Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Onrechtmatigheid ° Schade ° Oorzakelijk verband ° Begrip ° Bewijslast
(EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea)
Samenvatting
Voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap in het kader van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag moet voldaan zijn aan een aantal voorwaarden betreffende de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en het bestaan van een causaal verband tussen die gedraging van de betrokken instelling en de gestelde schade.
Een causaal verband in de zin van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag wordt erkend, wanneer tussen de onrechtmatige handeling van de instelling en de aangevoerde schade een ° door de verzoeker te bewijzen ° rechtstreeks causaal verband bestaat.
Partijen
In zaak T-168/94,
Blackspur DIY Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Unsworth, Bury (Verenigd Koninkrijk), S. Kellar, J. M. A. Glancy en R. Cohen, te Manchester (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door P. Lasok, Barrister bij de balie van Engeland en Wales, en Ch. Khan, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. Dennewald, advocaat aldaar, Avenue de la Porte Neuve 12,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Monteiro, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe en G. M. Berrisch, advocaten te Hamburg en Brussel, domicilie gekozen hebbende bij B. Eynard, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
betreffende een beroep tot schadevergoeding op grond van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, strekkende tot veroordeling van de Raad van de Europese Unie en de Commissie tot vergoeding van de schade die verzoekers beweren te hebben geleden ten gevolge van handelingen en verzuimen van deze instellingen in verband met de instelling van een anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde schilderkwasten en -penselen van oorsprong uit de Volksrepubliek China,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, D. P. M. Barrington, H. Kirschner, A. Kalogeropoulos en V. Tiili, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 18 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 In 1986 heeft de Commissie naar aanleiding van een klacht van de Europese Federatie van de borstel-, kwasten- en penseelindustrie (hierna: "FEIBP") een onderzoek geopend overeenkomstig artikel 7 van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 46, blz. 45; vervangen door verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988, PB 1988, L 209, blz. 1; hierna: "basisverordening"), ter zake van de invoer van bepaalde soorten borstels, kwasten en penselen van oorsprong uit China. De belanghebbende partijen werden hiervan in kennis gesteld met een aankondiging van de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1986 (PB 1986, C 103, blz. 2). Nadat de betrokken Chinese exporteur zich ertoe had verbonden de uitvoer te beperken, werd de procedure zonder instelling van een anti-dumpingrecht beëindigd bij besluit 87/104/EEG van de Raad van 9 februari 1987 houdende aanvaarding van een verbintenis in het kader van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en beëindiging van de procedure (PB 1987, L 46, blz. 45; hierna: "besluit 87/104").
2 Deze procedure werd evenwel achteraf heropend naar aanleiding van een nieuwe klacht van de FEIBP, ingediend in mei 1988, nu ter zake van niet-naleving van de verbintenis van de Chinese exporteur. De belanghebbende partijen werden bij bericht van 4 oktober 1988 in kennis gesteld van de heropening van een procedure inzake anti-dumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer in de Gemeenschap van bepaalde borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 1988, C 257, blz. 5). Na te hebben geconstateerd dat bedoelde verbintenis was geschonden, stelde de Commissie ° bij verordening (EEG) nr. 3052/88 van 29 september 1988 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 1988, L 272, blz. 16; hierna: "verordening nr. 3052/88") ° een voorlopig anti-dumpingrecht in van 69 % van de nettoprijs per stuk van de betrokken produkten. Bij besluit 88/576/EEG van 14 november 1988 (PB 1988, L 312, blz. 33) trok de Raad besluit 87/104 in en op 20 maart 1989 stelde hij een definitief recht, gelijk aan het voorlopige, in bij verordening (EEG) nr. 725/89 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en definitieve inning van het voorlopige anti-dumpingrecht dat op deze invoer is ingesteld (PB 1989, L 79, blz. 24; hierna: "verordening nr. 725/89").
3 Op 22 oktober 1991 verklaarde het Hof naar aanleiding van een verzoek van het Finanzgericht Bremen om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verordening nr. 725/89 ongeldig, op grond dat de normale waarde van de betrokken produkten niet "op passende en niet-onredelijke wijze" in de zin van artikel 2, lid 5, sub a, van de basisverordening was vastgesteld (zaak C-16/90, Noelle, Jurispr. 1991, blz. I-5163). Het was van oordeel dat de Duitse onderneming Noelle, een onafhankelijk importeur van borstels, kwasten en penselen, in de loop van de anti-dumpingprocedure voldoende elementen had aangevoerd om "twijfel te doen ontstaan omtrent de vraag, of Sri Lanka als vergelijkingsland passend en niet-onredelijk was" voor de bepaling van een normale waarde, en dat de Commissie en de Raad "niet serieus en voldoende hebben trachten na te gaan, of Taiwan als geschikt vergelijkingsland kon worden aangemerkt", zoals Noelle had voorgesteld. Na dit arrest heeft de Commissie het onderzoek hervat en ten slotte de procedure zonder instelling van een anti-dumpingrecht beëindigd bij besluit 93/325/EEG van 18 mei 1993 tot beëindiging van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde soorten borstels, kwasten en penselen voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 1993, L 127, blz. 15).
4 In juli 1988, twee maanden vóór de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht, plaatste Blackspur DIY Limited (hierna: "Blackspur"), een rond die tijd opgerichte vennootschap naar Engels recht met een maatschappelijk kapitaal van 750 000 UKL en met als doel de verkoop van gereedschap voor doe-het-zelvers, een eerste order voor kwasten van oorsprong uit China. De inklaring van deze partij gebeurde op 5 oktober 1988, doch de Britse douane vorderde het anti-dumpingrecht pas zeventien maanden later, te weten op 5 maart 1990. In augustus 1990 werd Blackspur onder bewind (receivership) gesteld en vervolgens failliet verklaard.
5 In deze omstandigheden hebben Blackspur alsmede haar bestuurders, aandeelhouders en borgen, S. Kellar, J. M. A. Glancy en R. Cohen, bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 augustus 1993, het onderhavige beroep ingesteld krachtens artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, strekkende tot vergoeding van de gederfde winst en van de schade die zij door onrechtmatige gedragingen van de Gemeenschap in verband met de instelling van een anti-dumpingrecht zouden hebben geleden.
6 Krachtens artikel 4 van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 71) is de zaak bij beschikking van het Hof van 18 april 1994 naar het Gerecht verwezen en aldaar ingeschreven onder nummer T-168/94.
7 Bij besluit van het Gerecht van 2 juni 1994 is de rechter-rapporteur toegewezen aan de Eerste kamer (uitgebreid), waaraan dan ook deze zaak is toegewezen. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer ° uitgebreid) besloten, zonder voorafgaande instructiemaatregelen tot de mondelinge behandeling over te gaan. Verzoekers is evenwel verzocht, enkele schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde stukken over te leggen. Zij hebben aan dit verzoek van het Gerecht voldaan op 8 mei 1995. De partijen zijn in hun pleidooien en antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter openbare terechtzitting van 18 mei 1995.
Conclusies van partijen
8 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
° vast te stellen, dat de Europese Economische Gemeenschap verzoekers schadeloos dient te stellen voor de geleden verliezen;
° de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot betaling aan verzoekers van de bedragen die zij vorderen;
subsidiair:
° partijen te gelasten:
i) het Gerecht mededeling te doen, binnen een door hem vast te stellen redelijke termijn vanaf de uitspraak van het arrest, van het door hen in onderlinge overeenstemming vastgestelde bedrag van de schadevergoeding, dan wel bij gebreke van overeenstemming,
ii) het Gerecht, binnen diezelfde termijn, een staat van de door hen geraamde schade, gestaafd met cijfermateriaal, over te leggen opdat het Gerecht het bedrag van de schadevergoeding kan vaststellen of daartoe onafhankelijke deskundigen kan aanwijzen;
° de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot betaling aan verzoekers van elk bedrag dat hen uit hoofde van het voorgaande petitumonderdeel verschuldigd kan zijn;
° de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot betaling van rente over de aan verzoekers verschuldigde bedragen ten belope van 9 %, of subsidiair, van een door het Gerecht vast te stellen rentevoet;
° de Europese Economische Gemeenschap in de kosten te verwijzen.
9 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekers in de kosten te verwijzen.
10 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep in zijn geheel dan wel, subsidiair, ten aanzien van de tweede, de derde en de vierde verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren;
° subsidiair, het beroep als ongegrond te verwerpen;
° verzoekers in de kosten van het geding te verwijzen.
De ontvankelijkheid
Middelen en argumenten van partijen
11 Volgens de Commissie en de Raad voeren verzoekers geen enkel bewijs aan voor de door hen gestelde onrechtmatigheid van de gelaakte handelingen en verzuimen van de instellingen evenmin als voor de verliezen die zij zouden hebben geleden. Het bewijs van een causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige handelingen en de schade wordt evenmin geleverd. Omdat het causaal verband behoort tot de juridische omstandigheden die voldoende moeten worden onderbouwd (arrest van het Gerecht van 10 juli 1990, Automec, T-64/89, Jurispr. 1990, blz. II-367), zijn de in artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gestelde vereisten voor ontvankelijkheid van het verzoekschrift niet vervuld.
12 Subsidiair vordert de Commissie, dat het beroep eveneens niet-ontvankelijk wordt verklaard voor zover het is ingesteld door de verzoekers sub 2, 3 en 4 in hun hoedanigheid van aandeelhouders, bestuurders en borgen van Blackspur. Tussen de schade die laatstgenoemden zouden hebben geleden en de beweerde onrechtmatige handelingen van de gemeenschapsinstellingen bestaat geen causaal verband, nu de bestuurders van Blackspur op geen enkele wijze aantonen, dat de verliezen welke zij als schuldeisers, borgen en aandeelhouders van Blackspur zouden hebben geleden het rechtstreeks en natuurlijk gevolg van de aangevochten gemeenschapshandelingen waren.
13 Volgens verzoekers zijn de ontvankelijkheidsvoorwaarden in casu vervuld, aangezien het verzoekschrift het minimum aan feitelijke en juridische omstandigheden bevat dat noodzakelijk is opdat partijen een standpunt kunnen innemen ten aanzien van de grond van de zaak, en het Gerecht zijn bevoegdheden kan uitoefenen.
14 Tegen het argument van de Commissie inzake het ontbreken van een causaal verband tussen de aangevochten handelingen en verzuimen van de instellingen en de door de bestuurders van Blackspur geleden verliezen, brengen verzoekers in, dat bezwaarlijk kan worden volgehouden, dat de negatieve gevolgen die voor de bestuurders van Blackspur uit het wegvallen van een belangrijk deel van de handelsactiviteit van de vennootschap zijn voortgevloeid, in geen enkel opzicht met de instelling van het ° naderhand door het Hof ongeldig verklaarde ° anti-dumpingrecht zouden samenhangen.
15 Verzoekers voegen hieraan toe, dat zij de stukken aangaande de door de bestuurders aan Blackspur verstrekte persoonlijke garanties en andere ter zake relevante stukken niet hebben overgelegd, omdat de echtheid van deze borgstellingen en de uit dien hoofde verrichte betalingen genoegzaam blijken uit het samen met het verzoekschrift ingediende accountantsrapport en omdat de precieze bewoordingen van deze borgstellingen niet relevant zijn voor de verschillende hier aan de orde zijnde geschilpunten.
Oordeel van het Gerecht
16 Naar het oordeel van het Gerecht hangt het ontvankelijkheidsvraagstuk zo nauw samen met de zaak ten gronde, dat beide te zamen moeten worden behandeld.
Ten gronde
Middelen en argumenten van partijen
Onrechtmatigheid
17 Volgens verzoekers hebben de Commissie en/of de Raad op zowel bestuurlijk als regelgevend vlak een reeks onrechtmatige handelingen verricht die, afzonderlijk dan wel te zamen genomen, leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag.
18 Verzoekers verwijten de verwerende instellingen enerzijds, dat zij de verbintenis van de Chinese exporteur van de litigieuze produkten op een verkeerde en/of onrechtmatige basis hebben aanvaard en dat zij naar aanleiding van de niet-naleving van die verbintenis onrechtmatige maatregelen hebben genomen. Anderzijds brengen zij tegen de Commissie het volgende in: op de eerste plaats heeft deze hun niet tijdig meegedeeld, dat zij een onderzoek had ingesteld naar de eventuele schending door de Chinese exporteur van zijn verbintenis en dat zij de instelling van een anti-dumpingrecht voorbereidde; op de tweede plaats heeft zij de klacht van FEIBP in mei 1988 over schending van de verbintenis van de Chinese exporteur niet serieus en voortvarend in onderzoek genomen; op de derde plaats heeft zij niet onverwijld de procedure voorzien in de basisverordening voor het geval van schending van verbintenissen van de betrokken exporteurs geopend; op de vierde plaats heeft zij tussen de heropening van de procedure en de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht onvoldoende tijd gelaten en, ten slotte, heeft zij concurrerende ondernemingen, leden van FEIBP, vertrouwelijke inlichtingen verstrekt over de instelling, de hoogte en de datum van inwerkingtreding van het anti-dumpingrecht.
19 Daarenboven is de Gemeenschap ook aansprakelijk, omdat verordening nr. 3052/88 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van kwasten van oorsprong uit China, het voorstel van de Commissie tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op die invoer, en verordening nr. 725/89 tot instelling van een dergelijk recht, enerzijds berustten op feitelijke en juridische onjuistheden wat de vaststelling van de normale waarde van de betrokken produkten betreft, en anderzijds zijn vastgesteld in de hogerbeschreven omstandigheden (r.o. 18). Hetzelfde geldt voor de intrekking, in diezelfde omstandigheden, van besluit 87/104 houdende aanvaarding van de verbintenis van de Chinese exporteur.
20 Ten slotte is de Gemeenschap aansprakelijk, omdat de instellingen niet de nodige maatregelen hebben genomen om te voorkomen dat het aldus ingestelde anti-dumpingrecht werd ontdoken door de invoer van goedkope kwasten van oorsprong uit andere landen dan de Volksrepubliek China.
21 Subsidiair betogen verzoekers, dat indien de Gemeenschap in dit geval enkel aansprakelijk kan worden gehouden wanneer de gewraakte handelingen en verzuimen van de gemeenschapsinstellingen een ernstige schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel inhouden, ook die voorwaarde is vervuld. Want de aan de instellingen verweten handelingen en verzuimen (zie r.o. 18 en 19) zijn schendingen van de basisverordening ° namelijk van de artikelen 4, 7, leden 1 en 5, 11, lid 1, en 12, lid 1 ° die kennelijk als ernstig moeten worden aangemerkt, daar de gemeenschapsinstellingen bij hun optreden een duidelijke voorstelling hadden van de ernst van de consequenties die daaruit voor verzoekers zouden voortvloeien.
22 Volgens de Commissie en de Raad daarentegen schuilt in de hun verweten gedragingen geen enkele onrechtmatigheid waarvoor de Gemeenschap aansprakelijk kan worden gehouden.
23 In het bijzonder betogen zij, dat als oorzaak van de schade die verzoekers stellen, niet de aanvaarding van de verbintenis van de Chinese exporteur kan worden aangewezen, daar enerzijds Blackspur op dat moment nog niet was opgericht, en/of anderzijds het besluit waarbij die verbintenis was aanvaard, is genomen op basis van een andere procedure dan die welke tot de vaststelling van de ° door het Hof ongeldig verklaarde ° verordening nr. 725/89 heeft geleid. Verweerders onderstrepen, dat de naar aanleiding van de schending van de verbintenis getroffen maatregelen in geen enkel opzicht onrechtmatig waren en dat zij geenszins verplicht waren, Blackspur van de opening van een onderzoek ter zake van de schending van die verbintenis in kennis te stellen. Wat het beweerde late tijdstip van heropening van de procedure betreft, kan de periode van iets minder dan vijf maanden die tussen de indiening van de klacht van FEIBP en de heropening van de procedure is verstreken, in geen geval excessief worden geacht.
24 Verder bestrijden de Raad en de Commissie, dat artikel 10, lid 6, van de basisverordening de instellingen gebiedt, een zekere tijd te laten verlopen tussen de heropening van een anti-dumpingprocedure en de instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht. Voor de vermeende verstrekking van vertrouwelijke informatie aan ondernemingen-leden van FEIBP over de instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht hebben verzoekers geen enkel bewijs aangevoerd.
25 De beweerde onwettigheid van verordening nr. 3052/88 kan volgens de gemeenschapsinstellingen niet voortvloeien uit die van verordening nr. 725/89, daar beide handelingen via verschillende procedures tot stand zijn gekomen. Van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap uit hoofde van de vaststelling van verordening nr. 725/89 kan geen sprake zijn, omdat in casu aan geen van de voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor een regelgevende handeling is voldaan. Aangaande het beweerde verzuim van de gemeenschapsinstellingen om maatregelen te treffen ter voorkoming van ontduiking van het anti-dumpingrecht op de invoer van kwasten van oorsprong uit China, benadrukken de Raad en de Commissie, dat deze beweringen niet worden gestaafd en dat in ieder geval geen klacht in die richting is ingediend.
Schade
26 Volgens verzoekers omvat de door Blackspur geleden schade de winst ° 586 000 UKL ° die deze op de verkoop van kwasten uit China had kunnen behalen indien de gemeenschapsinstellingen niet de gelaakte handelingen hadden verricht.
27 Wat de schade van Blackspurs bestuurders betreft, vorderen verzoekers primair vergoeding van het verlies van hun kapitaalinbreng, in totaal 555 855 UKL, als volgt verdeeld: Kellar 460 098 UKL, Glancy 86 026 UKL en Cohen 9 731 UKL. Vervolgens vorderen zij vergoeding van de verliezen die de bestuurders van Blackspur hebben geleden doordat zij op grond van persoonlijke borgstellingen jegens Blackspurs bankier hebben moeten opkomen voor de onbetaald gebleven schulden ad 542 898,68 UKL, verhoogd met rente en de kosten van de bewindvoerders. Ten slotte stellen zij, als vennoten van Blackspur aanspraak te hebben op vergoeding van de waardedaling van hun participatie in een vennootschap die goede vooruitzichten had. Uitgaande van de in augustus 1992 voor dat jaar geraamde winst voor belasting ad 803 000 UKL, een belastingtarief van 33 % en een profit/earnings-ratio van 7, begroten verzoekers de waarde van Blackspur op 3 766 000 UKL. Tot staving van deze berekening wordt een accountantsrapport overgelegd.
28 De Commissie brengt tegen verzoekers' aanspraken op schadevergoeding in, dat volgens de rechtspraak van het Hof verliezen voortvloeiend uit de indiening van een faillissementsaanvraag een schade vormen die in een te ver verwijderd verband staat met de beweerde onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsinstellingen om voor vergoeding op grond van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag in aanmerking te komen (arrest van het Hof van 4 oktober 1979, gevoegde zaken 64/76, 113/76, 167/78, 293/78, 27/79, 28/79 en 45/79, Dumortier frères, Jurispr. 1979, blz. 3091). Bovendien, ook al kwam vast te staan dat de instelling van het anti-dumpingrecht negatieve gevolgen heeft gehad voor de activiteiten van Blackspur, zouden toch andere factoren uiteindelijk verantwoordelijk zijn geweest voor Blackspurs déconfiture.
29 Wat de gestelde verliezen van de bestuurders van Blackspur betreft, gaat het volgens de Commissie om verliezen die het gevolg zijn van Blackspurs onvermogen om haar schulden af te lossen; een dergelijke schade kan alleen maar een indirecte consequentie van de instelling van het litigieuze anti-dumpingrecht zijn.
30 Verder onderstreept de Commissie, dat als aan Blackspur een schadevergoeding werd toegekend voor de door haar geleden verliezen, deze ten goede zou komen aan de aandeelhouders en borgen op grond van hun aanspraken op de activa. Zouden nu de claims van de tweede, de derde en de vierde verzoeker worden gehonoreerd, dan zouden die verliezen dus meermaals worden vergoed. Bijgevolg kunnen hun schadevorderingen niet worden toegewezen.
31 Wat de hoogte van de schade betreft, stelt de Commissie met betrekking tot Blackspur, dat verzoekers geen enkel bewijs produceren dat de vennootschap de ingevoerde kwasten had kunnen verkopen en een bruto winstmarge van 40 % had kunnen realiseren. Onzekere speculatieve winsten kunnen bij de berekening van de schadevergoeding niet in aanmerking worden genomen (arrest van het Hof van 14 juli 1967, gevoegde zaken 5/66, 7/66 en 13/66-24/66, Kampffmeyer e.a., Jurispr. 1967, blz. 317). Ten slotte dienen verzoekers de gevorderde schadevergoeding hoe dan ook te verminderen met de bedragen die zij met de invoer van kwasten uit andere landen of bij heroriëntatie van de bedrijfsactiviteiten hadden kunnen verwezenlijken (arrest van het Hof van 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061).
32 De Raad betwist de bewijskracht van het door verzoekers geproduceerde accountantsrapport, aangezien het uitsluitend op basis van door het bestuur van Blackspur verstrekte gegevens is opgesteld. Voorts benadrukt hij evenals de Commissie, dat verzoekers niet duidelijk stellen op welke grondslagen de winstmarge van 40 % en de commerciële waarde van Blackspur berust.
33 Verzoekers repliceren, dat het door het Hof in het reeds aangehaalde arrest Dumortier frères neergelegde beginsel hier geen toepassing vindt, omdat hun schade een voldoende rechtstreeks gevolg is van de gelaakte gedraging van de gemeenschapsinstellingen. Ter zake van de ramingen in het accountantsrapport verzoeken zij het Gerecht, de nodige instructiemaatregelen te gelasten om de juistheid ervan te verifiëren.
Causaal verband
34 Volgens verzoekers is de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht in de voormelde omstandigheden (r.o. 18 en 19) er de oorzaak van geweest, dat Blackspur zich uiteindelijk uit de markt heeft moeten terugtrekken: de ontwikkeling bij de verkoop van de andere produkten was ontoereikend om de verliezen in de sector schilderkwasten van oorsprong uit China op te heffen en om de bank ervan te weerhouden, in augustus 1990 wegens de slechte resultaten te verzoeken om aanstelling van bewindvoerders om tot vereffening van de vennootschap over te gaan.
35 Gelet op het feit dat het bedrijfsplan van Blackspur in een bruto winstmarge van 40 % voorzag op de verkoop van kwasten van oorsprong uit China, kon de instelling van een anti-dumpingrecht van 69 % de verkoop ervan alleen maar verlieslatend maken. Bijgevolg staat het aan de gemeenschapsinstellingen, het bestaan van een andere oorzaak voor de verliezen van Blackspur aan te tonen.
36 De Raad merkt op, dat Blackspur in werkelijkheid slechts één partij kwasten van oorsprong uit China heeft ingevoerd, die is ingeklaard op 5 oktober 1988. Hij refereert inzonderheid aan een brief van verzoeker sub 3 aan een lid van het Europees Parlement waaruit blijkt, dat Blackspur besloten had kwasten uit China in te voeren wegens een handelsoverschot met haar Chinese partners. De Raad leidt hieruit af, dat Blackspur zich nooit echt aan de invoer van kwasten van oorsprong uit China heeft gewaagd, en wijst erop, dat verzoekers niet hebben uitgelegd waaruit de activiteiten van Blackspur tussen oktober 1988 en augustus 1990 bestonden.
37 Ten slotte vraagt de Raad zich af, waarom Blackspur niet zoals haar concurrenten heeft geprobeerd om in plaats van Chinese kwasten goedkope kwasten uit andere landen te importeren, en concludeert, dat tussen de slechte resultaten van Blackspur en de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht geen enkel causaal verband bestaat.
Oordeel van het Gerecht
38 Vooraf zij eraan herinnerd, dat voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap in het kader van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag volgens vaste rechtspraak, voldaan moet zijn aan een aantal voorwaarden betreffende de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en het bestaan van een causaal verband tussen die gedraging van de betrokken instelling en de gestelde schade (zie arresten Hof van 27 maart 1990, zaak C-308/87, Grifoni, Jurispr. 1990, blz. I-1203, r.o. 6; 7 mei 1992, gevoegde zaken C-258/90 en C-259/90, Pesquerias De Bermeo en Naviera Laida, Jurispr. 1992, blz. I-2901, r.o. 42, en 15 september 1994, KYDEP, C-146/91, Jurispr. 1994, blz. I-4199, r.o. 19).
39 In casu dient primair te worden onderzocht, of er tussen de beweerde onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsinstellingen en de door verzoekers aangevoerde schade een causaal verband bestaat.
40 De rechtspraak van het Hof erkent een causaal verband in de zin van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag, wanneer tussen de onrechtmatige handeling van de instelling en de aangevoerde schade een ° door de verzoekers te bewijzen ° rechtstreeks causaal verband bestaat (arresten Hof van 14 juli 1961, gevoegde zaken 9/60 en 12/60, Vloeberghs, Jurispr. 1961, blz. 412; 12 juli 1962, zaak 18/60, Worms, Jurispr. 1962, blz. 393; 16 december 1963, zaak 36/62, Société des Aciéries du Temple, Jurispr. 1963, blz. 575, 581; 4 oktober 1979, gevoegde zaken 241/78, 242/78 en 245/78-250/78, DGV e.a., Jurispr. 1979, blz. 3017, 3040 e.v.; 30 januari 1992, gevoegde zaken C-363/88 en C-364/88, Finsider, Jurispr. 1992, blz. I-359, r.o. 25, en 18 mei 1993, zaak C-220/91 P, Stahlwerke Peine-Salzgitter, Jurispr. 1993, blz. I-2393.)
41 Volgens verzoekers bestaat Blackspurs schade ° geraamd op 586 000 UKL ° in de winst die de vennootschap op de verkoop van kwasten uit China, goed voor de helft van haar omzet, zou hebben gerealiseerd, indien zij niet failliet was verklaard ten gevolge van de gestelde onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsinstellingen en, in het bijzonder, ten gevolge van de instelling van een hoger anti-dumpingrecht dan haar winstmarge op die verkoop (zie hiervoor, r.o. 35).
42 De argumenten van verzoekers, dat de verkoop van goedkope kwasten van oorsprong uit China de helft van de omzet van Blackspur vertegenwoordigde en dat het verlies van die markt de belangrijkste oorzaak was van de slechte financiële resultaten die tot haar faillissement hebben geleid, kunnen niet worden aanvaard.
43 In dit verband merkt het Gerecht om te beginnen op, dat op zijn verzoek om de jaarrekeningen van Blackspur over 1988/1989 en 1989/1990 over te leggen teneinde de gegrondheid van de argumenten te kunnen vaststellen, verzoekers hebben geantwoord "niet meer in het bezit te zijn van de stukken over de omzet van Blackspur". Nu zouden weliswaar de bestuurders en vennoten van Blackspur onder omstandigheden kunnen volhouden, dat zij de relevante stukken met betrekking tot het omzetcijfer van Blackspur van de betrokken jaren niet meer bezitten, gelet op de aanstelling van curatoren en op de afwikkeling van de faillissementsprocedure, doch dit geldt niet voor de partij Blackspur. Immers, bij brief van 25 maart 1995 heeft het met de afwikkeling van het faillissement van Blackspur belaste kantoor ermee ingestemd, dat de advocaten van Blackspur namens hem, als curator, onderhavig beroep instelden. In casu kan niet worden aanvaard, dat de curator van verzoekster Blackspur niet in staat zou zijn geweest de stukken over de financiële situatie van verzoekster over te leggen, en het is niet aan het Gerecht, zich in haar plaats te stellen en overlegging van die bewijsmiddelen te bevelen.
44 Verzoekers hebben daarentegen wel een brief overgelegd met gegevens over Blackspurs financiële resultaten over de perioden 1988/1989 en 1989/1990, afkomstig van een accountantskantoor en gericht aan Kellar, bestuurder van Blackspur (verzoeker sub 2). Ervan uitgaande dat dit stuk kan worden geacht een getrouwe weergave van de financiële situatie van Blackspur over de betrokken perioden te vormen zoals in een naar behoren opgemaakte jaarrekening, dient te worden nagegaan, of de inhoud van dit document de argumenten van verzoekers betreffende de oorzaak van de gestelde schade van Blackspur genoegzaam bewijzen.
45 Wat in de eerste plaats het argument betreft, dat de verkoop van kwasten uit China de helft van de omzet van Blackspur vertegenwoordigde, stelt het Gerecht enerzijds vast, dat blijkens bijlage 22 bij de repliek, bevattende een overzicht van Blackspurs situatie wat de invoer vanuit China betreft, Blackspur tussen haar oprichting in juli 1988 en de opening van de faillissementsprocedure in augustus 1990 slechts één partij kwasten van oorsprong uit China heeft ingevoerd, in juli 1988, ter waarde van 40 948,38 UKL, waarvoor het te betalen voorlopige anti-dumpingrecht 18 116,83 UKL bedroeg. Anderzijds heeft Blackspur, zoals uit bovengenoemde brief van het accountantskantoor blijkt, in de periode van 1 juli 1988 tot en met 31 augustus 1989 een omzet van 1 435 384 UKL gerealiseerd.
46 Volgens de stukken in het dossier heeft Blackspur vóór de instelling van het anti-dumpingrecht geen kwasten van oorsprong uit China ingevoerd; de bewering van verzoekster, dat de invoer van kwasten van oorsprong uit China in de periode vóór de instelling van het anti-dumpingrecht de helft van haar omzet vertegenwoordigde, wordt dan ook door geen enkel bewijs gesteund. Bijgevolg kan niet worden aangenomen, dat het gestelde verlies van de markt voor kwasten van oorsprong uit China de belangrijkste oorzaak is geweest van de slechte financiële resultaten die tot de déconfiture van Blackspur hebben geleid.
47 Echter, ook al zou deze bewering van verzoekster voor het vervolg van de redenering van het Gerecht kunnen worden aanvaard, dan nog moet worden vastgesteld, dat blijkens genoemde brief van het accountantskantoor 40,44 % van de omzet van Blackspur over de periode van 1 juli 1988 tot en met 31 augustus 1989 (namelijk 1 435 384 UKL) afkomstig was uit de verkoop van kwasten met een totale waarde van 580 503 UKL. Deze vaststelling is in strijd met de bewering van verzoekers, dat het anti-dumpingrecht er de oorzaak van was, dat Blackspur geen andere, alternatieve bevoorradingsbronnen had kunnen vinden en zich derhalve tot terugtrekking uit de markt van goedkope kwasten genoopt had gezien. Uit bovengenoemde brief blijkt bovendien, dat in de daaropvolgende periode (1 september 1989 tot en met 31 juli 1990) het aandeel van de verkoop van kwasten weliswaar van 40,44 tot 3,01 % is gedaald, doch dat de omzet van Blackspur niettemin aanzienlijk is gestegen, met 30 %, tot 1 864 016 UKL.
48 Uit het bovenstaande blijkt, dat het gestelde verlies van de afzetmarkt van kwasten van oorsprong uit China, ook al kan daardoor de omzet met dat produkt in het boekjaar 1989/1990 zijn teruggelopen, Blackspur geenszins heeft belet om haar handelsactiviteiten voort te zetten en haar omzet zelfs aanzienlijk op te voeren in het boekjaar 1989/1990, dat onmiddellijk voorafging aan de opening van de procedure die tot haar faillissement heeft geleid. Genoemde brief van het accountantskantoor bevat geen enkele verwijzing, aanwijzing of verklaring waaruit het Gerecht kan opmaken, in hoeverre de financiële resultaten van Blackspur in de periode 1988/1989 onder het verlies van de markt van goedkope kwasten zouden hebben geleden, zoals wordt gesteld, noch waarom Blackspurs omzet in 1988/1989 en 1989/1990 ontoereikend was om het door haar bankier goedgekeurde bedrijfsplan uit te voeren en aldus te voorkomen, dat deze om de aanwijzing van bewindvoerders verzocht. Daarom, en bij gebreke van ander bewijsmateriaal van verzoekers omtrent de oorzaken van de beweerde slechte financiële resultaten van Blackspur en de exacte redenen van de opening van een faillissementsprocedure in augustus 1990 op verzoek van haar bankier, kan niet worden aangenomen, dat het faillissement van Blackspur is veroorzaakt door de slechte financiële resultaten die zouden zijn voortgevloeid uit de stopzetting van de verkoop van kwasten van oorsprong uit China, waardoor volgens verzoekers naar schatting 586 000 UKL aan winst is gemist, ten gevolge van de instelling van een anti-dumpingrecht op die kwasten, en nog minder door de beweerde onrechtmatige gedragingen van de verwerende instellingen in het kader van de vaststelling van dat recht.
49 Ten slotte kan niet ernstig worden volgehouden, dat een rechtstreeks causaal verband kan bestaan tussen de douaneschuld van 18 116,83 UKL ter zake van het anti-dumpingrecht op de in juli 1988 door Blackspur uit China ingevoerde kwasten, en het faillissement van Blackspur; verzoekers hebben in de loop van de procedure voor het Gerecht in ieder geval geen aannemelijke verklaring verstrekt, hoe een schuld van een zo geringe omvang tot het faillissement van een vennootschap met een kapitaal van circa 750 000 UKL heeft kunnen leiden (zie hiervoor, r.o. 4).
50 Derhalve kunnen het faillissement van Blackspur en de eventueel daardoor ontstane schade naar het oordeel van het Gerecht niet in causaal verband staan met de instelling van een anti-dumpingrecht op de kwasten van oorsprong uit China en met de onrechtmatige handelingen die de verwerende instellingen volgens verzoekers in het kader van de litigieuze anti-dumpingprocedure zouden hebben verricht. Aangezien derhalve een door verzoekers aangetoond causaal verband tussen de beweerde schade en de beweerde onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsinstellingen kennelijk ontbreekt, moet het beroep tot schadevergoeding van Blackspur worden verworpen, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan en over de vraag, of de andere voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in casu zijn vervuld.
51 Vervolgens moet worden ingegaan op de vordering tot vergoeding van schade die de overige verzoekers beweren te hebben geleden: als bestuurders van Blackspur, door het verlies van hun kapitaalinbreng als gevolg van het faillissement van de vennootschap, als borgen van de vennootschap, doordat zij in het faillissement op grond van persoonlijke borgstellingen ten behoeve van de vennootschap zijn aangesproken voor de onvoldane schulden, en als vennoten van Blackspur, door de waardedaling van hun participatie in het kapitaal van een vennootschap die goede vooruitzichten had.
52 In dit verband is het Gerecht van oordeel, dat nu geen rechtstreeks causaal verband is komen vast te staan tussen het faillissement van Blackspur en de gestelde onrechtmatige gedraging van de verwerende instellingen, evenmin een rechtstreeks causaal verband kan bestaan tussen de door vorenbedoelde verzoekers gestelde schade en de onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsinstellingen. Hieraan zij toegevoegd dat, zoals overigens uit de rechtspraak van het Hof blijkt, verliezen ten gevolge van de indiening van een faillissementsaanvraag een indirecte en verwijderde schade vormen, zodat de Gemeenschap niet heeft op te komen voor de gevolgen daarvan (arrest Dumortier frères, reeds aangehaald, r.o. 21).
53 Derhalve dient, wegens het ontbreken van een genoegzaam aangetoond rechtstreeks causaal verband tussen de door verzoekers aan de verwerende instellingen verweten gedraging en de beweerde schade, het door verzoekers sub 2, 3 en 4 in hun hoedanigheid van bestuurders, vennoten en borgen van Blackspur ingestelde beroep tot schadevergoeding eveneens te worden verworpen, zonder dat nog behoeft te worden onderzocht (zie hiervoor, r.o. 50), of hun beroep ontvankelijk is en of is voldaan aan de overige voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, namelijk onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging en de realiteit van de gestelde schade.
54 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
55 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij worden verwezen in hun eigen kosten en in de door de Raad en de Commissie gemaakte kosten, die in die zin hebben geconcludeerd.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer ° uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekers hoofdelijk in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy