Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Exceptie van onwettigheid - Incident - Ontvankelijkheid van beroep ten principale - Ontvankelijkheid van exceptie
(EGA-Verdrag, art. 156)
2 Ambtenaren - Beroep - Voorwerp - Bevel aan administratie - Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
3 Ambtenaren - Beroep -Twee beroepen met identiek voorwerp - Voorwaarden
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
4 Procedure - Arrest van Hof dat Gerecht bindt - Voorwaarden - Verwijzing na hogere voorziening - Rechtsvragen die door Hof definitief zijn beslecht in kader van hogere voorziening - Gezag van gewijsde
('s Hofs Statuut-EGA, art. 55)
5 Ambtenaren - Personeel, tewerkgesteld in gemeenschappelijke EGA-onderneming - Gelijke behandeling - Uitzonderingen - Bestaan van objectieve rechtvaardigingen
6 Exceptie van onwettigheid - Voorwerp - Beoordeling van wettigheid - Criteria
(EGA-Verdrag, art. 146 en 156)
7 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijke behandeling - Afwijkende maatregel - Geldigheid - Grenzen
8 Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Oorsprong - Dienstverband - Rechtsgrondslag
(EGA-Verdrag, art. 152; Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
9 Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Beroep tegen instelling die bezwarend besluit heeft genomen, en niet tegen instelling voor welker gedraging Gemeenschap aansprakelijk zou zijn - Vordering tot schadevergoeding verbonden met vordering tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid
(EGA-Verdrag, art. 152; Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
10 Ambtenaren - Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen - Voorwaarden - Normatieve handeling - Voldoende gekwalificeerde schending van ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel
(EGA-Verdrag, art. 152; Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
11 De bij artikel 156 EGA-Verdrag geboden mogelijkheid om de niet-toepasselijkheid van een verordening in te roepen, is geen autonome rechtsvordering, doch kan slechts bij wege van incident worden uitgeoefend tot staving van primaire conclusies tot nietigverklaring die ontvankelijk zijn.
12 De gemeenschapsrechter kan in het kader van de op artikel 91 Ambtenarenstatuut gebaseerde wettigheidstoetsing geen bevelen tot de gemeenschapsinstellingen richten, met dien verstande dat de betrokken administratie gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een op een beroep tot nietigverklaring gewezen arrest.
13 Het gezag van gewijsde dat toekomt aan een arrest waarbij het Hof een beroep heeft verworpen, kan slechts aan de ontvankelijkheid van een later beroep in de weg staan, indien in deze beide beroepen dezelfde partijen tegenover elkaar staan en de beroepen hetzelfde voorwerp hebben en op dezelfde middelen berusten. De handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, is een essentieel gegeven om te kunnen bepalen, wat het voorwerp van een beroep is.
Zelfs indien de tot staving van een beroep aangevoerde grieven tot op zekere hoogte overeenkomen met die welke in een eerdere zaak zijn aangevoerd, gaat het niet om een herhaling van deze zaak, maar om een nieuw geding, wanneer daarin vragen moeten worden beslist die nog niet zijn beslecht.
14 Het Gerecht is slechts aan een beslissing van het Hof gebonden in de omstandigheden, beschreven in artikel 55 van 's Hofs Statuut-EGA, alsmede krachtens het beginsel van het gezag van gewijsde.
15 Een verschil in behandeling, op het punt van status en arbeidsvoorwaarden van bij een gemeenschappelijke EGA-onderneming tewerkgesteld personeel, naar gelang de instelling die het ter beschikking heeft gesteld, is slechts aanvaardbaar, indien het objectief gerechtvaardigd is. Om te beoordelen of dit het geval is, dient rekening te worden gehouden met de bijzondere kenmerken die de betrokken gemeenschappelijke onderneming zowel wat haar aard als haar organisatie betreft kan hebben.
Wanneer het bij de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming gekozen bijzondere systeem van aanwerving en tewerkstelling van het personeel, namelijk de invoering en handhaving van twee afzonderlijke categorieën van personeel, naar gelang van de lidorganisatie die het ter beschikking stelt, later op belangrijke punten wordt gewijzigd en niet meer in staat is de doelstellingen te bereiken waarvoor het aanvankelijk is opgezet, is het verschil in behandeling niet langer objectief gerechtvaardigd, te meer wanneer de twee categorieën van personeel niet dezelfde carrièrevooruitzichten en dezelfde arbeidszekerheid hebben.
16 In artikel 156 EGA-Verdrag komt een algemeen beginsel tot uitdrukking, krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de nietigverklaring van een haar rechtstreeks en individueel rakende beschikking de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende, handelingen van de instellingen mag aanvechten, wanneer zij niet krachtens artikel 146 EGA-Verdrag rechtstreeks tegen die handelingen in beroep mocht komen, zodat zij, zonder nietigverklaring te mogen vorderen, er de gevolgen van heeft te dragen.
Aangezien de wettigheid van de bestreden individuele handeling moet worden beoordeeld met inachtneming van de feiten en de rechtstoestand die bestonden op de datum waarop de handeling is vastgesteld, dient de wettigheid van de regelgevende handeling die de rechtsgrondslag vormt voor de individuele handeling, eveneens op basis van die datum te worden onderzocht en niet op basis van de datum waarop de regelgevende handeling zelf is vastgesteld.
17 Aangezien elk verschil in behandeling het karakter van een uitzondering heeft, waarbij wordt afgeweken van een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, kan het niet meer als geldig worden beschouwd, zelfs indien het voorschrift waarbij het is ingevoerd, de duur ervan niet uitdrukkelijk beperkt, nadat de gronden op basis waarvan het objectief gerechtvaardigd was, zijn weggevallen.
Dit geldt in het bijzonder, wanneer de in de tijd beperkte duur van een bepaalde situatie een van de factoren is die als objectieve rechtvaardiging voor een verschil in behandeling in aanmerking is genomen. De opsteller van het voorschrift dient er dan voor te zorgen, dat deze situatie niet onnodig langer duurt dan aanvankelijk als redelijk werd beschouwd.
Dit is in geen enkel opzicht in tegenspraak met het communautaire wettigheidsbeginsel, dat voor de justitiabelen weliswaar het recht meebrengt om de geldigheid van verordeningen in rechte aan te vechten, doch voor alle subjecten van het gemeenschapsrecht ook de verplichting meebrengt om de volledige werking van de verordeningen te erkennen, zolang hun ongeldigheid niet door een bevoegde rechter is vastgesteld.
18 Een geding tot schadevergoeding tussen een ambtenaar en de instelling waarbij hij in dienst is of was, valt, wanneer het voortkomt uit de dienstbetrekking, binnen het kader van artikel 152 EGA-Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut en ligt met name op het punt van de ontvankelijkheid buiten het toepassingsgebied van zowel de artikelen 151 en 188 EGA-Verdrag.
19 Wanneer de Gemeenschap wegens gedragingen van een van haar instellingen aansprakelijk wordt gesteld, wordt zij voor het Hof vertegenwoordigd door de instelling of instellingen aan welke het feit dat tot de aansprakelijkheidsactie aanleiding geeft, wordt verweten. Bij een geding dat binnen het kader van artikel 152 EGA-Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut valt, kan uit de omstandigheid dat een vordering is ingesteld tegen de instelling die het bezwarend besluit heeft genomen, en niet tegen de instelling waaraan het feit dat tot de aansprakelijkheidsactie aanleiding geeft, wordt verweten, evenwel niet worden afgeleid, dat zij een beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk maakt, wanneer dit nauw verband houdt met een beroep tot nietigverklaring dat zelf ontvankelijk is.
20 De vaststelling dat een uit een normatieve handeling van de Gemeenschap voortvloeiende rechtssituatie onwettig is, volstaat op zichzelf niet om de Gemeenschap aansprakelijk te maken in het kader van artikel 152 EGA-Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut. Deze handeling moet bovendien onwettig zijn wegens een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel.
In een situatie die wordt gekenmerkt door de ruime bevoegdheid van de instellingen om via algemene bepalingen de voorschriften betreffende de oprichting en de werking van overeenkomstig hoofdstuk 5 van titel II van het EGA-Verdrag opgerichte gemeenschappelijke ondernemingen vast te stellen, kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk zijn, indien de betrokken instelling op klaarblijkelijke en ernstige wijze de aan de uitoefening van haar bevoegdheden gestelde grenzen heeft miskend.
Partijen
In de gevoegde zaken T-177/94,
H. Altmann, woonachtig te Wantage, Oxon (Verenigd Koninkrijk), en de 56 andere verzoekers wier naam wordt vermeld in bijlage 1 bij onderhavig arrest, vertegenwoordigd door K. Parker, QC, en R. Thompson, Barrister, bij de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Hoss, advocaten aldaar, Côte d'Eich 15,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. G. Crossland, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door D. Canga Fano en J.-P. Hix, leden van zijn juridische dienst, en aanvankelijk door Y. Cretien, juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
interveniënt, en T-377/94,
M. Casson, woonachtig te Chilton, Oxon (Verenigd Koninkrijk), en de 13 andere verzoekers wier naam wordt vermeld in bijlage 2 bij onderhavig arrest, vertegenwoordigd door K. Parker, QC, en R. Thompson, Barrister, bij de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Hoss, advocaten aldaar, Côte d'Eich 15,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. G. Crossland en J. Currall, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door D. Canga Fano en J.-P. Hix, leden van zijn juridische dienst, en aanvankelijk door Y. Cretien, juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
interveniënt,
betreffende een beroep strekkende primair tot nietigverklaring van het besluit houdende weigering om verzoekers als tijdelijke functionarissen in het personeel van de Commissie op te nemen, alsmede tot vergoeding van de schade die daardoor zou zijn veroorzaakt,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: B. Pastor, hoofdadministrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 28 maart 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
I - De feiten
Rechtskader
1 De gemeenschappelijke onderneming Joint European Torus (JET), Joint Undertaking (hierna: "JET" of "gemeenschappelijke onderneming") is voor een duur van 12 jaar, ingaande op 1 juni 1978, opgericht bij besluit 78/471/Euratom van de Raad van 30 mei 1978 (PB 1978, L 151, blz. 10), dat is genomen op grond van de artikelen 46, 47 en 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: "EGA-Verdrag"). Zij heeft tot doel, als onderdeel van het fusieprogramma van de Gemeenschap en ten behoeve van de deelnemers van dit programma, een grote torus van het Tokamak-type en bijbehorende installaties te bouwen, in bedrijf te nemen en te exploiteren (hierna: "project").
2 Dit project, dat van meet af aan is opgezet als een communautair project, zoals blijkt uit de derde overweging van besluit 78/471 van 30 mei 1978, reeds aangehaald, en uit artikel 8.2 van de statuten van JET (hierna: "statuten"), die als bijlage aan dit besluit zijn gehecht, is thans de speerpunt van de Europese gemeenschappelijke inspanning op het gebied van de beheerste thermonucleaire kernversmelting. Volgens bijlage I bij beschikking 94/799/Euratom van de Raad van 8 december 1994 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en onderwijs op het gebied van de beheerste thermonucleaire fusie (1994-1998) (PB 1994, L 331, blz. 22), is de lange-termijndoelstelling van het communautaire fusieprogramma de gezamenlijke ontwikkeling van veilige en milieuvriendelijke reactorprototypes, die uiteindelijk moet leiden tot de bouw van economisch levensvatbare elektriciteitscentrales. Voor de verwezenlijking van dit doel wordt aan een tijdschema van tientallen jaren gedacht. Uit deze bijlage alsmede uit de Evaluatie van het beheer van JET, in bijlage bij het jaarverslag van de Rekenkamer over de financiële staat 1990 van de gemeenschappelijke onderneming (PB 1992, C 41, blz. 1; hierna: "studie van de Rekenkamer") blijkt, dat de strategie op lange termijn van het fusieprogramma drie tussenfasen omvat, die lopen tot in het midden van de volgende eeuw, om uiteindelijk tot een commercieel prototype van een fusiereactor te komen:
a) de "Joint European Torus" (JET) en andere installaties om bepaalde aspecten van de wetenschappelijke haalbaarheid van kernfusie te demonstreren;
b) een "Next Step"-installatie om de demonstratie van de wetenschappelijke haalbaarheid te voltooien en om sommige aspecten van de technische haalbaarheid te onderzoeken. Dit wordt dan de "Next European Torus" (NET), ofwel een "Internationale Thermonucleaire Experimentele Reactor" (ITER), waarvoor zal worden samengewerkt met Japan, de VS en de USSR;
c) demonstratiemodellen en prototypes van reactors, die behoorlijke hoeveelheden elektriciteit kunnen leveren.
In haar opmerkingen bij de studie van de Rekenkamer (PB 1992, C 41, blz. 19) verklaarde de Commissie het ermee eens te zijn dat "de overdracht van technologie en know-how van JET naar de $Next Step'-activiteiten essentieel is voor de doeltreffendheid van het fusieprogramma", en deelde zij mee dat zij "blijft zoeken naar manieren om deze overdracht te vergemakkelijken en uit te breiden, in het bijzonder wat het personeel betreft".
3 Volgens artikel 1 van de statuten is JET gevestigd te Culham (Verenigd Koninkrijk) bij de United Kingdom Atomic Energy Authority (hierna: "UKAEA" of "ontvangende organisatie"). De leden van de gemeenschappelijke onderneming zijn thans de EGA, de ontvangende organisatie (UKAEA), de met de UKAEA vergelijkbare ondernemingen in de overige Lid-Staten van de EGA en de Zwitserse Confederatie.
4 De organen van de gemeenschappelijke onderneming zijn de JET-raad en de directeur van het project (artikel 3 van de statuten). De JET-raad, die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de leden van de gemeenschappelijke onderneming, is belast met het beheer van de gemeenschappelijke onderneming en neemt de fundamentele beslissingen voor de tenuitvoerlegging van het project (artikel 4).
5 Artikel 8 van de statuten betreft het team van het project. Krachtens artikel 8.1 bestaat het team uit personeel, afkomstig van de leden van JET, als bedoeld in artikel 8.3 (volgens hetwelk de leden van de gemeenschappelijke onderneming aan deze laatste gekwalificeerd wetenschappelijk personeel ter beschikking stellen), en uit "ander personeel". Deze beide categorieën personeel worden aangeworven overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 8.4 en 8.5:
- naar luid van artikel 8.4 blijft "het personeel dat door de ontvangende organisatie ter beschikking wordt gesteld, in dienst van deze organisatie volgens de bij deze organisatie geldende voorwaarden en wordt door deze organisatie aan de gemeenschappelijke onderneming toegewezen";
- naar luid van artikel 8.5 wordt "tenzij in speciale gevallen anders wordt besloten overeenkomstig de procedures voor het in dienst nemen van het beheer over het personeel als besloten door de JET-raad, personeel dat door de leden van de gemeenschappelijke onderneming, met uitzondering van de ontvangende organisatie, ter beschikking wordt gesteld, alsmede ander personeel, door de Commissie aangeworven in tijdelijke ambten overeenkomstig de $Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen' en door de Commissie aan de gemeenschappelijke onderneming toegewezen".
Volgens artikel 8.8 van de statuten "verbindt elk lid zich ertoe, het personeel dat het ter beschikking van het project heeft gesteld en dat door de Commissie in tijdelijke ambten is aangeworven, weer in dienst te nemen zodra dit het werk aan het project heeft voltooid" ("return ticket"-systeem).
6 Deze bepalingen zijn aangevuld door de "aanvullende bepalingen betreffende de tewerkstelling en het beheer van het personeel van de gemeenschappelijke onderneming JET" (hierna: "aanvullende bepalingen"), welke door de JET-raad zijn vastgesteld krachtens artikel 8.5 van de statuten.
7 Volgens artikel 9.1 van de statuten komen de kosten van de JET, met inbegrip van de kosten betreffende de bezoldiging van het haar ter beschikking gestelde personeel, voor 80 % ten laste van de EGA, voor 10 % ten laste van de UKAEA en voor de overige 10 % van alle andere leden dan de EGA.
Het arrest Ainsworth
8 In 1983 verzocht een aantal Britse onderdanen die in dienst waren van de UKAEA en door haar ter beschikking waren gesteld van JET, om door de Commissie te worden aangeworven als tijdelijk functionaris. Toen deze verzoeken niet werden ingewilligd, stelden zij beroep in bij het Hof. In zijn arrest van 15 januari 1987 (gevoegde zaken 271/83, 15/84, 36/84, 113/84, 158/84, 203/84 en 13/85, Ainsworth, Jurispr. 1987, blz. 167; hierna: "arrest Ainsworth") oordeelde het Hof:
- dat gelet op de beperkte bestaansduur van de gemeenschappelijke onderneming en het streven om alle personeelsleden van JET na afloop van het project werkgelegenheid te garanderen, de JET-directie in overeenstemming met de eisen van een goed bestuur en niet in strijd met de bepalingen van de statuten had gehandeld, door van iedere kandidaat te verlangen dat hij een lid van de organisatie bereid vindt hem ter beschikking van JET te stellen, ook al waren onder deze omstandigheden de bepalingen van de artikelen 8.1 en 8.5 van de statuten, inhoudende dat het team van het project ook "ander personeel" omvat, in de praktijk zonder gevolg gebleven (r.o. 19-24);
- dat de JET-directie, door aan kandidaten van Britse nationaliteit de eis te stellen dat zij door UKAEA ter beschikking werden gesteld van JET en niet door een andere organisatie die lid was, zich had schuldig gemaakt aan een discriminatie op grond van nationaliteit, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestond en die derhalve onwettig was, doch dat deze praktijk niet van invloed was geweest op de positie van verzoekers, aangezien geen van hen had aangetoond of zelfs maar had gesteld dat hij, om aan de eisen te kunnen voldoen, had moeten afzien van de mogelijkheid om door een ander lid van JET dan UKAEA ter beschikking te worden gesteld (r.o. 25-29);
- dat het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling geen discriminatie op grond van nationaliteit was, doch dat het fundamentele beginsel van gelijke behandeling zich ertegen verzet dat vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld, tenzij dat verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is (r.o. 32 en 33);
- dat, gelet op de bijzondere kenmerken van de gemeenschappelijke onderneming, de bevoorrechte rol die in verband daarmee aan UKAEA was toebedeeld en de wens om te voorkomen dat deze situatie haar eigen goede werking zou verstoren, het aldus ingevoerde verschil in behandeling tussen het door UKAEA ter beschikking van JET gesteld personeel en het door de andere leden van de gemeenschappelijke onderneming ter beschikking gestelde personeel, objectief gerechtvaardigd was (r.o. 34-39).
Latere ontwikkeling
9 De bestaansduur van het JET-project, die aanvankelijk 12 jaar zou bedragen (1978-1990), is na het arrest Ainsworth door de Raad verlengd: eerst tot en met 31 december 1992 bij besluit 88/447/Euratom van de Raad van 25 juli 1988 (PB 1988, L 222, blz. 4), vervolgens tot en met 31 december 1996 bij besluit 91/677/Euratom van de Raad van 19 december 1991 (PB 1991, L 375, blz. 9). Hangende de procedure voor het Gerecht stond vast dat de bestaansduur van JET zou worden verlengd tot na 1996 (zie besluit 94/799 van 8 december 1994, reeds aangehaald, en het besluit van de JET-raad van 21 maart 1995, waarin officieel om een nieuwe verlenging van JET bij besluit van de Raad werd verzocht). Deze derde verlenging, tot en met 31 december 1999, is formeel goedgekeurd bij besluit 96/305/Euratom van de Raad van 7 mei 1996 (PB 1996, L 117, blz. 9).
10 Omdat zij van mening waren dat de omstandigheden sinds het arrest Ainsworth waren gewijzigd, dienden in februari 1990 206 personeelsleden van de UKAEA die ter beschikking van JET waren gesteld, een verzoekschrift in bij het Europees Parlement, waarin zij het Parlement verzochten, bij de Commissie en de Raad erop aan te dringen dat een einde werd gemaakt aan de discriminatoire praktijken waarvan zij zich het slachtoffer voelden.
11 De ondertekenaars van dit verzoekschrift beklaagden zich onder meer over:
a) discriminatie tussen hun arbeidsvoorwaarden en die van onderdanen van andere Lid-Staten, die altijd als tijdelijk functionaris van de Commissie voor JET werken. Dienaangaande stelden zij, dat voor hen, als personeelsleden van UKAEA, de bezoldiging ongeveer de helft bedroeg van de bezoldiging van het personeel dat als tijdelijk functionaris in dienst was van de Commissie, en dat Britse hogere personeelsleden vaak een lagere bezoldiging ontvingen dan degenen die onder hen werkten;
b) discriminatie met betrekking tot hun carrièrevooruitzichten, aangezien de personeelsleden van JET die tijdelijk functionaris van de Commissie waren, voorrang genoten bij de toegang tot andere communautaire posten, in het bijzonder op het gebied van de EGA.
12 Bovendien stelden de indieners van het verzoekschrift, dat JET en/of haar leden sedert het arrest Ainsworth en in strijd met dit arrest een aantal praktijken hadden vastgesteld of toegepast, die ertoe strekten of ten gevolge hadden dat de aanwerving van Britse onderdanen door andere leden dan UKAEA werd verhinderd, in het bijzonder:
a) de handhaving van het vereiste dat eenieder die voor JET wilde werken, eerst een "return ticket" diende te verkrijgen van een lid van JET;
b) een overeenkomst of onderlinge afstemming tussen de leden van JET om de "return tickets" van Britse onderdanen te weigeren die waren afgegeven door andere leden dan UKAEA;
c) de zogenoemde "eerst ontslag"-regel of "resign first rule", welke in 1987 in de aanvullende bepalingen is ingevoerd en op grond waarvan een Brits onderdaan die in dienst is van UKAEA, eerst zijn post bij JET moet opgeven alvorens te solliciteren naar enige andere post van tijdelijk functionaris van de Gemeenschap bij JET;
d) de zogenoemde "six months leave from site rule". Tijdens de procedure voor het Gerecht kon niet worden vastgesteld, wat deze regel precies inhield, zodat deze in het onderhavige arrest niet nader zal worden onderzocht.
13 Verder stelden de indieners van het verzoekschrift, dat de feitelijke omstandigheden sinds het arrest Ainsworth radicaal waren gewijzigd, in het bijzonder omdat:
a) UKAEA zich niet meer ertegen verzette, dat Britse onderdanen die bij haar in dienst waren en voor JET werkten, tijdelijk functionaris van de Gemeenschap werden (zie verklaring van de president van UKAEA van 17 oktober 1989, in bijlage 15 bij het verzoekschrift), zodat er geen risico bestond dat een dergelijke wijziging de sociale vrede te Culham zou verstoren;
b) noch het stelsel van "return tickets", noch het dienstverband met UKAEA werkgelegenheid garandeerden na afloop van het project (zie bijlagen 9 en 11 bij het verzoekschrift);
c) vele personen die voor JET werkten, vóór hun terbeschikkingstelling van het project niet in dienst waren van UKAEA of van een ander lid en dus geen reële band hadden met het lid dat hun zijn patronage had verleend ("sponsoring member"); in het bijzonder hadden 97 Britse personeelsleden van JET geen enkele band met UKAEA vóór hun tewerkstelling bij JET (zie bijlage 10 bij het verzoekschrift);
d) het JET-project niet meer als een tijdelijk project kon worden beschouwd, aangezien het een bestaansduur van ten minste 18 jaar en waarschijnlijk ten minste 21 jaar had; vele van de betrokken Britse onderdanen zouden aldus meer dan de helft van hun beroepsleven in dienst van JET hebben doorgebracht.
14 Onder deze omstandigheden waren de indieners van het verzoekschrift van mening, dat de verplichting dat Britse onderdanen over een door een ander lid van JET afgegeven "return ticket" dienden te beschikken, indien zij als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap wensten te worden aangesteld, niet meer gerechtvaardigd was. Volgens hen was de billijkste en doeltreffendste oplossing, dat al het bij JET tewerkgestelde personeel dezelfde werkgever zou hebben. De indieners van het verzoekschrift verzochten eveneens om schadevergoeding voor de discriminatie waarvan zij zich het slachtoffer voelden.
15 In oktober 1991 heeft de commissie Verzoekschriften van het Parlement vastgesteld dat "wel degelijk sprake is van discriminatie jegens de indieners van het verzoekschrift en dat daaraan een einde moet worden gemaakt". Bij wetgevingsresolutie van 10 december 1991 (PB 1992, C 13, blz. 50) heeft het Parlement daarop twee amendementen ingediend op het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende de verlenging van de bestaansduur van JET tot 1996, waarin zij enerzijds te kennen gaven dat zij vreesden "dat het verschil in bezoldiging tussen de wetenschappers in dienst van de Commissie en die in dienst van de nationale overheden niet alleen zal leiden tot nieuwe spanningen bij JET in Culham, maar ook de mobiliteit van onderzoekers zal belemmeren", en zij anderzijds de Commissie verzochten, dat zij "binnen zes maanden een onafhankelijk adviesorgaan zal belasten met het opstellen van een voorstel waarin betaling op grond van prestaties, en niet op grond van starre statutaire bepalingen, wordt voorzien".
16 De Commissie heeft dit probleem laten bestuderen door de zogenoemde "werkgroep Pandolfi" en een externe deskundige. In het rapport van de werkgroep Pandolfi van 16 september 1992 werden onder meer de navolgende aanbevelingen gedaan:
- dat naar "wegen wordt gezocht om UKAEA-medewerkers van JET desgewenst tijdelijke Euratom-contracten aan te bieden voor de duur van hun werkzaamheden voor JET" (aanbeveling nr. 1);
- wanneer deze aanbeveling niet wordt overgenomen, "naar mogelijkheden te zoeken om UKAEA-medewerkers van JET die naar een permanente functie bij de Gemeenschap solliciteren, door de Commissie te laten behandelen als interne kandidaten of ze in ieder geval een voorkeursbehandeling te geven ten opzichte van andere externe sollicitanten" (aanbeveling nr. 2);
- verlenging van de regeling betreffende de "toelage voor het behoud van ervaring", die tussen UKAEA en de personeelsvertegenwoordigers was overeengekomen en die het verschil tussen de bezoldiging van dit personeel in dienst van JET en die van de tijdelijke functionarissen van de Gemeenschap diende te compenseren (aanbeveling nr. 3).
17 Op 26 februari 1993 vond een buitengewone vergadering van de JET-raad plaats, waarin deze zijn standpunt diende te bepalen met betrekking tot de aanbevelingen van het rapport van de werkgroep Pandolfi. Uit de conclusies van deze vergadering blijkt, dat "een duidelijke meerderheid van de leden van de JET-raad [aanbeveling nr. 1] globaal onaanvaardbaar achtte en de Commissie adviseerde daarmee niet verder te gaan". Met betrekking tot aanbeveling nr. 2 merkte de JET-raad op, dat "de Commissie in het kader van de haar door de statuten gestelde grenzen reeds maatregelen heeft genomen waardoor ook voor UKAEA-medewerkers van JET de mogelijkheden worden verbeterd om op posten elders in het kader van het fusieprogramma te worden aangeworven", en verzocht hij de Commissie ervoor te zorgen dat deze praktijken in stand blijven. Het standpunt van de JET-raad is bevestigd tijdens zijn vergadering van 13 en 14 oktober 1993.
18 In haar rapport aan het Parlement betreffende het rapport van de werkgroep Pandolfi, gedateerd 31 maart 1993, stelde de Commissie zich op het standpunt, dat "de uitvoering van aanbeveling nr. 1 de beste oplossing zou zijn om het project op goede wijze af te ronden". Gezien de conclusies van de buitengewone vergadering van de JET-raad op 26 februari 1993, was het volgens de Commissie echter niet waarschijnlijk dat deze aanbeveling op de vereiste meerderheid in de JET-raad kon rekenen. Verder stelde de Commissie dat de uitvoering van deze aanbeveling zou vereisen, dat er "return tickets" worden uitgereikt door UKAEA om een nieuwe discriminatie, ditmaal ten nadele van door andere leden dan UKAEA aan JET ter beschikking gesteld personeel, te voorkomen, en merkte zij op dat UKAEA tegen de afgifte van dergelijke "return tickets" was. Met betrekking tot aanbeveling nr. 2 merkte de Commissie op dat zij, ofschoon zij deze aanbeveling niet kon onderschrijven in verband met beperkingen die uit de statuten voortvloeiden, diverse stappen had ondernomen en naar mogelijkheden zou blijven zoeken om de toekomstige carrièremogelijkheden van JET-personeelsleden, met inbegrip van die welke ter beschikking waren gesteld door UKAEA, te bevorderen. Zo noemde zij in dit verband een opleidingsprogramma en maatregelen om de leeftijdsgrens voor sollicitaties van dit personeel naar functies bij het ITER-project van 35 tot 50 jaar op te trekken.
19 Namens de JET-directie was de directeur van JET van oordeel, dat aanbeveling nr. 1 van het rapport van de werkgroep Pandolfi als enige "het herstel van de sociale vrede zou waarborgen" (zie punt 11 van het rapport van de Commissie aan het Parlement). Het comité van vertegenwoordigers van het personeel van JET (JET Staff Representatives Committee of SRC), alsmede de IPMS (Institution of Professionals, Managers and Specialists) en de CPSA (Civil and Public Services Association), de twee vakbondsorganisaties die het UKAEA-personeel vertegenwoordigen, stelden zich hunnerzijds in een rapport van 9 februari 1993 op het standpunt, dat aanbeveling nr. 2 noch aanbeveling nr. 3, afzonderlijk beschouwd, een bevredigende oplossing voor de onwettige discriminerende behandeling van de Britse personeelsleden van het team van JET boden. Volgens hen is de overgang naar een tijdelijk dienstverband bij de Gemeenschappen het enige middel waarmee deze laatsten gedurende de rest van de bestaansduur van JET op gelijke voet kunnen worden behandeld als hun collega's en na de beëindiging van het project redelijke carrièrevooruitzichten kunnen hebben.
20 In een in antwoord op het rapport van de werkgroep Pandolfi in september 1992 gepubliceerde mededeling en vervolgens in een brief van haar president van 15 maart 1994 deelde UKAEA mede, dat zij zich niet tegen aanbeveling nr. 1 zou verzetten, mits haar personeelsleden die tijdelijk functionaris van de Gemeenschap zouden worden, ontslag nemen bij UKAEA. Ook drukte zij haar steun uit voor aanbeveling nr. 2.
21 Nadat de begrotingscommissie van het Parlement ernstige kritiek had geuit op het feit dat de JET-raad aanbeveling nr. 1 van de hand had gewezen "met verwaarlozing van zijn verantwoordelijkheden (...) zonder daarvoor een gegronde reden aan te voeren, terwijl alle andere betrokken partijen voorstander van deze aanbeveling waren" (werkdocument PE 204.729 van 20 april 1993, bijlage 19 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94), heeft het Parlement tijdens zijn voltallige zitting van 17 december 1993 besloten, een bedrag van 59 miljoen ECU op de bijdrage van de Gemeenschap aan JET (dat wil zeggen meer dan de helft van de totale jaarlijkse begroting van het project) in reserve te plaatsen, met de aantekening dat dit bedrag "in reserve zal blijven totdat de Commissie en UKAEA zich bereid verklaren tot een wijziging van hun standpunten en regelingen die discriminaties hebben veroorzaakt en nog steeds veroorzaken voor de Britse onderdanen die functionarissen van de EG willen worden". Ook heeft het Parlement een krediet van 2 miljoen ECU in de begroting opgenomen, dat bedoeld is om door de toekenning van premies de personen schadeloos te stellen "die momenteel in dienst zijn bij JET en die op het ogenblik van hun indiensttreding aan de aanwervingscriteria van Euratom voldeden". De president van het Parlement gaf hiervoor in een kennelijk niet gedateerde brief aan de voorzitter van de JET-raad (zie bijlage 22 bij het verzoekschrift in zaak T-377/94) de navolgende verklaring:
"Het Europees Parlement heeft altijd zijn volledige steun verleend aan het fusieprogramma en in het bijzonder aan het JET-project, een van de belangrijkste gemeenschappelijke wetenschappelijke projecten in Europa. Het Parlement kan evenwel geen discriminerende procedures in een door de Gemeenschap gesteund project of maatregelen die ingaan tegen ons idee van de rol van Europese onderzoekers, aanvaarden.
De reden waarom dit jaar fondsen in de reserve zijn opgenomen, houdt dus direct verband met dit probleem, dat bij JET nog niet is opgelost, hetgeen ook geldt voor de toekenning van 2 miljoen ECU. Pogingen om de reserves voor het project vrij te maken, dienen zich dus eerder te concentreren op een regeling van de interne discriminatie dan op een korting van het programma. Bovendien moeten de 2 miljoen ECU niet als een onverschuldigde verhoging van de betalingen aan individuele personeelsleden worden gezien, maar als een bijdrage van de Gemeenschap aan de JET ten gunste van diegenen die in het verleden het slachtoffer waren van discriminerende aanwervingsprocedures."
22 Het Parlement en de Commissie lijken op 3 mei 1994 een politiek compromis te hebben bereikt, waardoor de in de reserve geplaatste bedragen konden worden vrijgemaakt. De voorwaarden van dit compromis zijn blijkbaar neergelegd in een "Note of Understanding" (zie bijlage 4 bij de repliek in zaak T-177/94), waarin onder meer wordt bepaald:
"2. Volgens de overeenkomst wordt een einde gemaakt aan de praktijken, genaamd $resign first' en $six months leave from site'. Voor ITER worden in 1994 20 posten in de A-, B- of C-rangen gecreëerd; in 1995 en de daarop volgende jaren zal de Commissie elk jaar 10 extra A-, B- of C-posten aanvragen. De leeftijdsgrens in de selectieprocedures voor de fusieposten is vastgesteld op 50 jaar.
3. De aanwerving van dit personeel geschiedt op een niet-discriminerende basis, met volledige inachtneming van de sociale realiteit (met inbegrip van het probleem van de UKAEA-medewerkers van JET).
4. Het UKAEA-personeel in dienst van JET op 24 februari 1994 heeft aanspraak op 2 miljoen ECU naar evenredigheid van de tijd gedurende welke zij voor JET hebben gewerkt.
(...)"
23 Ter terechtzitting heeft verweerster in antwoord op een vraag van het Gerecht verklaard, dat het bedrag van 2 miljoen ECU in december 1995 was betaald aan de personeelsleden die aan de vereiste voorwaarden voldeden, behoudens een inhouding van 10,2 %, die overeenkwam met een bedrag betreffende sociale zekerheid, dat tussen UKAEA en de Department of Social Security in geschil is. Het bedrag was tussen het betrokken UKAEA-personeel verdeeld op basis van de duur van hun tewerkstelling bij JET à raison van 700 UKL per dienstjaar. Gemiddeld was een bedrag van 5 000 à 10 000 UKL uitbetaald. Volgens verzoekers moet deze betaling als een gebaar van goede wil van het Parlement jegens hen worden beschouwd, als erkenning van de bij JET bestaande discriminatie, en in geen geval als een adequate vergoeding voor deze discriminatie. Ook de Commissie acht dit een discretionaire gratificatie, die door het Parlement is toegekend in verband met de "onplezierige" situatie die het had ontdekt.
24 Uit de antwoorden van verweerster op andere vragen van het Gerecht blijkt, dat tussen 1993 en 1996 het aantal UKAEA-medewerkers bij JET ten minste 230 bedroeg. Daarentegen daalde het aantal tijdelijke functionarissen van de Gemeenschap, die bij JET waren tewerkgesteld, van 163 op 1 januari 1993 naar 117 op 1 januari 1996. Het team van het project omvat eveneens personeel op overeenkomst, dat door externe ondernemingen ter beschikking wordt gesteld, een aantal personeelsleden dat ter beschikking wordt gesteld door het directoraat-generaal Wetenschappen, Onderzoek en Ontwikkeling (DG XII), en verschillende andere categorieën personeel dat voor korte periodes op basis van verschillende regelingen wordt gedetacheerd.
Precontentieuze administratieve procedure
25 Na de publikatie van het rapport van de werkgroep Pandolfi stuurden verzoekers in onderhavige zaken, allen van Britse nationaliteit, personeel van UKAEA en in dienst bij JET, ieder afzonderlijk een brief aan de directeur van JET, wat de verzoekers Altmann en anderen betreft tussen 18 en 29 januari 1993, en wat de verzoekers Casson en anderen betreft tussen 28 september en 19 oktober 1993, waarin zij verzochten om als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap te worden aangesteld. Op deze verzoeken is niet geantwoord.
26 Verzoekers Altmann en anderen dienden op 12 en 17 augustus 1993 twee gezamenlijke klachten in tegen de stilzwijgende afwijzing van hun verzoeken. Ook verzoekers Casson en anderen hebben tegen de stilzwijgende afwijzing van hun verzoeken gezamenlijke klachten ingediend op 14 april en 20 mei 1994. Al deze klachten zijn gezonden aan de secretaris-generaal van de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad, de directeur van JET en de voorzitter van de JET-raad.
27 Onder verwijzing naar onder meer de argumenten die zij hadden aangevoerd in hun verzoekschrift aan het Parlement, verzochten verzoekers bij deze klachten om:
"- aanstelling van de ondertekenaars als $ander personeel' in de zin van artikel 8.5 van de statuten van de gemeenschappelijke onderneming JET en derhalve als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap;
- de verzekering dat de ondertekenaars onder dezelfde voorwaarden worden aangesteld als de andere tijdelijke functionarissen van de Gemeenschap, die op grond van artikel 8.5 van deze statuten zijn aangesteld, en in het bijzonder dat de tussen de Commissie en de personeelsorganisatie van deze andere functionarissen gesloten overeenkomst betreffende de toekomstige functie die hun als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap moet worden aangeboden, op hen van toepassing is;
- subsidiair, intrekking van de door JET na het arrest [Ainsworth] ingevoerde $regels' die tot gevolg hebben dat de door het Hof in rechtsoverweging 26 van dit arrest veroordeelde onwettige discriminatie blijft voortbestaan; en
- in elk geval schadeloosstelling van de ondertekenaars voor de verliezen die zij hebben geleden als gevolg van hetgeen in de klacht aan de orde is gesteld".
28 Alleen de Commissie heeft stappen ondernomen naar aanleiding van deze twee reeksen van klachten. Zij heeft deze afgewezen bij twee besluiten (hierna: "besluiten"), die in nagenoeg identieke woorden zijn gesteld: het eerste, gedateerd 14 januari 1994 (hierna: "besluit Altmann"), dat is gericht tot de verzoekers Altmann en anderen en door hen tegen het einde van die maand is ontvangen; het tweede, gedateerd 16 september 1994 (hierna: "besluit Casson"), dat is gericht tot verzoekers Casson en anderen bij een brief van de dienst personeelszaken en administratie van JET, welke is gedateerd 27 oktober 1994 en door hen begin november 1994 is ontvangen.
29 In elk van beide besluiten verklaarde de Commissie, dat zij antwoordde "aan de personeelsleden van de gemeenschappelijke onderneming JET, Culham, die op grond van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut klachten hebben ingediend" tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van hun verzoek om aanstelling als tijdelijk functionaris, "dat bij het tot aanstelling bevoegde gezag was ingediend".
30 Ten gronde betoogde de Commissie in deze besluiten onder meer, dat de aanstelling van verzoekers als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap in strijd zou zijn met artikel 8.4 van de statuten van JET en dat de JET-raad tijdens zijn vergadering van 26 februari 1993 had besloten, de Commissie te vragen om geen stappen te ondernemen op basis van aanbeveling nr. 1 van het rapport van de werkgroep Pandolfi.
II - Procesverloop en conclusies van partijen
31 Bij op 22 april 1994 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift hebben verzoekers Altmann en anderen beroep ingesteld, dat oorspronkelijk tegen de Commissie en de JET-raad was gericht, in zaak T-177/94.
32 Bij op 24 november 1994 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift hebben verzoekers Casson en anderen een soortgelijk beroep ingesteld, dat ook aanvankelijk tegen de Commissie en de JET-raad was gericht, in zaak T-377/94.
33 Bij beschikking van 16 december 1994 heeft het Gerecht (Derde kamer) het beroep in zaak T-177/94 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het was gericht tegen de JET-raad.
34 Bij brief van 15 februari 1995 aan de griffier van het Gerecht hebben verzoekers verklaard, te berusten in de beschikking van 16 december 1994 en te aanvaarden dat de Commissie in de beide zaken T-177/94 en T-377/94 als enige verweerster wordt beschouwd.
35 Bij beschikkingen van 13 januari, respectievelijk 7 april 1995 is de Raad toegestaan, in de zaken T-177/94 en T-377/94 te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van verweerster.
36 De zaken T-177/94 en T-377/94 zijn gevoegd bij beschikking van 7 april 1995.
37 Bij beschikking van het Gerecht van 19 september 1995 is de rechter-rapporteur in de gevoegde zaken T-177/94 en T-377/94 per 1 oktober 1995 ingedeeld bij de Tweede kamer, waaraan deze zaken bijgevolg zijn toegewezen.
38 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) besloten over te gaan tot de mondelinge behandeling en heeft het bij brieven van 12 december 1995 en 8 maart 1996 bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang, als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering, partijen verzocht vóór de terechtzitting schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden. De antwoorden van verzoekers zijn neergelegd op 22 januari 1996 en die van verweerster op 15 februari en 21 maart 1996.
39 Bij brief aan de griffier van 18 maart 1996 heeft verzoekers' advocaat het Gerecht meegedeeld, dat D. Hurford, de zesentwintigste verzoeker in zaak T-177/94, ontslag had genomen bij JET en dat hij de procedure niet wenste voort te zetten.
40 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter openbare terechtzitting van 28 maart 1996.
41 Alle verzoekers concluderen in identieke bewoordingen, dat het het Gerecht behage:
1) te verklaren, dat de toepassing van de statuten en de aanvullende bepalingen daarvan op de tewerkstelling van verzoekers bij JET sinds het arrest Ainsworth discriminerend en ongerechtvaardigd is geweest;
2) de Commissie en/of de JET-raad te gelasten, de nodige maatregelen te nemen opdat verzoekers voor de bestaansduur van het JET-project hetzij als "ander personeel" hetzij anderszins, tijdelijk functionaris van de Gemeenschap kunnen worden;
3) de Commissie en/of de JET-raad te gelasten, maatregelen te nemen om een einde te maken aan alle administratieve praktijken die ten doel of tot gevolg hebben dat:
a) de leden van de JET-raad worden verhinderd of ontmoedigd, aan verzoekers "return tickets" te verlenen ter verkrijging van de status van tijdelijk functionaris van de Gemeenschap, of
b) verzoekers worden verhinderd of belemmerd, naar posten bij JET te solliciteren, op grond dat zij in dat geval hun status zouden wijzigen en tijdelijk functionaris van de Gemeenschap zouden worden, of
c) verzoekers worden verhinderd of belemmerd, onder dezelfde voorwaarden als de andere personeelsleden van het JET-team naar dergelijke posten te solliciteren;
4) voor zover:
a) naar het oordeel van het Gerecht een van de praktijken of situaties waarover verzoekers zich beklagen, een noodzakelijk gevolg van de statuten is, en/of
b) de bepalingen van de statuten de toepassing van een van de door verzoekers gevraagde maatregelen verhinderen of belemmeren,
te verklaren, dat de statuten wat deze punten betreft discriminerend, ongerechtvaardigd en dus onwettig zijn;
5) de Commissie en/of de JET-raad te gelasten, alle nodige maatregelen te nemen om de statuten te wijzigen met inachtneming van een vaststelling als gevorderd sub 4 hierboven;
6) de Commissie en/of de JET-raad te gelasten, alle aanbevelingen uit het rapport van de werkgroep Pandolfi uit te voeren;
7) de Commissie te gelasten, verzoekers schadeloos te stellen voor de verliezen die zij door hun ongerechtvaardigde discriminatie hebben geleden, te weten het financiële verlies sinds de uitspraak van het Hof in de zaak Ainsworth, het verlies aan carrièremogelijkheden en, in voorkomend geval, het verlies aan anciënniteit in rang en daarmee samenhangende pensioenrechten;
8) richtsnoeren op te stellen die de Commissie bij de begroting van de door verzoekers geleden verliezen en schade moet volgen, alsmede termijnen te bepalen waarbinnen zij concrete voorstellen moet doen om hen schadeloos te stellen;
9) verweerster te verwijzen in de kosten van het geding; en
10) overeenkomstig 's Hofs Statuut en/of zijn eigen Reglement voor de procesvoering alle aanvullende maatregelen te treffen en alle aanvullende vergoedingen toe te kennen die het noodzakelijk, passend of billijk acht.
42 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- de beroepen in hun geheel te verwerpen;
- kosten rechtens.
43 Interveniënt concludeert, na te hebben gepreciseerd dat zijn interventie zich beperkt tot ondersteuning van de conclusies van de Commissie, strekkende tot verwerping van het beroep, voor zover daarmee de wettigheid en de geldigheid van de statuten van JET worden betwist, dat het het Gerecht behage:
- de beroepen te verwerpen;
- kosten rechtens.
III -Ontvankelijkheid
A - De strekking en de ontvankelijkheid van bepaalde conclusies van verzoekers
44 Om te beginnen herinnert het Gerecht eraan, dat het bevoegd is kennis te nemen van onderhavige beroepen, waarin verzoekers niet de hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid van de Gemeenschap hebben, doch aanspraak daarop maken (zie r.o. 33-36 van de beschikking van 16 december 1994, reeds aangehaald).
45 In het bijzonder gelet op de uitdrukkelijke verwijzing in het verzoekschrift naar artikel 73 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Regeling") en de artikelen 90 en 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut"), waarvan verzoekers overigens de procedure hebben gevolgd, is het Gerecht van oordeel dat hun eerste petitum, in voorkomend geval gelezen in samenhang met het tiende, aldus moet worden uitgelegd, dat het primair strekt tot nietigverklaring van het besluit Altmann c.q. het besluit Casson. Deze beide besluiten, waarbij verzoekers' klachten tegen de stilzwijgende afwijzing van hun verzoek om aanstelling als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap worden afgewezen, zijn bezwarende besluiten in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut. Verzoekers hebben de in de betrokken bepalingen voorgeschreven procedures gevolgd, zodat deze conclusies tot nietigverklaring ontvankelijk zijn.
46 Met het vierde petitum, waarbij verzoekers het Gerecht formeel vragen uitspraak te doen over de geldigheid van de statuten, wordt slechts gebruik gemaakt van de bij artikel 156 EGA-Verdrag aan iedere partij geboden mogelijkheid om naar aanleiding van een geschil waarbij een verordening van de Raad of van de Commissie in het geding is, de in de eerste alinea van artikel 146 EGA-Verdrag bedoelde middelen aan te voeren om voor de gemeenschapsrechter de niet-toepasselijkheid van deze verordening in te roepen. Derhalve is dit petitum niet autonoom doch bij wijze van incident aangevoerd tot staving van de primaire conclusies tot nietigverklaring van de bestreden besluiten, zodat dit petitum eveneens ontvankelijk moet worden verklaard (zie a contrario arresten Hof van 16 juli 1981, zaak 33/80, Albini, Jurispr. 1981, blz. 2141; 11 juli 1985, gevoegde zaken 87/77, 130/77, 22/83, 9/84 en 10/84, Salerno, Jurispr. 1985, blz. 2523, en 7 juli 1987, gevoegde zaken 89/86 en 91/86, Étoile commerciale en CNTA, Jurispr. 1987, blz. 3005).
47 Daarentegen dienen de conclusies, strekkende tot bevelen aan de Commissie (tweede, derde, vijfde en zesde petitum), volgens vaste rechtspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard. De gemeenschapsrechter kan namelijk in het kader van zijn wettigheidstoetsing geen bevelen tot de instellingen richten, met dien verstande dat de betrokken administratie gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een op een beroep tot nietigverklaring gewezen arrest (arrest Hof van 13 december 1989, zaak C-100/88, Oyowe en Traore, Jurispr. 1989, blz. 4285, r.o. 19; zie laatstelijk arrest Gerecht van 13 december 1995, zaak T-109/94, Windpark Groothusen, Jurispr. 1995, blz. II-3007).
B - De exceptie van gezag van gewijsde Argumenten van partijen
48 In het kader van zijn interventie, die beperkt is tot het geschil betreffende de wettigheid van de statuten van JET, stelt de Raad dat aan het arrest Ainsworth gezag van gewijsde toekomt voor die verzoekers die reeds partij waren in die zaak (zie arrest Hof van 16 februari 1965, zaak 14/64, Barge, Jurispr. 1965, blz. 68). Aangezien het Hof de wettigheid van het in de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten neergelegde stelsel van aanwerving heeft bevestigd, zouden deze verzoekers niet-ontvankelijk zijn, voor zover zij hetzelfde middel aanvoeren in het kader van een later beroep. De Raad herinnert eraan, dat het Hof overigens bij beschikking van 1 april 1987 (gevoegde zaken 159/84 en 267/84, 12/85 en 264/85, Ainsworth, Jurispr. 1987, blz. 1579) heeft verklaard, dat verschillende beroepen die door Ainsworth en anderen zijn ingesteld na het arrest Ainsworth "hetzelfde voorwerp [hadden] en op dezelfde middelen berust[t]en als de beroepen die [hadden] geleid" tot dit arrest en dat deze "mitsdien (...) niet-ontvankelijk [moesten] worden verklaard".
49 Verzoekers stellen daarentegen dat deze beroepen ontvankelijk zijn, voor zover zij wijzigingen in de omstandigheden na de uitspraak van het arrest Ainsworth stellen.
Beoordeling door het Gerecht
50 Volgens vaste rechtspraak kan het gezag van gewijsde dat toekomt aan het arrest waarbij het Hof de beroepen van Ainsworth en anderen heeft verworpen, slechts aan de ontvankelijkheid van onderhavig beroep in de weg staan, indien in deze beide beroepen dezelfde partijen tegenover elkaar staan en de beroepen hetzelfde voorwerp hebben en op dezelfde middelen berusten (arresten Hof van 19 september 1985, gevoegde zaken 172/83 en 226/83, Hoogovens Groep, Jurispr. 1985, blz. 2831, r.o. 9, en 22 september 1988, gevoegde zaken 358/85 en 51/86, Frankrijk/Parlement, Jurispr. 1988, blz. 4821, r.o. 12; arrest Gerecht van 8 maart 1990, zaak T-28/89, Maindiaux e.a., Jurispr. 1990, blz. II-59, r.o. 23).
51 Ter zake zij opgemerkt dat onderhavige beroepen primair strekken tot nietigverklaring van andere besluiten van de Commissie dan waartegen is opgekomen in de zaak Ainsworth, en derhalve een ander voorwerp hebben dan het beroep dat destijds door de verzoekers Ainsworth en anderen is ingesteld. Zoals het Gerecht namelijk reeds in zijn arrest Maindiaux (reeds aangehaald, r.o. 23) heeft verklaard, is de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, een essentieel gegeven om te kunnen bepalen, wat het voorwerp van een beroep is. De door de Raad aangevoerde beschikking van het Hof van 1 april 1987 in de zaak Ainsworth is in geen enkel opzicht relevant, omdat het Hof daarin juist heeft vastgesteld, dat de door Ainsworth en anderen na het arrest van 15 januari 1987 ingestelde beroepen "hetzelfde voorwerp [hadden]" als de beroepen die tot dit arrest hadden geleid, namelijk nietigverklaring van een zelfde besluit van de directeur van de gemeenschappelijke onderneming.
52 Ook al komen de tot staving van de onderhavige beroepen aangevoerde grieven tot op zekere hoogte overeen met die welke in de zaak Ainsworth zijn aangevoerd, in onderhavige zaak baseren verzoekers zich eveneens op andere middelen, feitelijk en rechtens, omdat zij juist aanvoeren dat de door het Hof in die zaak in aanmerking genomen objectieve rechtvaardigingen voor het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling niet meer bestaan.
53 De door interveniënt aangevoerde exceptie van gewijsde zaak dient derhalve te worden verworpen. Bij het onderzoek van de zaak ten gronde zal zowel met het arrest Ainsworth als met de in de onderhavige beroepen aangevoerde nieuwe vragen rekening moeten worden gehouden.
IV - De conclusies tot nietigverklaring
Middelen en voornaamste argumenten van partijen
54 Tot staving van hun conclusies tot nietigverklaring voeren verzoekers in wezen één middel aan, namelijk schending van het fundamentele beginsel van gelijke behandeling en van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.
55 Enerzijds betogen zij, dat de Britse leden van het JET-team op het punt van hun arbeidszekerheid aan het einde van het project ongunstiger worden behandeld dan de andere personeelsleden, en anderzijds dat hun bezoldiging en arbeidsvoorwaarden slechter zijn dan die van de andere leden van het JET-team.
56 Dit in de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten neergelegde verschil in behandeling, was sinds het arrest Ainsworth versterkt, doch als gevolge van de wijzigingen in de feitelijke situatie, anders dan het Hof toen had geoordeeld, niet meer objectief gerechtvaardigd. Dienaangaande betogen verzoekers in wezen, dat JET niet meer als een korte-termijnproject kan worden beschouwd en dat UKAEA zelf thans erkent dat de aanwerving van zijn personeelsleden in dienst van JET als tijdelijk functionaris van de Commissie de goede werking van zijn organisatie niet zal verstoren.
57 De oplossingen voor dit verschil in behandeling die werden aangegeven in het arrest Ainsworth, in het bijzonder de mogelijkheid voor Britse onderdanen om ter beschikking van het project te worden gesteld door andere leden van JET dan UKAEA en aldus tijdelijk functionaris van de Gemeenschap te worden, zijn bovendien ondoeltreffend geworden door verschillende praktijken die sedert 1987 worden toegepast door de directie en leden van de raad van JET.
58 Onder verwijzing naar in het bijzonder de gevallen van H. Altmann en A. Hubbard in 1987, A. Gondhalekar in 1989 en G. Fishpool en R. Shaw in 1993, stellen verzoekers in het bijzonder een onderlinge afstemming tussen de leden van JET om de aanstelling van Britse onderdanen door een ander lid dan UKAEA met het oog op hun tewerkstelling in het team van het project te verhinderen.
59 Bovendien zorgen de directie en de leden van JET ervoor, dat de Britse leden van dit team, zodra zij door UKAEA zijn aangesteld en bij het project zijn tewerkgesteld, wordt belet of althans ontraden om van werkgever te veranderen, door de zogenoemde "resign first rule", die in 1987 specifiek zou zijn ingevoerd in de plaats van de door het Hof veroordeelde praktijken. Bovendien blijkt onder meer uit het besluit van de Commissie van 28 december 1994 betreffende P. Stott, waarvan nietigverklaring wordt gevorderd in zaak T-99/95, dat een versie van deze regel van kracht is gebleven in weerwil van de bewoordingen van de "Note of Understanding" van 3 mei 1994 (zie r.o. 22 hierboven).
60 Bovendien is de praktijk waarbij van elke kandidaat wordt vereist dat hij een lidorganisatie vindt die bereid is hem ter beschikking te stellen van JET en iedere aanstelling van kandidaten als "ander personeelslid" op tijdelijke posten van de Gemeenschap wordt geweigerd, door de wijziging van de omstandigheden, anders dan het Hof had geoordeeld in 1987, niet meer in overeenstemming met de eisen van een goed beheer. Dienaangaande betogen verzoekers in wezen, dat noch het dienstverband bij UKAEA, noch de "return tickets" die aan niet-Britse personeelsleden van JET worden afgegeven, nog arbeidszekerheid aan het eind van het project bieden, zodat de Commissie op grond daarvan aan haar bij JET tewerkgestelde tijdelijke functionarissen bepaalde arbeidsgaranties had geboden, waarvan zij zijn uitgesloten.
61 Onder deze omstandigheden achten verzoekers de weigering van de Commissie in de besluiten Altmann en Casson om hen als "ander personeel" aan te stellen, zoals volgens hen nochtans mogelijk is volgens artikel 8.5 van de statuten, onrechtmatig en discriminerend. Bovendien had de Commissie in deze besluiten de strekking van de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten miskend.
62 Subsidiair, ingeval mocht worden vastgesteld dat deze weigering van de Commissie een noodzakelijke consequentie is van de tekst van de bepalingen van de statuten, die haar beletten om adequate maatregelen te nemen om een einde te maken aan de discriminatie waarvan zij stellen het slachtoffer te zijn, betogen verzoekers dat deze statuten onwettig zijn, omdat er geen enkele objectieve rechtvaardiging meer bestaat voor het daarin neergelegde verschil in behandeling.
63 Verweerster betwist dat de feitelijke omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de redenering van het Hof in het arrest Ainsworth niet meer geldt, en stelt dat in elk geval de objectieve rechtvaardiging voor het in de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten neergelegde verschil in behandeling in het geheel niet verdwenen is, zodat er in casu geen enkele reden is tot een andere conclusie te komen dan het Hof heeft gedaan in 1987.
64 Ter zake betoogt de Commissie, dat JET per definitie een tijdelijke onderneming blijft, ten aanzien waarvan UKAEA als ontvangende organisatie in een zeer specifieke positie blijft verkeren. Weliswaar heeft UKAEA geen bezwaar gemaakt tegen de eerste aanbeveling van het rapport van de werkgroep Pandolfi, doch het feit dat zij eraan vasthoudt dat zijn personeelsleden ontslag nemen wanneer zij tijdelijk functionaris van de Gemeenschap worden, benadrukt slechts de door het Hof als gerechtvaardigd erkende dichotomie.
65 Verweerster preciseert dat het voornaamste argument ter rechtvaardiging van het onderscheid tussen het personeel in dienst van UKAEA en het tijdelijk personeel van de Gemeenschap is, dat een discriminatie binnen het personeel van UKAEA dat te Culham werkt, of algemener binnen het personeel van UKAEA in zijn geheel, dient te worden vermeden. De personeelsleden van UKAEA zouden dan hetzelfde soort werk verrichten in dezelfde instelling, dezelfde stad of hetzelfde land als het bij JET tewerkgestelde personeel van UKAEA, maar voor hen zouden andere voorwaarden gelden. Een dergelijk verschil in behandeling is niet gerechtvaardigd.
66 Verweerster ontkent overigens het bestaan van en iedere verantwoordelijkheid voor de door verzoekers gestelde discriminerende praktijken.
67 Verweerster betoogt nog dat artikel 8.4 van de statuten uitdrukkelijk de mogelijkheid uitsluit dat door UKAEA ter beschikking gesteld personeel op tijdelijke posten wordt aangesteld, zodat het verzoek van verzoekers moest worden afgewezen. Zij geeft toe dat volgens artikel 8.5 "ander personeel" kan worden aangesteld, doch zij preciseert dat niemand op deze basis is aangesteld en stelt dat verzoekers geen recht daarop hebben, noch op basis van de statuten, noch op basis van het arrest Ainsworth.
68 Verweerster voegt daaraan toe, dat indien verzoekers op basis van artikel 8.5 van de statuten als "ander personeel" in dienst werden genomen, deze mogelijkheid ook zou moeten worden opengesteld voor de door de andere leden aan JET ter beschikking gestelde personeelsleden, omdat anders een nieuwe discriminatie zonder objectieve rechtvaardiging jegens deze laatsten zou worden geschapen.
69 Volgens de Commissie zou door een dergelijke uitbreiding het bij de statuten ingevoerde stelsel van aanwerving, dat door het Hof in zijn arrest Ainsworth als wettig is erkend, op losse schroeven worden gezet.
70 Wat ten slotte de "resign first rule" betreft, is verweerster van oordeel dat in het bijzonder uit artikel 8.4 van de statuten en artikel 9.1 van de aanvullende bepalingen blijkt, dat indien een lid van het JET-team van werkgever verandert, het automatisch zijn post bij JET verliest en derhalve opnieuw de bij artikel 5 van de aanvullende bepalingen geregelde aanwervingsprocedure moet doorlopen.
71 In het kader van zijn interventie, die beperkt is tot het geschil betreffende de wettigheid van de statuten van JET, stelt de Raad dat het bij artikel 8 van de statuten geregelde stelsel van aanwerving wettig en rechtsgeldig was en blijft, en dat er geen enkele bepaling bestaat op grond waarvan hij de statuten op dit punt zou moeten wijzigen.
72 De Raad betoogt dat, aangezien uit het arrest Ainsworth volgt dat de statuten op de datum van vaststelling geldig waren en zij dit althans tot de datum van het arrest ook zijn gebleven, de onderhavige beroepen inhouden dat deze statuten later hun geldigheid zouden hebben verloren als gevolg van een belangrijke wijziging van omstandigheden. Zijns inziens is een dergelijk middel feitelijk en rechtens onjuist.
73 Om te beginnen hebben verzoekers in geen enkel opzicht aangetoond dat er sprake is van een dergelijke fundamentele wijziging. De feitelijke situatie op de datum van vaststelling van de statuten, in het bijzonder de beperkte bestaansduur van het JET-project alsmede de bijzondere positie van UKAEA ten aanzien van de gemeenschappelijke onderneming, zijn in wezen ongewijzigd gebleven.
74 Interveniënt voegt daaraan toe, dat zelfs indien de door verzoekers gestelde wijziging zich inderdaad had voorgedaan, dit nochtans niets zou hebben afgedaan aan de geldigheid van de statuten, omdat zij in bewoordingen zijn gesteld die een zekere flexibiliteit bij de toepassing ervan mogelijk maken, zulks gelet op de ontwikkeling van de feitelijke situatie. Verzoekers zelf hebben volgens hem erkend, dat de statuten de Commissie niet beletten om adequate maatregelen te nemen om een einde te maken aan de gestelde discriminatie jegens hen. Bijgevolg blijken de bevoegde instellingen een beoordelingsmarge te hebben bij de toepassing van de statuten, zodat dienaangaande geen sprake kan zijn van onwettigheid.
75 Verder stelt interveniënt nog, dat zelfs indien de statuten geen flexibiliteit bij de toepassing ervan zouden toestaan, de wijziging van de feitelijke situatie als zodanig niet volstaat om deze ongeldig te maken. Het wettigheidsbeginsel (arrest Hof van 13 februari 1979, zaak 101/78, Granaria, Jurispr. 1979, blz. 623, r.o. 5) houdt in dat een wettig door de gemeenschapsinstellingen vastgestelde handeling rechtsgeldig blijft, zolang zij niet door een latere handeling is ingetrokken of door een bevoegde rechterlijke instantie ongeldig is verklaard. Het wettigheidsbeginsel en in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel vereisen dus de handhaving en de stabiliteit van een rechtssituatie. Indien de latere ontwikkeling van de feitelijke situatie waarin een bepaalde wetgevende handeling is vastgesteld, van invloed zou zijn op de geldigheid daarvan, zouden degenen voor wie zij bestemd is, volgens de Raad in onzekerheid komen te verkeren over hun rechten en verplichtingen.
76 Ten slotte betoogt de Raad, dat elke wijziging van artikel 8 van de statuten dient te geschieden volgens de procedure van artikel 24 daarvan, volgens hetwelk wanneer een lid van de gemeenschappelijke onderneming een voorstel tot wijziging van de statuten voorlegt en de JET-raad dit voorstel goedkeurt, de Commissie dit voorstel overeenkomstig de artikelen 50 en 47 EGA-Verdrag ter goedkeuring aan de Raad voorlegt.
77 In zijn memorie in interventie, die is neergelegd voordat besluit 96/305 (reeds aangehaald) is vastgesteld op 7 mei 1996, verklaarde de Raad, dat indien de Commissie een voorstel tot wijziging van het stelsel van aanwerving zou indienen, hij de voorgestelde wijziging zal onderzoeken met inachtneming van de feitelijke situatie op de datum van onderzoek. Hij voegt daaraan toe, dat wanneer hem een voorstel tot verlenging van het project zou worden voorgelegd, hij zou kunnen bepalen of deze verlenging een herziening van het stelsel van aanwerving, zoals voorzien in artikel 8 van de statuten, rechtvaardigt.
Beoordeling door het Gerecht
A - Voorafgaande overwegingen
78 Hoewel verzoekers hun grieven primair richten tegen de besluiten van de Commissie om hen niet als "ander personeel" in de zin van de artikelen 8.1 en 8.5 van de statuten aan te stellen en slechts subsidiair de geldigheid van deze statuten betwisten, berust hun gehele beroep op het centrale argument dat de verschillende conclusies waartoe het Hof in het arrest Ainsworth is gekomen, ten gevolge van een wijziging van de feitelijke omstandigheden opnieuw zouden moeten worden onderzocht, en dat er thans geen objectieve rechtvaardiging meer bestaat voor het verschil in behandeling of de discriminatie waarvan zij het slachtoffer verklaren te zijn.
79 Het algemene beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit zijn fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, waarvan het Hof en het Gerecht de eerbiediging dienen te verzekeren, zodat gelet op de argumenten van partijen eerst moet worden onderzocht, of er sprake is van een verschil in behandeling of een discriminatie binnen de gemeenschappelijke onderneming JET, en welke consequenties een eventuele ontwikkeling van de feitelijke situatie sedert het arrest Ainsworth heeft voor de wettigheid van de besluiten die de Commissie op basis van de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten heeft vastgesteld.
80 Alvorens dit onderzoek wordt verricht, dient het argument van verweerster te worden afgewezen, dat wegens de grote overeenkomsten tussen de beroepen het arrest Ainsworth in de onderhavige zaak als een "bindend precedent" voor het Gerecht moet worden beschouwd. Dienaangaande volstaat het op te merken, dat het Gerecht slechts aan een beslissing van het Hof gebonden is in de omstandigheden, beschreven in artikel 55 van 's Hofs Statuut-EGA (artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG), alsmede krachtens het beginsel van het gezag van gewijsde (zie hierboven r.o. 50 e.v.).
B - Het bestaan van het gestelde verschil in behandeling
81 Vaststaat dat de gemeenschappelijke onderneming JET een communautair project is. Uit het dossier blijkt eveneens dat alle personeelsleden van het team van het project zich in een vergelijkbare situatie bevinden, ongeacht het lid van de organisatie dat hun ter beschikking van de gemeenschappelijke onderneming heeft gesteld. Allen werken namelijk uitsluitend voor het project, binnen een zelfde team en onder het gezag van een zelfde directeur. Zij zijn aangeworven via dezelfde vergelijkende onderzoeken en worden uitsluitend op basis van hun verdiensten bevorderd, zonder dat rekening wordt gehouden met hun nominale werkgever.
82 Krachtens de bepalingen van de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten blijft het personeel dat door de ontvangende organisatie UKAEA ter beschikking van JET wordt gesteld, in dienst van deze organisatie volgens de bij deze organisatie geldende voorwaarden, terwijl het door de andere leden van de gemeenschappelijke onderneming dan UKAEA aan JET ter beschikking gestelde personeel in tijdelijke ambten van de Gemeenschap wordt aangeworven.
83 Verder blijkt uit het dossier, dat een groot aantal personeelsleden van het team van het project vóór hun aanstelling bij JET geen band had met de lidorganisatie die hen ter beschikking heeft gesteld. Zo bevonden zich 97 Britse onderdanen - 45 % van het Britse personeel van JET - zich jegens UKAEA in deze situatie op het tijdstip waarop het verzoekschrift bij het Parlement werd ingediend (zie bijlage 10 bij dit verzoekschrift) en zijn 30 van de 71 verzoekers volgens hun antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht pas door UKAEA aangeworven nadat zij door JET waren geselecteerd. Ook blijkt uit het antwoord van verweerster op een andere schriftelijke vraag van het Gerecht, dat ten minste 39 van de 117 tijdelijke functionarissen van de Gemeenschap die voor JET werken, op 1 januari 1996 niet een eerder dienstverband hadden met het lid van JET dat hen ter beschikking heeft gesteld.
84 In casu staat vast, dat de door UKAEA ter beschikking van JET gestelde personeelsleden een bezoldiging ontvangen die veel lager is dan die van de personeelsleden die als tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen zijn aangeworven.
85 Verzoekers verklaren evenwel, dat zij zich veel meer zorgen maken over een tweede verschil in behandeling, betreffende de arbeidszekerheid, dat niet is aangevoerd in de zaak Ainsworth. Dienaangaande blijkt uit het dossier en wordt door de Commissie overigens niet weersproken, dat de door UKAEA aan de gemeenschappelijke onderneming ter beschikking gestelde personeelsleden niet dezelfde mogelijkheden hebben om een vast ambt bij de Gemeenschap te verkrijgen als de personeelsleden die door de andere leden ter beschikking zijn gesteld en door de Commissie in tijdelijke ambten zijn aangeworven. Als "interne kandidaten" genieten zij namelijk verschillende voordelen en hebben zij voorrang bij de aanwerving als ambtenaar van de Gemeenschap.
86 Deze voordelen en voorrang zijn onder meer het gevolg van:
- artikel 29, lid 1, sub b, van het Statuut, krachtens hetwelk het tot aanstelling bevoegde gezag slechts tot een extern vergelijkend onderzoek overgaat om in een vacature te voorzien, nadat het de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling heeft onderzocht. In zijn arrest van 31 maart 1965 (zaak 16/64, Rauch, Jurispr. 1965, blz. 179) heeft het Hof verklaard, dat de uitdrukking "vergelijkend onderzoek binnen de instelling" ziet op al degenen die, in welke hoedanigheid dan ook, bij haar in dienst zijn. Daaruit volgt dat tijdelijke functionarissen of hulpfunctionarissen tot interne vergelijkende onderzoeken kunnen worden toegelaten;
- artikel 1, lid 1, sub g, van bijlage III bij het Statuut, dat ingeval in een aankondiging van vergelijkend onderzoek een leeftijdsgrens wordt bepaald, voorziet in een verhoging van deze grens voor personeelsleden die reeds ten minste een jaar in dienst zijn.
87 Krachtens artikel 101 EGA-Verdrag heeft Euratom met de regering van Japan, de regering van de Russische Federatie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika op 21 juli 1992 een overeenkomst tot samenwerking bij activiteiten in verband met het engineering-ontwerp voor de Internationale Thermonucleaire Experimentele Reactor (hierna: "ITER-EDA-overeenkomst"; PB 1992, L 244, blz. 14) gesloten. Vaststaat dat het personeel dat Euratom overeenkomstig artikel 8 van deze overeenkomst heeft toegezegd door middel van detacheringsovereenkomsten ter beschikking van dit project te stellen, wordt aangeworven op communautaire posten, waardoor sinds 1994 geleidelijk tientallen communautaire ambten zijn geschapen die voor diegenen die thans voor het JET-project werken, gelet op hun wetenschappelijke en technische kennis, een natuurlijke tewerkstellingsmogelijkheid bieden (zie dienaangaande punt 3 van de "Note of Understanding" tussen de Commissie en het Parlement).
88 Hoewel de Commissie de leeftijdsgrens voor externe kandidaten voor de ITER-posten op 50 jaar heeft gesteld, wordt door deze maatregel wat de toegang tot deze posten betreft geen echte gelijke behandeling in het leven geroepen tussen de twee categorieën van personeel waaruit het team van het JET-project is samengesteld, getuige onder meer de gevallen Harbour (in 1992) en Gondhalekar (in 1994), die zijn uiteengezet in de bijlagen 12 en 15 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94.
89 Verder blijkt uit het antwoord van verweerster op een schriftelijke vraag van het Gerecht, dat het percentage van de personeelsleden van JET die na een dienstverband bij JET een permanente post bij de Commissie verkrijgen, in het bijzonder in het kader van het ITER-project, bij door de andere leden dan UKAEA ter beschikking gestelde personeelsleden veel hoger is dan bij door UKAEA ter beschikking gestelde personeelsleden. In dit verband heeft verweerster voor elk van de jaren 1992, 1993, 1994 en 1995 de navolgende cijfers verstrekt:
1992
1993
1994
1995
a) Totaal niet-UKAEA-personeelsleden die JET verlaten
18
25
17
10
b) Niet-UKAEA-personeelsleden die een post bij de Commissie verkrijgen
15
21
13
8
c) Niet-UKAEA-personeelsleden die gebruik maken van hun "return ticket"
3
1
2
0
d) Totaal UKAEA-personeelsleden die JET verlaten
23
8
16
21
e) UKAEA-personeelsleden die een post bij de Commissie verkrijgen (na extern vergelijkend onderzoek)
0
2
2
1
f) UKAEA-personeelsleden die terugkeren naar UKAEA
1
2
5
4
90 In de derde plaats blijkt eveneens uit het dossier, dat de Commissie tussen 1988 en 1993 aan tijdelijke functionarissen van de Gemeenschap in dienst van JET herhaaldelijk werkgelegenheidsgaranties voor de toekomst heeft gegeven, in het bijzonder door aan hen toe te zeggen dat zij aan het einde van JET prioriteit zouden genieten bij sollicitaties voor andere posten binnen de Commissie. Verzoekers hebben een aantal toezeggingen van dien aard vermeld, die de Commissie heeft gegeven op 15 december 1988, 14 november 1989, 30 november 1990 en 22 december 1992, en hebben verwezen naar een bijeenkomst van 1 juli 1993, tijdens welke de directeur van JET heeft verklaard: "de Commissie heeft zich ertoe verbonden om de Euratom-personeelsleden van JET prioriteit te verlenen voor andere posten binnen de Commissie, wanneer JET eindigt. Zij heeft blijk gegeven van haar goede trouw door de wijze waarop zij de meeste personeelsleden wier dienstverband in 1992 is beëindigd, heeft overgeplaatst (...)" (zie bijlage 10 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94). Degenen die in verzoekers' situatie verkeerden, genoten deze waarborgen niet als gevolg van hun status van UKAEA-personeelslid.
91 Het Gerecht stelt dus vast, dat de door het Hof in het arrest Ainsworth vastgestelde verschillen in behandeling nog steeds bestaan en binnen het team van het JET-project nog zijn vergroot, naargelang de betrokken personeelsleden door UKAEA dan wel door een ander lid ter beschikking van de gemeenschappelijke onderneming zijn gesteld. Deze verschillen hebben niet meer enkel betrekking op de arbeidsvoorwaarden, doch betreffen thans ook de arbeidszekerheid en vooral de mogelijkheid om als ambtenaar van de Gemeenschap te worden aangeworven, in het bijzonder in het kader van de ITER en ITER-EDA-projecten.
C - De wijziging van de feitelijke omstandigheden sedert het arrest Ainsworth
92 Gelet op de zeer bijzondere aard van de gemeenschappelijke onderneming JET en de specifieke eisen waarmee bij het opzetten van die onderneming rekening moest worden gehouden, heeft het Hof zich in de rechtsoverwegingen 34 tot en met 38 van het arrest Ainsworth op het standpunt gesteld, dat het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd was.
93 Het Hof heeft dit in het bijzonder gemotiveerd door de overweging dat een gemeenschappelijke onderneming die zich uitsluitend bezighoudt met onderzoek en een beperkte bestaansduur heeft, alleen goed kan functioneren in nauwe samenwerking met een bestaande nationale organisatie, die dus eigen verantwoordelijkheden moet aanvaarden voor de organisatie en de werking van deze gemeenschappelijke onderneming (r.o. 35 en 36 van het arrest).
94 In rechtsoverweging 37 van het arrest heeft het Hof bovendien opgemerkt, dat UKAEA zich aldus in de wel zeer bijzondere positie bevond, dat zij het beheer moest voeren over personeel met dezelfde kwalificaties, werkzaam op dezelfde plaats en ingezet voor werkzaamheden van dezelfde aard, doch behorend tot twee juridisch van elkaar onderscheiden organisaties. Daar UKAEA wenste te voorkomen dat deze situatie de goede werking van haar eigen organisatie zou verstoren, heeft zij, daarin ondersteund door de regering van het Verenigd Koninkrijk, tijdens de onderhandelingen voorafgaande aan de vaststelling van besluit 78/471 van 30 mei 1978 (reeds aangehaald), erop aangedrongen dat het door haar aan JET ter beschikking te stellen personeel onder haar eigen arbeidsvoorwaarden zou blijven vallen. Wegens de bevoorrechte rol die in verband met de bijzondere kenmerken van de gemeenschappelijke onderneming aan UKAEA was toebedeeld, was het Hof van oordeel dat met dit vereiste rekening moest worden gehouden in de statuten van JET.
95 Tot staving van hun conclusies tot nietigverklaring vragen verzoekers het Gerecht in de onderhavige zaken evenwel om een uitspraak over de vraag of de aldus door het Hof in het arrest Ainsworth aanvaarde factoren nog in aanmerking kunnen worden genomen. Het Gerecht dient derhalve na te gaan of, zoals verzoekers stellen, het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling feitelijk niet meer objectief gerechtvaardigd is, in de door het Hof in het arrest Ainsworth gestelde termen, als gevolg van een wijziging in de omstandigheden sedert 1987.
96 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat vergeleken met de situatie die in 1987 aan het Hof was voorgelegd, zich een aantal nieuwe factoren hebben aangediend en een aantal wijzigingen is ingetreden, in het bijzonder: a) de aanzienlijke verlenging van de bestaansduur van JET; b) de geringere rol van UKAEA bij de organisatie en de werking van de gemeenschappelijke onderneming; c) de intrekking van het bezwaar van UKAEA tegen het feit dat het door haar bij JET tewerkgestelde personeel haar dienst verlaat voor die van de Commissie; d) de verstoring van de werking van de gemeenschappelijke onderneming als gevolg van het arbeidsconflict, en e) de onmogelijkheid van het aanwervingsstelsel van JET om de doelstellingen waarvoor het is opgezet, te bereiken.
1. Verlenging van de bestaansduur van JET en voortzetting van het fusieprogramma
97 In de eerste plaats merkt het Gerecht op, dat de bestaansduur van de gemeenschappelijke onderneming JET aanzienlijk is verlengd. Terwijl het Hof geen enkele reden had om aan te nemen dat JET niet, zoals voorzien, in 1990 na 12 jaar te hebben bestaan, zou worden beëindigd, staat thans vast dat het tot minstens 1999, dat wil zeggen in totaal 21 jaar zal duren. Bovendien kan, gelet op hetgeen tot dusverre herhaaldelijk is gebeurd, niet worden uitgesloten dat "belangrijke nieuwe wetenschappelijke en technische argumenten naar voren komen (...) met name met het oog op de $Next Step'" (zie tweede overweging van besluit 96/305 van 7 mei 1996, reeds aangehaald), die pleiten voor een voortzetting van JET na 1999, zoals reeds het geval was in 1988, 1991 en 1996.
98 Weliswaar blijft JET een gespecialiseerde onderzoeksonderneming met een theoretisch in de tijd beperkte bestaansduur, doch door haar achtereenvolgende verlengingen heeft zij niettemin het karakter van een permanente onderneming of een onderneming van zeer lange duur verkregen. Deze ontwikkeling komt in het bijzonder tot uiting in het feit dat het door zijn leden aan JET ter beschikking gestelde personeel aldaar echt carrière maakt en slechts bij wijze van uitzondering terugkeert naar zijn oorspronkelijke werkgever (zie de tabel in r.o. 89 hierboven), terwijl deze terugkeer naar het betrokken lid oorspronkelijk was gezien als een fundamenteel kenmerk van het project (zie r.o. 106 hierna). In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht hebben verzoekers verklaard, dat tegen februari 1996 de duur van hun tewerkstelling bij JET tussen 5 en 17 jaar, met een gemiddelde van 12 jaar, bedroeg.
99 Bovendien is het JET-project, zoals het Gerecht reeds heeft opgemerkt (zie r.o. 2 en 87 hierboven), slechts de eerste tussenfase van een onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma dat loopt tot het midden van de volgende eeuw, waarvan de voortzetting natuurlijke carrièrevooruitzichten biedt voor het bij JET tewerkgestelde wetenschappelijk personeel.
2. Wijziging van de rol van UKAEA in de organisatie en de werking van de gemeenschappelijke onderneming
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0177.1
100 In de tweede plaats worden, ofschoon UKAEA krachtens artikel 15 van de statuten en de bijlage daarbij aan JET een belangrijke steun heeft geleverd in de eerste jaren van haar bestaan, na een verduidelijking van de "Host Support Agreement" waarover in 1987 is onderhandeld en die in 1988 door de JET-raad is goedgekeurd, een groot aantal diensten die voordien door de ontvangende organisatie werden verleend op basis van deze overeenkomst, sedertdien verricht in het kader van commerciële contracten na een openbare inschrijving (zie punt 1.3 van het verzoekschrift aan het Parlement en punt 4.3 van de studie van de Rekenkamer).
3. Wijziging in het standpunt van UKAEA
101 In de derde plaats blijkt uit een verklaring van de president van UKAEA van 17 oktober 1989 (bijlage 15 bij het verzoekschrift aan het Parlement), het antwoord van UKAEA op het rapport van de werkgroep Pandolfi (zie r.o. 20 hierboven), het proces-verbaal van de "Joint Working Party on the Future Career Prospects of JET Team Members" van 30 september 1993 (samenvatting van O'Hara, zie bijlage 8 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94, blz. A8.16) en ten slotte een brief van de president van UKAEA van 15 maart 1994 (bijlage 18 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94), dat UKAEA zich er niet meer tegen verzet dat haar personeelsleden in dienst van JET tijdelijk functionaris van de Gemeenschap worden, mits zij tegelijkertijd bij haar hun ontslag indienen. De directeur van JET achtte verder aanbeveling nr. 1 van de werkgroep Pandolfi de enige aanbeveling die "de garantie biedt dat de arbeidsrust kan worden hersteld". De vakbonden die het personeel van UKAEA vertegenwoordigen, hebben zich in hun rapport van 9 februari 1993 ook zonder voorbehoud voor deze aanbeveling nr. 1 uitgesproken (zie r.o. 19 hierboven).
102 Gelet op deze wijzigingen kan op basis van de processtukken thans niet meer, zoals het Hof heeft gedaan in rechtsoverweging 37 van het arrest Ainsworth, worden vastgesteld dat het in de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling nog steeds objectief gerechtvaardigd wordt door het streven te voorkomen, dat de werking van UKAEA wordt verstoord, waar deze laatste het er enkel aan gelegen is om geen werkgelegenheidsgaranties voor de toekomst te geven aan het personeel dat zij ter beschikking stelt van JET.
4. Het arbeidsconflict binnen JET
103 In de vierde plaats wordt de gemeenschappelijke onderneming voortdurend geplaagd door een arbeidsconflict dat niet alleen de arbeidsrelaties binnen JET heeft verstoord, doch ook de tijdige verwezenlijking van de doelstellingen van het communautaire fusieprogramma in gevaar heeft gebracht, omdat het Parlement, na zijn inschakeling in dit conflict gedurende een aantal maanden bijna de helft van de aan JET toegekende begrotingskredieten heeft geblokkeerd om te proberen een einde te maken aan hetgeen het als een ontoelaatbare discriminatie van verzoekers beschouwde.
104 Bovendien zij eraan herinnerd, dat volgens de directeur van JET aanbeveling nr. 1 van de werkgroep Pandolfi "de enige aanbeveling is die de garantie biedt dat de arbeidsrust kan worden hersteld", en dat de diensten van de Commissie zelf van mening zijn dat deze aanbeveling "de beste oplossing zou zijn om het project op een goede wijze af te ronden" (zie verslag van de Commissie aan het Parlement, bijlage 17 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94).
5. Wijziging in het oorspronkelijk opgezette stelsel van aanwerving
105 In de vijfde plaats zij opgemerkt, dat het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling verband houdt met het bij de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming gekozen bijzondere stelsel van aanwerving en tewerkstelling van het personeel. Kenmerkend voor dit systeem zijn in wezen de terbeschikkingstelling van gekwalificeerd personeel door de leden van JET (artikelen 8.1 en 8.3 van de statuten), de aanwerving door de Commissie in tijdelijke ambten (artikel 8.5 van de statuten) en de verbintenis van het betrokken lid om dit personeel weer in dienst te nemen (artikel 8.8 van de statuten). In verband met de verstoringen die dit stelsel waarschijnlijk binnen UKAEA zou veroorzaken wegens haar bijzondere positie van ontvangende organisatie, heeft zij evenwel een uitzondering bedongen, volgens welke het door haar ter beschikking van JET gestelde personeel volgens de bij haar geldende voorwaarden in dienst zou blijven (artikel 8.4 van de statuten).
106 Ten tijde van de oprichting van JET werd dit stelsel wegens de tijdelijke aard van de gemeenschappelijke onderneming als noodzakelijk beschouwd om sociale problemen aan het einde van het project te voorkomen en om de Commissie niet te verplichten het bij JET tewerkgestelde personeel in vaste dienst aan te stellen, en toch een voldoende gecentraliseerd personeelsbeleid mogelijk te maken (zie in de zaak Ainsworth het rapport ter terechtzitting, Jurispr. 1987, blz. 178, en de conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat, Jurispr. 1987, blz. 190; zie eveneens met betrekking tot dit vraagstuk algemeen het rapport van de werkgroep Pandolfi).
107 Evenwel dient te worden vastgesteld dat dit stelsel, dat op ten minste zes belangrijke punten is gewijzigd, niet meer in staat is de doelstellingen te verwezenlijken waarvoor het aanvankelijk is opgezet.
- Ontbreken van arbeidszekerheid voor de personeelsleden van UKAEA
108 In de eerste plaats blijkt uit het dossier, dat de personeelsleden van UKAEA geen enkele zekerheid hebben dat zij na afloop van hun tewerkstelling bij JET een behoorlijke post zullen vinden. Om te beginnen blijkt uit de door verweerster op verzoek van het Gerecht overgelegde statistieken, dat zeer weinige van hen na hun detachering terugkeren op een post binnen UKAEA (12 van de 68 gedurende de periode 1992-1995: zie r.o. 89 hierboven). Verzoekers hebben gewezen op een aantal gevallen van personeelsleden wier contract na afloop van hun detachering niet is vernieuwd of die zijn verplicht om vervroegd met pensioen te gaan (zie de brieven van UKAEA van december 1992 in bijlage 8 bij het verzoekschrift, vergeleken met die van de jaren tachtig). Bovendien hebben zij, zonder door verweerster te zijn weersproken, gewezen op de verklaring van de heer Bretherton, secretaris van UKAEA, tijdens de vergadering van het personeel van JET op 17 september 1993, volgens welke het grootste deel van de Britse personeelsleden van het JET-team na afloop van JET zou worden "ontslagen", en de verklaring van de heer Dawson, directeur personeelszaken van UKAEA, tijdens een vergadering van de "Joint Working Party on the Future Career Prospects of JET Team Members" van 30 september 1993, volgens welke "de plaatsing van meer dan 200 personen aan het eind van 1996 voor UKAEA grote moeilijkheden [zal opleveren] en (...) de waarschijnlijkheid onder ogen moet worden gezien dat een belangrijk percentage van het personeel overtollig [zal zijn]" (zie bijlage 8 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94). Ten slotte zij opgemerkt, dat UKAEA de arbeidszekerheid van haar personeel sterk heeft verminderd door tijdelijke arbeidscontracten van drie jaar of minder als norm in te voeren (zie de documenten in bijlage 11 bij het verzoekschrift aan het Parlement en in bijlage 7 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94).
- De praktische onmogelijkheid voor Brits personeel om een "return ticket" van een lid van JET te verkrijgen
109 In de tweede plaats blijkt uit het dossier dat het, uitzonderingsgevallen daargelaten (zie zaak T-99/95, Stott), in de praktijk voor Britse onderdanen niet mogelijk is om een "return ticket" te verkrijgen van een ander lid van JET dan UKAEA (zie in bijlage 14 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94, waarvan de inhoud door de Commissie niet wordt betwist, de gevallen Altmann, Hubbard, Gondhalekar, Fishpool en Shaw, die zich hebben voorgedaan tussen 1987 en 1993 en Duitse, Nederlandse en Italiaanse leden van JET betroffen). Daaruit blijkt dat de mogelijkheid dat Britse onderdanen door een van haar leden ter beschikking van JET worden gesteld, waarop het Hof doelde in de rechtsoverwegingen 25 en 26 van het arrest Ainsworth, louter theorie is gebleven. Anders dan de in rechtsoverweging 27 van het arrest Ainsworth vastgestelde situatie, tonen de hierboven genoemde vijf voorbeelden alsmede de omstandigheden in zaak T-99/95 (Stott) aan, dat verzoekers om te voldoen aan de eisen van de statuten en de aanvullende bepalingen, zoals deze zijn geïnterpreteerd door de Commissie, hebben moeten afzien van de mogelijkheid om door een ander lid dan UKAEA ter beschikking van JET te worden gesteld en dus om overeenkomstig artikel 8.5 van de statuten als tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen te worden aangeworven.
- Beperkte praktische waarde van de "return tickets"
110 In de derde plaats blijkt uit het dossier, dat zeer weinig door andere leden dan UKAEA bij JET tewerkgestelde personeelsleden gebruik maken van hun "return ticket". De door verweerster op verzoek van het Gerecht overgelegde statistieken tonen aan, dat van een totaal van 70 personeelsleden die JET tussen 1992 en 1995 hebben verlaten, slechts 6 hiervan gebruik hebben gemaakt (zie r.o. 89 hierboven).
111 De praktische waarde van deze "return tickets" wordt bovendien aangetast door verschillende verklaringen van de directie van JET en van de Commissie (zie in het bijzonder punt 21 van het jaarverslag van de directeur van JET betreffende het personeelsbeleid, 1986/1987, dat is overgelegd aan het Uitvoerend Comité van JET nr. 62 van 14 en 15 mei 1987, en de brief van de heer Kind, ambtenaar van DG XII, van 16 juli 1991 aan de hoofden van alle eenheden van het fusieonderzoek, in bijlage 9 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94). Na twee studies over de geldigheid van de "return tickets", die in 1992 door de administratie van DG XII bij de leden en het Euratom-personeel van JET zijn uitgevoerd, is de "groupe de suivi ad hoc JET" van DG XII tijdens zijn vergadering van 2 juni 1992 tot de conclusie gekomen, dat een "grote meerderheid van de $return tickets' in de huidige vorm geen reële garantie biedt" (zie verslag van deze vergadering in bijlage 9 bij het verzoekschrift in zaak T-177/94).
112 Uit de door verweerster in antwoord op de vragen van het Gerecht verstrekte cijfers blijkt inderdaad, dat een groot aantal "return tickets" in de tijd beperkt is en dus geen echte voordelen op het gebied van de arbeidszekerheid biedt. De voorwaarden van de "return tickets" van de tijdelijke functionarissen van de Gemeenschap die door de andere leden dan UKAEA op 1 januari 1993 en op 1 januari 1996 bij JET waren tewerkgesteld, waren de navolgende:
Duur van opnieuw in dienst nemen
Aantal
1.1.1993
1.1.1996
3 maanden
8
5
6 maanden
39
31
12 maanden
14
11
18 maanden
1
1
onbepaald
101
69
TOTAAL
163
117
113 Bovendien betekent de daling van het aantal "return tickets" voor onbepaalde duur van 101 op 1 januari 1993 tot 69 op 1 januari 1996, dat wil zeggen een verschil van 32, niet dat deze "return tickets" zijn gebruikt. Gedurende die periode hebben namelijk 42 van de 52 tijdelijke functionarissen van de Gemeenschap die JET hebben verlaten, een vaste post bij de Commissie gekregen en hebben slechts 3 van hen gebruik gemaakt van hun "return ticket". Daarentegen hebben van de 45 UKAEA-personeelsleden die JET gedurende dezelfde periode hebben verlaten, er slechts 5 een vaste post bij de Commissie gekregen via externe vergelijkende onderzoeken (zie r.o. 89 hierboven).
- Aanwerving van door Euratom ter beschikking van JET gestelde tijdelijke functionarissen in vaste dienst van de Commissie en toezeggingen dienaangaande
114 In de vierde plaats heeft de Commissie, om deze onvolkomenheden te corrigeren, lang voor het einde van de gemeenschappelijke onderneming een groot percentage van het door de leden ter beschikking van het team van het project gestelde personeel opgenomen in het personeel van de Gemeenschap (zie r.o. 89 hierboven) en heeft zij bovendien verschillende algemene toezeggingen gedaan om aan het einde van het project de herplaatsing van het tijdelijk personeel van de Gemeenschap van JET in andere diensten te vergemakkelijken (zie r.o. 90 hierboven). Deze politiek gaat rechtstreeks in tegen de redenen die in 1978 zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van het stelsel waarbij personeel door de leden ter beschikking werd gesteld.
- Kunstmatige banden met lidorganisaties
115 In de vijfde plaats leidt het huidige stelsel van aanwerving in vele gevallen (30 van de 70 verzoekers bevinden zich in deze situatie) ertoe, dat kunstmatige banden ontstaan tussen een onderzoeker en een lidorganisatie van JET, waarmee hij vóór zijn selectie in het kader van het project geen enkele band had. De band met het betrokken lid wordt zuiver formeel - zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de vraag of deze praktijk in overeenstemming is met de letter van de artikelen 8.1, 8.4, 8.5 en 8.8 van de statuten -, wanneer de "return tickets" in feite worden afgegeven door derde ondernemingen of organisaties en door het betrokken lid van JET slechts worden "onderschreven". Volgens het antwoord van de Commissie op een schriftelijke vraag van het Gerecht bevonden 39 van de 117 tijdelijke functionarissen die in februari 1996 in het project tewerk waren gesteld, zich in deze situatie.
116 Uit al het voorgaande blijkt, dat het beleid om bij voorkeur een systeem te hanteren, waarbij personeel door de leden van de gemeenschappelijke onderneming ter beschikking wordt gesteld en waarbij van elke kandidaat wordt verlangd dat hij een lidorganisatie vindt die bereid is hem ter beschikking van JET te stellen, niet meer beantwoordt aan het door het Hof in rechtsoverweging 23 van het arrest Ainsworth vastgestelde streven om alle personeelsleden van JET na afloop van het project werkgelegenheid te garanderen.
117 Gelet op al deze factoren, moet worden geconcludeerd dat geen van de feitelijke omstandigheden die door het Hof zijn aangevoerd tot staving van zijn conclusie dat het door de statuten van JET ingevoerde verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd was, nog bestaan. Overigens zij eraan herinnerd, dat het Hof geen uitspraak heeft kunnen doen over het verschil in behandeling betreffende de carrièrevooruitzichten en de arbeidszekerheid, die in de zaak Ainsworth niet aan de orde waren.
D - De rechtsgevolgen van de feitelijke ontwikkelingen sedert het arrest Ainsworth
118 Het Gerecht heeft vastgesteld, dat het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling niet meer gerechtvaardigd is op basis van de door het Hof in zijn arrest Ainsworth in aanmerking genomen factoren (zie hierboven r.o. 81-117). Derhalve rijst de vraag, of het Gerecht in het kader van een exceptie van onwettigheid krachtens artikel 156 EGA-Verdrag (184 EG-Verdrag) rekening mag houden met een wijziging in de feiten en de rechtstoestand om een bepaling niet-toepasselijk te verklaren, ten aanzien waarvan het Hof heeft geoordeeld dat zij op de datum van haar vaststelling wettig was. Dit aspect van de beroepen is vooral onder de aandacht gebracht door interveniënt, die zijn betoog heeft gebaseerd op het wettigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
119 Het bij het Verdrag ingevoerde stelsel van wetgeving en rechtspraak sluit niet uit dat dergelijke factoren in aanmerking worden genomen. Waar aan iedere partij het recht wordt toegekend om zonder beperking in de tijd de onwettigheid ex tunc van een verordening van de Raad of van de Commissie te laten vaststellen wanneer deze in geding is, verleent artikel 156 EGA-Verdrag (184 EG-Verdrag) deze partij a fortiori het recht om bij wege van exceptie de onwettigheid ex nunc in te roepen. Aangezien in casu de statuten zijn vastgesteld bij een besluit van de Raad en niet bij een formele verordening, dient daaraan te worden toegevoegd dat volgens vaste rechtspraak in artikel 156 EGA-Verdrag (184 EG-Verdrag) een algemeen beginsel tot uitdrukking komt, krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de nietigverklaring van een haar rechtstreeks en individueel rakende beschikking de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende, handelingen van de instellingen mag aanvechten, wanneer zij niet krachtens artikel 146 EGA-Verdrag (173 EG-Verdrag) rechtstreeks tegen die handelingen in beroep mocht komen, zodat zij, zonder nietigverklaring te mogen vorderen, er de gevolgen van heeft te dragen (arresten Hof van 6 maart 1979, zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr. 1979, blz. 777, en 19 januari 1984, zaak 262/80, Andersen e.a., Jurispr. 1984, blz. 195). Aangezien de wettigheid van de bestreden individuele handeling moet worden beoordeeld met inachtneming van de feiten en de rechtstoestand die bestonden op de datum waarop de handeling is vastgesteld (arrest Hof van 7 februari 1979, gevoegde zaken 15/76 en 16/76, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 321), dient de wettigheid van de regelgevende handeling eveneens op basis van die datum te worden onderzocht en niet op basis van de datum waarop de regelgevende handeling zelf is vastgesteld.
120 Bovendien blijkt uit het arrest Ainsworth, dat het Hof voor het betrokken verschil in behandeling een objectieve rechtvaardiging heeft gevonden in bepaalde gegevens, feitelijk en rechtens, zoals deze destijds bestonden. Het Gerecht kan er niet van uitgaan, dat het Hof dezelfde redenering zou hebben gevolgd, indien deze gegevens anders waren geweest.
121 Ook mag niet uit het oog worden verloren dat het algemene beginsel van gelijke behandeling, een van de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, zich ertegen verzet dat vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld, tenzij dat verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest Ainsworth, r.o. 33; zie laatstelijk arrest Gerecht van 14 september 1995, zaak T-571/93, Lefevbre e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2379, r.o. 78). Aangezien elk verschil in behandeling dus het karakter van een uitzondering heeft, waarbij wordt afgeweken van een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, kan het vanzelfsprekend niet meer als geldig worden beschouwd, zelfs indien het voorschrift waarbij het is ingevoerd, de duur ervan niet uitdrukkelijk beperkt, nadat de gronden op basis waarvan het objectief gerechtvaardigd was, zijn weggevallen (zie voor een toepassing van deze beginselen arrest Hof van 28 juni 1984, zaak 36/83, Mabanaft, Jurispr. 1984, blz. 2497, in het bijzonder r.o. 34).
122 Dit geldt te meer wanneer, zoals in casu, de in de tijd beperkte duur van een bepaalde situatie een van de factoren is die als objectieve rechtvaardiging voor een verschil in behandeling in aanmerking is genomen. Dan dient in het bijzonder te worden verzekerd, dat deze situatie niet onnodig langer duurt dan aanvankelijk als redelijk werd beschouwd. In een dergelijk geval dient de opsteller van het voorschrift zijn oorspronkelijke beoordeling te heroverwegen.
123 Dit is in geen enkel opzicht in tegenspraak met het communautaire wettigheidsbeginsel, dat voor de justitiabelen weliswaar het recht meebrengt om de geldigheid van verordeningen in rechte aan te vechten, doch voor alle subjecten van het gemeenschapsrecht ook de verplichting meebrengt om de volledige werking van de verordeningen te erkennen, zolang hun ongeldigheid niet door een bevoegde rechter is vastgesteld (arrest Granaria, reeds aangehaald). In casu vereiste het communautaire wettigheidsbeginsel dus stellig, dat verweerster de statuten van JET blijft toepassen, zelfs nadat zij, zoals verzoekers stellen, onwettig waren geworden wegens het wegvallen van de objectieve rechtvaardigingen voor het daarbij ingevoerde verschil in behandeling. Op basis daarvan kan verzoekers evenwel niet het recht worden ontzegd om bij de gemeenschapsrechter een vordering in te stellen, strekkende tot niet-toepasselijkverklaring van deze statuten, niet ab initio, doch sedert een bepaalde wijziging van omstandigheden.
124 Gesteld al dat het wettigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, zoals de Raad stelt, zich ertegen verzetten dat het Gerecht in verband met een wijziging in de feiten en de rechtstoestand die ten tijde van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming JET het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling objectief rechtvaardigden, deze artikelen voortaan niet-toepasselijk verklaart, zou een dergelijk beletsel in ieder geval slechts betrekking hebben op de oorspronkelijke periode van 12 jaar, bedoeld in artikel 1 van besluit 78/471 (reeds aangehaald) en artikel 19 van de daaraan gehechte statuten.
125 Zonder verlenging was de gemeenschappelijke onderneming JET overeenkomstig artikel 1 van besluit 78/471 (reeds aangehaald) en artikel 19 van de statuten, zou zij op 30 mei 1990 zijn beëindigd. Besluit 88/447 (reeds aangehaald), waarbij de Raad de bestaansduur van de gemeenschappelijke onderneming en de daarmee samenhangende toepassing van haar statutaire bepalingen betreffende de organisatie en de werking met 31 maanden heeft verlengd, heeft dus zijn eigen rechtsgevolgen teweeggebracht (zie arrest Hof van 29 juni 1995, zaak C-135/93, Spanje/Commissie, Jurispr. 1995, blz. I-1681, r.o. 25-30). Hetzelfde geldt voor de besluiten 91/677 en 96/305 (reeds aangehaald), waarbij nadien de bestaansduur van JET is verlengd.
126 Een van de specifieke rechtsgevolgen van deze besluiten was de handhaving van het stelsel van aanwerving en tewerkstelling van het personeel, dat gold bij JET. Dienaangaande zij opgemerkt, dat de handhaving van dit stelsel niet een noodzakelijk gevolg van het besluit tot verlenging van de bestaansduur van JET is, doch een uitvloeisel van het feit dat de Raad zijn beoordelingsbevoegdheid feitelijk en rechtens opnieuw heeft uitgeoefend, zoals hij uitdrukkelijk heeft erkend in punt 19 van zijn memorie in interventie, waarin hij beklemtoont dat "wanneer hem een voorstel tot verlenging van het project zou worden voorgelegd, hij zou kunnen bepalen of deze verlenging een herziening van het stelsel van aanwerving, zoals voorzien in artikel 8 van de statuten, rechtvaardigt".
127 Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof staat het beroep tot nietigverklaring onder de voorwaarden van artikel 146 EGA-Verdrag (173 EG-Verdrag) open met betrekking tot alle door de instellingen vastgestelde bepalingen - ongeacht hun aard of vorm - die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen (arrest Hof van 31 maart 1971, zaak 22/70, Commissie/Raad, Jurispr. 1971, blz. 263, r.o. 42, en arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 20). Bij institutionele bepalingen of bepalingen van algemene aard, zoals in casu, ten aanzien waarvan andere dan de instellingen en de Lid-Staten niet een rechtstreeks beroep kunnen instellen en waarvan zij dus de gevolgen hebben te dragen, zonder in staat te zijn geweest om nietigverklaring daarvan te vorderen, mogen deze rechtssubjecten onder de voorwaarden van artikel 156 EGA-Verdrag (184 EG-Verdrag) de rechtsgeldigheid daarvan aanvechten met het oog op de nietigverklaring van een hen rechtstreeks en individueel rakende beschikking, waarvan deze bepalingen de rechtsgrondslag vormen (arresten Simmenthal en Andersen, reeds aangehaald).
128 Bijgevolg mogen verzoekers in elk geval tot staving van hun beroepen tot nietigverklaring van de bestreden individuele besluiten de rechtsgeldigheid van de achtereenvolgende besluiten aanvechten, waarmee de Raad de bestaansduur van JET heeft verlengd, en meer in het bijzonder een van de rechtsgevolgen van deze besluiten, namelijk de handhaving van het bij JET geldende stelsel van selectie, tewerkstelling en personeelsbeleid, met inbegrip van het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling. Een dergelijke betwisting kan niet als een inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel worden beschouwd, aangezien zij slechts betrekking heeft op de specifieke rechtsgevolgen van het verlengingsbesluit, zonder dat de wettigheid en de gevolgen van de daarvoor bestaande situatie op enigerlei wijze op basis van een nieuwe juridische beoordeling opnieuw in geding worden gebracht.
129 In casu is het Gerecht van oordeel, dat zelfs indien het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling nog kon worden gerechtvaardigd, toen de bestaansduur van JET bij besluit 88/447 (reeds aangehaald) met 31 maanden is verlengd, zulks niet meer het geval was toen de Raad op 19 december 1991 (dat wil zeggen een datum vóór de inleiding van de administratieve procedure en de instelling van de onderhavige beroepen) de bestaansduur van JET opnieuw met 4 jaar, tot en met 31 december 1996, heeft verlengd bij besluit 91/677 (reeds aangehaald).
130 Dienaangaande merkt het Gerecht op, dat de overeenkomst betreffende de steun van de ontvangende organisatie in 1988 is gewijzigd, dat UKAEA via haar president op 17 oktober 1989 te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen de aanstelling van haar bij JET tewerkgesteld personeel door de Commissie, dat de Commissie werkgelegenheidsgaranties voor de toekomst heeft verstrekt aan het tijdelijke communautaire personeel van JET, dat in 1990 reeds duidelijk was dat het stelsel van "return tickets" was mislukt, zoals blijkt uit de bijlage bij het in februari 1990 bij de Commissie ingediende verzoekschrift, en dat het Parlement op 10 december 1991 aan de Raad een wetgevingsresolutie heeft voorgelegd, waarbij de geldigheid van het bij JET geldende stelsel van aanwerving werd betwist (zie r.o. 15 hierboven). De op 16 september 1992 gepubliceerde conclusies van het rapport van de werkgroep Pandolfi maken verder duidelijk, dat de bepalingen van de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten, evenals het stelsel van "return tickets" in de ogen van de vier onafhankelijke deskundigen uit wie deze werkgroep bestond, niet meer redelijk waren en volgens hen met passende wetgevende middelen moesten worden gewijzigd. Op de hoofdpunten is dit standpunt door het personeel en de directie van JET, het personeel en de directie van UKAEA, de Commissie en het Parlement goedgekeurd. Enkel de JET-raad heeft geweigerd de consequenties van het rapport te aanvaarden, zonder deze weigering evenwel op enigerlei wijze te motiveren. Gelet op de factoren die de werkgroep Pandolfi in aanmerking heeft kunnen nemen, is het Gerecht van oordeel dat de bevindingen en conclusies van de werkgroep reeds op 19 december 1991, toen de Raad het in artikel 8 van de statuten vastgestelde stelsel van aanwerving verlengde, onontkoombaar waren.
131 Uit het voorgaande volgt, dat de bepalingen van de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten, zoals gehandhaafd bij besluit 91/677 (reeds aangehaald) en vervolgens bij besluit 96/305 (reeds aangehaald), althans sedert 19 december 1991 de oorzaak zijn van een niet objectief gerechtvaardigd en derhalve onwettig verschil in behandeling, in het bijzonder op het punt van de kansen om ambtenaar van de Gemeenschap te worden, tussen twee categorieën van personeelsleden van JET, naar gelang van de lidorganisatie die het betrokken personeelslid ter beschikking stelt van de gemeenschappelijke onderneming.
132 Verzoekers betogen evenwel dat de statuten, zoals zij thans luiden, de Commissie toestaan om hen in tijdelijke ambten aan te werven als "ander personeel" in de zin van artikel 8.5, hetgeen volgens hen zou volstaan om een einde te maken aan het aldus vastgestelde verschil in behandeling. Juist met het oog op een dergelijke aanwerving hebben zij zich oorspronkelijk gewend tot het tot aanstelling bevoegde gezag (zie punt 3 en bijlage 2 bij hun klacht uit hoofde van artikel 73 van de Regeling en artikel 90 van het Statuut) en dit is ook de voornaamste vordering in hun beroep tot nietigverklaring van de besluiten waarbij hun verzoek is afgewezen. Ook heeft de Raad, die de statuten van JET heeft opgesteld, in zijn memorie in interventie betoogd en ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht herhaald, dat de statuten volgens hem geen enkel beletsel van juridische aard bevatten om verzoekers onder de door hen gevorderde voorwaarden aan te werven.
133 Bijgevolg dient te worden nagegaan of ingevolge de statuten personen die, zoals verzoekers, reeds door UKAEA ter beschikking van het project zijn gesteld, inderdaad als "ander personeel" in de zin van artikel 8.5 van de statuten mogen worden aangeworven. Indien zulks het geval is, moet namelijk worden vastgesteld dat de statuten een regeling bevatten waarmee althans gedeeltelijk een einde kan worden gemaakt aan het door deze statuten ingevoerde verschil in behandeling. Het Gerecht is van oordeel dat deze omstandigheid, indien zij komt vast te staan, eventueel kan volstaan om te voorkomen dat zij om de reeds uiteengezette redenen onwettig moeten worden verklaard.
E - De wettigheid van de bestreden besluiten
134 In punt 10 van elk van de bestreden besluiten heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld, dat de aanwerving van verzoekers als tijdelijk functionaris in strijd zou zijn met artikel 8.4 van de statuten, dat bepaalt dat personeel dat door de ontvangende organisatie ter beschikking wordt gesteld, in dienst van deze organisatie blijft. In punt 11 van de twee besluiten heeft zij daaraan toegevoegd, dat verzoekers krachtens de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten hun dienstbetrekking met UKAEA moeten beëindigen en door een andere lidorganisatie in dienst moeten worden genomen en bij JET tewerkgesteld, indien zij door haar als tijdelijk functionaris wensen te worden aangesteld. Verder verwijst zij (in punt 12) naar de afwijzende houding van de JET-raad ten aanzien van aanbeveling nr. 1 van het rapport van de werkgroep Pandolfi en (in de punten 13 en 14) naar de herhaalde toezeggingen van UKAEA jegens haar bij JET tewerkgesteld personeel. In haar schriftelijke memories heeft verweerster daaraan toegevoegd, dat de aanwerving van verzoekers als "ander personeel" een nieuwe discriminatie in het leven zou roepen, deze keer ten nadele van personeelsleden die door andere leden dan UKAEA ter beschikking van JET zijn gesteld, en dat een dergelijke uitbreiding het door de statuten ingevoerde systeem van aanwerving op de helling zou zetten.
135 Verzoekers betogen daarentegen in wezen, dat geen enkele bepaling van de statuten formeel verbiedt, dat zij als "ander personeel" worden aangeworven en dat zij integendeel recht hebben op een dergelijke aanwerving, omdat dit de enige manier is waarop een einde zou kunnen worden gemaakt aan de discriminatie waarvan zij het slachtoffer zijn.
136 Het Gerecht is van oordeel dat ofschoon geen enkele bepaling van de statuten met zoveel woorden en ondubbelzinnig het beginsel van een aanwerving als "ander personeel" in de zin van artikel 8.5 van personen die, zoals verzoekers, reeds door UKAEA ter beschikking zijn gesteld van het project, verbiedt, niettemin op grond van de algemene structuur van de statuten en de tekst zelf van de bepalingen ervan moet worden geconcludeerd, dat een dergelijke aanwerving niet mogelijk is zonder dat het door deze statuten ingevoerde stelsel van aanwerving en personeelsbeheer ernstig wordt aangetast.
137 Het begrip "ander personeel" in artikel 8.5 van de statuten moet namelijk worden uitgelegd met inachtneming van artikel 8.1, dat bepaalt dat het team van het project enerzijds bestaat uit personeel, afkomstig van de leden van JET, als bedoeld in artikel 8.3, en anderzijds uit "ander personeel". In deze bepalingen is niet in de mogelijkheid voorzien dat een door UKAEA ter beschikking gesteld personeelslid van het team van het project ontslag neemt bij UKAEA enkel om door de Commissie als "ander personeel" te worden aangeworven.
138 Bovendien druist de door verzoekers voorgestelde uitlegging van de statuten, zoals de Commissie terecht heeft betoogd, in elk geval in tegen het beginsel zelf waarop het thans bij JET geldende stelsel van aanwerving en personeelsbeheer is gebaseerd, namelijk de instelling en handhaving van twee onderscheiden categorieën van personeel, naar gelang van het lid dat het ter beschikking stelt.
139 Bijgevolg kunnen de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten, zoals zij thans luiden, niet aldus worden uitgelegd, dat verzoekers als "ander personeel" in de zin van deze bepalingen kunnen worden aangeworven.
140 Bovendien moet worden vastgesteld, dat de raad en de directie van JET aanvullende regels of ad-hoc-regels hebben vastgesteld om een dergelijke aanwerving onmogelijk te maken (zie ter zake de analyse van het Gerecht van artikel 9.1 van de aanvullende bepalingen en van de "resign first rule" in het arrest van heden in de parallelle zaak T-99/95, Stott). Het bij de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten ingevoerde verschil in behandeling wordt aldus versterkt door aanvullende regelingen die dienen te beletten dat hieraan op enigerlei wijze een einde wordt gemaakt.
141 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten, de aanvullende bepalingen ter uitvoering van deze statuten en de administratieve voorschriften waarmee zij worden uitgewerkt, onwettig zijn, voor zover daarbij een verschil in behandeling wordt ingevoerd of wordt bijgedragen tot de handhaving van een dergelijk, niet objectief gerechtvaardigd en bijgevolg onwettig verschil in behandeling, in het bijzonder met betrekking tot de kansen om gemeenschapsambtenaar te worden, tussen twee categorieën van personeelsleden van JET, naar gelang van de lidorganisatie die het betrokken personeelslid ter beschikking stelt van de gemeenschappelijke onderneming.
142 De door verzoekers subsidiair opgeworpen exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 156 EGA-Verdrag dient derhalve te worden toegewezen en de bepalingen van de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten dienen in casu niet-toepasselijk te worden verklaard, in de hierboven in de rechtsoverwegingen 131 en 141 aangegeven omvang. Hetzelfde geldt voor de aanvullende bepalingen en de "resign first rule", aangezien zij in dezelfde mate onwettig zijn.
143 Deze bepalingen kunnen niet als rechtsgrondslag dienen voor de bestreden besluiten, zodat thans nog moet worden onderzocht of de verzoeken van verzoekers daarin geldig konden worden afgewezen om een van de andere in rechtsoverweging 134 hierboven genoemde redenen.
144 Om te beginnen is het verzet van de JET-raad tegen de uitvoering van aanbeveling nr. 1 van het rapport van de werkgroep Pandolfi duidelijk geen reden welke verweerster rechtsgeldig tegen het verzoek van verzoekers kon inbrengen, aangezien deze JET-raad niemand kan ontslaan van de verplichting om het gemeenschapsrecht toe te passen. De Commissie diende integendeel te waken voor een strikte naleving van de fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht door de JET-raad, die een gemeenschappelijke onderneming is welke voor 80 % uit communautaire middelen wordt gefinancierd en waarvan Euratom een van de leden is. Overigens heeft het Hof de Commissie in zijn arrest Ainsworth juridisch aansprakelijk verklaard voor de handelingen van de directie van JET (zie r.o. 19-27 van het arrest).
145 Het argument dat de aanwerving van verzoekers als "ander personeel" een nieuwe discriminatie in het leven zou roepen, dit keer ten nadele van door de andere leden van JET dan UKAEA ter beschikking gestelde personeelsleden, tenzij een dergelijke aanwerving ook voor hen mogelijk werd gemaakt, is niet relevant, aangezien het in dat geval betrekking heeft op een soort van aanwerving ten aanzien waarvan het Gerecht reeds heeft vastgesteld dat dit niet mogelijk was voor verzoekers. In elk geval zullen de betrokken instellingen elke mogelijkheid van een nieuwe vorm van niet objectief gerechtvaardigde ongelijke behandeling moeten voorkomen, wanneer zij overeenkomstig artikel 149 EGA-Verdrag de maatregelen nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van onderhavig arrest.
146 Uit het voorgaande volgt, dat geen van de motieven waarop de bestreden besluiten zijn gebaseerd, deze rechtens rechtvaardigen. Deze besluiten moeten derhalve nietig worden verklaard.
V - De vorderingen tot schadevergoeding
147 De vorderingen tot schadevergoeding (zevende en achtste petitum) kwamen reeds voor in verzoekers' klachten krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut tegen bezwarende besluiten, namelijk de stilzwijgende besluiten tot afwijzing van de verzoeken om verzoekers aan te stellen als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap. Bijgevolg moeten de verzoeken tot schadevergoeding worden geacht te zijn ingediend overeenkomstig artikel 152 EGA-Verdrag (179 EG-Verdrag) en de artikelen 90 en 91 van het Statuut, waarvan de bepalingen zijn geëerbiedigd. Bijgevolg zijn deze verzoeken in beginsel ontvankelijk.
148 Gepreciseerd zij evenwel, dat de ontvankelijkheid van het beroep tot schadevergoeding beperkt is tot de vergoeding van de schade die rechtstreeks verband houdt met het betrokken bezwarende besluit, in casu de stilzwijgende besluiten tot afwijzing van de oorspronkelijke verzoeken om verzoekers als tijdelijk functionaris van de Commissie aan te stellen, welke in januari 1993 zijn ingediend door verzoekers Altmann en anderen, en in september/oktober 1993 door verzoekers Casson en anderen. Deze beroepen moeten evenwel niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verzoekers niet de twee fasen van de precontentieuze procedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut hebben doorlopen, voor zover zij strekken tot vergoeding van de schade als gevolg van een gedraging van de Commissie die los staat van de betrokken bezwarende besluiten, namelijk de afwijzing van deze oorspronkelijke verzoeken (zie laatstelijk arrest Gerecht van 1 december 1994, zaak T-54/92, Schneider, JurAmbt. 1994, blz. II-887, en beschikking Gerecht van 11 mei 1995, zaak T-569/93, Moat, JurAmbt. 1995, blz. II-305, r.o. 25).
149 Wat de mogelijkheid van verzoekers betreft om hun beroepen tot schadevergoeding eveneens te baseren op artikel 188, lid 2, EGA-Verdrag en artikel 215, lid 2, EG-Verdrag, zij eraan herinnerd dat een uit de dienstbetrekking voortkomend schadegeding tussen een ambtenaar en de instelling waarbij hij in dienst is of was, binnen het kader van artikel 152 EGA-Verdrag (179 EG-Verdrag) en de artikelen 90 en 91 van het Statuut ligt en met name op het punt van de ontvankelijkheid buiten het toepassingsgebied van zowel de artikelen 151 en 188 EGA-Verdrag (178 en 215 EG-Verdrag) valt (arresten Hof van 22 oktober 1975, zaak 9/75, Meyer-Burckhart, Jurispr. 1975, blz. 1171, en 17 februari 1977, zaak 48/76, Reinarz, Jurispr. 1977, blz. 291, blz. 297). De bevoegdheid van de gemeenschapsrechter met betrekking tot personen die de hoedanigheid van ambtenaar of functionaris, niet zijnde plaatselijk functionaris - van de Gemeenschappen - opeist, is gebaseerd op artikel 152 EGA-Verdrag (179 EG-Verdrag) (arrest van het Hof van 11 maart 1975, zaak 65/74, Porrini, Jurispr. 1975, blz. 319, en arrest Ainsworth), zodat daarvoor ook, zoals in dit artikel bepaald, de grenzen en de voorwaarden gelden die zijn vastgesteld in het Statuut of voortvloeien uit de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen (zie in deze zin de conclusie van advocaat-generaal Mischo bij het arrest Ainsworth, blz. 196-201). Bovendien hebben verzoekers, door de indiening van een verzoek en een klacht, zelf de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut aangegeven weg gevolgd en moet de ontvankelijkheid van hun beroep mitsdien aan de hand van deze laatste bepalingen worden beoordeeld (arrest Meyer-Burckhart, reeds aangehaald, r.o. 8).
150 Het argument dat besluit 78/471 (reeds aangehaald), waarbij JET is opgericht en haar statuten zijn vastgesteld, door de Raad en niet door de Commissie is genomen, kan niet in de weg staan aan het recht van verzoekers om hun beroep rechtstreeks in te stellen tegen de instelling die het bezwarend besluit heeft genomen. Uit artikel 184 EGA-Verdrag volgt namelijk, dat enkel de Gemeenschap rechtspersoonlijkheid bezit (zie eveneens de artikelen 152 en 188, tweede alinea, EGA-Verdrag, waarin enkel wordt gesproken van de Gemeenschap en niet van haar instellingen). Weliswaar brengt in de rechtsorde van de Gemeenschap het belang van een goede rechtsbedeling mee, dat zij, indien wegens gedragingen van een van haar instellingen aansprakelijk gesteld, voor het Hof wordt vertegenwoordigd door de instelling of instellingen aan welke het feit dat tot de aansprakelijkheidsactie aanleiding geeft, wordt verweten (arresten Hof van 13 november 1973, gevoegde zaken 63/72-69/72, Werhahn, Jurispr. 1973, blz. 1229, r.o. 7, en 9 november 1989, zaak 353/88, Briantex en Di Domenico, Jurispr. 1989, blz. 3623, r.o. 7), doch dit is niet een omstandigheid die een beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk maakt, wanneer dit nauw verband houdt met een beroep tot nietigverklaring dat zelf ontvankelijk is.
151 Ten gronde moet allereerst worden onderzocht, of de Gemeenschap aansprakelijk is wegens de onrechtmatig door de Raad vastgestelde en door de Commissie uitgevoerde handelingen.
152 Zoals verweerster terecht betoogt, vormen de statuten van JET een onderdeel van een wetgevende handeling, namelijk besluit 78/471, zoals gewijzigd bij de besluiten 88/447, 91/677 en 96/305. Voor zover de vorderingen tot schadevergoeding zijn gebaseerd op de bewering dat deze statuten onwettig zijn, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een dergelijke onwettigheid op zichzelf niet volstaat om de Gemeenschap aansprakelijk te maken. De Gemeenschap is slechts aansprakelijk in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel (arresten Hof van 25 mei 1978, gevoegde zaken 83/76 en 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, HNL, Jurispr. 1978, blz. 1209, r.o. 4-6; 4 oktober 1979, zaak 238/78, Ireks-Arkady, Jurispr. 1979, blz. 2955, r.o. 9, en 5 december 1979, zaak 143/77, Koninklijke Scholten Honig, Jurispr. 1979, blz. 3583, r.o. 10). Het Gerecht is van mening, dat de beginselen van deze rechtspraak analoog dienen te worden toegepast op het onderhavige geval, dat het communautaire ambtenarenrecht betreft, in het bijzonder gelet op de ruime bevoegdheid van de instellingen om via algemene bepalingen de voorschriften betreffende de oprichting en de werking van overeenkomstig hoofdstuk 5 van titel II van het EGA-Verdrag opgerichte gemeenschappelijke ondernemingen vast te stellen. Daaruit volgt dat de Gemeenschap in casu slechts aansprakelijk kan zijn, indien de betrokken instelling op klaarblijkelijke en ernstige wijze de aan de uitoefening van haar bevoegdheden gestelde grenzen heeft miskend.
153 Het fundamentele beginsel van gelijke behandeling is zeker een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel (zie arrest Ireks-Arkady, reeds aangehaald, r.o. 11, alsmede arresten Hof van 4 oktober 1979, gevoegde zaken 64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, Dumortier frères, Jurispr. 1979, blz. 3091, en 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061).
154 Niettemin is het Gerecht van oordeel, dat de schending van dit beginsel door de statuten in casu niet voldoende gekwalificeerd is om de Gemeenschap aansprakelijk te maken. Het verschil in behandeling waartegen verzoekers opkomen, was in de oorspronkelijk context van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming objectief gerechtvaardigd en in 1987 is de geldigheid ervan door het Hof bevestigd in het arrest Ainsworth. Weliswaar kon de Raad, zoals hierboven in rechtsoverweging 130 is uiteengezet, reeds in december 1991 wijzigingen in de omstandigheden constateren, waarmee hij bij de vaststelling van besluit 91/677 rekening had moeten houden, omdat daardoor de redenering van het Hof in het arrest Ainsworth niet meer opging. Gelet op het gezag van de arresten van het Hof binnen de communautaire rechtsorde en de ruime beoordelingsbevoegdheid van de instellingen op het gebied van de organisatie en de werking van de gemeenschappelijke ondernemingen, is het Gerecht evenwel van oordeel, dat de Raad de aan de uitoefening van zijn wetgevende bevoegdheid gestelde grenzen niet klaarblijkelijk en ernstig heeft miskend door het stelsel van aanwerving van artikel 8 van de statuten onrechtmatig van kracht te laten blijven. In de uitzonderlijke omstandigheden van het onderhavige geval, waarin de instellingen gedeeltelijk zijn afgegaan op het gezag van het arrest Ainsworth in een ingewikkelde en voortdurend evoluerende context, is het Gerecht in ieder geval van mening, dat de Gemeenschap wegens haar gedraging niet aansprakelijk is tot de datum van uitspraak van onderhavig arrest, waarin wordt vastgesteld dat de objectieve rechtvaardigingen van het door het Hof in dit arrest Ainsworth geconstateerde verschil in behandeling is komen te ontvallen.
155 Om dezelfde redenen kan de Gemeenschap niet aansprakelijk worden gesteld voor het aan de Commissie verweten gedrag, voor zover het een uitvloeisel is van de administratieve toepassing van de statuten. Het Gerecht herinnert er overigens aan, dat de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de statuten, zoals zij thans luiden, op zichzelf niet toestaan dat verzoekers als "ander personeel" in de zin van artikel 8.5 daarvan worden aangeworven.
156 Uit het voorgaande volgt, dat de vorderingen tot schadevergoeding dienen te worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
157 Volgens de artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen. Krachtens artikel 88 van dit Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
158 Aangezien verweerster op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld en eveneens gelet op de bijzondere omstandigheden naar aanleiding waarvan de vorderingen tot schadevergoeding zijn afgewezen, is het Gerecht van oordeel, dat deze beginselen correct worden toegepast, indien zij wordt veroordeeld om naast haar eigen kosten ook de kosten van verzoekers te dragen. Krachtens artikel 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering en bij gebreke van specifieke conclusies van partijen betreffende dit punt dient evenwel te worden beslist dat D. Hurford, zesentwintigste verzoeker in zaak T-177/94, zijn eigen kosten zal dragen.
159 Overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zal interveniënt zijn eigen kosten dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Verleent akte aan D. Hurford, zesentwintigste verzoeker in zaak T-177/94, van zijn afstand van instantie. Zaak T-177/94 wordt te zijnen aanzien doorgehaald in het register.
2) Verklaart nietig de besluiten van de Commissie, gedateerd respectievelijk 14 januari en 16 september 1994, om de overige verzoekers niet aan te werven in tijdelijke communautaire ambten.
3) Verwerpt de beroepen voor het overige.
4) Verstaat dat verweerster de kosten van verzoekers zal dragen, met uitzondering van de kosten van D. Hurford, alsmede haar eigen kosten. D. Hurford en interveniënt zullen ieder hun eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy