecht verwezen en aldaar ingeschreven onder nummer T-167/94.
12 Bij besluit van het Gerecht van 2 juni 1994 is de rechter-rapporteur toegewezen aan de Eerste kamer (uitgebreid), waaraan dan ook deze zaak is toegewezen. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer ° uitgebreid) besloten, zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen is evenwel verzocht, enkele schriftelijke vragen te beantwoorden. Verzoeker heeft zijn antwoorden ingediend op 19 april 1994, verweerders op 20 april 1994. De partijen zijn in hun pleidooien en antwoorden op mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter openbare terechtzitting van 18 mei 1995.
Conclusies van partijen
13 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot betaling van 79 834,45 DM, vermeerderd met rente ad 8 % vanaf 3 juli 1992;
° verweerders in de kosten te verwijzen.
14 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoeker in de kosten te verwijzen.
15 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° subsidiair, het beroep als ongegrond te verwerpen;
° verzoeker in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
Samenvatting van de argumenten van partijen
16 In hun respectieve verweerschriften stellen de Commissie en de Raad, dat het beroep niet-ontvankelijk is.
17 Volgens de Raad voldoet het inleidend verzoekschrift niet aan de vereisten van artikel 19 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, volgens welke bepalingen het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten.
18 Verwijzend naar het arrest van het Gerecht van 10 juli 1990 (zaak T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367) stelt de Raad, dat een verzoekschrift strekkende tot vergoeding van door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade de gegevens dient te bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoekende partij aan de instelling verwijt, de redenen waarom zij meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een causaal verband bestaat, alsmede de schade die zij beweert te hebben geleden. Volgens de Raad blijkt niet duidelijk, op welk handelen of nalaten verzoeker zijn schadevordering steunt, en waarin het causaal verband tussen het gelaakte handelen of nalaten en de beweerde schade precies gelegen is. Meer in het bijzonder geeft het verzoekschrift niet duidelijk en nauwkeurig aan, of de beweerde schade voortvloeit uit de vaststelling van de ongeldig verklaarde verordening, uit de verkeerde keuze van Sri Lanka als vergelijkingsland of uit het feit dat de Commissie niet heeft nagegaan, of Taiwan eventueel een geschikter vergelijkingsland kon zijn.
19 Ten slotte bevat het verzoekschrift volgens de Raad niet het minste bewijs van een causaal verband tussen de gedragingen van de gemeenschapsinstellingen en de gestelde schade; verzoeker heeft pas bij repliek ° en dus in strijd met artikel 42, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering ° omstandigheden aangevoerd die op een dergelijk verband wijzen. Bijgevolg moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
20 Ook in de opvatting van de Commissie voldoet het verzoekschrift niet aan de vereisten van artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Nergens in het verzoekschrift wordt toegelicht, hoe de schending van de rechtsregel op grond waarvan het Hof verordening nr. 725/89 ongeldig verklaarde, nu juist de gestelde schade heeft veroorzaakt. In strijd met het bepaalde in artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof heeft verzoeker eerst bij repliek omstandigheden aangevoerd die wijzen op een causaal verband tussen de beweerde schade en de aan verweerders verweten onrechtmatige handelingen.
21 De Commissie voert als tweede grond voor niet-ontvankelijkheid van het beroep aan, dat de door verzoeker gestelde schadeposten niet in het kader van een beroep op grond van artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag kunnen worden gevorderd. Een beroep tot schadevergoeding krachtens dit artikel is niet ontvankelijk, wanneer de verzoekende partij niet eerst alle nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput. Dit geldt te meer, wanneer zoals hier het gemeenschapsrecht per saldo naar het nationale recht verwijst.
22 Wat meer in het bijzonder Noelles aanspraak op vergoeding van de kosten van de nationale procedure betreft, verwijst de Commissie naar artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, volgens hetwelk de beslissing over de kosten van de prejudiciële procedure bij de nationale rechterlijke instantie berust. Haars inziens is het kostenvraagstuk dan ook definitief geregeld door de Duitse rechter. Blijkens het dossier heeft verzoeker ter vergoeding van kosten een bedrag van 10 941,40 DM ontvangen van het Hauptzollamt; de resterende kosten, die naar nationaal procesrecht niet worden vergoed, kunnen niet als schade worden aangevoerd in een beroep tot schadevergoeding krachtens artikel 215 van het Verdrag, daar anders artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof geen betekenis meer heeft.
23 Hetzelfde geldt voor de schade in de vorm van de rente die verzoeker aan zijn bankier heeft moeten betalen voor kredietfaciliteiten ter betaling van het bij verordening nr. 725/89 ingestelde anti-dumpingrecht. Blijkens verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB 1979, L 175, blz. 1; hierna: "verordening nr. 1430/79") is de vergoeding van rente in verband met de terugbetaling van ten onrechte geheven bedragen uitsluitend een kwestie van het nationale recht. Deze fundamentele wettelijke regeling is een voorbeeld van een geval waarin de uitoefening van hetzelfde recht op communautair niveau niet meer mogelijk is. Omdat verordening nr. 1430/79 niet in de betaling van rente voorziet, zijn in casu bij gebreke van specifieke gemeenschapsrechtelijke bepalingen de nationale bepalingen van toepassing (arrest Hof van 12 juni 1980, zaak 130/79, Express Dairy Foods, Jurispr. 1980, blz. 1887).
24 Ten slotte ware het in strijd met het algemeen belang, wanneer verzoeker zijn vordering in dit geval bij de rechter zou kunnen aanbrengen. Het feit dat het beroep tot schadevergoeding is ingesteld op 25 juni 1993, bijna zes maanden na de afwijzing door de Commissie van het verzoek om vergoeding van de beweerde schade (bij brief, ontvangen op 17 december 1992), wekt twijfel aan de ontvankelijkheid van het beroep, gelet op het bepaalde in artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG. Het Hof mag dan in het verleden aan artikel 43 een andere uitlegging hebben gegeven (arrest van 5 april 1973, zaak 11/72, Giordano, Jurispr. 1973, blz. 417), in de recentere rechtspraak daarentegen treedt het formele, regulerende karakter van de bepalingen inzake de beroepstermijnen meer op de voorgrond (beschikkingen van 15 mei 1991, zaak C-122/90, Emsland-Staerke, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, en 5 februari 1992, zaak C-59/91, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-525). Gelet op artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG juncto artikel 173, derde alinea, van het EEG-Verdrag, dat voor de instelling van het beroep tot nietigverklaring een termijn van twee maanden voorschrijft, moet het beroep als te laat worden beschouwd. Dit standpunt is in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel, want aldus wordt verzoeker in dezelfde positie gebracht als elke andere importeur wiens verzoek om terugbetaling van anti-dumpingrechten door de Commissie op grond van artikel 16 van de basisverordening is afgewezen en die deze afwijzing alleen maar binnen de in artikel 173, derde alinea, van het Verdrag bepaalde termijn van twee maanden voor de gemeenschapsrechter kan aanvechten.
25 Verzoeker betoogt, dat zijn verzoekschrift op het punt van de omschrijving van de onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsautoriteiten geenszins dubbelzinnig is. Er komt duidelijk uit naar voren, dat de gestelde fout verband houdt met de vaststelling van verordening nr. 725/89, die door het Hof ongeldig is verklaard. Wat de causaliteit aangaat, stelt verzoeker, het bestaan van een causaal verband tussen de betrokken fout en de geleden schade in zijn verzoekschrift duidelijk en ondubbelzinnig te hebben uiteengezet.
26 De vraag, of de in zijn verzoekschrift uiteengezette omstandigheden voldoende bewijs opleveren van een oorzakelijk verband, betreft bovendien de gegrondheid en niet de ontvankelijkheid van de zaak.
27 Tegen het argument van de Commissie, dat de vordering tot vergoeding van de gemaakte kosten en betaalde bankrente niet-ontvankelijk is omdat de nationale rechter daarover reeds uitspraak heeft gedaan, brengt verzoeker in, dat dit een materiële kwestie is en niets met de ontvankelijkheid heeft te maken. Afgezien daarvan kunnen de hem krachtens artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag toekomende rechten niet geheel en al door het nationale recht worden geregeld.
28 Verder benadrukt verzoeker in repliek, dat de gevorderde bedragen geenszins uitsluitend als kosten van procesvertegenwoordiging kunnen worden aangemerkt, aangezien blijkens de bij het verzoekschrift overgelegde declaraties zijn advocaten eveneens met een groot aantal douanekantoren hebben onderhandeld.
29 Wat de gestelde overschrijding van de beroepstermijn betreft, brengt verzoeker in herinnering dat, zoals de Commissie zelf heeft erkend, een dergelijk argument in tegenspraak is met de rechtspraak van het Hof ter zake en bijgevolg moet worden verworpen.
Oordeel van het Gerecht
30 Wat in de eerste plaats de grief van de Commissie betreft, dat verzoeker niet pas zes maanden na de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding het onderhavige beroep kon instellen, herinnert het Gerecht aan het bepaalde in artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG, dat de vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot die vordering aanleiding heeft gegeven. Deze verjaring wordt gestuit, hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek van de benadeelde aan de bevoegde gemeenschapsinstelling, met dien verstande dat in het laatste geval het beroep moet worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden bepaald in artikel 173 of van vier maanden bepaald in artikel 175 EEG-Verdrag. Volgens vaste rechtspraak van het Hof beoogt artikel 43 namelijk het verstrijken van de termijn van vijf jaar alleen dan te stuiten, wanneer binnen deze termijn een beroep is ingesteld ° of een eerder verzoek is gedaan ° dat de termijnen van de artikelen 173 en 175 doet ingaan; het heeft daarentegen niet ten doel de vastgestelde vijfjarige verjaringstermijn te verkorten, wanneer ° zoals hier ° het verzoek aan een gemeenschapsinstelling om schadevergoeding niet binnen de daartoe vastgestelde termijnen van de artikelen 173 en 175 van het Verdrag wordt gevolgd door een beroep tot nietigverklaring of wegens nalaten (arresten Hof van 14 juli 1967, gevoegde zaken 5/66, 7/66 en 13/66-24/66, Kampffmeyer, Jurispr. 1967, blz. 306, en 5 april 1973, Giordano, reeds aangehaald).
31 Het feit dat tot dit beroep aanleiding heeft gegeven, dateert van 20 maart 1989, de datum van vaststelling van verordening nr. 725/89, en heeft zich dus minder dan vijf jaar vóór de instelling van het beroep voorgedaan. Bijgevolg is het beroep ontvankelijk wat de termijn van instelling ervan betreft (arresten Kampffmeyer, reeds aangehaald, blz. 325, en Giordano, reeds aangehaald, r.o. 6).
32 Wat in de tweede plaats de grief van schending van artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG ° dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dit Statuut op het Gerecht van toepassing is ° alsmede van artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof betreft, zij erop gewezen, dat volgens deze bepalingen het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet inhouden. Om aan deze eisen te voldoen, moet een beroep tot vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade met name bevatten: de gegevens die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een causaal verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade (arrest Hof van 2 december 1971, zaak 5/71, Zuckerfabrik Schoeppenstedt, Jurispr. 1971, blz. 975, en arrest Automec, reeds aangehaald, r.o. 73).
33 Naar het oordeel van het Gerecht heeft verzoeker in zijn verzoekschrift rechtens genoegzaam uiteengezet, dat de aan verweerders verweten onrechtmatige gedraging haar oorsprong vindt in de vaststelling van de door het Hof ongeldig verklaarde verordening nr. 725/89 en dat die verordening de oorzaak van de gestelde schade vormde. Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift immers, dat die verordening de adequate oorzaak van de gestelde schade vormt. Aldus heeft hij, weliswaar beknopt, uiteengezet, waarin het causaal verband waarop zijn vordering tot schadevergoeding steunde, bestond. Derhalve moet de grief van de Raad, dat verzoeker niet precies heeft aangegeven, aan welk handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen de gestelde schade te wijten was, en dat hij niet het minste bewijs van het bestaan van een causaal verband tussen de gelaakte gedraging en de geleden schade heeft geleverd, worden verworpen.
34 Wat in de derde plaats de door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgrond betreft, dat de door verzoeker gestelde schadeposten niet in het kader van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag kunnen worden vergoed, moet naar het oordeel van het Gerecht onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de schade bestaande in de niet volledig vergoede proceskosten nadat de nationale rechter de bij hem aanhangige zaak als afgedaan had verklaard, en anderzijds de schade bestaande in de bankrente over de bedragen die verzoeker had moeten lenen ter voldoening van de bij verordening nr. 725/89 ingestelde anti-dumpingrechten.
35 Aangaande de ontvankelijkheid van de vordering tot vergoeding van de proceskosten die na de uitspraak van de nationale rechter in het geschil met het Hauptzollamt ten laste van verzoeker zijn gebleven, herinnert het Gerecht aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat de schadevergoedingsactie krachtens de artikelen 178 en 215 van het Verdrag weliswaar is bedoeld als een zelfstandig rechtsmiddel met een eigen functie in het stelsel van beroepsmogelijkheden en afhankelijk is van voorwaarden die aan het bijzondere doel ervan beantwoorden, maar niettemin moet worden beoordeeld in het licht van het gehele stelsel van rechtsbescherming dat het Verdrag voor particulieren heeft gecreëerd. Acht een particulier zich benadeeld door de toepassing van een regelgevende gemeenschapshandeling die hij als onrechtmatig aanmerkt, dan kan hij, wanneer de uitvoering van die handeling aan de nationale autoriteiten is overgelaten, in het kader van die uitvoering de geldigheid van de handeling in een geding tegen de nationale autoriteit voor de nationale rechter aanvechten. Deze rechter kan of moet overeenkomstig de voorwaarden van artikel 177 van het Verdrag het Hof een vraag stellen over de geldigheid van de betrokken gemeenschapshandeling. Deze beroepsmogelijkheid kan de bescherming van de belanghebbende particulieren evenwel alleen dan doeltreffend garanderen, wanneer zij tot vergoeding van de gestelde schade kan leiden (arresten Hof van 25 oktober 1972, zaak 96/71, Haegeman, Jurispr. 1972, blz. 1005; 12 april 1984, zaak 281/82, Unifrex, Jurispr. 1984, blz. 1969; 29 september 1987, zaak 81/86, De Boer Buizen, Jurispr. 1987, blz. 3677, en 13 maart 1992, zaak C-282/90, Vreugdenhil, Jurispr. 1992, blz. I-1937).
36 In dit verband heeft het Hof beslist, dat de schadevergoedingsactie voor de gemeenschapsrechter in bepaalde gevallen kan afhangen van de vraag, of de nationale rechtsmiddelen waarmee nietigverklaring van een gemeenschapshandeling kan worden bewerkstelligd, uitgeput zijn, en dat in dat geval de onder de bevoegdheid van de nationale rechter vallende geschillen door hem moeten worden beslist volgens zijn nationale recht, voor zover het gemeenschapsrecht de materie niet heeft geregeld; bij gebreke van gemeenschapsbepalingen ter zake is het aan de nationale autoriteiten om alle met het bodemgeschil verband houdende bijkomende vragen te regelen (arrest Hof van 21 mei 1976, zaak 26/74, Roquette, Jurispr. 1976, blz. 677).
37 Uit deze rechtspraak volgt, dat ten aanzien van de vraag van de kostenvergoeding ° een bijkomend aspect van het bodemgeschil tussen verzoeker en het Hauptzollamt betreffende de betaling van het bij de ongeldig verklaarde verordening nr. 725/89 ingestelde anti-dumpingrecht ° uitsluitend de nationale rechter bevoegd is, die bij gebreke van communautaire harmonisatiemaatregelen hierover dient te beslissen volgens de toepasselijke nationale bepalingen, wat in casu ook is gebeurd.
38 Hieraan dient te worden toegevoegd, dat volgens artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de beslissing over de kosten van de prejudiciële procedure in elk geval bij de nationale rechter berust. In casu gaat het om een vordering tot vergoeding van schade, bestaande in het deel van de kosten dat conform de einduitspraak van de nationale rechter niet is terugbetaald nadat het Hof de krachtens artikel 177 van het Verdrag gestelde vraag had beantwoord. Nu verzoeker niet heeft betoogd, dat de nationale beroepswegen geen doeltreffende bescherming van de hem krachtens het gemeenschapsrecht toekomende rechten kunnen bieden, staat het niet aan het Gerecht om naar aanleiding van een bij hem ingestelde schadevergoedingsactie het bestaan en de uitoefening van de uitsluitende bevoegdheid waarover de nationale rechter krachtens artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof ter zake beschikt, in twijfel te trekken en aldus aan deze bepaling ieder nuttig effect te ontnemen.
39 Voor zover het beroep strekt tot vergoeding van het gedeelte van de kosten dat ingevolge de uitspraak van het Finanzgericht Bremen waarbij het geding over de rechtmatigheid van verordening nr. 725/89 afgedaan werd verklaard, niet is terugbetaald, is het derhalve niet-ontvankelijk, daar het Gerecht niet bevoegd is om op grond van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag op een dergelijke vordering te beslissen.
40 Ter zake van de kosten wegens diverse interventies van zijn advocaten bij een groot aantal douanekantoren, is het Gerecht van oordeel dat, aangenomen dat verzoeker daarvan vergoeding kan vorderen bij repliek, op deze vordering moet worden ingegaan bij het onderzoek van de gegrondheid van het onderhavige beroep.
41 Aangaande de vordering tot vergoeding van de schade bestaande in de betaalde bankrente over de bedragen die verzoeker ter voldoening van het bij verordening nr. 725/89 ingestelde anti-dumpingrecht beweerd te hebben moeten lenen, heeft verzoeker in zijn verzoekschrift en ter terechtzitting van 18 mei 1995 onweersproken uiteengezet, dat er geen enkele nationaalrechtelijke rechtsgang was waarmee hij de betrokken schade vergoed had kunnen krijgen. Aangezien de aansprakelijkheid van de overheid in de Bondsrepubliek Duitsland afhankelijk is van het bewijs van een fout van het bevoegde overheidsorgaan en verordening nr. 725/89 door het Hof ongeldig is verklaard wegens een onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsinstellingen en niet van de Duitse overheid, kan voorafgaande uitputting van de nationaalrechtelijke rechtsmiddelen in dit geval geen doeltreffende bescherming bieden van de subjectieve rechten die verzoeker aan het gemeenschapsrecht ontleent (arrest Unifrex, reeds aangehaald, r.o. 12, en arrest Hof van 6 juni 1990, zaak C-119/88, AERPO, Jurispr. 1990, blz. I-2189, r.o. 13).
42 In deze omstandigheden is overeenkomstig het arrest Vreugdenhil (reeds aangehaald, r.o. 11-15) het Gerecht bij uitsluiting bevoegd, krachtens de artikelen 178 en 215 van het Verdrag te beslissen op een beroep tot vergoeding van een aan de Gemeenschap toe te rekenen schade, aangezien de Raad de ongeldig verklaarde verordening heeft vastgesteld waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. Bijgevolg moet verzoekers beroep als ontvankelijk worden aangemerkt voor zover het strekt tot vergoeding van schade in verband met de betaling van bankrente over de bedragen die in het kader van de toepassing van de ongeldig verklaarde verordening nr. 725/89 zijn geleend (zie ook arrest Hof van 8 april 1992, zaak C-55/90, Cato, Jurispr. 1992, blz. I-2533, r.o. 17).
43 Uit het bovenstaande volgt, dat het beroep ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het strekt tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden doordat hij bankrente heeft moeten betalen in het kader van de voldoening van het bij verordening nr. 725/89 ingestelde anti-dumpingrecht; voor het overige moet het als niet-ontvankelijk worden verworpen.
Ten gronde
De grondslag van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap
Samenvatting van de argumenten van partijen
44 Verzoeker maakt onderscheid tussen wetgevende handelingen en bestuurshandelingen van de Gemeenschap en meent, dat anti-dumpingmaatregelen, ook al hebben ze de vorm van een verordening, in feite tussen beide categorieën in liggen. Zijns inziens moet een zelfde onderscheid eveneens ten aanzien van de grondslag van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor onwettige anti-dumpingmaatregelen worden gemaakt. Berust de onwettigheid van een anti-dumpingverordening op een schending van de regels die aan de beoordeling van complexe economische feiten inherent zijn, dan zijn de stringentere voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap van toepassing, dat wil zeggen die voor de aansprakelijkheid voor regelgevende handelingen. Berust de onwettigheid daarentegen op een schending van procedurele of bestuursrechtelijke regels, dan zijn de "eenvoudige" voorwaarden van toepassing. Volgens verzoeker valt onderhavige zaak in beginsel onder het tweede geval, daar de Commissie de procedureregel van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening betreffende de bepaling van het vergelijkingsland had geschonden.
45 Weliswaar zijn volgens het arrest van het Hof van 28 november 1989 (zaak C-122/86, Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon, Jurispr. 1989, blz. 3959) bij de uitvoering van de basisverordening de stringentere voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Commissie ter zake van regelgevende handelingen die economische beleidskeuzes impliceren, van toepassing; in die zaak ging het echter om een besluit van de Commissie tot beëindiging van een anti-dumpingprocedure, waarbij onbetwistbaar economische beleidskeuzes aan de orde zijn. In de onderhavige zaak houdt de toepassing van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening daarentegen nauwelijks verband met de uitoefening van een beoordelingsbevoegdheid op het gebied van het economisch beleid, doch gaat het enkel om de inachtneming van bestuursrechtelijke regels, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht van artikel 190 EEG-Verdrag en het verbod van misbruik van bevoegdheid.
46 Op grond van deze overwegingen gaat verzoeker slechts subsidiair in op de voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor een regelgevende handeling.
47 De Commissie merkt op, dat verzoeker voor de niet-contractuele aansprakelijkheid een andere maatstaf dan die met betrekking tot regelgevende handelingen tracht te verdedigen. Op het gebied van de anti-dumpingmaatregelen worden haars inziens de verzoekers evenwel enkel door de definitieve anti-dumpingverordening geraakt, en een gebrek bij de totstandkoming van die verordening moet daarin worden weerspiegeld opdat een schadevordering succes kan hebben (arrest Hof van 5 oktober 1988, gevoegde zaken 294/86 en 77/87, Technointorg, Jurispr. 1988, blz. 6077). Daar enkel de definitieve verordening tot het ontstaan van schade kan leiden, kan de Gemeenschap hier slechts ter zake van een regelgevende handeling aansprakelijk zijn.
48 De Raad stelt, dat aangezien verzoeker vergoeding vordert van schade die hij door de vaststelling van verordening nr. 725/89 zou hebben geleden, de aansprakelijkheid van de Gemeenschap enkel aan de hand van de beginselen van de aansprakelijkheid voor regelgevende handelingen kan worden beoordeeld. Het standpunt van verzoeker, dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap niet afhangt van de aard van de handeling die tot de beweerde schade heeft geleid, doch van de aard van de beweerde schending, is in strijd met de rechtspraak van het Hof (arrest van 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061). Hebben echter de gemeenschapsinstellingen tijdens de administratieve procedure die aan de vaststelling van een anti-dumpingverordening voorafgaat, op een specifiek punt de toepasselijke regels geschonden, dan kan de benadeelde een beroep tot schadevergoeding instellen, mits de onregelmatige gedraging als zodanig de gestelde schade heeft veroorzaakt. In casu nu heeft verzoeker niet aangevoerd, dat juist de keuze van Sri Lanka als vergelijkingsland of het verzuim van de gemeenschapsinstellingen om te onderzoeken of Taiwan niet geschikter kon zijn, op zich de beweerde schade heeft veroorzaakt.
49 Ten slotte onderstreept de Raad, dat mocht de Gemeenschap aansprakelijk worden gehouden uit hoofde van een bestuurlijk handelen, het daarbij enkel om een onrechtmatige gedraging van de Commissie kan gaan, zodat het beroep niet tegen hem had moeten worden ingesteld.
Oordeel van het Gerecht
50 Verzoeker vordert vergoeding van de schade die hij door de vaststelling van de door het Hof ongeldig verklaarde verordening nr. 725/89 zou hebben geleden.
51 Zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon heeft uitgemaakt, zijn de handelingen van de Raad en de Commissie die verband houden met een procedure voor de eventuele vaststelling van anti-dumpingmaatregelen, normatieve handelingen die economische beleidskeuzen impliceren. Volgens vaste rechtspraak kan de Gemeenschap voor dergelijke handelingen slechts aansprakelijk worden gesteld in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel (arresten Hof van 2 december 1971, Zuckerfabrik Schoeppenstedt, reeds aangehaald; 2 juni 1976, gevoegde zaken 56/74-60/74, Kampffmeyer, Jurispr. 1976, blz. 711, r.o. 13; 25 mei 1978, gevoegde zaken 83/76, 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, HNL, Jurispr. 1978, blz. 1209, r.o. 4, en 4 oktober 1979, zaak 238/78, Ireks-Arkady, Jurispr. 1979, blz. 2955, r.o. 9; arresten Gerecht van 15 december 1994, zaak T-489/93, Unifruit Hellas, Jurispr. 1994, blz. II-1201, r.o. 35, en 21 februari 1995, zaak T-472/93, Campo Ebro e.a., Jurispr. 1995, blz. II-421).
52 Onder deze omstandigheden is verzoekers stelling, dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap in dit geval moet worden beoordeeld aan de hand van de aard van de beweerde schending (schending van procedureregels) en niet van de aard van de gemeenschapshandeling die tot de gestelde schade heeft geleid, naar het oordeel van het Gerecht niet gegrond. Derhalve moet worden nagegaan, of de verwerende instellingen een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel hebben begaan.
De aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor regelgevende handelingen
Onrechtmatigheid
53 Verzoeker verwijt de gemeenschapsinstellingen vier onrechtmatige handelingen bij de toepassing van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening, waarvoor de Gemeenschap aansprakelijk is: in de eerste plaats schending van artikel 190 van het Verdrag, in de tweede plaats schending van de rechten van de verdediging, in de derde plaats misbruik van bevoegdheid, en in de vierde plaats schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur.
Schending van artikel 190 van het Verdrag
° Samenvatting van de argumenten van partijen
54 Verzoeker betoogt, dat het door de instellingen gestelde betreffende de kenmerken van de Taiwanese markt blijkens het arrest Noelle (reeds aangehaald) niet door nadere preciseringen of feiten wordt geschraagd. Hij verwijst tevens naar de conclusie van de advocaat-generaal in die zaak, die onder meer van mening was dat verordening nr. 725/89 onvoldoende met redenen was omkleed, omdat zij voorbijging aan de vraag, of de gemeenschapsproducenten niet zelf mede aan de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap hadden bijgedragen door kwasten van oorsprong uit China te verkopen.
55 Volgens de Commissie is het betoog van verzoeker niet gegrond, omdat een schending van artikel 190 van het Verdrag volgens vaste rechtspraak van het Hof niet tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan leiden (arrest Hof van 15 september 1982, zaak 106/81, Kind, Jurispr. 1982, blz. 2885).
56 De Raad meent dat, anders dan verzoeker betoogt, het Hof in het reeds aangehaalde arrest Noelle niet heeft vastgesteld dat verordening nr. 725/89 artikel 190 van het Verdrag heeft geschonden of onvoldoende met redenen was omkleed.
° Oordeel van het Gerecht
57 Het Hof heeft in het arrest Noelle niet beslist, dat de gemeenschapsinstellingen artikel 190 van het Verdrag hadden geschonden of dat de bestreden verordening onvoldoende met redenen was omkleed. En ook al zou een dergelijke schending uit het genoemde arrest kunnen worden afgeleid, dan nog kan een gebrekkige motivering van een regelgevende handeling volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht niet tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap leiden (arresten Kind, reeds aangehaald, r.o. 14; AERPO, reeds aangehaald, r.o. 20, en Unifruit Hellas, reeds aangehaald, r.o. 41).
58 Derhalve moet het eerste middel, betreffende een gebrekkige motivering van verordening nr. 725/89, worden afgewezen.
Schending van de rechten van de verdediging
° Samenvatting van de argumenten van partijen
59 Volgens verzoeker blijkt duidelijk uit de conclusie van de advocaat-generaal bij het reeds aangehaalde arrest Noelle, dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel 190 van het Verdrag en van het verbod van misbruik van bevoegdheid uiteindelijk een schending opleveren van het recht van de particulieren om zich naar behoren te verdedigen, een grondrecht dat is neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verzoeker verwijst in dit verband naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke de grondrechten behoren tot de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (arrest van 27 juni 1991, zaak C-49/88, Al Jubail Fertilizer, Jurispr. 1991, blz. I-3187).
60 Volgens de Commissie genieten niet alle bij een anti-dumpingprocedure betrokken partijen dezelfde bescherming van de rechten van de verdediging; de omvang van die bescherming hangt nauw samen met hun positie in de procedure. Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen enkel personen die door een handeling bezwaard worden, zich op bescherming van dergelijke rechten beroepen. In een anti-dumpingprocedure nu zijn dergelijke handelingen enkel tegen exporteurs gericht en niet tegen importeurs zoals verzoeker.
61 De Raad betwijfelt, of verzoeker door de rechten van de verdediging wordt beschermd, en betoogt, dat de verplichting van de gemeenschapsinstellingen tot inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in dit geval niet strekt tot bescherming van de belangen van verzoeker, maar van die van de Gemeenschap. Het feit dat schending van deze beginselen kan resulteren in nietigverklaring van een handeling betekent niet, dat deze beginselen de bescherming van particulieren tot doel hebben.
° Oordeel van het Gerecht
62 Volgens de rechtspraak van het Hof zijn de anti-dumpingprocedure en de eventuele aan het einde daarvan getroffen beschermende maatregelen slechts gericht tegen buitenlandse producenten en exporteurs of derde landen en, in voorkomend geval, tegen gebonden importeurs, doch niet tegen onafhankelijke importeurs zoals verzoeker (arrest Hof van 28 november 1991, zaak C-170/89, BEUC, Jurispr. 1991, blz. I-5709).
63 Het Gerecht stelt vast, dat in casu de anti-dumpingprocedure niet tegen verzoeker is ingeleid en dus niet tot een voor hem bezwarende handeling kan leiden, nu tegen hem geen beschuldigingen zijn ingebracht. Verzoekers middel betreffende schending van zijn rechten van verdediging is bijgevolg ongegrond en moet worden afgewezen (arrest BEUC, reeds aangehaald, r.o. 20-23, en arresten Hof van 10 juli 1986, zaak 234/84, België/Commissie, Jurispr. 1986, blz 2263, en zaak 40/85, België/Commissie, Jurispr. 1986, blz. 2321, r.o. 28).
Misbruik van bevoegdheid
° Samenvatting van de argumenten van partijen
64 Verzoeker betoogt, dat nu het Hof in rechtsoverweging 36 van het reeds aangehaalde arrest Noelle heeft vastgesteld dat de gemeenschapsinstellingen de normale waarde niet op passende en niet-onredelijke wijze hebben bepaald, tevens vaststaat dat de gemeenschapsinstellingen door aldus te handelen hun bevoegdheid hebben misbruikt.
65 De verwerende partijen hebben ter zake niets aangevoerd.
° Oordeel van het Gerecht
66 Volgens vaste rechtspraak is er slechts sprake van misbruik van bevoegdheid, wanneer een besluit of handeling van de Gemeenschap blijkens objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende gegevens is vastgesteld ter bereiking van ander dan het aangegeven doel (arresten Hof van 4 juli 1989, zaak 198/87, Kerzmann, Jurispr. 1989, blz. 2083, punt 2 van de samenvatting, en 11 juli 1990, zaak C-323/88, Sermes, Jurispr. 1990, blz. I-3027, r.o. 33).
67 Verzoeker heeft zich beperkt tot een loutere bewering, zonder zelfs maar te proberen de juistheid ervan aan te tonen, en zonder enig argument of bewijs tot staving ervan voor te dragen. In die omstandigheden is het middel betreffende misbruik van bevoegdheid naar het oordeel van het Gerecht niet gegrond en dient derhalve te worden afgewezen (zie arrest Sermes, reeds aangehaald, r.o. 35 en 36).
Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de beginselen van behoorlijk bestuur
° Samenvatting van de argumenten van partijen
68 Verzoeker herinnert eraan, dat het Hof in het arrest Noelle heeft vastgesteld, dat de gemeenschapsinstellingen essentiële elementen buiten beschouwing hadden gelaten en het dossier niet met de vereiste zorgvuldigheid hadden onderzocht. Een dergelijke handelwijze is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, dat een van de waarborgen is waarmee de communautaire rechtsorde administratieve procedures omgeeft (arrest van 21 november 1991, zaak C-269/90, Technische Universitaet Muenchen, Jurispr. 1991, blz. I-5469), alsmede met het in het Duitse recht bekende "Offizialmaxime"-beginsel, volgens hetwelk het betrokken overheidsorgaan de beslissingsmacht over de procedure heeft, zodat in dit geval de Commissie bij de toepassing van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening de procedurele waarborgen voor de particulieren in acht had moeten nemen. Daarenboven heeft de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in dit geval geleid tot schending van het recht om te worden gehoord, als bedoeld in artikel 7, leden 1, sub b, 2, sub a, 4 en 5, van de basisverordening, omdat de Commissie zijn argumenten betreffende de keuze van het vergelijkingsland naast zich neer heeft gelegd.
69 Wat de omvang betreft van de bescherming die de geschonden beginselen zouden bieden, beroept verzoeker zich met name op de rechtspraak van het Hof en het Gerecht (arresten Hof van 4 februari 1987, zaak 324/85, Bouteiller, Jurispr. 1987, blz. 529, en 11 oktober 1990, zaak C-200/89, FUNOC, Jurispr. 1990, blz. I-3669; arrest Gerecht van 27 februari 1992, gevoegde zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, BASF e.a., Jurispr. 1992, blz. II-315), waaruit zou blijken dat de normen van het gemeenschapsrecht die niet alleen de interne werking van de instellingen regelen, maar ook de inachtneming garanderen van de beginselen van de legaliteit, de rechtszekerheid en behoorlijk bestuur, die door de natuurlijke en rechtspersonen kunnen worden ingeroepen, voor de betrokkenen een "bron van rechten" en een factor van rechtszekerheid vormen. Hij concludeert hieruit, dat de gemeenschapsinstellingen door de verkeerde toepassing van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening de normen hebben overtreden die gericht zijn op de handhaving van de procedurele waarborgen van de particulieren (zorgvuldigheidsbeginsel) en de grondslag vormen van subjectieve rechten die de particulieren jegens de administratie geldend kunnen maken.
70 De Commissie betwist, dat door de beweerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel een rechtsregel zou zijn geschonden die verzoeker individueel beschermt. Het door verzoeker aangehaalde arrest Technische Universitaet Muenchen is hier niet relevant, omdat de rol van de importeur bij de vaststelling van het vergelijkingsland verschilt van die van een importeur van wetenschappelijke apparaten, aangezien de onafhankelijke importeur geen beslissende rol heeft in de anti-dumpingprocedure en de genomen beslissing hem niet rechtstreeks raakt.
71 De Commissie erkent, dat het "Offizialmaxime"-beginsel haar verplicht tot inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt evenwel, dat voordat uit het zorgvuldigheidsbeginsel subjectieve rechten kunnen worden afgeleid, moet worden nagegaan, of in het kader van de toepassing van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening de particulier gerechtigd is een verzoek in te dienen teneinde de activiteit van de administratie in de gevraagde richting te sturen, dan wel of de administratie zelf over het verloop van de betrokken procedure beslist ("Offizialmaxime"). Uitsluitend het bestuursorgaan beslist over de toepassing van de betrokken bepaling, zodat verzoeker in dit geval generlei subjectief recht toekomt. Verder betwist de Commissie, dat artikel 7 van de basisverordening verzoeker procedurele waarborgen biedt, aangezien deze bepaling slechts een ° bovendien niet-uitputtende ° opsomming bevat van de informatiebronnen waarvan de gemeenschapsinstellingen gebruik kunnen maken bij de opening en de afwikkeling van een anti-dumpingonderzoek; de importeurs vormen in dit verband slechts één van die informatiebronnen en zij hebben dan ook enkel de rechten waarin de basisverordening voorziet (arrest BEUC, reeds aangehaald).
72 De Raad schaart zich achter het betoog van de Commissie en stelt, dat zelfs al zou het Hof een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de instellingen hebben erkend, daaruit nog niet volgt dat zij een rechtsregel hebben geschonden die strekt tot bescherming van de belangen van verzoeker. Om uit te maken of het zorgvuldigheidsbeginsel strekt tot bescherming van particulieren, moet volgens de Raad eerst worden nagegaan, of de bepaling bij de toepassing waarvan dit beginsel is geschonden, een beschermende strekking heeft. De Raad concludeert, dat aangezien het aan de orde zijnde artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening verzoekers belangen niet beschermt, het zorgvuldigheidsbeginsel dat evenmin doet.
° Oordeel van het Gerecht
73 Wanneer de instellingen van de Gemeenschap over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken, is volgens de rechtspraak van het Hof de naleving van de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen des te fundamenteler. Tot die waarborgen behoren met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, het recht van de belanghebbende om zijn standpunt kenbaar te maken en zijn recht op een beschikking die toereikend is gemotiveerd (arrest Technische Universitaet Muenchen, reeds aangehaald, r.o. 14).
74 Het Gerecht stelt vast, dat blijkens de rechtsoverwegingen 30-32 van het reeds aangehaalde arrest Noelle het Hof verordening nr. 725/89 ongeldig heeft verklaard, omdat de Commissie geen rekening had gehouden met essentiële elementen bij de beoordeling van de geschiktheid van het uitgekozen vergelijkingsland en het voorstel van verzoeker om Taiwan te kiezen, alsmede zijn argumenten tegen de keuze van Sri Lanka als vergelijkingsland niet grondiger had onderzocht. In het bijzonder heeft het Hof in rechtsoverweging 34 van zijn arrest vastgesteld, dat de bewering van de Commissie, dat Taiwan als mogelijk vergelijkingsland was verworpen op grond dat de fysieke kenmerken en de produktiekosten verschillend waren en de benaderde Taiwanese producenten hun medewerking hadden geweigerd, niet met nadere preciseringen of feiten waren onderbouwd.
75 Gelet op deze vaststellingen is het Gerecht van oordeel, dat de handelwijze van de gemeenschapsinstellingen bij de bepaling van het vergelijkingsland, die voor het Hof in zijn arrest Noelle aanleiding is geweest verordening nr. 725/89 ongeldig te verklaren, als een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan worden aangemerkt.
76 Ook de beschermende strekking van het aldus geschonden beginsel kan in casu niet ter discussie worden gesteld. Ofschoon de rechten van de betrokkenen bij een anti-dumpingprocedure afhankelijk zijn van het stadium van de procedure, van de hoedanigheid waarin zij eraan deelnemen (betrokken exporteur, gebonden importeur, onafhankelijk importeur) alsmede van de verschillende bepalingen van de basisverordening, handelt de Commissie niettemin in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, dat een tot bescherming van particulieren strekkende regel is, wanneer een onafhankelijk importeur een toereikend belang aannemelijk maakt voor deelneming aan een anti-dumpingprocedure als "belanghebbende partij" en de Commissie niettegenstaande de twijfels die diens betoog aan de geschiktheid van het gekozen vergelijkingsland opwerpt, in strijd met haar verplichtingen nalaat zijn argumenten of voorstellen serieus op hun gegrondheid te onderzoeken.
77 Vervolgens moet worden nagegaan, of hier sprake is van een kennelijke en ernstige schending van deze regel, zonder dat behoeft te worden onderzocht of het zorgvuldigheidsbeginsel een hogere rechtsregel vormt.
Het kennelijke en ernstige karakter van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de beginselen van behoorlijk bestuur
° Samenvatting van de argumenten van partijen
78 Verzoeker herinnert eraan, dat het Hof in het arrest Noelle heeft vastgesteld dat hij tijdens de procedure van vaststelling van het vergelijkingsland de Commissie inlichtingen had verstrekt die aan de keuze van Sri Lanka als vergelijkingsland kennelijke twijfel konden doen ontstaan. Aangezien de Commissie er de voorkeur aan heeft gegeven, die inlichtingen zonder behoorlijke opgaaf van redenen naast zich neer te leggen, is de houding van de gemeenschapsinstellingen verkeerd en onverschoonbaar geweest en vormde zij een geval van flagrant misbruik van bevoegdheid; de ernst van deze schending volgt uit het feit, dat de geschonden beginselen fundamentele beginselen zijn (arrest Gerecht van 27 juni 1991, zaak T-120/89, Stahlwerke Peine-Salzgitter, Jurispr. 1991, blz. II-279, r.o. 111).
79 Bovendien volgt de ernst van de schending volgens verzoeker ook uit de omvang van de beoordelingsbevoegdheid waarover de gemeenschapsinstellingen bij de toepassing van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening beschikken. Inachtneming van de procedureregels, waaronder de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur, was des te meer noodzakelijk nu de gemeenschapsinstellingen in dit geval over ruime beoordelingsbevoegdheid beschikten. Wanneer aan de bij de vaststelling van verordening nr. 725/89 geschonden regels derhalve een bijzonder hoge rang moet worden toegekend, omdat artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening de gemeenschapsinstellingen een ruime beoordelingsbevoegdheid verleent, dan moet de schending van de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur als ernstig worden aangemerkt. Ten slotte betoogt verzoeker, dat voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap volgens de recentere rechtspraak van het Hof niet is vereist, dat de betrokken schending aan willekeur grenst (arrest van 18 mei 1993, zaak C-220/91 P, Commissie/Stahlwerke Peine-Salzgitter, Jurispr. 1993, blz. I-2393).
80 De Commissie benadrukt, dat het Hof in het arrest Noelle enkel heeft gewezen op het feit, dat Noelle de Commissie voldoende inlichtingen had verstrekt om twijfel te doen ontstaan aan het passende en niet-onredelijke karakter van de keuze van Sri Lanka als vergelijkingsland. Voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap ter zake van een regelgevende handeling is volgens de Commissie een voldoende gekwalificeerde schending vereist, dat wil zeggen een ernstige en kennelijke schending die aan willekeur grenst. Twijfel is volgens de Commissie echter het tegendeel van kennelijk en willekeurig.
81 De Commissie bestrijdt verder, dat de gestelde schending van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening als ernstig is te kwalificeren. Zij herinnert eraan, dat volgens de rechtspraak van het Hof de omvang van de bescherming van de procedurele rechten van de bij een anti-dumpingprocedure betrokkenen afhankelijk is van hun positie in de procedure. Haars inziens kan verzoeker niet op grond van het bestaan van een nauwe samenhang tussen de beoordelingsmarge van de Commissie bij de toepassing van de bepalingen van de basisverordening en de strikte inachtneming van de procedurele rechten van de betrokkenen waartoe zij verplicht is, een ernstige schending van zijn procedurele rechten stellen, want volgens de rechtspraak van het Hof (arrest BEUC, reeds aangehaald) kan hij niet als betrokken partij worden gekwalificeerd.
82 De Raad betoogt, dat verzoekers stelling, dat een aan willekeur grenzende gedraging geen vereiste meer is voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap, geen steun vindt in de rechtspraak.
83 Hij merkt op, dat de gemeenschapsinstellingen niet willekeurig hebben gehandeld, maar enkel de omvang van hun onderzoeksplicht bij de toepassing van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening hebben miskend.
84 Ook verwerpt de Raad verzoekers stelling, dat schending van een rechtsregel die de uitoefening van een naar verhouding ruime beoordelingsbevoegdheid impliceert, automatisch als ernstig is te beschouwen. Volgens de Raad is een dergelijke beoordeling afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval, en verzoeker heeft niet aangetoond waarom de schending van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening als ernstig moet worden aangemerkt. Ten slotte kan de ernst van de schending van de betrokken bepaling evenmin worden afgeleid uit het feit, dat er bij de toepassing ervan in acht te nemen fundamentele beginselen zouden zijn geschonden, aangezien hiervan in casu geen sprake is.
° Oordeel van het Gerecht
85 Blijkens vaste rechtspraak houdt het vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending van een bepaling in een normatieve context als de onderhavige, die wordt gekenmerkt door een voor de uitoefening van de gemeenschappelijke handelspolitiek noodzakelijke ruime beoordelingsbevoegdheid, in dat de Gemeenschap slechts aansprakelijk kan worden gehouden wanneer de betrokken instelling de grenzen van haar bevoegdheid kennelijk en in ernstige mate heeft overschreden (zie arresten HNL, Mulder, en Campo Ebro, reeds aangehaald).
86 Het Hof heeft in zijn arrest Noelle vastgesteld, dat Noelle "voldoende feiten heeft aangevoerd ° die de Commissie en de Raad reeds tijdens de anti-dumpingprocedure bekend waren ° om twijfel te doen ontstaan omtrent de vraag, of Sri Lanka als vergelijkingsland passend en niet-onredelijk was", en dat "de instellingen weliswaar niet verplicht zijn, alle door de partijen in een anti-dumpingprocedure voorgestelde vergelijkingslanden in aanmerking te nemen, maar [dat] de in casu met betrekking tot de keuze van Sri Lanka gerezen twijfel voor de Commissie aanleiding had moeten zijn het voorstel van verzoeker nader te onderzoeken" (r.o. 30 en 32 van het arrest).
87 Het Hof heeft derhalve niet beslist, dat de keuze van Sri Lanka als vergelijkingsland op zich onjuist was, maar heeft eenvoudig geconstateerd, dat de Commissie, gelet op de door verzoeker opgewekte twijfel, nader had moeten onderzoeken, of Taiwan een geschikter keuze had kunnen opleveren, zoals verzoeker had gesteld. Zoals de Commissie overigens terecht onderstreept, is twijfel ver verwijderd van kennelijkheid en willekeur.
88 In dit verband moet namelijk worden opgemerkt, dat de Commissie op verzoekers argumenten die twijfel wekten aan de geschiktheid van de keuze van Sri Lanka als vergelijkingsland, niet heeft verzuimd te onderzoeken of Taiwan als vergelijkingsland geschikter kon zijn ° wat in een dergelijk geval een ernstige miskenning had kunnen opleveren van haar verplichtingen van behoorlijk bestuur ten opzichte van de aan de procedure deelnemende partijen °, doch dat zij zich daartoe niet serieus en voldoende heeft ingespannen. Dat volgt duidelijk uit rechtsoverweging 34 van het arrest Noelle, waarin het Hof constateert, dat de tot de twee belangrijkste producenten in Taiwan gerichte brief, gelet op de bewoordingen en de uiterst korte beantwoordingstermijn daarvan, die de medewerking van deze producenten nagenoeg onmogelijk maakten, niet kan worden beschouwd als een toereikende poging om inlichtingen te verkrijgen.
89 Aangezien de gemeenschapsinstellingen hun verplichting tot zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur jegens verzoeker derhalve niet volledig hebben miskend, doch enkel de omvang van hun uit dit beginsel voortvloeiende verplichtingen verkeerd hebben beoordeeld, kan de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in casu niet als een voldoende gekwalificeerde of als een kennelijke en ernstige schending in de zin van de rechtspraak van het Hof worden aangemerkt (zie arrest HNL, reeds aangehaald, en arresten van 5 december 1979, gevoegde zaken 116/77 en 124/77, Amylum en Tunnel Refineries, Jurispr. 1979, blz. 3497, en zaak 143/77, Koninklijke Scholten-Honig, Jurispr. 1979, blz. 3583).
90 Hieraan moet worden toegevoegd, dat ook indien de Commissie wel nader had onderzocht of Taiwan niet een geschikter vergelijkingsland kon zijn, daarbij heel goed had kunnen blijken dat Sri Lanka inderdaad een passende en niet-onredelijke keuze was in de zin van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening.
91 Bij gebreke van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van verzoeker gegeven rechtsregel, en zonder dat behoeft te worden onderzocht of de overige voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap in casu zijn vervuld, moet het beroep worden verworpen, zowel wat betreft de gevorderde schadevergoeding ter zake van de bankrente die verzoeker heeft moeten betalen over de ter voldoening van het bij verordening nr. 725/89 ingestelde anti-dumpingrecht geleende bedragen, als wat betreft de gevorderde schadevergoeding ter zake van de kosten van diverse interventies van zijn advocaten bij de douanekantoren.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
92 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij in zijn eigen kosten worden verwezen alsmede in de kosten van de Raad en de Commissie, die in die zin hebben geconcludeerd.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer ° uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoeker in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy