Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Onjuist gemotiveerd besluit ° Gevolg ° Nietigverklaring ° Aanvoering voor Gerecht van andere gronden die besluit kunnen rechtvaardigen ° Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 190; beschikking 92/217 van de Raad)
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Reële en zekere schade, veroorzaakt door onrechtmatige handeling ° Aanvrager van beurs, wiens aanvraag op onjuiste grond is afgewezen ° Vergoeding van morele schade afhankelijk van bewijs, dat was voldaan aan voorwaarden om beurs te verkrijgen
(EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea)
Samenvatting
1. Wanneer de enige reden die de Commissie aanvoert in het weigeringsbesluit dat wordt meegedeeld aan de aanvrager van een beurs in het kader van het bij beschikking 92/217 van de Raad vastgestelde specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van menselijk potentieel en mobiliteit, in casu het feit dat de betrokkene niet voldeed aan de voor de toekenning van een dergelijke beurs gestelde voorwaarden inzake nationaliteit en mobiliteit, onjuist blijkt te zijn, dient dat besluit nietig te worden verklaard.
Teneinde de nietigverklaring van haar besluit te voorkomen, voert de Commissie tevergeefs aan, dat er nog andere redenen waren om de aanvraag af te wijzen. De Commissie kan het bestreden besluit immers hoe dan ook niet staven met overwegingen die niet in dat besluit voorkomen en die zij pas na het instellen van het beroep naar voren heeft gebracht, aangezien de betrokkene enkel op basis van de overwegingen die in het aan hem meegedeelde besluit waren vermeld, kon beoordelen, of zijn aanvraag terecht was afgewezen en of het zin had beroep bij het Gerecht in te stellen. Waar de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat elke mogelijkheid om de aanvraag op enigerlei wijze te regulariseren is uitgesloten, ontzegt zij de betrokkene ook tevergeefs enig rechtmatig belang bij de nietigverklaring van een besluit waarvoor haars inziens, daar niet was voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van een beurs, slechts een ander weigeringsbesluit in de plaats zou kunnen komen.
2. De Gemeenschap kan pas aansprakelijk worden gesteld indien tegelijkertijd is voldaan aan een aantal voorwaarden, namelijk dat het aan de instellingen verweten gedrag onwettig is, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag en de gestelde schade.
De aanvrager van een beurs, wiens aanvraag op een onjuiste grond is afgewezen, maar die, daar hij niet heeft aangetoond dat hij voldeed aan alle voorwaarden om die beurs te verkrijgen, niet kan stellen dat hij een reële en zekere schade heeft geleden, kan bijgevolg geen aanspraak maken op vergoeding van de morele schade die hij zou hebben geleden als gevolg van het mislopen van de kans om zijn studie en onderzoek voort te zetten.
Partijen
In zaak T-230/94,
F. Farrugia, wonende te Athene (Griekenland), vertegenwoordigd door L. Sissilianos, advocaat te Athene,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira en, ter terechtzitting, door P. Oliver, leden van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 april 1994 houdende afwijzing van verzoekers aanvraag om toekenning van een onderzoeksbeurs, en tot vergoeding van de materiële en morele schade die verzoeker door dit besluit zou hebben geleden,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 23 november 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, in het bezit van het diploma geneeskunde van de universiteit van Athene en gespecialiseerd in de chirurgie, diende bij schrijven van 3 februari 1994 bij het directoraat-generaal Wetenschappen, onderzoek en ontwikkeling van de Commissie (DG XII) een aanvraag in om toekenning van een beurs op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling (Research training fellowship) in het kader van een verblijf in het Verenigd Koninkrijk.
2 Volgens artikel 3 van de Algemene voorwaarden voor de toekenning van onderzoeksbeurzen, door de Commissie (DG XII) vastgesteld overeenkomstig beschikking 92/217/EEG van de Raad van 16 maart 1992 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van menselijk potentieel en mobiliteit (1990-1994) (PB 1992, L 107, blz. 1), "moeten de kandidaten, om voor een onderzoeksbeurs in aanmerking te komen, voldoen aan de volgende voorwaarden:
(a) nationaliteit:
de aanvrager dient onderdaan van een Lid-Staat van de Gemeenschap of een daarmee geassocieerde staat, dan wel een in de Gemeenschap woonachtig natuurlijk persoon te zijn;
(b) mobiliteit:
de aanvrager dient onderdaan te zijn van een ander land dan dat waarin het laboratorium gevestigd is en mag niet gedurende meer dan twee jaar vóór de indiening van de aanvraag zijn normale werkzaamheid in dat land hebben uitgeoefend;
(...)".
3 In het begeleidend schrijven bij zijn aanvraag preciseerde verzoeker, dat hij, ofschoon in Griekenland geboren en woonachtig, een "British overseas citizen" was, doch geen Brits onderdaan. Bij schrijven van 18 maart 1994 wees de Commissie evenwel verzoekers aanvraag af en retourneerde zij hem zijn dossier. Zij voerde hiertoe aan, dat hij onderdaan van het gastland was, dat de bijlagen 6 (D2), 9 en 10-2 (D1.2), die het dossier moest bevatten (beoordeling van het onderzoeksvoorstel door de gastinstelling en verklaring waaruit blijkt dat de kandidaat als onderzoeker is toegelaten), ontbraken, en dat zijn voorstel geen onderzoeksvoorstel was, maar een cursus. In diezelfde brief deelde de Commissie verzoeker mee, dat hij zijn aanvraag opnieuw kon indienen.
4 Bij schrijven van 7 april 1994 diende verzoeker opnieuw zijn aanvraag in bij de Commissie. In die brief wees hij de Commissie erop, dat hij, zoals hij in zijn begeleidend schrijven bij zijn aanvraag van 3 februari 1994 had verklaard, geen Brits onderdaan, doch een "British overseas citizen" was, dat hij volgens de desbetreffende verklaring die het Verenigd Koninkrijk bij gelegenheid van zijn toetreding tot de Europese Gemeenschappen had afgelegd, niet als Brits onderdaan werd beschouwd, en dat hij bijgevolg, anders dan de Commissie in genoemde brief van 18 maart 1994 had gesteld, geen onderdaan van het gastland (Verenigd Koninkrijk) was. Aan zijn brief had hij een kopie gehecht van de hem door het Griekse Ministerie van Openbare orde afgegeven verblijfsvergunning voor vreemdelingen, alsmede een van de gastinstelling in het Verenigd Koninkrijk (Royal Postgraduate Medical School) afkomstig document, dat hij kwalificeerde als "brief van de gastinstelling". Volgens verzoeker kwam dit document in de plaats van bijlage 9 bij het dossier betreffende de aanvraag en moest het door de diensten van de Commissie als toereikend worden beschouwd.
5 Bij schrijven van 26 april 1994 antwoordde de Commissie verzoeker als volgt:
"Het spijt mij dat ik uw aanvraag voor een beurs opnieuw aan u moet retourneren. Ik wijs erop, dat u geen onderdaan van een derde land, doch onderdaan van twee Lid-Staten van de Gemeenschap bent. Ik vraag u derhalve te begrijpen, dat u, waar u zowel de Britse als de Griekse nationaliteit heeft, gelet op onze nationaliteitscriteria niet voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een beurs voor het Verenigd Koninkrijk of Griekenland."
("I regret to send you back once more your application for a grant. May I emphasize that you are not a citizen of a third country but a citizen from two EC countries.
Therefore please understand that with regards to our nationality criteria of eligibility, you have a double British and Greek nationality and that you are not eligible either for UK or Greece.")
6 Op 6 juni 1994 diende verzoeker een verzoek om kosteloze rechtsbijstand in, waarin bij beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 14 december 1994 werd bewilligd.
7 In deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 10 januari 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
8 Daar verweerster geen dupliek heeft ingediend, is de schriftelijke behandeling op 24 juli 1995 afgesloten met de indiening van de repliek.
9 Bij besluit van 19 september 1995 is de rechter-rapporteur ingedeeld in de Tweede kamer, waaraan de zaak bijgevolg is toegewezen.
10 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) besloten de mondelinge behandeling te openen na de Commissie te hebben verzocht, een schriftelijke vraag te beantwoorden. Ter terechtzitting van 23 november 1995 zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij de mondelinge vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
11 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van de Commissie waarbij zijn aanvraag voor een onderzoeksbeurs is afgewezen op grond dat hij niet aan de gestelde voowaarden zou voldoen;
° hem een vergoeding van 13 900 ECU toe te kennen wegens alle door hem geleden schade.
12 Ter terechtzitting van 23 november 1995 heeft verzoeker verklaard, dat hij afziet van zijn vordering tot schadevergoeding, voor zover deze betrekking heeft op de door hem geleden materiële schade, en deze vordering slechts handhaaft voor zover zij de door hem als gevolg van de afwijzing van zijn aanvraag geleden morele schade betreft.
13 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoeker in de kosten te verwijzen.
De vordering tot nietigverklaring
De ontvankelijkheid
14 Ter terechtzitting heeft verweerster aangevoerd, dat zij haar standpunt ten aanzien van verzoekers aanvraag reeds in haar brief van 18 maart 1994 had bepaald en dat het in haar brief van 26 april 1994 vervatte besluit derhalve niet meer dan een bevestigend besluit was, zodat verzoekers beroep, nu het na afloop van de in artikel 173, vijfde alinea, EG-Verdrag bepaalde beroepstermijn van twee maanden is ingesteld, niet-ontvankelijk is.
15 Het Gerecht is van oordeel, dat het door de Commissie aangevoerde middel betreffende de ontvankelijkheid van het beroep, die hoe dan ook door de gemeenschapsrechter ambtshalve moet worden onderzocht (zie arrest Gerecht van 19 mei 1994, zaak T-465/93, Consorzio gruppo di azione locale "Murgia Messapica", Jurispr. 1994, blz. II-361, r.o. 24), niet kan worden aanvaard. Zoals immers blijkt uit de brief van de Commissie van 18 maart 1994, waarbij verzoekers aanvraag voor het eerst en om de erin aangegeven redenen werd afgewezen, kon die aanvraag opnieuw worden ingediend. Ofschoon de Commissie bij haar brieven van 18 maart en 26 april 1994 verzoeker de toekenning van de door hem aangevraagde beurs weigerde, kan de in de tweede brief vervatte weigering, waartoe werd besloten na een hernieuwd onderzoek van verzoekers aanvraag en op basis van een op verzoek van de Commissie aangevuld dossier, derhalve niet worden beschouwd als een bevestiging van de weigering in de brief van 18 maart 1994. Bijgevolg moet het beroep, dat is gericht tegen het in de brief van de Commissie van 26 april 1994 vervatte besluit, ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
Summiere uiteenzetting van de argumenten van partijen
16 Verzoeker beklemtoont, dat hij, ofschoon in Griekenland geboren en aldaar permanent woonachtig, niet de Griekse nationaliteit heeft, zoals blijkt uit het feit dat hij in het bezit is van een door het Griekse Ministerie van Openbare orde afgegeven "verblijfsvergunning voor vreemdelingen", een document dat enkel wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen. Hij heeft evenmin de Britse nationaliteit, daar hij enkel een "British overseas citizen" is. Een persoon met die hoedanigheid wordt in geen van de Lid-Staten als gemeenschapsonderdaan beschouwd. Verzoeker beroept zich in dit verband op de bij de ondertekening van het Verdrag betreffende de toetreding tot de Europese Gemeenschappen door de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland afgelegde verklaring inzake de definitie van het woord "onderdanen" (PB 1972, L 73, blz. 196), waarvoor later een nieuwe verklaring in de plaats is gekomen (PB 1983, C 23, blz. 1), waaruit blijkt dat iemand die niet het recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk geniet, niet als Brits onderdaan kan worden beschouwd. Verzoeker verwijst voorts naar de relevante Britse wettelijke bepaling [Section 3(1) van de Immigration Act 1971], volgens welke iemand die geen Brits onderdaan is, niet het recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk heeft. Ten slotte legt hij een kopie van zijn paspoort over, waarin vermeld staat dat "British overseas citizens", anders dan Britse onderdanen, niet het recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk hebben.
17 Verzoeker stelt dus, dat de bewering van de Commissie in haar brief van 26 april 1994, dat hij zowel de Griekse als de Britse nationaliteit heeft, onjuist is. Dit betekent, dat hij voldeed aan alle in artikel 3 van de Algemene voorwaarden voor de toekenning van onderzoeksbeurzen geformuleerde voorwaarden inzake nationaliteit en mobiliteit: hij had weliswaar niet de nationaliteit van een Lid-Staat, doch was in Griekenland woonachtig en wilde in het Verenigd Koninkrijk medisch onderzoek gaan verrichten, zonder dat hij ooit in dat land een regelmatige werkzaamheid had uitgeoefend.
18 In haar verweerschrift erkent de Commissie, dat verzoeker niet de Griekse nationaliteit heeft, zoals zij in haar brief van 26 april 1994 ten onrechte had gesteld. Ter terechtzitting van 23 november 1995 heeft de Commissie voorts toegegeven, dat verzoeker, anders dan zij in diezelfde brief had verklaard, evenmin de nationaliteit van het Verenigd Koninkrijk (gastland) heeft, zodat hij voldeed aan de in artikel 3, sub a, van de Algemene voorwaarden voor de toekenning van onderzoeksbeurzen neergelegde voorwaarden inzake nationaliteit en mobiliteit.
19 De afwijzing van verzoekers aanvraag was volgens de Commissie echter niet uitsluitend een gevolg van het feit, dat hij niet aan die twee voorwaarden voldeed. Deze voorwaarden hebben enkel betrekking op de ontvankelijkheid van een beursaanvraag; wanneer eenmaal is vastgesteld, dat de aanvraag ontvankelijk is, moeten de kandidaat, de gastinstelling, dat wil zeggen de instelling waar de kandidaat zijn onderzoek wil gaan verrichten, en het onderzoeksvoorstel zelf worden beoordeeld. Over de ingediende aanvragen wordt dus beslist op basis van een dergelijke drievoudige beoordeling.
20 De Commissie beklemtoont, dat in casu, zoals zij in haar brief van 18 maart 1994 aan verzoeker meedeelde, verscheidene documenten waarin een oordeel over de aanvraag moest worden gegeven, die door de gastinstelling moesten worden verstrekt en als bijlagen 6 en 9 bij het aanvraagformulier moesten zijn opgenomen, ontbraken. Zo had verzoeker op geen enkele wijze aangetoond, dat de gastinstelling hem als onderzoeker zou accepteren. Bovendien had hij op genoemde bijlagen de woorden "not applicable" getikt, wat erop wijst dat zijn voorstel in werkelijkheid een cursus was en niet een door de gastinstelling goedgekeurd onderzoeksvoorstel, dat de toekenning van de aangevraagde beurs zou rechtvaardigen.
21 In repliek merkt verzoeker op, dat, anders dan de Commissie stelt, uit de brief van deze instelling van 26 april 1994 blijkt, dat zijn aanvraag is afgewezen op de enkele grond, dat hij niet voldeed aan de voorwaarden inzake nationaliteit en mobiliteit.
Beoordeling door het Gerecht
22 De weigering van de Commissie om verzoeker de aangevraagde beurs toe te kennen, zoals deze voortvloeit uit het in de brief van 26 april 1994 vervatte besluit, was gemotiveerd met de enkele overweging, dat verzoeker geen onderdaan van een derde land, maar onderdaan van twee Lid-Staten was en, gelet op de geldende voorwaarden inzake nationaliteit, niet in aanmerking kwam voor een beurs voor het Verenigd Koninkrijk of Griekenland.
23 Met betrekking tot de vraag, of verzoeker, zoals de Commissie in haar brief van 26 april 1994 stelde, de Griekse nationaliteit had, blijkt uit het dossier, dat verzoeker als bijlage bij zijn brief van 7 april 1994 een kopie had gevoegd van zijn vergunning om in Griekenland te verblijven, die één jaar geldig was en waarop duidelijk zichtbaar in twee gemeenschapstalen, te weten het Grieks en het Engels, stond te lezen "verblijfsvergunning voor vreemdelingen" ("ADIA PARAMONIS ALLODAPOU ° ALIEN' S RESIDENCE PERMIT"). Daar verzoeker gerechtigd was in Griekenland te verblijven op basis van een verblijfsvergunning voor vreemdelingen, konden de diensten van de Commissie dus niet staande houden, dat hij de Griekse nationaliteit had. Deze vaststelling wordt bevestigd door de Commissie zelf, die in haar verweerschrift erkent, dat haar brief van 26 april 1994 een onjuistheid bevatte waar het de nationaliteit van verzoeker betrof, die inderdaad geen Grieks onderdaan was.
24 Met betrekking tot de vraag, of verzoeker Brits onderdaan en dus onderdaan van het "gastland" was, zij om te beginnen in herinnering gebracht, dat artikel 4 van richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 13; hierna: "richtlijn 68/360"), onder meer bepaalt:
"1. De Lid-Staten kennen het recht van verblijf op hun grondgebied toe aan de in artikel 1 bedoelde personen die de hierna in lid 3 genoemde documenten kunnen overleggen.
2. Het recht van verblijf wordt vastgesteld door de afgifte van een document, genoemd 'verblijfskaart van een onderdaan van een Lid-Staat der EEG' . In dit document moet worden vermeld dat het werd afgegeven uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1612/68 en van de maatregelen die de Lid-Staten krachtens deze richtlijn hebben genomen. De tekst van deze vermelding is weergegeven in de bijlage van deze richtlijn."
25 Zoals reeds is vastgesteld (zie supra, r.o. 23), was verzoeker in Griekenland niet in het bezit van een "verblijfskaart van een onderdaan van een Lid-Staat der EEG", maar van een "verblijfsvergunning voor vreemdelingen", die was afgegeven door het Griekse Ministerie van Openbare orde, één jaar geldig was en waarop duidelijk zichtbaar in het Grieks en in het Engels stond te lezen "verblijfsvergunning voor vreemdelingen" ("ADIA PARAMONIS ALLODAPOU ° ALIEN' S RESIDENCE PERMIT"). Zo verzoeker voor de toepassing van het gemeenschapsrecht als Brits onderdaan moest worden beschouwd, zou hij echter volgens bovenaangehaalde bepalingen van richtlijn 68/360 recht hebben gehad op een "verblijfskaart van een gemeenschapsonderdaan", die vijf jaar geldig was en automatisch kon worden verlengd, in plaats van op een één jaar geldige verblijfsvergunning.
26 Bovendien stond op verzoekers verblijfsvergunning weliswaar vermeld: "Burgerschap: Brits", maar op diezelfde vergunning stond ook: "Nationaliteit: Melitea", dat wil zeggen Maltees, hetgeen verklaart waarom de Griekse autoriteiten aan verzoeker geen "verblijfskaart van een gemeenschapsonderdaan", maar een verblijfsvergunning voor vreemdelingen hadden afgegeven.
27 Zelfs indien de diensten van de Commissie, zoals de Commissie in haar verweerschrift verklaart, ervan uitgingen, dat de op verzoekers verblijfsvergunning voorkomende vermelding "Melitea" naar diens geboorteplaats in Griekenland verwees, wat hen deed geloven dat hij tevens de Griekse nationaliteit had, dan nog konden zij niet concluderen, dat verzoeker tegelijkertijd de Griekse nationaliteit kon hebben en in het bezit kon zijn van een Griekse verblijfsvergunning voor vreemdelingen.
28 De Commissie kan evenmin staande houden, dat de Griekse autoriteiten, door aan verzoeker een verblijfsvergunning voor een onderdaan van een derde land af te geven, zelf een fout hadden gemaakt door geen rekening te houden met het feit, dat verzoeker ondanks zijn hoedanigheid van "British overseas citizen" de Britse nationaliteit kon hebben. Verzoeker had immers in zijn brief van 7 april 1994 beklemtoond, dat hij geen Brits onderdaan, doch een "British overseas citizen" was. De door verzoeker in zijn brief aan de Commissie ingeroepen verklaring die het Verenigd Koninkrijk bij zijn toetreding tot de Europese Gemeenschappen heeft afgelegd met betrekking tot de definitie van het woord "onderdanen", zoals deze is vervangen bij de nieuwe verklaring die werd afgelegd na de inwerkingtreding van de wet op de Britse nationaliteit van 1981 (zie supra, r.o. 16), luidt als volgt:
"Wat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreft, worden de woorden 'onderdanen' , 'onderdanen van Lid-Staten' of 'onderdanen van Lid-Staten en landen en gebieden overzee' , wanneer zij worden gebruikt in het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (...), dan wel in enige van de uit deze Verdragen afgeleide communautaire besluiten, geacht te verwijzen naar:
a) Britse burgers;
b) personen die Britse 'onderdanen' zijn uit hoofde van deel IV van de wet op de Britse nationaliteit van 1981 en die het recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk genieten en op die grond zijn vrijgesteld van immigratiecontrole vanwege het Verenigd Koninkrijk;
c) burgers van de Britse Afhankelijke gebieden die hun burgerschap ontlenen aan een band met Gibraltar."
29 In deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de diensten van de Commissie verzoeker voor de toepassing van het gemeenschapsrecht niet als Brits onderdaan konden beschouwen. Immers, zoals verzoeker door overlegging van zijn paspoort voor het Gerecht heeft aangetoond, valt hij noch onder de categorie van personen, bedoeld in punt b van bovenaangehaalde verklaring van het Verenigd Koninkrijk, noch onder de in de punten a en c van die verklaring bedoelde categorieën.
30 In dit verband neemt het Gerecht ten slotte akte van het feit, dat de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, dat verzoeker voor de toepassing van het gemeenschapsrecht niet de Britse nationaliteit had, zodat hij voldeed aan de op zijn beursaanvraag toepasselijke voorwaarden inzake nationaliteit en mobiliteit.
31 Uit het voorgaande volgt, dat het bestreden besluit onjuist is gemotiveerd, zodat het nietig moet worden verklaard.
32 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de Commissie in haar verweerschrift en ter terechtzitting heeft betoogd, dat verzoekers aanvraag niet enkel wegens zijn nationaliteit is afgewezen, maar ook om andere redenen, die zijn uiteengezet in haar brief van 18 maart 1994, waarin zij verzoeker liet weten dat bepaalde documenten, die een beoordeling door de gastinstelling moesten bevatten en in bijlage bij zijn dossier moesten zijn opgenomen, ontbraken, en dat het feit dat verzoeker op die documenten de woorden "not applicable" had getikt, erop wijst dat het voor de betrokken beurs ingediende voorstel in werkelijkheid een cursus en niet een onderzoeksvoorstel was.
33 Immers, ofschoon de Commissie beweert, dat verzoeker had nagelaten bij zijn beursaanvraag bepaalde documenten te voegen die nodig waren om aan te tonen, dat hij voldeed aan de materiële voorwaarden om voor de aangevraagde beurs in aanmerking te komen, blijkt uit het dossier, dat verzoeker aan zijn brief van 7 april 1994 een van de gastinstelling ("Royal Postgraduate Medical School") afkomstig document had gehecht, dat, zoals hij in die brief stelde, toereikend moest zijn.
34 Zonder terug te komen op hetgeen zij had vastgesteld in haar brief van 18 maart 1994, waarin zij verzoeker erop wees dat hij had nagelaten bij zijn aanvraag bepaalde noodzakelijke documenten te voegen, retourneerde de Commissie bij schrijven van 26 april 1994 verzoekers aanvraag, waarbij zij wederom aanvoerde, dat hij geen onderdaan van een derde land, maar onderdaan van twee Lid-Staten was en om die reden niet voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een beurs voor Griekenland of het Verenigd Koninkrijk.
35 De Commissie moet derhalve worden geacht verzoekers aanvraag te hebben afgewezen op de enkele grond, dat hij niet voldeed aan de voorwaarden inzake nationaliteit en mobiliteit, en niet om de redenen die de Commissie voor het eerst in haar verweerschrift heeft aangevoerd (zie supra, r.o. 18 en 19).
36 De Commissie kan het bestreden besluit hoe dan ook niet staven met overwegingen die niet in dat besluit voorkomen en die zij pas na het instellen van het beroep naar voren heeft gebracht, aangezien verzoeker enkel op basis van de in het bestreden besluit vermelde overwegingen kon beoordelen, of zijn aanvraag terecht was afgewezen en of het zin had beroep bij het Gerecht in te stellen (arrest Hof van 7 februari 1990, zaak C-343/87, Culin, Jurispr. 1990, blz. I-225, en arrest Gerecht van 12 februari 1992, zaak T-52/90, Volger, Jurispr. 1992, blz. II-121).
37 Ten slotte kan de Commissie evenmin staande houden, dat verzoeker geen enkel rechtmatig belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit, daar hij niet voldeed aan de materiële voorwaarden om voor de betrokken beurs in aanmerking te komen, zodat de Commissie ook zonder de vergissing met betrekking tot verzoekers nationaliteit diens aanvraag automatisch zou hebben afgewezen (zie arresten Hof van 16 oktober 1975, zaak 90/74, Deboeck, Jurispr. 1975, blz. 1123, en 10 juli 1980, zaak 30/78, Distillers Company, Jurispr. 1980, blz. 2229, alsmede arrest Gerecht van 9 oktober 1992, zaak T-50/91, De Persio, Jurispr. 1992, blz. II-2365, r.o. 24).
38 De Commissie heeft immers niet rechtens genoegzaam aangetoond, dat, onder meer wegens het eventuele verstrijken van een termijn, de mogelijkheid is uitgesloten, dat zij, mocht zij van oordeel zijn dat de door verzoeker bij zijn brief van 7 april 1994 gevoegde documenten niet van dien aard zijn, dat daardoor het dossier betreffende zijn aanvraag wordt geregulariseerd, na een uitvoerig onderzoek van het dossier ° en zoals zij overigens in haar brief van 18 maart 1994 had gedaan ° verzoeker vraagt de vereiste documenten alsnog over te leggen.
39 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie, door te overwegen dat verzoeker wegens zijn nationaliteit niet voldeed aan de voorwaarden om voor een onderzoeksbeurs in aanmerking te komen, het bestreden besluit van 26 april 1994 onjuist heeft gemotiveerd, zodat dit nietig moet worden verklaard.
De vordering tot schadevergoeding
Ten gronde
Summiere uiteenzetting van de argumenten van partijen
40 Verzoeker stelt, dat hij aanzienlijke schade heeft geleden als gevolg van het feit dat hij door de vergissing van de Commissie met betrekking tot zijn nationaliteit, de unieke kans om zijn studie en onderzoek in het Verenigd Koninkrijk voort te zetten, is misgelopen. Hij voegt hieraan toe, dat hij, zoals blijkt uit de brief van de Commissie van 26 april 1994 ["Het spijt mij dat ik uw aanvraag voor een beurs opnieuw aan u moet retourneren (...)"], in het verleden herhaalde pogingen heeft gedaan om zijn aanvraag in te dienen, waarmee kostbare tijd voor zijn studie en carrière verloren is gegaan. Hij raamt deze schade op 10 400 ECU. Verzoeker zou daarnaast aanzienlijke morele schade hebben geleden, die door hem wordt geraamd op 3 500 ECU. Ter terechtzitting heeft verzoeker evenwel zijn conclusies strekkende tot vergoeding van de materiële schade laten varen en zijn vordering beperkt tot de enkele vergoeding van de morele schade.
41 De Commissie voert aan, dat de door verzoeker gestelde schade niet zeker, doch ongewis is. Zelfs al zou verzoekers aanvraag aan de materiële voorwaarden hebben voldaan, hetgeen, zoals de Commissie in het kader van de vordering tot nietigverklaring heeft betoogd (zie supra, r.o. 18 en 19), in casu niet het geval was, dan nog had die aanvraag, om daadwerkelijk te worden gehonoreerd, nog aan een drievoudige beoordeling moeten worden onderworpen (zie supra, r.o. 18). De Commissie beklemtoont in dit verband, dat zij voor de periode 1992-1994 meer dan 6 000 aanvragen voor onderzoeksbeurzen heeft ontvangen, waarvan er maar 1 800 zijn gehonoreerd.
Beoordeling door het Gerecht
42 Volgens vaste rechtspraak kan de Gemeenschap pas aansprakelijk worden gesteld indien tegelijkertijd is voldaan aan een aantal voorwaarden, namelijk dat het aan de instellingen verweten gedrag onwettig is, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag en de gestelde schade (zie laatstelijk arrest Hof van 1 juni 1994, zaak C-136/92 P, Brazzelli Lualdi e.a., Jurispr. 1994, blz. I-1981, en arrest Gerecht van 26 oktober 1995, zaak T-185/94, Geotronics, Jurispr. 1995, blz. II-2795).
43 Waar het in casu gaat om morele schade als gevolg van het mislopen door verzoeker van de kans om zijn studie en onderzoek in het Verenigd Koninkrijk voort te zetten, onderstelt het vereiste dat die schade werkelijk is geleden, dat verzoeker op zijn minst aantoont, dat zijn aanvraag voldeed aan de materiële voorwaarden om in behandeling te worden genomen, zodat hem enkel door de onwettige weigering van de Commissie, voor zover deze gebaseerd was op onjuiste overwegingen betreffende zijn nationaliteit, de kans is ontnomen, zijn aanvraag in aanmerking genomen te zien met het oog op de toekenning van de aangevraagde beurs.
44 Verzoeker heeft noch in het kader van de schriftelijke behandeling noch ter terechtzitting aangetoond, dat zijn beursaanvraag daadwerkelijk aan de gestelde materiële voorwaarden voldeed, zodat hij een aanzienlijke kans zou hebben gehad de beurs uiteindelijk toegekend te krijgen, indien de Commissie zich niet had vergist met betrekking tot zijn nationaliteit. Het document dat verzoeker in antwoord op de brief van de Commissie van 18 maart 1994 aan zijn brief van 7 april daaraanvolgend had gehecht (zie supra, r.o. 3 en 4), dat als briefhoofd de naam "Royal Postgraduate Medical School" draagt, maar waarin verzoeker niet met name wordt genoemd, rechtvaardigt niet de vaststelling, dat die instelling verzoeker daadwerkelijk als onderzoeker voor een bepaald project had geaccepteerd.
45 Zonder dat behoeft te worden onderzocht, of nog andere documenten die nodig waren om verzoekers aanvraag kracht bij te zetten, ontbraken, en of verzoekers dossier, zoals de Commissie betoogt, niet naar behoren was samengesteld, en zonder dat verzoekers kansen op de uiteindelijke toekenning van de aangevraagde beurs behoeven te worden beoordeeld, kan in deze omstandigheden worden volstaan met de vaststelling, dat verzoeker niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat hij, behalve aan de voorwaarden inzake nationaliteit en mobiliteit, ook voldeed aan de materiële voorwaarden die moesten zijn vervuld, wilde zijn aanvraag door de Commissie in aanmerking kunnen worden genomen en eventueel kunnen worden gehonoreerd.
46 Bijgevolg moet de vordering tot vergoeding van de gestelde morele schade worden afgewezen, daar verzoeker niet heeft bewezen dat hij een reële en zekere schade heeft geleden, door aan te tonen dat zijn aanvraag voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te worden genomen en te worden gehonoreerd, zo de Commissie de toekenning van de aangevraagde beurs niet met een beroep op onjuiste overwegingen betreffende zijn nationaliteit had geweigerd (zie arresten Hof van 2 juni 1965, zaak 9/64, Acciaieria Ferriera di Roma, Jurispr. 1965, blz. 392, 405, en 13 juli 1972, zaak 79/71, Heinemann, Jurispr. 1972, blz. 579, r.o. 9, alsmede arrest Gerecht van 18 mei 1995, zaak T-478/93, Wafer Zoo, Jurispr. 1995, blz. II-1479, r.o. 49).
Beslissing inzake de kosten
Kosten
47 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het in de brief van 26 april 1994 vervatte besluit van de Commissie.
2) Wijst de vordering tot schadevergoeding af.
3) Verwijst de Commissie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy