Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Interventieaankopen van boter ° Herstel, na schorsing, van permanent interventiestelsel ° Voorwaarden in verband met prijsniveau en stand van voorraden ° Wijze van berekening van prijzen en voorraden
(Verordening nr. 777/87 van de Raad, art. 1, lid 4; verordening nr. 1547/87 van de Commissie, art. 1, lid 2)
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Onrechtmatigheid ° Schade ° Oorzakelijk verband
(EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea)
Samenvatting
1. Door eind 1990 en begin 1991 de boteraankopen volgens het stelsel van de permanente interventie niet te herstellen, heeft de Commissie niet artikel 1, lid 4, van verordening nr. 777/87 tot wijziging van de interventieaankoopregeling voor boter en magere-melkpoeder of artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1547/87 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 777/87 met betrekking tot de interventieaankopen van boter geschonden. Zij was namelijk terecht van mening, dat niet aan de voorwaarden voor een dergelijk herstel was voldaan, door de verhouding tussen de marktprijs en de interventieprijs van boter tot in twee decimalen nauwkeurig te berekenen en door in haar berekening van de fysieke voorraden boter de door de interventiebureaus in het kader van de inschrijvingen verworven hoeveelheden boter op te nemen, ongeacht of zij bij deze bureaus in opslag waren.
2. De Gemeenschap kan slechts aansprakelijk worden gesteld, indien de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het bestaan van schade en een causaal verband tussen die gedraging en de gestelde schade vaststaan.
Partijen
In zaak T-226/94,
Paul Dischamp SA, vennootschap naar Frans recht, te Sayat (Frankrijk), vertegenwoordigd door F. Vignancour, advocaat te Clermont-Ferrand, en L. Schiltz, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, rue du Fort Rheinsheim 2,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Rozet, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot vergoeding van de schade die verzoekster zou hebben geleden door de schorsing van de interventieaankoopregeling voor boter gedurende de periode van 11 januari tot 26 februari 1991,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, R. García-Valdecasas en J. Azizi, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 28 maart 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13), koopt het door elke Lid-Staat aangewezen interventiebureau alle hem aangeboden hoeveelheden boter.
2 Krachtens artikel 1 van verordening (EEG) nr. 777/87 van de Raad van 16 maart 1987 tot wijziging van de interventieaankoopregeling voor boter en magere-melkpoeder (PB 1987, L 78, blz. 10; hierna: "verordening nr. 777/87"), kan deze regeling worden geschorst zodra de ter interventie aangeboden hoeveelheden 180 000 ton overschrijden (lid 1), en worden vervangen door een systeem van aankoop in het kader van een aanbesteding (lid 3, sub a), waarvan de modaliteiten zijn gepreciseerd bij verordening (EEG) nr. 1589/87 van de Commissie van 5 juni 1987 inzake de aankoop, via inschrijving, van boter door de interventiebureaus (PB 1987, L 146, blz. 27; hierna: "verordening nr. 1589/87").
3 Volgens artikel 1, lid 4, van verordening nr. 777/87, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3577/90 van de Raad van 4 december 1990 inzake de in verband met de Duitse eenwording in de landbouwsector noodzakelijke overgangsmaatregelen en aanpassingen (PB 1990, L 353, blz. 23, bijlage VI, punt VII, 2), wordt het systeem van permanente interventie evenwel opnieuw toegepast, indien de prijzen op de botermarkt gedurende een representatieve periode tot op of onder een niveau van 92 % van de interventieprijs komen te liggen. Indien de fysieke voorraden boter in totaal meer dan 275 000 ton bedragen, wordt de aankoop evenwel pas hervat indien de marktprijzen op of onder een niveau van 90 % van de interventieprijs komen te liggen.
4 Volgens artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1547/87 van de Commissie van 3 juni 1987 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 777/87 met betrekking tot de interventieaankopen van boter (PB 1987, L 144, blz. 12; hierna: "verordening nr. 1547/87"), bedraagt de representatieve periode twee opeenvolgende weken.
5 Van oordeel dat was voldaan aan de bij artikel 1, lid 1, van verordening nr. 777/87 gestelde voorwaarde, heeft de Commissie op 25 juni 1987 verordening (EEG) nr. 1772/87 houdende schorsing van de interventie-aankopen van boter (PB 1987, L 167, blz. 47; hierna: "verordening nr. 1772/87") vastgesteld.
De feiten
6 In de periode van 11 januari tot 26 februari 1991, toen verordening nr. 1772/87 van toepassing was, heeft verzoekster op 11 en 22 januari en op 6, 8, 12, 22 en 26 februari 1991 aan het Franse interventiebureau in totaal 1 968 000 kilogram boter aangeboden, die zij tegen de interventieprijs wenste te verkopen.
7 Bij brieven van 17 januari en 1 februari 1991 deelde het interventiebureau verzoekster mee, dat het hierop niet kon ingaan wegens de schorsing van de regeling van de permanente interventie en de vervanging ervan door het bij verordening nr. 1589/87 ingestelde mechanisme van permanente inschrijving.
8 Daarop heeft verzoekster uiteindelijk besloten, een groot deel van de door haar aangeboden hoeveelheden in het kader van inschrijvingsprocedures te verkopen.
Procesverloop en conclusies van partijen
9 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 juni 1994, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
10 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht de Commissie evenwel gevraagd, bepaalde documenten over te leggen en twee schriftelijke vragen te beantwoorden.
11 De terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 1996. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
12 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° verweerster aansprakelijk te verklaren voor de schade die verzoekster heeft geleden door de onrechtmatige handhaving van de toepassing, voor Frankrijk, van verordening nr. 1772/87 gedurende de periode van 11 januari tot 26 februari 1991;
° verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van 5 000 000 FF, vermeerderd met rente;
° verweerster te verwijzen in de kosten.
13 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
14 In dupliek verzoekt verweerster het Gerecht bepaalde, door verzoekster bij repliek overgelegde interne werkdocumenten wegens hun vertrouwelijk karakter ontoelaatbaar te verklaren.
15 Verweerster heeft ter terechtzitting verklaard, dat zij ervan afzag de toelaatbaarheid van deze documenten te betwisten.
De schadevordering
Het enige middel, ontleend aan schending van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1547/87 en artikel 1, lid 4, van verordening nr. 777/87
Argumenten van partijen
16 Verzoekster verwijt verweerster, kort gezegd, artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1547/87 en artikel 1, lid 4, van verordening nr. 777/87 te hebben geschonden door de aankopen in het kader van de permanente interventie niet te hebben hervat, hoewel de prijzen op de botermarkt gedurende een periode vanaf de tweeënvijftigste week van 1990 tot de negende week van 1991 op of onder een niveau van 92 % van de interventieprijs lagen.
17 Verweerster brengt daartegen in, dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de regeling van permanente interventie, omdat de prijs van de boter op de Franse markt nu eens 92,01 % van de interventieprijs bedroeg en dus boven 92 % lag, dan weer onder die drempel kwam, doch nog steeds boven 90 % lag, terwijl de botervoorraden meer dan 275 000 ton bedroegen.
° De nauwkeurigheidsgraad van het percentage betreffende de marktprijs
18 Uit het feit dat de in verordening nr. 1547/87 genoemde percentages gehele getallen zijn, terwijl in verordening (EEG) nr. 3578/88 van de Commissie van 17 november 1988 tot vaststelling van de bepalingen voor de toepassing van de regeling voor de automatische afbraak van de negatieve monetaire compenserende bedragen (PB 1988, L 312, blz. 16), getallen met 6 decimalen worden gehanteerd, leidt verzoekster a contrario af, dat verweerster dit percentage niet tot in twee decimalen nauwkeurig mocht bepalen. Voorts wijst zij erop, dat in een overzicht dat verweerster heeft opgesteld van de boterprijzen in de Lid-Staten, alle bedragen eindigen op een decimaal. Indien verweerster zou zijn uitgegaan van een op een geheel getal afgerond percentage of een percentage met een decimaal, waren de voorwaarden voor hervatting van het systeem van permanente interventie in casu vervuld geweest.
19 Ter weerlegging van verzoeksters argumenten, ontleend aan een verordening op monetair gebied waar percentages en coëfficiënten over het algemeen met zes decimalen worden uitgedrukt, wijst verweerster erop, dat de specifieke kenmerken van de monetaire sector niet te vergelijken zijn met die van de landbouw. Verwijzend enerzijds naar verordening (EEG) nr. 1180/90 van de Raad van 7 mei 1990 tot vaststelling voor het melkprijsjaar 1990/1991 van de richtprijs voor melk en van de interventieprijzen voor boter, magere-melkpoeder, Grana-Padano- en Permigiano-Reggianokaas (PB 1990, L 119, blz. 23), en anderzijds naar verordening (EEG) nr. 1552/90 van de Commissie van 8 juni 1990 inzake de in ecu vastgestelde prijzen en bedragen in de sector melk en zuivelprodukten die worden verlaagd als gevolg van de monetaire herschikking van 5 januari 1990 (PB 1990, L 146, blz. 14), stelt zij vast dat de Raad de interventieprijs over het algemeen in ECU bepaalt tot in twee decimalen nauwkeurig. De logica vereist, de marktprijs met dezelfde nauwkeurigheid vast te stellen. Wordt verzoeksters stelling gevolgd, dan zou de marktprijs niet tot in hondersten ECU kunnen worden vastgesteld, omdat tussen de waarden die overeenkomen met een op een geheel getal afgerond percentage, een verschil van nagenoeg 3 ECU bestaat.
° De berekening van de fysieke voorraden
20 Verzoekster betwist de wijze waarop verweerster de fysieke voorraden boter heeft berekend. Het in artikel 1, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 777/87 bedoelde begrip "fysieke voorraden boter in het bezit van de interventiebureaus" dekt niet de hoeveelheden boter die in het kader van inschrijvingen worden aanvaard, zonder fysiek voorradig te zijn. Op basis van voorraadcijfers die door de Lid-Staten worden medegedeeld krachtens verordening (EEG) nr. 210/69 van de Commissie van 31 januari 1969 betreffende de wederzijdse mededeling van gegevens door de Lid-Staten en de Commissie in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1969, L 28, blz. 1; hierna: "verordening nr. 210/69"), is verweerster van mening, dat de in aanmerking te nemen voorraden pas eind februari 1991 het plafond van 275 000 ton bereikten. Bijgevolg had verweerster het systeem van de permanente interventie daarvoor moeten hervatten.
21 Verder verwijt verzoekster verweerster, in de voorraadberekening hoeveelheden te hebben meegerekend die na de referentieperiode waarop de berekening betrekking had, waren toegewezen. Met name zouden in de fysieke voorraden van de week van 4 tot 10 februari 1991 23 332 ton boter zijn meegerekend die op 14 februari 1991 waren toegewezen.
22 Verweerster wijst erop, dat zij de botervoorraden berekent op basis van de aan het eind van elke maand fysiek voorradige hoeveelheid zoals die door de Lid-Staten wordt opgegeven, plus de inmiddels in het kader van de inschrijvingen volgens de beheerscomitéprocedure aanvaarde hoeveelheden, minus de uitgeslagen hoeveelheden.
Beoordeling door het Gerecht
23 Of verweerster verordening nr. 1547/87 alsook verordening nr. 777/87 heeft nageleefd, hangt enerzijds af van de mate van nauwkeurigheid waarmee het percentage dat de verhouding van de marktprijs tot de interventieprijs voor boter vertegenwoordigt, dient te worden vastgesteld, en anderzijds van de wijze waarop de fysieke voorraden boter in het bezit van de interventiebureaus worden berekend.
° De nauwkeurigheidsgraad van het percentage betreffende de marktprijs
24 Het Gerecht stelt allereerst vast, dat zowel in verordening nr. 777/87 tot wijziging van de interventieaankoopregeling voor boter, als in verordening nr. 1574/87 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 777/87, de referentiepercentages op hele getallen zijn afgerond; de mate van nauwkeurigheid waarmee de percentages moeten worden berekend, wordt echter niet aangegeven.
25 Vervolgens wijst het Gerecht er enerzijds op, dat verordening nr. 1180/90 tot vaststelling van de interventieprijs voor boter voor het melkprijsjaar 1990/1991 de prijzen in hondersten ECU vermeldt, en anderzijds dat verweerster krachtens artikel 4 van verordening nr. 1547/87 de marktprijs met de interventieprijs moet vergelijken om het percentage vast te stellen dat de eerste ten opzichte van de tweede vertegenwoordigt.
26 Het Gerecht is van oordeel, dat deze twee prijzen slechts naar behoren kunnen worden vergeleken, indien beide even nauwkeurig worden uitgedrukt. Zoals verweerster terecht opmerkt, bedraagt het verschil tussen de waarden die met het in de betrokken verordening bedoelde, op een geheel getal afgeronde percentage overeenkomen, evenwel nagenoeg 3 ECU.
27 Wat de door verzoekster overgelegde tabel betreft, de daarin weergegeven cijfers hebben weliswaar slechts een decimaal, doch zoals verweerster ter terechtzitting opmerkte, gaat het om een zuiver intern overzicht dat niet tot in twee decimalen nauwkeurig hoeft te zijn.
28 Ten slotte acht het Gerecht het door verzoekster aan een verordening op monetair gebied ontleende argument irrelevant, omdat een dergelijke verordening niets met de vaststelling van de institutionele prijzen in de landbouwsector heeft uit te staan.
29 Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel, dat verweerster de verhouding tussen de marktprijs en de interventieprijs terecht tot in twee decimalen nauwkeurig heeft berekend.
° De berekening van de fysieke voorraden
30 Het Gerecht stelt allereerst vast, dat de toepasselijke regelingen niet preciseren, hoe de fysieke voorraden moeten worden berekend.
31 Het Gerecht merkt vervolgens op, dat indien verweerster enkel zou mogen uitgaan van de voorraadgegevens die de Lid-Staten conform verordening nr. 210/69 tweemaal per maand opgeven voor de voorafgaande halve kalendermaand, zij de drempel betreffende de marktprijs, die zij volgens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1547/87 iedere week moet vaststellen, en die betreffende de fysieke voorraden niet voor hetzelfde moment met elkaar zou kunnen vergelijken. Voor een correcte bepaling van de voorraden is dan ook vereist, dat de door de Lid-Staten opgegeven cijfers wekelijks worden bijgewerkt. Het Gerecht is van oordeel, dat een systeem zoals het door verweerster toegepaste, waarbij de door de Lid-Staten opgegeven fysieke voorraden worden vermeerderd met de inmiddels in het kader van de inschrijvingen volgens de beheerscomitéprocedure aanvaarde hoeveelheden, onder aftrek van de uitgeslagen hoeveelheden, een juiste berekening van de fysieke voorraden mogelijk maakt.
32 Het Gerecht is van oordeel, dat de uitdrukking "fysieke voorraden boter in het bezit van de interventiebureaus" in artikel 1, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 777/87 niet uitsluit, dat rekening wordt gehouden met de toegewezen, doch nog niet bij de opslagplaats afgeleverde hoeveelheden boter, aangezien zoals verweerster ter terechtzitting opmerkte, het doel de botermarkt te ontlasten om een prijsstijging teweeg te brengen, is bereikt zodra de interventiebureaus de overschotten hebben gekocht. Bovendien sluit de tekst van deze bepaling niet uit, dat de verworven hoeveelheden door een derde worden gehouden. Het Gerecht is bijgevolg van oordeel, dat verweerster geen fout heeft gemaakt door in haar berekening van de fysieke voorraden de door de interventiebureaus in het kader van de inschrijvingen verworven hoeveelheden boter op te nemen, ongeacht of zij bij deze bureaus in opslag waren.
33 Het Gerecht is van oordeel, dat de vergissingen waarop verzoekster in verweersters berekeningen wijst (zie hierboven r.o. 21), niet van invloed zijn op het feit dat de op voormelde wijze bijgewerkte fysieke voorraden gedurende de gehele periode waarin de marktprijs op of onder 92 % van de interventieprijs lag, meer dan 275 000 ton bedroegen. Onder deze omstandigheden kan aan verweerster geen fout of onrechtmatige gedraging worden verweten, want gedurende de litigieuze periode was niet voldaan aan de bij artikel 1, lid 4, van verordening nr. 777/87 en artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1547/87 gestelde voorwaarden voor hervatting van de interventieaankopen, zoals voorzien bij artikel 6, lid 1, van verordening nr. 804/68.
34 Het Gerecht is bijgevolg van oordeel, dat verweerster de in casu toepasselijke regels niet heeft geschonden.
35 Het middel moet dus worden verworpen.
De schade
Argumenten van partijen
36 Verzoekster stelt de volgende schade te hebben geleden doordat verzoekster verordening nr. 1547/87 niet heeft nageleefd:
° gederfde winst ad 3 881 482,20 FF, gelijk aan het verschil tussen de interventieprijs en de in het kader van de inschrijvingen betaalde prijs;
° 59 515 FF ter zake van financiële en opslagkosten doordat de verkopen via inschrijving twee keer per maand plaatsvinden en niet dagelijks zoals in de regeling van de permanente interventie;
° gederfde winst doordat in het kader van de inschrijvingen niet alle aangeboden hoeveelheden boter kunnen worden verkocht zoals onder de regeling van de permanente interventie.
37 Volgens verzoekster is de schade reëel, vaststaand en ernstig en overschrijdt zij de grenzen van de aan de ondernemersactiviteiten in de betrokken sector inherente economische risico' s. Door verordening nr. 1772/87 tijdens de litigieuze periode te blijven toepassen, heeft verweerster verzoeksters uit verordening nr. 777/87 voortvloeiende verworven rechten alsook het vertrouwensbeginsel geschonden.
38 Verweerster concludeert tot afwijzing van de schadevordering, daar zij de toepasselijke regeling nauwgezet heeft nageleefd. Subsidiair acht zij de vordering onvoldoende onderbouwd. Met name wijst zij erop, dat verzoekster niet aantoont, dat de partijen boter die zij tijdens de litigieuze periode op de markt en niet in het kader van de inschrijvingsprocedure heeft verkocht, voldeden aan de voorwaarden voor aankoop door het interventiebureau, en betwijfelt zij de raming van de financiële en de opslagkosten die het tweede element vormen van de gestelde schade.
Beoordeling door het Gerecht
39 Volgens vaste rechtspraak kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld, indien de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het bestaan van schade en een causaal verband tussen die gedraging en de gestelde schade vaststaan (arresten Hof van 17 december 1981, gevoegde zaken 197/80, 198/80, 199/80, 200/80, 243/80, 254/80 en 247/80, Ludwigshafener Walzmuehle Erling, Jurispr. 1981, blz. 3211, r.o. 18, en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 april 1993, zaak C-182/91, Forafrique Burkinabe, Jurispr. 1993, blz. I-2161, r.o. 21; arresten Gerecht van 18 september 1995, zaak T-168/94, Blackspur e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2627, r.o. 38, en 13 december 1995, gevoegde zaken T-481/93 en T-484/93, Vereniging van Exporteurs in Levende Varkens e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2941, r.o. 80).
40 Aangezien het Gerecht geen enkele schending van de in casu toepasselijke regels heeft vastgesteld, is het van oordeel, dat verzoekster niet heeft aangetoond dat verweerster zich heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige gedraging.
41 Bijgevolg moet de schadevordering worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
42 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij, naast haar eigen kosten, ook verweersters kosten te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy