Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek ° Verdediging tegen dumpingpraktijken ° Aanvraag om terugbetaling van anti-dumpingrechten, gebaseerd op artikel 16 van verordening nr. 2423/88 ° Doel ° Betwisting van geldigheid van verordening waarbij definitieve rechten zijn ingesteld of verzoek om heronderzoek van algemene gegevens ° Uitgesloten ° Betwisting van schade in kader van beroep tegen beschikking waarbij wordt beslist over aanvraag om terugbetaling ° Uitgesloten
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 16)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek ° Verdediging tegen dumpingpraktijken ° Verzoek om heronderzoek en aanvraag om terugbetaling van anti-dumpingrechten gebaseerd op artikel 14 respectievelijk artikel 16 van verordening nr. 2423/88 ° Onderscheiden procedures ° Betwisting, in kader van beroep tegen beschikking waarin wordt beslist over aanvraag om terugbetaling, van handelingen of verzuimen die verband houden met procedure van nieuw onderzoek ° Uitgesloten
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 14 en 16)
Samenvatting
1. Artikel 16 van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2423/88 biedt de verzoekende importeur de mogelijkheid om, uitgaande van de globale juistheid van de relevante gegevens, aan te tonen dat in zijn bijzondere geval de concrete marge van dumping kleiner is dan de marge op grond waarvan de anti-dumpingrechten zijn ingesteld, doch laat niet toe, dat de geldigheid van de verordening waarbij de rechten zijn ingesteld in geding wordt gebracht of een nieuw onderzoek wordt verlangd van algemene gegevens, zoals deze in eerdere onderzoeksfasen zijn vastgesteld.
Omdat de vraag van de aanwezigheid van schade in de zin van de artikelen 2, lid 1, en 4, van de basisverordening niets van doen heeft met de procedure waartoe een terugbetalingsaanvraag uit hoofde van artikel 16 aanleiding geeft, kan deze vraag niet worden opgeworpen in het kader van een beroep tegen een beschikking waarin over een dergelijke aanvraag wordt beslist.
2. De procedure van heronderzoek en die van terugbetaling, bedoeld in artikel 14 respectievelijk artikel 16 van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2423/88, zijn onderscheiden procedures met een verschillend doel. Ook al kunnen deze twee procedures elkaar beïnvloeden, dat neemt niet weg, dat handelingen of verzuimen van de Commissie in het kader van een krachtens artikel 14 ingeleid nieuw onderzoek niet kunnen worden betwist door middel van een beroep tegen een beschikking die is gegeven in het kader van een krachtens artikel 16 ingeleid onderzoek van aanvragen om terugbetaling.
Partijen
In zaak T-169/94,
PIA HiFi Vertriebs GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Weiterstadt (Duitsland), vertegenwoordigd door F. M. Boemke, advocaat te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, en C.-M. Happe, nationaal ambtenaar gedetacheerd bij de Commissie, vervolgens door J. Sack, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 93/363/EEG van de Commissie van 9 juni 1993 betreffende aanvragen om terugbetaling van anti-dumpingrechten die werden geïnd bij de invoer van bepaalde compact-discspelers van oorsprong uit Japan (Amroh BV, PIA Hifi, MPI Electronic) (PB 1993, L 150, blz. 44),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, C. P. Briët en C. W. Bellamy, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 4 april 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoekster is een importeur van compact-discspelers, die door de Japanse vennootschap Accuphase Laboratory (hierna: "Accuphase") worden geproduceerd en uitgevoerd.
2 Na een door het Committee of Mechophonics Producers and Connected Technologies (hierna: "Compact") ingediende klacht stelde de Commissie op 12 juli 1989 verordening (EEG) nr. 2140/89 vast, houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde compact-discspelers van oorsprong uit Japan en Zuid-Korea (PB 1989, L 205, blz. 5; hierna: "verordening nr. 2140/89"). De definitieve rechten werden vervolgens vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 112/90 van de Raad van 16 januari 1990 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde compact-discspelers van oorsprong uit Japan en de Republiek Korea en tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB 1990, L 13, blz. 21; hierna: "verordening nr. 112/90"). Voor bepaalde produkten, waaronder die van Accuphase, stelde verordening nr. 112/90 een recht vast van 32 %.
3 Overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1990, L 209, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2423/88"), dienden verzoekster en twee andere importeurs vanaf november 1990 aanvragen in om terugbetaling van de definitieve anti-dumpingrechten die zij ingevolge verordening nr. 112/90 hadden betaald over de invoer van produkten van Accuphase.
4 In april 1991 dienden verzoekster en Accuphase overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 2423/88 een verzoek in om een nieuw onderzoek van verordening nr. 112/90.
5 Na deze verzoeken publiceerde de Commissie op 4 juli 1991 een bericht van opening van een gedeeltelijk nieuw onderzoek van de betrokken anti-dumpingmaatregelen (PB 1991, C 173, blz. 3). Daarin verklaarde zij, dat zij overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 2423/88 een onderzoek had ingesteld naar de door Accuphase in Japan geproduceerde en in de Gemeenschap ingevoerde compact-discspelers.
6 Blijkens dit bericht hadden verzoekster en Accuphase ter rechtvaardiging van hun verzoek om een nieuw onderzoek betoogd, dat de dumpingmarge van Accuphase aanzienlijk lager lag dan 32 % en dat de in de Gemeenschap vervaardigde compact-discspelers, vergeleken met die van Accuphase, geen soortgelijke produkten waren. Voorts verklaarde de Commissie, dat haar diensten bij het onderzoek van een aanvraag om terugbetaling, door Accuphase ingediend overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 2423/88, hadden vastgesteld, dat de dumpingmarge van Accuphase aanzienlijk lager was dan 32 %.
7 Nagenoeg terzelfder tijd kondigde de Commissie, na een nieuwe klacht van Compact, inhoudende dat de bij verordening nr. 112/90 ingestelde anti-dumpingrechten door de exporteurs werden gedragen, bij een op 5 juli 1991 bekendgemaakt bericht (PB 1991, C 174, blz. 15) de opening aan van een onderzoek overeenkomstig artikel 13, lid 11, van verordening nr. 2423/88.
8 Bij een op 28 december 1991 (PB 1991, C 334, blz. 8) bekendgemaakt bericht verklaarde de Commissie vervolgens, dat zij, gezien de nieuwe informatie die haar diensten hadden ontvangen en teneinde eventuele discriminatie te voorkomen, besloten had tot een volledige herziening van verordening nr. 112/90.
9 Op 9 juni 1993 stelde de Commissie beschikking 93/363/EEG vast, betreffende aanvragen om terugbetaling van anti-dumpingrechten die werden geïnd bij de invoer van bepaalde compact-discspelers van oorsprong uit Japan (Amroh BV, PIA Hifi, MPI Electronic) (PB 1993, L 150, blz. 44). Daarbij willigde zij bedoelde aanvragen om terugbetaling in ten belope van 16,9 % van de waarde die door de bevoegde autoriteiten werd gebruikt om het bedrag van de betrokken anti-dumpingrechten te berekenen.
10 Van oordeel, dat beschermende maatregelen niet meer nodig waren, enerzijds omdat de twee belangrijkste producenten in de Gemeenschap hadden aangekondigd hun produktie van compact-discspelers te willen stopzetten, en anderzijds omdat klager Compact zijn klachten had ingetrokken, stelde de Raad op 24 augustus 1993 verordening (EEG) nr. 2347/93 vast, houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 112/90 (PB 1993, L 215, blz. 4; hierna: "verordening nr. 2347/93").
Het procesverloop
11 Onder deze omstandigheden heeft verzoekster bij op 12 augustus 1993 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
12 Bij op 13 september 1993 ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akte heeft verweerster een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, op grond dat het verzoekschrift geen conclusies bevatte en dus niet voldeed aan de vereisten van artikel 38, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
13 Bij op 18 oktober 1993 ingediende memorie heeft verzoekster het Hof verzocht, de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen.
14 Bij beschikking van 7 februari 1994 (zaak C-388/93, Pia HiFi, Jurispr. 1994, blz. I-387) heeft het Hof de exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen. In rechtsoverweging 10 van deze beschikking stelde het Hof vast, dat het beroep strekte tot nietigverklaring van beschikking 93/363 van de Commissie van 9 juni 1993, voor zover hierbij de door verzoekster gevorderde terugbetaling van anti-dumpingrechten is beperkt tot 16,9 % van de waarde waarvan de bevoegde instanties bij de berekening van het bedrag van het betrokken anti-dumpingrecht zijn uitgegaan.
15 Overeenkomstig artikel 4 van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 houdende wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21), en artikel 1 van besluit 94/149/EGKS, EG van de Raad van 7 maart 1994 houdende wijziging van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG (PB 1994, L 66, blz. 29), heeft het Hof bij beschikking van 18 april 1994 de zaak naar het Gerecht verwezen.
16 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april 1995.
Conclusies van partijen
17 Bij gebreke van formele conclusies gaat het Gerecht ervan uit, dat verzoekster concludeert tot nietigverklaring van beschikking 93/363 van de Commissie van 9 juni 1993, voor zover deze de door haar gevorderde terugbetaling van anti-dumpingrechten beperkt tot 16,9 % van de waarde waarvan de bevoegde instanties bij de berekening van het bedrag van het betrokken anti-dumpingrecht zijn uitgegaan, gelijk het Hof vaststelde in zijn voornoemde beschikking van 7 februari 1994.
18 Verweerster concludeert in haar verweerschrift, dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk of althans ongegrond te verklaren;
° verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
Ten gronde
Samenvatting van de argumenten van partijen
19 In haar verzoekschrift voert verzoekster een primair middel aan, ontleend aan schending van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 2423/88, volgens hetwelk voor een produkt enkel een anti-dumpingrecht kan worden vastgesteld, indien ten aanzien van dat produkt dumping plaatsvindt en het in het vrije verkeer brengen ervan schade veroorzaakt.
20 Verzoekster meent recht te hebben op terugbetaling van het volledige bedrag dat zij aan anti-dumpingrechten heeft moeten betalen, op grond dat de door haar ingevoerde compact-discspelers nooit schade hebben veroorzaakt.
21 Dienaangaande betoogt zij in de eerste plaats, dat de door haar ingevoerde produkten van Accuphase zeer dure apparaten waren, die slechts in zeer kleine aantallen werden geproduceerd. In de tweede plaats werden die apparaten op de gemeenschapsmarkt tegen hoge prijzen verkocht, dat wil zeggen tegen prijzen die minstens het dubbele waren van die van het duurste in de Gemeenschap geproduceerde apparaat. In de derde plaats waren alleen de topmodellen van de communautaire producenten gelijksoortig met de produkten van Accuphase, en is er nooit schade geweest in die marktsector, gelijk is vastgesteld in punt 100 van de considerans van verordening nr. 2140/89. Volgens de criteria van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2423/88 is de invoer van Accuphase dus niet schadelijk geweest voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.
22 Verzoekster preciseert dat zij, bij gebreke van een ander rechtsmiddel met behulp waarvan zij zich had kunnen beroepen op het feit, dat haar invoer geen schade heeft toegebracht aan de bedrijfstak van de Gemeenschap, het onderhavige beroep heeft ingesteld, teneinde haar rechtsbelangen veilig te stellen.
23 Verzoekster erkent echter, dat de normale waarde van de door Accuphase geproduceerde compact-discspelers boven hun normale uitvoerprijs lag. Zij betwist noch het bestaan van dumping noch de omvang van de door verweerster in de bestreden beschikking berekende dumpingmarge. Zij betwist evenmin verweersters vaststelling, dat een gecumuleerd onderzoek van tegen dumpingprijzen ingevoerde compact-discspelers uit Korea en Japan heeft aangetoond, dat deze invoer schadelijke gevolgen had voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Verder acht zij het normaal, dat de Commissie niet de schadelijke gevolgen van de invoer van elk der betrokken importeurs behoeft aan te tonen.
24 Niettemin, aldus verzoekster, mag verweerster niet zonder meer weigeren te onderzoeken, of de invoer van een importeur op zich genomen schadelijke gevolgen kan hebben voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, wanneer die importeur gegevens aanvoert die bewijzen, dat dit niet het geval kan zijn.
25 Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 24 februari 1987 (zaak 312/84, Continentale Produkten Gesellschaft, Jurispr. 1987, blz. 841) erkent verzoekster, dat de procedure voor het onderzoek van aanvragen om terugbetaling, zoals geregeld bij artikel 16 van verordening nr. 2423/88, enkel voorziet in een vergelijking van het bedrag van de door de importeur daadwerkelijk betaalde rechten en de dumpingmarge, en dat in die procedure niet de geldigheid van een verordening tot instelling van anti-dumpingrechten kan worden aangevochten op grond dat die verordening zou berusten op verkeerde vaststellingen over het bestaan van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Verzoekster beklemtoont echter, dat het Hof zijn analyse aldus heeft gemotiveerd, dat de betrokkenen reeds de gelegenheid hadden ofwel de wettigheid van de verordening zelf in geding te brengen, ofwel de na een eventueel nieuw onderzoek van de anti-dumpingrechten gegeven beschikking langs gerechtelijke weg te betwisten.
26 In casu heeft de Commissie echter geen ander voor beroep vatbaar besluit genomen dan de bestreden beschikking en heeft zij zich niet uitgesproken over verzoeksters argument, dat er geen sprake was van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Verordening nr. 112/90 raakt verzoekster immers niet rechtstreeks en individueel en het is denkbaar, dat in het kader van het nieuwe onderzoek geen enkel besluit wordt genomen waartegen zij in rechte zou kunnen opkomen, aangezien verordening nr. 112/90 is ingetrokken bij verordening nr. 2347/93. In casu bestaat er voorts een nauw rechtstreeks verband tussen het nieuwe onderzoek en het onderzoek van de terugbetalingsaanvragen, waarop de bestreden beschikking betrekking heeft.
27 Aangezien ingevolge de bestreden beschikking slechts een deel van de betrokken rechten wordt terugbetaald, worden de door verzoekster ingevoerde compact-discspelers door die beschikking in feite belast met een definitief individueel anti-dumpingrecht van 15,1 %. De beschikking raakt dus de door verzoekster ingevoerde produkten, zonder dat er een voor beroep vatbare handeling is verricht, te weten een definitief besluit in de zin van artikel 12 van verordening nr. 2423/88.
28 Verweerster is van mening, dat zij geen standpunt behoeft in te nemen over de door verzoekster aangevoerde feitelijke overwegingen, aangezien het beroep haars inziens niet-ontvankelijk of althans ongegrond is. Volgens het arrest Continentale Produkten Gesellschaft (reeds aangehaald) houdt de procedure van onderzoek van terugbetalingsaanvragen, bedoeld in artikel 16 van verordening nr. 2423/88, immers enkel een nieuw onderzoek van de werkelijke dumpingmarge in, en kan in die procedure niet opnieuw de vraag worden onderzocht, of het besluit tot instelling van de anti-dumpingrechten gerechtvaardigd was.
29 Het feit dat een formeel besluit over het door verzoekster krachtens artikel 14 van verordening nr. 2423/88 ingediende verzoek om een nieuw onderzoek thans uitgesloten is omdat de bij verordening nr. 112/90 ingestelde anti-dumpingrechten zijn ingetrokken bij verordening nr. 2347/93, betekent niet, dat verzoekster een ruimer, op artikel 16 van verordening nr. 2423/88 gebaseerd beroepsrecht heeft, waardoor zij de wettigheid van de ingestelde anti-dumpingrechten in geding zou kunnen brengen. Dat zou immers leiden tot een vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid bedenkelijke verdubbeling van procedures. Verzoekster had voor de nationale rechter beroep kunnen instellen tegen de nationale uitvoeringsbesluiten waarbij de betrokken anti-dumpingrechten werden vastgesteld, en langs die weg zo nodig een prejudiciële verwijzing naar het Hof uit hoofde van artikel 177 EG-Verdrag kunnen uitlokken.
30 Verweerster voegt hieraan toe, dat verzoeksters argument, dat bij de bestreden beschikking in feite "individuele" anti-dumpingrechten van een bepaald bedrag zijn ingesteld, onjuist is, want in het kader van de in artikel 16 van verordening nr. 2423/88 bedoelde procedure van onderzoek van terugbetalingsaanvragen mag de Commissie geen anti-dumpingrechten instellen.
31 Wat de vraag betreft of er sprake is van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, beklemtoont de Commissie uit voorzorg, dat elke importeur, ongeacht de kwaliteit en de eigenschappen van de door hem ingevoerde apparaten, in geval van dumping uiteraard bijdraagt tot het berokkenen van schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap, in zoverre hij daardoor andere dumpingpraktijken aanmoedigt. Dit is het geval, wanneer zeer dure apparaten tegen dumpingprijzen worden verkocht, ook al heeft de betrokken importeur slechts een klein marktaandeel. De Commissie maakt eveneens een voorbehoud ten aanzien van de juistheid van de door verzoekster meegedeelde verkoopprijzen.
Beoordeling van het Gerecht
32 Het Gerecht herinnert er om te beginnen aan, dat de bestreden beschikking is gegeven op basis van artikel 16 van verordening nr. 2423/88, na overeenkomstig lid 2 van dat artikel ingediende aanvragen om terugbetaling van verzoekster en twee andere importeurs. Artikel 16 draagt het opschrift "Terugbetaling" en lid 1 ervan bepaalt, dat "wanneer een importeur kan aantonen dat het geïnde recht meer bedraagt dan de werkelijke marge van dumping (...), rekening houdend met de toepassing van gewogen gemiddelden, het verschil wordt terugbetaald".
33 Gelijk het Hof oordeelde in rechtsoverweging 12 van het arrest Continentale Produkten Gesellschaft (reeds aangehaald), biedt artikel 16 van verordening nr. 2423/88 de verzoekende importeur de mogelijkheid om, uitgaande van de globale juistheid van de relevante gegevens, aan te tonen dat zij in zijn bijzondere geval niet van toepassing zijn en dat dus de werkelijke marge van dumping in het concrete geval kleiner is dan de marge op grond waarvan de anti-dumpingrechten zijn ingesteld. Die bepaling laat echter niet toe, de geldigheid van de verordening waarbij de rechten zijn ingesteld, in het geding te brengen of een nieuw onderzoek van de in de eerdere onderzoeksfasen vastgestelde algemene gegevens te verlangen.
34 In casu nu betwist verzoekster niet de juistheid van de in de bestreden beschikking opnieuw berekende dumpingmarge bij de produkten van Accuphase, op basis waarvan de Commissie het toepasselijke anti-dumpingrecht van 32 tot 16,9 % heeft verlaagd. Zij heeft integendeel uitdrukkelijk verklaard, "geen bezwaar te hebben tegen verweersters vaststellingen over het bestaan en de omvang van de dumping (...) Zij acht het door verweerster berekende bedrag van de dumpingmarge dan ook correct" (zie punt 3, sub a, van het verzoekschrift).
35 Verzoekster heeft dienvolgens niets aangevoerd wat de wettigheid van de bestreden beschikking in geding kan brengen, voor zover hierbij de door haar krachtens artikel 16 van verordening nr. 2423/88 ingediende terugbetalingsaanvragen ten dele worden ingewilligd.
36 Gelet op de doelstelling van artikel 16 van verordening nr. 2423/88, zoals door het Hof gepreciseerd in het arrest Continentale Produkten Gesellschaft (reeds aangehaald), is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster in het kader van een beroep tegen een beschikking waarin wordt beslist over krachtens artikel 16 van verordening nr. 2423/88 ingediende terugbetalingsaanvragen, niet gerechtigd is de vraag op te werpen, of de invoer van Accuphase schade heeft veroorzaakt in de zin van de artikelen 2, lid 1, en 4 van die verordening. Deze vraag heeft immers niets van doen met de wettigheid van de beslissing over de terugbetalingsaanvragen, maar betreft de wettigheid van verordening nr. 112/90.
37 Wat verzoeksters argument betreft, dat het tegen de bestreden beschikking ingestelde beroep voor haar de enige mogelijkheid was om het punt van het ontbreken van schade aan de orde te stellen, stelt het Gerecht om te beginnen vast, dat een dergelijk argument geen rechtvaardiging kan zijn om af te wijken van de precieze strekking van artikel 16 van verordening nr. 2423/88, dat enkel een onderzoek van de werkelijke dumpingmarge toelaat en niet een nieuw onderzoek van de algemene vraag of er schade bestaat.
38 Zonder dat behoeft te worden onderzocht of verzoekster uit hoofde van artikel 173 EG-Verdrag beroep had kunnen instellen tot nietigverklaring van verordening nr. 112/90, moet hoe dan ook worden opgemerkt, dat zij het punt van het ontbreken van schade door de invoer van de produkten van Accuphase, voor de nationale rechter had kunnen opwerpen door bij wege van exceptie de wettigheid te betwisten van de nationale regelingen tot uitvoering van de verordening. De nationale rechter had dan krachtens artikel 177 van het Verdrag het Hof een prejudiciële vraag kunnen stellen over de geldigheid van die verordening (zie arrest Continentale Produkten Gesellschaft, reeds aangehaald, r.o. 10, alsmede arresten Hof van 11 juli 1990, zaak C-323/88, Sermes, Jurispr. 1990, blz. I-3027, en 22 oktober 1991, zaak C-16/90, Noelle, Jurispr. 1991, blz. I-5163).
39 Met betrekking tot verzoeksters betoog dat, enerzijds, het nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 14 van verordening nr. 2423/88 wellicht niet tot een beschikking zou hebben geleid, en dat, anderzijds, er een nauw rechtstreeks verband bestaat tussen het nieuwe onderzoek en haar aanvragen om terugbetaling, zij eraan herinnerd, dat artikel 14, lid 1, van verordening nr. 2423/88 preciseert, dat de verordeningen waarbij anti-dumpingrechten worden ingesteld, wanneer daartoe aanleiding bestaat, geheel of gedeeltelijk aan een nieuw onderzoek worden onderworpen. Dit nieuwe onderzoek wordt ingesteld op verzoek van een Lid-Staat of op initiatief van de Commissie. Een nieuw onderzoek vindt ook plaats wanneer een belanghebbende partij daarom verzoekt en voldoende bewijsmateriaal overlegt om de noodzaak van dat onderzoek te wettigen, mits ten minste één jaar is verlopen na de beëindiging van het onderzoek.
40 Hieruit volgt, dat het in artikel 14 van verordening nr. 2423/88 bedoelde nieuwe onderzoek en de terugbetalingsprocedure bedoeld in artikel 16 van die verordening, duidelijk onderscheiden procedures zijn met een verschillend doel. Ook al kunnen deze twee procedures elkaar beïnvloeden (zie punt 5 van de Mededeling van de Commissie inzake de terugbetaling van anti-dumpingrechten van 15 oktober 1986, bekendgemaakt op 22 oktober 1986; PB 1986, C 266, blz. 2), dat neemt niet weg, dat verzoekster handelingen of verzuimen van de Commissie in het kader van een krachtens artikel 14 ingeleid nieuw onderzoek niet kan betwisten door middel van een beroep tegen een beschikking die gegeven is in het kader van een krachtens artikel 16 ingeleid onderzoek van terugbetalingsaanvragen.
41 Overigens blijkt uit het op 4 juli 1991 door de Commissie bekendgemaakte bericht van opening van een gedeeltelijk nieuw onderzoek (zie r.o. 5 supra), dat het door verzoekster ingediende verzoek om een nieuw onderzoek gebaseerd was op het feit, dat de dumpingmarge van Accuphase aanzienlijk lager was dan het op haar produkten toegepaste anti-dumpingrecht van 32 %, alsmede op de omstandigheid, dat de produkten van Accuphase niet gelijksoortig waren met die van de communautaire producenten. Uit het dossier blijkt dus niet, dat haar verzoek om een nieuw onderzoek of het nieuwe onderzoek zelf rechtstreeks betrekking had op de vraag, of verzoeksters invoer een dergelijke schade had veroorzaakt of veroorzaakte.
42 Had verzoekster in haar verzoek aan de Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 2423/88 om een nieuw onderzoek het punt van het ontbreken van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap aan de orde gesteld, en had de Commissie geweigerd die grief te onderzoeken, dan zou verzoekster, indien zij meende in haar recht te staan, met de rechtsmiddelen die het Verdrag daartoe biedt, hebben kunnen opkomen tegen het besluit van de Commissie om dat punt niet opnieuw te onderzoeken.
43 Het Gerecht is voorts van oordeel, dat uit rechtsoverweging 11 van het arrest Continentale Produkten Gesellschaft (reeds aangehaald), volgens welke "de betrokkenen de resultaten [van een nieuw onderzoek] langs gerechtelijke weg kunnen bestrijden", impliciet doch noodzakelijkerwijs volgt, dat wanneer de Commissie uit hoofde van artikel 14 van verordening nr. 2423/88 een nieuw onderzoek heeft ingeleid, iedere belanghebbende er bij de Commissie op mag aandringen, dat deze een beslissing dienaangaande neemt. Uit het dossier blijkt echter niet, dat verzoekster bij de Commissie daartoe iets heeft ondernomen.
44 Verzoeksters argument ten slotte, dat bij de bestreden beschikking in feite een anti-dumpingrecht van 15,1 % wordt opgelegd, zonder dat een definitief besluit in de zin van artikel 12 van verordening nr. 2423/88 is genomen, mist iedere grond. Het resterende anti-dumpingrecht van 15,1 % vond zijn rechtsgrondslag in verordening nr. 112/90, daar bij de bestreden beschikking de door verzoekster ingediende verzoeken om terugbetaling slechts ten dele zijn ingewilligd.
45 Uit een en ander volgt, dat het beroep moet worden verworpen, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
46 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de conclusies van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy