Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Internationale overeenkomsten ° Derde ACS-EEG-overeenkomst van Lome ° Bepalingen betreffende financiële en technische samenwerking ° Procedure voor plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen ° Rol van ACS-staat en van Commissie ° Bevoegdheid van ACS-staat om contracten te sluiten ° Controlebevoegdheid van Commissie ° Twijfel omtrent communautaire oorsprong van goederen ° Aansprakelijkheidstelling van Gemeenschap omdat Commissie om bewijzen heeft verzocht ° Uitgesloten
(Derde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé van 8 december 1984)
Samenvatting
In het kader van de bij de derde ACS-EEG-overeenkomst ingestelde financiële en technische samenwerking blijven de door het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde contracten nationale contracten; enkel de ACS-staten zijn dus bevoegd deze voor te bereiden, erover te onderhandelen en deze te sluiten. De inschrijvende ondernemingen en de ondernemingen waaraan de contracten zijn gegund, staan buiten de exclusieve betrekkingen die ter zake tussen de Commissie en de ACS-staten ontstaan.
Alvorens tot uitbetaling van gemeenschapsfondsen over te gaan, heeft de Commissie niet alleen het recht maar ook de plicht, zich ervan te vergewissen dat inderdaad aan alle voorwaarden voor uitbetaling is voldaan. Daartoe moet zij met name de inlichtingen inwinnen die nodig zijn ter verzekering van een economisch beheer van de gelden van het Europees Ontwikkelingsfonds, en moet zij weigeren facturen te viseren, wanneer zij ernstige redenen heeft om te betwijfelen dat is voldaan aan de voorwaarden voor financiering door de Gemeenschap.
Aangezien een van de voorwaarden is dat de betrokken goederen van communautaire oorsprong zijn, wat de aannemer moet bewijzen, kan aan de Commissie geen onwettig of foutief gedrag worden verweten omdat zij wegens ernstige twijfel van de aannemer heeft verlangd dat hij documenten overlegt of inlichtingen verstrekt ten bewijze van de communautaire oorsprong van de goederen.
Partijen
In zaak T-175/94,
International Procurement Services NV, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door P. De Troyer, advocaat te Oudenaarde, en L. Lorang, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, Rue Heine 6,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. Lasnet als gemachtigde, bijgestaan door H. Lehman, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een vordering tot vergoeding van schade ten bedrage van 14 797 706 BFR die verzoekster stelt te hebben geleden ten gevolge van de verlaging van de financiële steun die in het kader van een door het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierd project aan haar medecontractant was toegekend,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, R. García-Valdecasas en J. Azizi, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 7 mei 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Op 21 maart 1990 schreef de Unidade de Coordenação dos Programas de Importação (eenheid belast met de cooerdinatie van de importprogramma' s, hierna: "UCPI") van het Ministerie van Handel van de Volksrepubliek Mozambique een aanbesteding uit voor de levering van elf partijen goederen in het kader van een door de Europese Gemeenschap uit het Europees Ontwikkelingsfonds (hierna: "EOF") gefinancierd project (PB 1990, S 56, blz. 5). In het bericht van aanbesteding heette het uitdrukkelijk, dat de geleverde goederen van oorsprong dienden te zijn uit staten van de Europese Economische Gemeenschap of uit staten in Afrika, het Caribische gebied of de Stille Oceaan (hierna: "ACS"), die de derde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé van 8 december 1984 (PB 1986, L 86, blz. 3) hadden ondertekend.
2 Voor de levering van een van deze partijen, betreffende 7 400 ton stalen knuppels, aanvaardde UCPI de offerte van verzoekster, de vennootschap International Procurement Services, die zij bij brief van 13 juli 1990 (referentie LC 25/90/EEC) een bevestiging van de opdracht liet toekomen.
3 In het kader van deze opdracht was voor deze partij een prijs vastgesteld van 97 561 461 BFR, wat overeenkomt met 13 320 BFR per ton.
4 Het vervoer van de waar begon in de loop van maart 1991, en de laatste levering vond plaats op 24 april 1991.
5 Op 17 en 30 april 1991 gaf de Zuidafrikaanse vestiging van de Société générale de surveillance (hierna: "SGS"), een onderneming die op verzoek analyses van produkten verricht, te Johannesburg controlecertificaten voor de geleverde waar af, waarbij zij preciseerde dat de controles in de loop van maart en april 1991 waren verricht.
6 Op 20 juni 1991 ontving UCPI van de vennootschap Cifel, de eindgebruiker van de stalen knuppels, een brief waarbij deze erop wees dat de geleverde waar volgens de begeleidende documenten afkomstig was ("proveniente da") van de Zuidafrikaanse vennootschap Iscor en bestemd was ("consignatario") voor de Zuidafrikaanse vennootschap John Palmer Steel.
7 Op 2 juli 1991 zond UCPI verzoekster een telexbericht waarin zij meedeelde, dat op de begeleidende documenten de namen Iscor als leverancier ("supplier"), en John Palmer Steel als koper ("buyer") waren vermeld. Wegens het ontbreken van de vervoersdocumenten verzocht zij dienaangaande om verduidelijking.
8 Op 20 juli 1991 stelde de kamer van koophandel te Lugano op verzoek van een door verzoekster als haar leverancier aangewezen Zwitserse vennootschap een certificaat van oorsprong op, met vermelding van de namen van verzoekster, van UCPI (volgend op het Engelse woord "to") en van Cifel (volgend op de afkorting "imp"), alsook van het nummer van het bericht van aanbesteding voor de betrokken opdracht; volgens het certificaat bestond de waar uit drie partijen stalen knuppels met een totaalgewicht van 7 324 434 kilogram. Italië was volgens het certificaat het land van oorsprong.
9 Bij telexbericht van 25 juli 1991 verzocht UCPI de vennootschap RIH, die zich bezighoudt met de distributie van Iscor-produkten, om bevestiging dat de in april van dat jaar door de onderneming John Palmer Steel aan Cifel geleverde 7 400 ton stalen knuppels in Zuid-Afrika waren vervaardigd door Iscor.
10 Op 2 augustus 1991 antwoordde RIH, dat de onderneming Gover, Horowitz & Blunt te Londen bij haar een bestelling van 7 400 ton stalen knuppels had geplaatst, met opdracht de waar aan UCPI te Maputo te leveren. Ook preciseerde zij, dat de voorgestelde prijs betrekking had op Zuidafrikaanse produkten.
11 Bij faxbericht van 20 augustus 1991 verzocht verweerster SGS om mededeling van de "work certificates of tests and analysis" (test- en analysecertificaten) en van de "rail consignment notes" (spoorvrachtbrieven) waar in de door deze onderneming opgestelde controlecertificaten van 17 en 30 april 1991 naar werd verwezen. Zij verzocht haar eveneens de identiteit van de fabrikant te bevestigen.
12 Dezelfde dag deelde SGS verweerster mee, dat de gevraagde documenten aan haar opdrachtgeefster, Gover, Horowitz & Blunt, waren toegezonden. De dag daarna liet zij haar weten, dat zij de toestemming van haar opdrachtgeefster nodig had om de gevraagde documenten aan derden te kunnen meedelen.
13 Op 22 augustus 1991 zond verweerster verzoekster een faxbericht met het dringende verzoek bij de onderneming die met de inspectie van de goederen vóór verzending was belast, een afschrift te vragen van de test- en analysecertificaten en de spoorvrachtbrieven. De dag daarop antwoordde verzoekster, dat zij de gevraagde certificaten bij de verkoper zou aanvragen.
14 Op verweersters suggestie verzocht UCPI bij telexbericht van 19 september 1991 verzoekster om een "bona fide-document" ten bewijze van de identiteit van de fabrikant en de door de goederen gevolgde route vanaf de fabriek tot de opslagplaats van Cifel. Zij wees er ook op, dat zij bij niet-overlegging van dit document door verzoekster, ervan zou uitgaan dat het contractuele beding inzake de oorsprong van de goederen was geschonden.
15 Bij faxbericht van 6 november 1991 gelastte verweerster haar delegatie in Mozambique de autoriteiten aldaar mee te delen, dat verzoekster niet in staat was geweest te bewijzen, dat de geleverde goederen in de Gemeenschap of in een ACS-land waren vervaardigd, zodat UCPI het contract kon opzeggen dan wel de goederen betalen tegen de marktprijs van hun vermoede plaats van oorsprong.
16 In antwoord op een brief van verzoekster van 24 oktober 1991 verklaarde verweerster bij brief van 25 november 1991, dat zij het saldo slechts kon betalen met het akkoord van UCPI, waarop zij nog steeds wachtte. Zij raadde verzoekster ook aan bij UCPI een aanvraag om betaling van het saldo in te dienen, indien zij van mening was dat zij al haar verplichtingen was nagekomen.
17 Bij telexbericht aan verzoekster van 6 december 1991 deelde UCPI mee, dat zij het gevraagde "bona fide-document" niet had ontvangen, er dus van uitging dat de levering van Zuidafrikaanse oorsprong was en ze tegen de op die markt geldende prijs zou betalen.
18 Bij faxbericht van 11 maart 1992 verzocht verweerster haar delegatie in Mozambique de plaatselijke autoriteiten mee te delen dat zij, gelet op de door verzoekster en Cifel overgelegde tegenstrijdige documenten, de mening van deze autoriteiten deelde, dat de volledige prijs van de levering moest worden berekend op basis van de prijs op de Zuidafrikaanse markt.
19 Bij telexbericht van 9 juni 1992 verklaarde verzoekster, dat haar financiële situatie haar geen andere keuze liet dan zich bij de zienswijze van UCPI aan te sluiten. Zij beklemtoonde evenwel, dat zij de betaling die zou plaatsvinden, als een provisie zou beschouwen. Voorts zou zij de vraag betreffende het verschil tussen de oorspronkelijk bedongen prijs en het op basis van de Zuidafrikaanse prijs berekende bedrag bij arbitrage laten regelen.
20 De dag daarop antwoordde UCPI verzoekster, dat verweerster niet bereid zou zijn een gedeeltelijke betalingsopdracht te geven indien het saldo bij arbitrage moest worden geregeld, en dat zij slechts bij de afsluiting van het dossier zou betalen. Haars inziens had verzoekster twee mogelijkheden: het geschil beëindigen door een overeenkomst te sluiten over een verlaging van de prijs, of anders onmiddellijk de arbitrageprocedure inleiden.
21 Op 17 juli 1992 sloten verzoekster en UCPI een overeenkomst over de aanvaarding van de goederen, een verlaging van de prijs tot 12 000 BFR per ton, op basis van de prijs op de Zuidafrikaanse markt, en afstand van de arbitrageprocedure (hierna: "overeenkomst").
Het procesverloop
22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 april 1994, heeft verzoekster krachtens artikel 215, tweede alinea, EG-Verdrag het onderhavige beroep ingesteld.
23 De rechter-rapporteur is toegevoegd aan de Vijfde kamer, waarnaar de zaak is verwezen.
24 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht partijen verzocht, vóór de terechtzitting bepaalde vragen schriftelijk te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen.
25 Partijen zijn ter terechtzitting van 7 mei 1996 in hun pleidooien en hun antwoorden op de door het Gerecht gestelde vragen gehoord.
Conclusies van partijen
26 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° verweerster te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 14 797 706 BFR of enig ander ° zelfs hoger ° door het Gerecht ex aequo et bono of door een deskundige te bepalen bedrag, vermeerderd met de door het Gerecht te bepalen moratoire interessen;
° verweerster te verwijzen in de kosten.
27 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
Samenvatting van de middelen en argumenten van partijen
28 Verzoekster verwijt de Commissie, dat zij slechts toelating heeft gegeven voor financiering van 92,49 % van het totaalbedrag van de opdracht, hoewel zij aan alle voorwaarden van de opdracht had voldaan.
29 De eerste onregelmatigheid die verzoekster de Commissie verwijt, bestaat hierin, dat zij niet heeft verhinderd dat Cifel de goederen verbruikte nog vóór de aanvaarding door verzoeksters medecontractant en de eigendomsoverdracht; in de tweede plaats heeft zij een actieve rol gespeeld doordat zij om overlegging heeft verzocht van test- en analysecertificaten en spoorvrachtbrieven hoewel zulks door de overeenkomst niet was vereist, alsook van een "bona fide-document" waarvan de aard nooit is gepreciseerd, en in de derde plaats is zij er ten onrechte van uitgegaan dat aan de financieringsvoorwaarden niet was voldaan en heeft zij het door de kamer van koophandel te Brussel opgestelde certificaat van oorsprong buiten beschouwing gelaten.
30 Aangaande dit laatste punt betoogt zij, dat een certificaat van oorsprong een afdoend bewijs vormt van de oorsprong van een produkt, want de kamers van koophandel geven dergelijke certificaten slechts af op overlegging van bewijsstukken. Anders dan de door Cifel overgelegde documenten, die verweersters twijfel omtrent de oorsprong van de geleverde goederen hebben versterkt, geeft het certificaat van oorsprong, overgelegd in de originele en authentieke versie, een nauwkeurige beschrijving van de goederen waarop het betrekking heeft. De door Cifel overgelegde documenten zijn daarentegen nauwelijks leesbare en niet-gewaarmerkte fotokopieën van testcertificaten betreffende een staalsoort die in Mozambique courant wordt gebruikt. Uit deze acht maanden na de levering opgestelde documenten blijkt niet, dat zij betrekking hebben op het geleverde staal.
31 Verzoekster stelt, dat de door haar geleden schade overeenkomt met het verschil tussen het oorspronkelijke bedrag van de opdracht en het effectief ontvangen bedrag (9 668 253 BFR), vermeerderd met de financiële kosten (5 129 453 BFR) die zij heeft moeten maken ten gevolge van verweersters weigering de oorspronkelijk bedongen prijs volledig te betalen, in totaal dus 14 797 706 BFR.
32 De schade vloeit voort uit het feit dat volgens verweerster niet volledig was voldaan aan de financieringsvoorwaarden voor de opdracht, en dat het te betalen bedrag moest worden berekend op basis van de prijzen op de Zuidafrikaanse markt.
33 Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, dat de uit het EOF gefinancierde opdrachten nationale contracten zijn waar de Commissie buiten staat, stelt verweerster, dat het beroep inconsequent is voor zover het strekt tot vaststelling van haar niet-contractuele aansprakelijkheid, terwijl verzoekster haar een eenzijdige wijziging van de contractuele voorwaarden verwijt.
34 Voorts is haars inziens aan geen enkele voorwaarde voor niet-contractuele aansprakelijkheid voldaan.
35 Verweerster stelt dat zij geen onregelmatigheden heeft begaan. Terecht is bij haar ernstige twijfel gerezen omtrent de communautaire oorsprong van de geleverde goederen, enerzijds wegens de inhoud van de brief van Cifel die UCPI op 20 juni 1991 heeft ontvangen, en van het op 2 augustus 1991 door RIH verstuurde telexbericht, en anderzijds, zoals zij ter terechtzitting heeft uiteengezet, doordat de door SGS opgestelde controlecertificaten controles betroffen die in Zuid-Afrika zijn verricht. In dit verband zou verweerster verzoekster meermaals om overlegging hebben verzocht van documenten waaruit ondubbelzinnig de communautaire oorsprong van de geleverde goederen bleek. Verweerster stelt vast, dat verzoekster deze documenten en het bij artikel IX.5 van de bijzondere voorwaarden bedoelde inspectieverslag vóór verscheping niet heeft voorgelegd. De bewijslast betreffende de communautaire oorsprong van de goederen rust evenwel op verzoekster.
36 Verweerster trekt de geloofwaardigheid in twijfel van het door verzoekster overgelegde certificaat van oorsprong, omdat het verschillende maanden na de levering van de goederen is opgesteld door de kamer van koophandel te Brussel op basis van een certificaat van de kamer van koophandel te Lugano, die niet in staat was ter plaatse in Italië een controle te verrichten.
37 Ten slotte beklemtoont zij, dat verzoekster de door de goederen gevolgde route en zelfs de naam van het vrachtschip niet kon meedelen, en evenmin de bewijsstukken kon overleggen op basis waarvan de certificaten van oorsprong zouden zijn opgesteld, terwijl zij op zijn minst de twijfels omtrent het bestaan van contractuele betrekkingen met de Zuidafrikaanse vennootschappen Iscor en John Palmer Steel gemakkelijk had kunnen wegnemen.
38 Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van 10 juli 1984 (zaak 126/83, STS, Jurispr. 1984, blz. 2769) en 10 juli 1985 (zaak 118/83, CMC e.a., Jurispr. 1985, blz. 2325) stelt verweerster, dat zij gerechtigd was na te gaan of was voldaan aan de financieringsvoorwaarden, met name wat de oorsprong van de goederen betreft, door ter zake nadere inlichtingen in te winnen teneinde de twijfel weg te nemen die voortvloeide uit de tegenstrijdigheden tussen de documenten in haar bezit.
39 Volgens verweerster heeft verzoekster geen schade geleden. Het verschil tussen de oorspronkelijke prijs van de opdracht en het daadwerkelijk ontvangen bedrag is slechts het resultaat van de op 17 juli 1992 vrij tussen verweerster en UCPI gesloten overeenkomst waarbij de prijs van de goederen werd verlaagd en afstand werd gedaan van regeling van het geschil bij arbitrage. Voorts kan er volgens verweerster in verband met financiële kosten geen schade zijn ontstaan, want zij heeft het ingevolge deze overeenkomst verschuldigde saldo tijdig overgemaakt.
40 Ook betwist verweerster het bestaan van een causaal verband tussen de onregelmatige handelwijze en de gestelde schade. Het verschil tussen de oorspronkelijke en de definitieve prijs vloeit niet zozeer voort uit haar handelwijze als wel uit de op 17 juli 1992 tussen UCPI en verzoekster gesloten overeenkomst. Ook de financiële kosten zijn niet op haar terug te voeren, want krachtens artikel 8.2 van de opdracht was de toelating van UCPI vereist om tot betaling over te gaan. De aansprakelijkheid voor dit gedeelte van de schade ligt bij verzoekster die in 1991 en 1992 heeft getalmd in plaats van het bewijs te leveren van de communautaire oorsprong van de goederen.
41 In repliek stelt verzoekster, dat de overeenkomst die zij op 17 juli 1992 met UCPI heeft gesloten, alleen geldt tussen partijen en niet kan worden ingeroepen in het eventuele kader van een vordering gebaseerd op de niet-contractuele aansprakelijkheid. Zij beklemtoont, dat het idee om uit te gaan van de Zuidafrikaanse prijs van verweerder komt. Verzoekster zag zich wegens liquiditeitsproblemen genoopt deze overeenkomst te aanvaarden, en had in feite geen andere keuze dan instemmen met een prijsvermindering of afzien van betaling op korte termijn.
42 Volgens verweerster heeft verzoekster vrijelijk de overeenkomst betreffende de prijsvermindering gesloten, in welk geval zij niet kan stellen schade te hebben geleden, of anders heeft zij deze overeenkomst onder dwang ondertekend, en dan moet zij tegen de overeenkomst opkomen, wat zij niet heeft gedaan.
Beoordeling door het Gerecht
43 Het Gerecht herinnert vooreerst aan de vaste rechtspraak, dat de door het EOF gefinancierde contracten nationale contracten blijven, en dat alleen de ACS-Staten bevoegd zijn om ze voor te bereiden, er over te onderhandelen en ze af te sluiten. De inschrijvende ondernemingen en die waaraan de contracten zijn gegund, staan buiten de exclusieve betrekkingen die ter zake tussen de Commissie en de ACS-Staten ontstaan (arresten Hof, STS, reeds aangehaald, r.o. 18, en CMC e.a., reeds aangehaald, r.o. 28, en arrest van 14 januari 1993, zaak C-257/90, Italsolar, Jurispr. 1993, blz. I-9, r.o. 22; arrest Gerecht van 16 november 1994, zaak T-451/93, San Marco, Jurispr. 1994, blz. II-1061, r.o. 42).
44 Vervolgens herinnert het Gerecht eraan, dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap veronderstelt dat verzoekster de onrechtmatigheid van de aan de betrokken gemeenschapsinstelling verweten gedraging, werkelijk geleden schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade bewijst (arresten Hof van 17 december 1981, gevoegde zaken 197/80, 198/80, 199/80, 200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Ludwigshafener Walzmuehle e.a., Jurispr. 1981, blz. 3211, r.o. 18, en 14 januari 1993, Italsolar, reeds aangehaald, r.o. 33; arresten Gerecht van 13 december 1995, gevoegde zaken T-481/93 en T-484/93, Vereniging Exporteurs in Levende Varkens e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2941, r.o. 80).
45 Ten slotte herinnert het Gerecht eraan, dat de Commissie, alvorens tot uitbetaling van gemeenschapsfondsen over te gaan, niet alleen het recht maar ook de plicht heeft zich ervan te vergewissen dat aan alle voorwaarden voor uitbetaling effectief is voldaan (arrest CMC, reeds aangehaald, r.o. 44). Daartoe moet zij met name de nodige inlichtingen inwinnen ter verzekering van een economisch beheer van de gelden van het EOF (zelfde arrest, r.o. 47, en arrest van 25 mei 1993, zaak C-370/89, SGEEM en Etroy, Jurispr. 1993, blz. I-2583, r.o. 31) en weigeren facturen te viseren, wanneer zij ernstige redenen heeft om te betwijfelen dat is voldaan aan de voorwaarden voor financiering door de Gemeenschap (arrest San Marco, reeds aangehaald, r.o. 50).
46 In het licht van deze elementen moet worden onderzocht of verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan een onwettige of onrechtmatige gedraging.
47 In casu stond het aan verweerster zich in het bijzonder ervan te vergewissen dat was voldaan aan de financieringsvoorwaarde inhoudende dat de geleverde goederen van communautaire oorsprong of afkomstig uit een ACS-Staat dienden te zijn.
48 Verzoekster kan verweerster niet verwijten het verbruik van de goederen vóór de aanvaarding en eigendomsoverdracht niet te hebben verhinderd. De door het EOF gefinancierde contracten zijn namelijk nationale contracten waarbij enkel de ACS-Staat en de ondernemer partij zijn, zodat verweerster zich met deze louter contractuele kwesties niet kan inlaten.
49 Ook kan verzoekster verweerster niet verwijten eraan te hebben getwijfeld of de goederen voldeden aan de gestelde voorwaarden van oorsprong, in weerwil van de overlegging van een door de kamer van koophandel te Brussel afgegeven certificaat van oorsprong ten bewijze van de Italiaanse en dus communautaire oorsprong. Uit een telexbericht van Cifel aan UCPI blijkt namelijk, dat de geleverde goederen volgens de begeleidende documenten afkomstig waren van een Zuidafrikaanse onderneming. Voorts heeft verzoekster niet betwist, dat de documenten betreffende de inspectie van de goederen niet vóór verzending waren afgegeven en dat daarin melding is gemaakt van controles door een Zuidafrikaanse onderneming. Bovendien zijn de goederen vanuit Zuid-Afrika Mozambique binnengekomen. De Zuidafrikaanse Republiek heeft de derde Overeenkomst van Lomé evenwel niet ondertekend.
50 De bewijslast betreffende de oorsprong van de geleverde goederen rust op de inschrijver aan wie de opdracht is gegund, zodat verweerster, gelet op voorgaande elementen, volstrekt gerechtigd was bijkomende documenten of inlichtingen te verlangen tot staving van het certificaat van oorsprong. Verzoekster heeft evenwel geen elementen aangebracht waardoor de communautaire oorsprong van de geleverde goederen onomstootbaar kan worden vastgesteld. Zij kon niet eens de bewijsstukken overleggen waarvan de kamer van koophandel te Lugano is uitgegaan bij het opstellen van haar certificaat van oorsprong, dat als grondslag diende voor het certificaat afgegeven door de kamer van koophandel te Brussel. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verzoekster alleen een onvolledige copie overgelegd van een documentair krediet waarin niets staat over de oorsprong van de goederen waarop de transactie betrekking heeft, een niet gedateerde brief van een Italiaans vervoerbedrijf waaruit blijkt dat verzoekster bekend staat als exporteur, bestemmeling, opdrachtgeefster of borg voor verrichtingen betreffende produkten, met name staalprodukten die tussen de herfst van 1989 en de zomer van 1991 zijn vervoerd door Jadroplov, alsook uittreksels uit registers van Lloyd' s betreffende schepen met de naam Africa die op de uitvoervergunning staat. In geen geval kan verzoekster een argument ontlenen aan de onnauwkeurigheid van het begrip "bona fide-document", nu zij geen enkel element heeft overgelegd tot staving van haar certificaat van oorsprong. Voorts is het Gerecht van oordeel, dat zij ten overvloede is ingelicht over het van haar verlangde bewijs (supra, r.o. 13 en 14).
51 Terecht kon verweerster dus tot de conclusie komen, dat in casu niet was voldaan aan de voor de financiering gestelde voorwaarde betreffende de oorsprong van het produkt.
52 Ten slotte kan verzoekster verweerster bezwaarlijk verwijten een actieve rol te hebben gespeeld door documenten te verlangen die krachtens de overeenkomst niet moesten worden overgelegd. Verweerster heeft zich er namelijk toe beperkt de Mozambiquaanse autoriteiten in te lichten over haar positie en over de mogelijkheden waarover zij beschikten. Hiermee heeft zij geenszins inbreuk gemaakt op de soevereiniteit van de Volksrepubliek Mozambique. Uit haar brief van 25 november 1991 aan verzoekster (supra, r.o. 16) en haar faxbericht aan haar delegatie in Mozambique (supra, r.o. 18) blijkt overigens, dat de Mozambiquaanse regering vrij bleef om naar eigen goeddunken te beslissen.
53 Verzoekster heeft dus niet aangetoond, dat verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan onwettige of onrechtmatige inmenging in de betrekkingen tussen de Volksrepubliek Mozambique en verzoekster.
54 Verzoekster heeft dus niet het bewijs geleverd van een onwettige of onrechtmatige gedraging in hoofde van verweerster.
55 Bovendien moet volgens vaste rechtspraak het rechtstreekse causaal verband tussen de verweten gedraging en de schade genoegzaam vaststaan (arrest Hof van 4 oktober 1979, gevoegde zaken 64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, Dumortier frères e.a., Jurispr. 1979, blz. 3091, r.o. 21; zie ook met betrekking tot artikel 40 EGKS-Verdrag, dat in soortgelijke bewoordingen is gesteld en in de onderhavige situatie kan worden getransponeerd: arrest Hof van 30 januari 1992, gevoegde zaken C-363/88 en C-364/88, Finsider e.a., Jurispr. 1992, blz. I-359, r.o. 25, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Uit de processtukken en de mondelinge behandeling voor het Gerecht blijkt evenwel, dat de door verzoekster gestelde schade in eerste instantie het gevolg is van de volgende twee factoren: enerzijds de uiteindelijke weigering van de Volksrepubliek Mozambique om de bedongen prijs volledig te betalen; anderzijds, en naar aanleiding daarvan, de overeenkomst van 17 juli 1992 waarbij de aanvankelijk afgesproken prijs is verlaagd en afstand is gedaan van arbitrage.
57 Dienaangaande merkt het Gerecht op dat, gesteld dat verweerster de handelwijze van de Mozambiquaanse regering indirect zou hebben kunnen beïnvloeden door haar te suggereren voormelde overeenkomst te sluiten, verzoekster niet heeft aangetoond dat zijzelf of haar medecontractant daar onder dwang toe is overgegaan. Overigens stond het verzoekster vrij deze overeenkomst niet te sluiten en in plaats daarvan, zoals gesuggereerd door UCPI (supra, r.o. 20), het geschil bij arbitrage te laten regelen. Dat verzoekster daarvan heeft afgezien wegens haar dringende behoefte aan liquide middelen, kan niet tot gevolg hebben dat de schade moet worden toegerekend aan verweerster, die met deze beweegreden niets heeft uit te staan.
58 Bovendien zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak, ingeval een contractueel geschil tussen de staat die een door het EOF gefinancierde opdracht aanbesteedt, en de inschrijver aan wie de opdracht is gegund, niet vooraf bij minnelijke schikking of arbitrage is geregeld, de ondernemer niet in staat is het bewijs te leveren, dat hij door de handelwijze van de Commissie een schade heeft geleden die te onderscheiden valt van de schade waarvan hij, langs de geëigende rechtswegen, vergoeding van de gunnende staat moet vorderen (arrest Hof van 19 september 1985, zaak 33/82, Murri frères, Jurispr. 1985, blz. 2759, r.o. 38).
59 In casu vordert verzoekster een schadevergoeding die precies overeenkomt met de prijsverlaging die zij UCPI bij de op 17 juli 1992 met haar gesloten overeenkomst heeft toegestaan, vermeerderd met de financiële kosten die zij ten gevolge van deze overeenkomst heeft moeten maken. Aangezien verzoekster niet langs de geëigende rechtswegen is opgekomen tegen deze overeenkomst en tegen de weigering van de Mozambiquaanse regering om de aanvankelijk afgesproken prijs volledig te betalen, is verzoekster niet in staat het bewijs te leveren dat zij door verweersters handelwijze een schade heeft geleden die onderscheiden is van de schade waarvan zij van deze staat vergoeding had moeten vorderen.
60 Ook op deze grond heeft zij niet het bewijs geleverd van het bestaan van een causaal verband tussen de aan verweerster verweten gedraging en de gestelde schade.
61 Mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
62 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in alle kosten te worden verwezen, zoals de Commissie heeft gevorderd.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy