Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Mededinging ° Geldboeten ° Beoordelingsbevoegdheid van Commissie ° Draagwijdte ° Bevoegdheid om bij geldboeten vertragingsrente te bepalen
(EEG-Verdrag, art. 89; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
2. Mededinging ° Geldboeten ° Keuzemogelijkheden voor ondernemingen die beroep instellen tegen boetebeschikking van Commissie ° Onderneming die heeft geopteerd voor stellen van bankgarantie ° Verlaging van geldboete door gemeenschapsrechter ° Betaling van vertragingsrente vanaf datum van opeisbaarheid vastgesteld door beschikking, doch berekend over bedrag van geldboete vastgesteld door gemeenschapsrechter
(EEG-Verdrag, art. 172 en 185; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2, en 17)
3. Commissie ° Maatregelen van beheer die krachtens machtiging kunnen worden getroffen ° Begrip ° Besluit waarbij betaling van vertragingsrente wordt gevorderd na arrest van Gerecht houdende gedeeltelijke bevestiging van beschikking waarbij geldboete met vertragingsrente is opgelegd ° Daaronder begrepen
(Reglement van orde van de Commissie 93/492, art. 11)
4. Mededinging ° Geldboeten ° Beoordelingsbevoegdheid van Commissie ° Draagwijdte ° Bevoegdheid om in verband met geldboeten verrichte betalingen toe te rekenen ° Voorwaarden ° Inachtneming van regels of algemene beginselen van gemeenschapsrecht
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
Samenvatting
1. De bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 aan de Commissie verleende bevoegdheid om geldboeten op te leggen aan ondernemingen, omvat de mogelijkheid om de datum van eisbaarheid van de geldboete en de begindatum van de vertragingsrente te bepalen, de rentevoet vast te stellen en de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking te bepalen door in voorkomend geval een bankgarantie te eisen ten belope van het hoofdbedrag van de opgelegde geldboete en de daarover verschuldigde rente.
Zonder een dergelijke bevoegdheid zou het voordeel dat de ondernemingen kunnen halen uit het met vertraging betalen van de geldboeten, immers leiden tot verzachting van de straffen die de Commissie heeft opgelegd in het kader van de haar bij artikel 89 van het Verdrag opgedragen taak, te waken voor de toepassing van de mededingingsregels. De toepassing van vertragingsrente over de geldboeten is derhalve gerechtvaardigd om te voorkomen dat het nuttig effect van het Verdrag wordt tenietgedaan door een eenzijdige praktijk van ondernemingen de hun opgelegde geldboeten met vertraging betalen.
Daarbij komt, dat indien de Commissie niet de bevoegdheid zou hebben over de geldboeten vertragingsrente te vorderen, de ondernemingen die hun geldboeten met vertraging betalen, zouden worden bevoordeeld ten opzichte van degene die de hun opgelegde geldboeten binnen de daartoe gestelde termijn betalen.
2. De onderneming die een beroep instelt tegen een beschikking van de Commissie waarbij haar een geldboete is opgelegd, heeft de keuze tussen: betaling van de geldboete op het ogenblik van de eisbaarheid ervan; krachtens artikel 185, tweede volzin, van het Verdrag en artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking verzoeken; of, ten slotte, indien de Commissie daartoe de mogelijkheid biedt, onder de door de Commissie vastgestelde voorwaarden een bankgarantie stellen ter verzekering van de betaling van de geldboete en de vertragingsrente.
Wanneer de onderneming voor deze laatste mogelijkheid heeft gekozen en de gemeenschapsrechter in het kader van zijn volledige rechtsmacht de door de Commissie opgelegde geldboete verlaagt, kan deze laatste eisen dat vanaf de in de beschikking bepaalde datum van eisbaarheid vertragingsrente wordt betaald over het door de gemeenschapsrechter vastgestelde bedrag van de geldboete. Gelet op de bevoegdheden die artikel 172 van het Verdrag en artikel 17 van verordening nr. 17 aan de gemeenschapsrechter verlenen, vormt de door deze vastgestelde geldboete immers geen nieuwe geldboete die juridisch losstaat van de door de Commissie in haar beschikking vastgestelde geldboete, en brengt zij geen wijziging in de gevolgen van de door de onderneming gestelde bankgarantie.
3. De door de Commissie getroffen maatregelen die voor de justitiabelen rechten en plichten in het leven roepen, zijn besluiten die door de leden van de Commissie in gemeen overleg moeten worden genomen, terwijl de maatregelen waarbij die besluiten ten uitvoer worden gelegd, als accessoire maatregelen, beheersmaatregelen zijn die krachtens een machtiging volgens artikel 11 van het reglement van orde van de Commissie kunnen worden genomen.
In dit verband moet een besluit waarbij de Commissie betaling van vertragingsrente vordert na een arrest van het Gerecht houdende gedeeltelijke bevestiging van een beschikking waarbij een geldboete met vertragingsrente is opgelegd, als maatregel ter uitvoering van de aanvankelijke beschikking waarbij de geldboete en de rente zijn vastgesteld, als een gewone maatregel van bestuur en beheer worden aangemerkt.
4. De Commissie, die bevoegd is om aan de verplichting tot betaling van de door haar opgelegde geldboeten een verplichting tot betaling van rente in geval van niet-betaling van de geldboeten te verbinden, is ook bevoegd om te bepalen, hoe de in verband met deze geldboeten verrichte betalingen zullen worden toegerekend, met dien verstande dat de regels of algemene beginselen van het gemeenschapsrecht daarbij niet mogen worden geschonden. Onder deze voorwaarde kan de Commissie op basis van de regels die in de meeste nationale rechtsorden algemeen worden aanvaard, die betalingen eerst op de rente en vervolgens op het hoofdbedrag toerekenen.
Partijen
In zaak T-275/94,
Groupement des cartes bancaires "CB", economisch samenwerkingsverband naar Frans recht, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Georges en H. Calvet, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa, lid van haar juridische dienst, en G. de Bergues, nationaal ambtenaar gedetacheerd bij de Commissie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994, waarbij de Commissie, enerzijds, voor de periode van 30 juni 1992 tot op de dag van de daadwerkelijke betaling vertragingsrente vordert over het bedrag van de geldboete die verzoekster is opgelegd bij beschikking 92/212/EEG van de Commissie van 25 maart 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.717-A ° Eurocheque: Overeenkomst van Helsinki) (PB 1992, L 95, blz. 50), welk bedrag bij arrest van het Gerecht van 23 februari 1994 (CB en Europay, gevoegde zaken T-39/92 en T-40/92, Jurispr. 1994, blz. II-49) is vastgesteld op 2 000 000 ECU, en, anderzijds, de door verzoekster verrichte betaling van 2 000 000 ECU eerst toerekent op de rente en vervolgens op het hoofdbedrag van de geldboete vermeerderd met de vertragingsrente,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Schintgen, R. García-Valdecasas, P. Lindh en J. Azizi, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 29 maart 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en de procedure
1 Op 25 maart 1992 gaf de Commissie beschikking 92/212/EEG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.717-A ° Eurocheque: Overeenkomst van Helsinki) (PB 1992, L 95, blz. 50; hierna: "beschikking" of "beschikking van 25 maart 1992"). In artikel 1 van die beschikking wordt verklaard, dat de tijdens de Assemblée Eurocheque te Helsinki op 19 en 20 mei 1983 gesloten overeenkomst tussen de Franse financiële instellingen en de Assemblée Eurocheque betreffende de aanvaarding door handelaren in Frankrijk van op buitenlandse financiële instellingen getrokken eurocheques (hierna: "Overeenkomst van Helsinki"), welke overeenkomst van 1 december 1983 tot 27 mei 1991 is toegepast, een inbreuk vormt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag (thans EG-Verdrag; hierna: "Verdrag").
2 Volgens artikel 2 van deze beschikking wordt het verzoek om een ontheffing voor de in artikel 1 genoemde overeenkomst, overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Verdrag, voor de periode van 16 juli 1990, zijnde de datum van aanmelding, tot 27 mei 1991, zijnde de datum van opzegging van de overeenkomst, afgewezen.
3 Artikel 3 van de beschikking legt de Groupement des cartes bancaires "CB" (hierna: "Groupement") wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuk een geldboete van 5 000 000 ECU op en bepaalt, dat dit bedrag binnen drie maanden na kennisgeving van deze beschikking aan de Commissie moet worden betaald. Gepreciseerd wordt, dat vanaf het verstrijken van die termijn over dit bedrag van rechtswege rente verschuldigd is tegen de rentevoet die door het Europese Fonds voor Monetaire Samenwerking (hierna: "EFMS") op de eerste werkdag van de maand waarin deze beschikking is vastgesteld, op zijn verrichtingen in ECU wordt toegepast (PB 1992, C 56, blz. 1), vermeerderd met drie en een half procentpunt of wel 13,75 %.
4 Bij brief van 25 maart 1992 bracht de Commissie de beschikking ter kennis van de Groupement. Daardoor ontstond voor deze laatste de verplichting om het bedrag van de geldboete uiterlijk op 30 juni 1992 te betalen. Vanaf die datum had de Commissie het recht de beschikking ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 192, tweede alinea, van het Verdrag. In genoemde brief deelde de Commissie de Groupement evenwel mee, dat zij, volgens een vaste praktijk, ingeval de zaak voor het Gerecht zou worden gebracht, geen maatregelen van tenuitvoerlegging zou treffen zolang de zaak bij die rechterlijke instantie aanhangig is, onder de dubbele voorwaarde dat vanaf 30 juni 1992 over de schuldvordering rente wordt betaald tegen de door het EFMS toegepaste rentevoet vermeerderd met anderhalf procentpunt, te weten 11,75 %, en dat uiterlijk op die datum een bankgarantie wordt gesteld ten belope van het hoofdbedrag en de renten of vermeerderingen.
5 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 25 mei 1992, stelde de Groupement een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van 25 maart 1992 in. Zij stelde, zakelijk weergegeven, dat de gelaakte overeenkomst geen mededingingsregeling vormde, en dat, zelfs al zou de inbreuk zijn aangetoond, het bedrag van de geldboete volstrekt onevenredig was aan de ernst van de inbreuk.
6 Op 24 juni 1992 stelde de bank van de Groupement in opdracht en voor rekening van laatstgenoemde een bankgarantie naar het bij de brief van de Commissie van 25 maart 1992 gevoegde model, zowel voor de bij de beschikking van 25 maart 1992 aan de Groupement opgelegde geldboete van 5 000 000 ECU als voor de rente, berekend op basis van de door het EFMS toepaste rentevoet, vermeerderd met anderhalf procentpunt, over dat bedrag vanaf 30 juni 1992 tot op de dag van de daadwerkelijke betaling van de geldboete.
7 In zijn arrest van 23 februari 1994 (gevoegde zaken T-39/92 en T-40/92, CB en Europay, Jurispr. 1994, blz. II-49) oordeelde het Gerecht met betrekking tot de Groupement, dat de Overeenkomst van Helsinki niet kon worden aangemerkt als een mededingingsregeling betreffende de vaststelling van een identieke prijs die in de overeenkomsten met derden in acht moest worden genomen, maar een mededingingsregeling betreffende het beginsel van het in rekening brengen van een commissie vormde, die als zodanig in strijd was met artikel 85, lid 1, sub a, van het Verdrag, en bepaalde het de bij artikel 3 van de bestreden beschikking aan de Groupement opgelegde geldboete op 2 000 000 ECU. Het beroep werd voor het overige verworpen en de Commissie werd in de helft van de kosten van de Groupement verwezen.
8 Bij brief van 5 mei 1994 liet de Groupement de Commissie weten, dat nu de termijn voor het instellen van hogere voorziening tegen de beslissing van het Gerecht van 23 februari 1994 op 4 mei 1994 was verstreken, zij de door het Gerecht op 2 000 000 ECU bepaalde geldboete bij bankoverschrijving van 5 mei 1994 had betaald. Van oordeel dat zij het arrest van het Gerecht aldus volledig had uitgevoerd, antwoordde de Groupement op een telefonische vraag van de dienst Boekhouding van de Commissie, dat de in het arrest van het Hof van 25 oktober 1983 (zaak 107/82, AEG, Jurispr. 1983, blz. 3151, r.o. 139 en 143) geformuleerde verplichting om rente te betalen, berust op de overweging dat moet worden voorkomen dat kennelijk ongegronde beroepen worden ingesteld met als enig doel de betaling van de geldboete te vertragen, en dat die verplichting niet geldt voor beroepen die geheel of ten dele gegrond zijn. Deze vaststelling zou worden bevestigd door het feit, dat de door de Commissie toegepaste rentevoet hoger is dan de wettelijke rentevoet in Frankrijk en op de markt voor verrichtingen in ECU en daardoor een bijkomende straf vormt voor degenen die beroep hebben ingesteld. De Groupement voegde eraan toe, dat over de bij het arrest opgelegde geldboete in ieder geval geen rente kon verschuldigd zijn vanaf de datum van de eisbaarheid van de bij de beschikking van de Commissie opgelegde geldboete, daar het juridisch om twee verschillende geldboeten gaat. Zij wees erop, dat het Gerecht blijkens het dictum van zijn arrest een nieuwe geldboete heeft "vastgesteld" en niet de aanvankelijk bij de beschikking van de Commissie opgelegde geldboete heeft "verlaagd". Door het bedrag van de geldboete te bepalen op basis van het ongeoorloofde voordeel voortvloeiend uit de bij de inning van buitenlandse eurocheques ten onrechte in rekening gebrachte commissies, heeft de Commissie immers enkel de mededingingsregeling betreffende het bedrag van deze commissies en niet de mededingingsregeling betreffende het beginsel van het in rekening brengen van een commissie, die gewoon de voorwaarde voor eerstgenoemde mededingingsregeling is, bestraft. Door enkel de mededingingsregeling betreffende het beginsel van het in rekening brengen van een commissie bewezen te achten, heeft het Gerecht derhalve een geldboete opgelegd voor een inbreuk die de Commissie als zodanig niet had bestraft.
9 Op 27 mei 1994 verzocht de Groupement om gedeeltelijke opheffing van de bankgarantie.
10 Bij brief van 7 juni 1994 antwoordde de Commissie, dat zij de betaling van 2 000 000 ECU als een gedeeltelijke betaling van het totale bedrag van de schuld op 6 mei 1994 beschouwde, waarmee de tot op die dag gekweekte rente, te weten 433 301,37 ECU, en een deel van het hoofdbedrag zijn afgelost, en dat over de rest van dit hoofdbedrag rente verschuldigd blijft vanaf 6 mei 1994 tot op de dag van de daadwerkelijke betaling. De Commissie wijst er allereerst op, dat de praktijk die zij sedert 1981 volgt ter zake van de opschorting van de betaling van geldboeten in geval van beroep tegen beschikkingen waarbij geldelijke sancties worden opgelegd, en die erin bestaat dat de betaling van rente en het stellen van een bankgarantie ter verzekering van de betaling van de geldboete vermeerderd met de rente worden geëist, door het Hof is goedgekeurd (zie arrest AEG, reeds aangehaald, en de beschikkingen van 7 mei 1982, zaak 86/82 R, Hasselblad, Jurispr. 1982, blz. 1555; 11 november 1982, zaak 263/82 R, Kloeckner Werke, Jurispr. 1982, blz. 3995, en 7 maart 1986, zaak 392/85 R, Finsider, Jurispr. 1986, blz. 959), en dat in het onderhavige geval de Groupement de betaling van rente had aanvaard door op 24 juni 1992 de bankgarantie te stellen. Vervolgens stelde de Commissie vast, dat de verplichting om rente te betalen geen onvermijdelijk gevolg was van de uitoefening van het recht om beroep in te stellen, daar de Groupement aan de betaling van rente had kunnen ontsnappen door de geldboete te betalen op het ogenblik waarop zij eisbaar werd. Met betrekking tot de stelling, dat juridisch gezien de door het Gerecht vastgestelde geldboete en de door de Commissie vastgestelde geldboete twee verschillende geldboeten zijn, betoogde de Commissie, dat deze stelling berust op een verkeerde beoordeling door de Groupement van de draagwijdte van volledige rechtsmacht die aan het Gerecht is verleend bij artikel 17 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), volgens hetwelk het Gerecht de opgelegde geldboete slechts kan intrekken, verlagen of verhogen, doch geen nieuwe geldboete kan vaststellen die losstaat van die welke door de Commissie is opgelegd.
11 Op 16 juni 1994 betwistte de Groupement de door de Commissie in haar brief van 7 juni 1994 geponeerde stelling betreffende het in rekening brengen van vertragingsrente over de geldboete van 2 000 000 ECU vanaf 30 juni 1992 en betreffende de toerekening van de betaling van 2 000 000 ECU op deze rente, en behield zij zich het recht voor het Gerecht om uitlegging van zijn arrest van 23 februari 1994 te verzoeken.
12 Bij brief van 15 juli 1994 maande de Commissie de Groupement aan, het saldo van haar schuld vóór 31 juli 1994 te betalen, bij gebreke waarvan zij gebruik zou maken van de bankgarantie. Dezelfde dag liet de Commissie de zich garant stellende bank weten, dat zij ermee instemde het bedrag van de garantie te verminderen ten belope van de gedeeltelijke betaling.
13 Bij brief van 20 juli 1994 herhaalde de Groupement, dat zij het niet eens was met de analyse die de Commissie ter zake van de vertragingsrente had gemaakt, doch deelde zij deze laatste mee, dat zij haar bank opdracht had gegeven de Commissie het bedrag van 443 902,61 ECU te betalen, daar de omstandigheid dat de beschikking van de Commissie een executoriale titel vormt, haar geen andere keuze liet.
14 In die omstandigheden heeft de Groupement bij een op 4 augustus 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
15 Het Gerecht (Vierde kamer ° uitgebreid) heeft op rapport van de rechter-rapporteur besloten, zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
16 Ter terechtzitting van 29 maart 1995 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
Conclusies van partijen
17 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) nietig te verklaren het in de brieven van 7 juni en 15 juli 1994 vervatte besluit, waarbij de Commissie betaling eiste van vertragingsrente over de door het Gerecht in zijn arrest van 23 februari 1994 vastgestelde geldboete van 2 000 000 ECU voor de periode van 30 juni 1992 tot de dag van de betaling van die geldboete, en derhalve vast te stellen, dat het door de Groupement betaalde bedrag van 433 902,61 ECU niet verschuldigd was en aan deze moet worden terugbetaald vermeerderd met rente, berekend op basis van de door het EFMS toegepaste rentevoet, voor de periode van 20 juli 1994 tot op de dag van de daadwerkelijke terugbetaling;
2) subsidiair, voor het geval dat het Gerecht de sub 1 geformuleerde vordering niet zou toewijzen, het besluit van de Commissie nietig te verklaren voor zover het berust op een verkeerde methode van toerekening van de door de Groupement verrichte betalingen, en derhalve vast te stellen, dat het door de Groupement uit dien hoofde betaalde bedrag van 10 601,24 ECU niet verschuldigd was en aan deze moet worden terugbetaald vermeerderd met rente, berekend op basis van de door het EFMS toegepaste rentevoet, voor de periode van 20 juli 1994 tot op de dag van de daadwerkelijke terugbetaling;
3) de Commissie te verwijzen in alle kosten die de Groupement in het kader van het onderhavige beroep tot nietigverklaring zijn opgekomen.
18 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond te verklaren;
2) verzoekster in de kosten van het geding te verwijzen.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
19 De Commissie stelt, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 15 december 1988, gevoegde zaken 166/86 en 220/86, Irish Cement, Jurispr. 1988, blz. 6473, r.o. 16), dat het beroep tot nietigverklaring van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994 niet-ontvankelijk is, omdat die brieven slechts de bevestiging vormen van de beschikking van de Commissie van 25 maart 1992 en van de kennisgevingsbrief van dezelfde datum. Zij wijst erop, dat zij de Groupement bij haar beschikking van 25 maart 1992 een geldboete van 5 000 000 ECU heeft opgelegd, betaalbaar binnen drie maanden na afloop waarvan over dat bedrag van rechtswege rente verschuldigd zou zijn tegen de door het EFMS toegepaste rentevoet vermeerderd met drie en een half procentpunt. Verder merkt zij op, dat zij de Groupement in haar kennisgevingsbrief van 25 maart 1992 heeft meegedeeld, dat in geval deze een beroep bij het Gerecht zou instellen, geen enkele inningsmaatregel zou worden getroffen zolang de zaak bij die rechterlijke instantie aanhangig is, onder de dubbele voorwaarde dat de schuldvordering rente draagt vanaf 30 juni 1992, en dat uiterlijk op die datum een voor de Commissie aanvaardbare bankgarantie wordt gesteld ten belope van zowel het hoofdbedrag als de renten en vermeerderingen.
20 Door aldus bij het beroep tegen de beschikking van 25 maart 1992 de gevraagde bankgarantie te stellen en de voor die bankgarantie gestelde voorwaarden niet te betwisten, zou verzoekster met die voorwaarden hebben ingestemd en hebben aanvaard, dat het bedrag waartoe zij uiteindelijk zou worden veroordeeld, wordt vermeerderd met rente. Haar betwisting van de betaling van die rente zou derhalve niet-ontvankelijk zijn.
21 De Commissie weerlegt in dit verband verzoeksters stelling, dat de in de beschikking van 25 maart 1992 en in de kennisgevingsbrief genoemde rente slechts betrekking heeft op de geldboete van 5 000 000 ECU en niet op de later door het Gerecht vastgestelde geldboete van 2 000 000 ECU. Volgens de Commissie heeft de bankgarantie, voor zover zij ertoe strekt de volledige betaling van haar schuldvordering ° zowel het hoofdbedrag als de rente ° te waarborgen, ook in geval de gemeenschapsrechter de geldboete niet volledig bevestigt, betrekking op de rente berekend over het bedrag van de geldboete.
22 De Commissie vraagt zich ook af, of verzoeksters subsidiaire vordering, strekkende tot nietigverklaring van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994 voor zover daarbij een verkeerde methode van toerekening van de door de Groupement op 5 mei 1994 verrichte betaling is toegepast, wel ontvankelijk is. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie evenwel toegegeven, dat die toerekening noch uit de beschikking van 25 maart 1992 noch uit de kennisgevingsbrief van dezelfde dag voortvloeit. Ter zake van de vraag, of deze vordering van verzoekster ontvankelijk is, refereert hij zich aan het oordeel van het Gerecht.
23 Verzoekster betoogt, dat de brieven van de Commissie van 7 juni en 15 juli 1994, in hun onderling verband gelezen, een voor beroep vatbare beschikking in de zin van artikel 173 van het Verdrag opleveren. Zij herinnert eraan, dat volgens de rechtspraak als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173, zijn te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arrest Hof van 11 november 1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639, r.o. 9).
24 Verzoekster betoogt dienaangaande, dat de brieven van 7 juni en 15 juli 1994, doordat zij daarin om betaling van een bedrag van 433 301,37 ECU wordt verzocht, haar financiële belangen ernstig schaden en haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigen ten opzichte van de rechtspositie die voortvloeit uit de beschikking van 25 maart 1992 en uit de kennisgevingsbrief van dezelfde dag. Het dwingend karakter van de verplichting om over de geldboete van 2 000 000 ECU een bedrag van 433 301,37 ECU aan vertragingsrente te betalen, vloeit immers noch uit de beschikking van 25 maart 1992, noch uit de brief houdende kennisgeving van deze beschikking, noch uit het arrest van het Gerecht van 23 februari 1994 voort. Door in haar beschikking van 25 maart 1992 te bepalen, dat "aan de Groupement (...) een geldboete van 5 000 000 ECU" wordt opgelegd en dat "over het bedrag van de geldboete (...) vanaf het verstrijken van bovengenoemde termijn (drie maanden vanaf de kennisgeving van de beschikking) van rechtswege rente verschuldigd is", zou de Commissie vertragingsrente hebben willen toepassen op de bij de beschikking van 25 maart 1992 opgelegde geldboete van 5 000 000 ECU, zonder deze evenwel uit te breiden tot de geldboete die het Gerecht later in het kader van een beroep tot nietigverklaring heeft vastgesteld op grond van zijn volledige rechtsmacht.
25 Verzoekster voegt eraan toe, dat pas op het ogenblik van de inning van de door het Gerecht soeverein vastgestelde geldboete tijdens een telefoongesprek, bevestigd door de brieven van 7 juni en 15 juli 1994, voor het eerst is gesproken over de mogelijkheid van een automatische aanpassing van de geldboete door middel van vertragingsrente die reeds was beginnen lopen op een tijdstip waarop het Gerecht nog geen uitspraak had gedaan. Zij wijst erop, dat de Commissie, door haar brief van 7 juni 1994 zelf als "standpuntbepaling van de Commissie" aan te merken, impliciet toegeeft, dat deze een voor beroep tot nietigverklaring vatbare handeling vormt.
26 Met betrekking tot verzoeksters subsidiaire vordering, betreffende de toerekening van de door de Groupement verrichte betaling, betoogt verzoekster, dat de Commissie, door de ontvankelijkheid van die vordering te betwisten, een de grond van de zaak betreffende vraag inzake de overeenstemming van het besluit met het gemeenschapsrecht aan toetsing door de gemeenschapsrechter tracht te onttrekken.
Beoordeling rechtens
27 Het Gerecht herinnert er om te beginnen aan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht niet-ontvankelijk zijn, beroepen tegen besluiten die slechts de bevestiging zijn van eerdere besluiten waartegen niet binnen de termijn is opgekomen (arresten Hof van 15 december 1988, Irish Cement, reeds aangehaald, r.o. 16, en 25 mei 1993, zaak C-199/91, Foyer culturel du Sart-Tilman, Jurispr. 1993, blz. 2667, r.o. 23 en 24, en arrest Gerecht van 15 maart 1995, zaak T-514/93, Cobrecaf e.a., Jurispr. 1995, blz. II-621, r.o. 44).
28 In het onderhavige geval moet derhalve worden nagegaan, of de Commissie, door over het door het Gerecht op 23 februari 1994 vastgestelde bedrag van de geldboete vertragingsrente vanaf 30 juni 1992 te vorderen, een nieuw element heeft ingevoerd dat bindende rechtsgevolgen in het leven kan roepen waardoor de belangen van verzoekster kunnen worden aangetast doordat haar rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd (arrest Cobrecaf e.a., reeds aangehaald, r.o. 45), dan wel of zij zich ertoe heeft beperkt de situatie te bevestigen die voortvloeide uit de beschikking van 25 maart 1992, uit de kennisgevingsbrief van dezelfde datum en uit het verstrekken van de bankgarantie door verzoekster.
29 Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt, dat de Commissie in haar brief van 7 juni 1994, waarbij zij antwoordde op verzoeksters argument dat de uit het reeds genoemde arrest AEG voortvloeiende verplichting om vertragingsrente te betalen over de geldboeten enkel geldt in de gevallen waarin de gemeenschapsrechter het beroep kennelijk ongegrond verklaart en de door de Commissie opgelegde geldboete bevestigt, heeft aangevoerd, dat een ten dele gegrond beroep geen uitzonderlijke omstandigheid is die "een onderneming kan vrijstellen van de inachtneming van de voorwaarden die voor de opschorting van de betaling van de geldboete zijn gesteld". De Commissie heeft verder betoogt, dat het Hof in zijn beschikkingen van 6 mei 1982 (zaak 107/82 R, AEG, Jurispr. 1982, blz. 1549, en de zaken Hasselblad, Kloeckner Werke en Finsider, reeds aangehaald) zijn goedkeuring had gehecht aan die voorwaarden, en dat verzoekster ze had aanvaard door het verstrekken van de bankgarantie.
30 Vervolgens dient eraan te worden herinnerd, dat nadat verzoekster te kennen had gegeven dat zij het daarmee niet eens was, de Commissie bij brief van 15 juli 1994 heeft geantwoord, "dat er geen enkele aanwijzing is dat het arrest AEG aldus moet worden uitgelegd, dat het Hof het vorderen van rente heeft willen beperken tot kennelijk ongegronde beroepen", en dat het haar verwondert dat het Hof, indien die uitlegging de juiste zou zijn, bij de bevestiging van de door de Commissie gevolgde praktijk niet heeft gerept van de drastische beperkingen die daaraan dienen te worden aangebracht.
31 Derhalve blijkt, dat slechts door het in hun onderlinge samenhang lezen van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994, waarin de door de Commissie voorgestane uitlegging van het reeds aangehaalde arrest AEG wordt uiteengezet, verzoekster tot de conclusie is kunnen komen, dat volgens de Commissie de verplichting om vertragingsrente te betalen vanaf de datum van de eisbaarheid van de door haar opgelegde geldboete, ook geldt ingeval de gemeenschapsrechter het bedrag van die geldboete later heeft verlaagd door het tegen een dergelijke beschikking ingestelde beroep tot nietigverklaring ten dele gegrond te verklaren.
32 Het Gerecht is derhalve van mening, dat de bestreden brieven geen loutere bevestiging zijn van de voorwaarden waaraan de Commissie in haar brief houdende kennisgeving van de beschikking van 25 maart 1992 de opschorting van de betaling van de geldboete voor de duur van de procedure in rechte had verbonden, maar een nieuw element bevatten voor zover zij een standpunt van de Commissie tot uitdrukking brengen dat noch uit de beschikking van 25 maart 1992 noch uit de kennisgevingsbrief van dezelfde datum duidelijk en uitdrukkelijk tot uiting was gekomen.
33 Bijgevolg is de hoofdvordering, strekkende tot nietigverklaring van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994, ontvankelijk.
34 De subsidiaire vordering, betreffende de toerekening van de door verzoekster op 5 mei 1994 verrichte betaling, welke vordering nauw verband houdt met de hoofdvordering, moet dus eveneens ontvankelijk worden geacht. Wat er ook van zij, de Groupement heeft pas door de brief van 7 juni 1994 kennis kunnen krijgen van de door de Commissie verrichte toerekening.
35 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep ontvankelijk is.
Ten gronde
De hoofdvordering, strekkende tot nietigverklaring van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994
36 Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen drie middelen aan. Het eerste middel betreft het ontbreken van een rechtsgrondslag voor het vorderen van vertragingsrente over het bedrag van de door de gemeenschapsrechter vastgestelde geldboete, het tweede middel betreft de onbevoegdheid van de auteurs en ondertekenaars van de bestreden brieven en als derde middel wordt aangevoerd, dat het vorderen van vertragingsrente over het bedrag van de door de gemeenschapsrechter vastgestelde geldboete het recht van beroep belemmert.
Het eerste middel: ontbreken van rechtsgrondslag
° Argumenten van partijen
37 Verzoekster betoogt, dat de verplichting om vertragingsrente te betalen over een geldboete, uit geen enkele tekst van gemeenschapsrecht voortvloeit, en volgens de rechtspraak van het Hof (arrest AEG, reeds aangehaald) slechts gerechtvaardigd is om te voorkomen dat kennelijk ongegronde beroepen worden ingesteld met als enig doel de betaling van de geldboete te vertragen. Dit is in casu evenwel niet het geval, daar het Gerecht, door de aan de Groupement opgelegde geldboete op 40 % van de door de Commissie opgelegde geldboete te bepalen en de Commissie in de helft van de kosten van de Groupement te verwijzen, het beroep van de Groupement in zeer ruime mate gegrond heeft geacht.
38 Met betrekking tot de reeds aangehaalde beschikkingen Hasselblad, Kloeckner Werke en Finsider, die de Commissie tot staving van haar rentevordering aanvoert, merkt verzoekster allereerst op, dat deze beschikkingen slechts betrekking hebben op de aan de Commissie toegekende mogelijkheid om een bankgarantie te eisen in geval van opschorting van de betaling van de geldboete, en niet op de toepassing van vertragingsrente op de door de gemeenschapsrechter vastgestelde geldboete. Aangaande de beschikking van 5 juli 1983 (zaak 78/83 R, Usinor, Jurispr. 1983, blz. 2183) betoogt verzoekster, dat het Hof, door de opschorting van de betaling van een deel van de geldboete te verbinden aan de voorwaarde, "dat verzoekster vooraf een bankgarantie stelt voor de betaling van de bij die beschikking vastgestelde boete, vermeerderd met eventuele vertragingsrente", enkel doelde op de rente over de bij de beschikking van de Commissie opgelegde geldboete en niet op die over de door de gemeenschapsrechter in het kader van zijn volledige rechtsmacht vastgestelde geldboete.
39 Verzoekster betoogt dienaangaande, dat in het onderhavige geval de bij het arrest van het Gerecht van 23 februari 1994 vastgestelde geldboete en de bij de beschikking van de Commissie van 25 maart 1992 opgelegde geldboete, juridisch gezien, twee verschillende geldboeten zijn. Zij wijst er allereerst op, dat in rechtsoverweging 147 en in het dictum van het arrest van 23 februari 1994 met betrekking tot de geldboete de term "vaststellen" en niet de term "verlagen" wordt gebruikt. Vervolgens wijst zij op rechtsoverweging 147 van het arrest van het Gerecht, waarin wordt vastgesteld dat "de geldboete van 5 000 000 ECU niet beantwoordt aan de aard en de zwaarte van de (...) bedoelde inbreuk", en merkt zij op, dat het Gerecht de door de Commissie aangevoerde verzwarende omstandigheden niet heeft overgenomen. Ten slotte wijst verzoekster erop, dat de Commissie zelf toegeeft, dat de verhoging van de geldboete waartoe het Gerecht in voorkomend geval kan besluiten, slechts rente opbrengt vanaf de datum van het arrest.
40 Volgens verzoekster houdt de Commissie geen rekening met de aan de gemeenschapsrechter verleende volledige rechtsmacht en met de strekking van de artikelen 172 van het Verdrag en 17 van verordening nr. 17 waar zij stelt, dat het Gerecht niet bevoegd is een door de Commissie opgelegde geldboete in te trekken en "door zijn eigen geldboete te vervangen". Zij verwijst dienaangaande naar de conclusie van advocaat-generaal Warner in de zaak BMW (arrest Hof van 12 juli 1979, gevoegde zaken 32/78, 36/78-82/78, Jurispr. 1979, blz. 2435, 2494), volgens welke "de bevoegdheden die in artikel 17 van verordening nr. 17 aan het Hof worden toegekend, in de ruimste bewoordingen vervat zijn en [zijns] inziens ruim genoeg zijn om het Hof in staat te stellen in iedere zaak datgene te doen wat het in goede justitie vereist acht".
41 De Commissie herinnert er allereerst aan, dat haar beschikkingen effect sorteren vanaf de kennisgeving ervan, en dat volgens artikel 185 van het Verdrag de bij de gemeenschapsrechter ingestelde beroepen geen schorsende werking hebben. Derhalve kan de Commissie vanaf de kennisgeving van een boetebeschikking stappen ondernemen om die geldboete te innen en staat het in voorkomend geval aan partijen om overeenkomstig artikel 107, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling te verzoeken.
42 De Commissie herinnert er vervolgens aan, dat zij haar aanvankelijke gedragslijn inzake beroepen tegen boetebeschikkingen, die erin bestond tot aan de uitspraak van het Hof niet tot inning van de boete over te gaan, in 1981 heeft gewijzigd door voor deze opschorting een dubbele voorwaarde te stellen, te weten de betaling van vertragingsrente en het stellen van een bankgarantie ten belope van het bedrag van de boete vermeerderd met de rente (zie Twaalfde mededingingsverslag, punt 60). Zij voegt eraan toe, dat het Hof in zijn reeds genoemde beschikkingen AEG, Hasselblad, Kloeckner Werke en Finsider heeft erkend dat deze nieuwe algemene gedragslijn gerechtvaardigd was, behalve in uitzonderlijke omstandigheden.
43 De Commissie weerlegt dienaangaande verzoeksters uitlegging van de rechtspraak van het Hof. Zij beklemtoont, dat genoemde beschikkingen zowel betrekking hebben op de verplichting tot betaling van vertragingsrente als op de verplichting om ter verzekering van de betaling van de geldboete en de rente een bankgarantie te stellen. Bovendien kan het reeds aangehaalde arrest AEG niet aldus worden gelezen, dat vertragingsrente slechts verschuldigd is ingeval het beroep kennelijk ongegrond wordt verklaard. De conclusie van advocaat-generaal Reischl, die het Hof in zijn arrest heeft gevolgd, bevat immers geen enkele zinspeling op een dergelijke beperking.
44 Met betrekking tot de stelling, dat de door de Commissie opgelegde geldboete en de door de gemeenschapsrechter in het kader van zijn volledige rechtsmacht vastgestelde geldboete twee verschillende geldboeten zijn, herinnert de Commissie eraan, dat de volledige rechtsmacht waarin artikel 172 voorziet, de gemeenschapsrechter volgens de bewoordingen van artikel 17 van verordening nr. 17 de bevoegdheid verleent "de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen", maar hem daarom nog niet toestaat de door de Commissie opgelegde geldboete te vervangen door een eigen geldboete, die uit juridisch oogpunt een andere is dan de eerste. Anders dan verzoekster, volgens welke de verhoging van de geldboete aantoont dat de door de Commissie opgelegde geldboete en de door de gemeenschapsrechter vastgestelde geldboete twee verschillende geldboeten zijn, is de Commissie van mening, dat de verhoging van de geldboete door de gemeenschapsrechter noodzakelijkerwijs betrekking heeft op de door de Commissie opgelegde geldboete.
45 De Commissie voegt eraan toe, dat ook al gebruikt het Gerecht met betrekking tot de geldboete de term "vaststellen", het dictum en rechtsoverweging 147 van het arrest van 23 februari 1994 moeten worden gelezen tegen de achtergrond van rechtsoverweging 142 van het arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld, dat "in die omstandigheden het Gerecht in het kader van zijn volledige rechtsmacht dient te onderzoeken, of er termen aanwezig zijn om de aan de Groupement opgelegde geldboete te verlagen".
° Beoordeling rechtens
46 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de Commissie ingevolge artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 geldboeten kan opleggen aan de ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 85, lid 1, of artikel 86 van het Verdrag of zich gedragen in strijd met een verplichting opgelegd krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag.
47 De bevoegdheid die de Commissie dienaangaande is verleend, omvat de mogelijkheid om de datum van eisbaarheid van de geldboete en de begindatum van de vertragingsrente te bepalen, de rentevoet vast te stellen en de wijze van tenuitvoerlegging van haar beschikking te bepalen door in voorkomend geval een bankgarantie te eisen ten belope van het hoofdbedrag van de opgelegde geldboete en de daarover verschuldigde rente.
48 Zonder een dergelijke bevoegdheid zou het voordeel dat de ondernemingen kunnen halen uit het met vertraging betalen van de geldboeten immers leiden tot verzachting van de straffen die de Commissie heeft opgelegd in het kader van de haar bij artikel 89 van het Verdrag opgedragen taak, te waken voor de toepassing van de mededingingsregels. De toepassing van vertragingsrente over de geldboeten is derhalve gerechtvaardigd om te voorkomen dat het nuttig effect van het Verdrag wordt tenietgedaan door de eenzijdige praktijk van de ondernemingen de hen opgelegde geldboeten met vertraging betalen.
49 Daarbij komt, dat indien de Commissie niet de bevoegdheid zou hebben over de geldboeten vertragingsrente te vorderen, de ondernemingen die hun geldboeten met vertraging betalen, zouden worden bevoordeeld ten opzichte van degene die de hun opgelegde geldboeten binnen de daartoe gestelde termijn betalen.
50 Verder zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 192 van het Verdrag de beschikkingen van de Commissie welke voor natuurlijke en rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, executoriale titel vormen.
51 Ten slotte zij erop gewezen, dat volgens artikel 185 van het Verdrag de bij de gemeenschapsrechter ingestelde beroepen geen schorsende werking hebben.
52 Hieruit volgt, dat de beschikkingen van de Commissie uitvoerbaar zijn zodra zij ter kennis zijn gebracht, en dat de daarbij opgelegde geldboeten eisbaar zijn bij het verstrijken van de termijn die de Commissie in haar beschikking heeft gesteld. De Commissie heeft derhalve in haar krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gegeven beschikking van 25 maart 1992 terecht bepaald, dat vertragingsrente verschuldigd is ingeval de geldboete niet binnen de daartoe gestelde termijn wordt betaald.
53 Verder eist de Commissie ook terecht overeenkomstig de algemene gedragslijn die zij sedert 1981 volgt, dat de ondernemingen die een beroep instellen tegen de beschikkingen waarbij hun een boete is opgelegd, een bankgarantie stellen ter verzekering van de eventuele betaling van de geldboete, in voorkomend geval vermeerderd met de vertragingsrente (zie de beschikkingen AEG, Hasselblad, Kloeckner Werke en Finsider, reeds aangehaald).
54 Hieruit volgt, dat de onderneming die een beroep instelt tegen een beschikking van de Commissie waarbij haar een geldboete is opgelegd, de keuze heeft tussen: betaling van de geldboete op het ogenblik van de eisbaarheid ervan, met dien verstande dat in voorkomend geval vertragingsrente verschuldigd is tegen de door de Commissie in haar beschikking bepaalde rentevoet (in het onderhavige geval de door het EFMS vastgestelde rentevoet, vermeerderd met drie en een half procentpunt); krachtens artikel 185, tweede zin, van het Verdrag en artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking verzoeken; ten slotte, indien de Commissie daartoe de mogelijkheid biedt, onder de door de Commissie vastgestelde voorwaarden (in het onderhavige geval de door het EFMS toegepaste rentevoet, vermeerderd met anderhalf procentpunt) een bankgarantie stellen ter verzekering van de betaling van de geldboete en de vertragingsrente.
55 Vaststaat in het onderhavige geval, dat verzoekster na de instelling van het beroep T-39/92 tegen de beschikking van de Commissie van 25 maart 1992 heeft geopteerd voor het stellen van een bankgarantie ter verzekering van de betaling van de geldboete en de vertragingsrente.
56 Verzoekster betoogt evenwel, dat deze bankgarantie slechts gevolgen kon sorteren ten aanzien van de door de Commissie bij haar beschikking van 25 maart 1992 opgelegde geldboete, doch niet ten aanzien van de door het Gerecht in zijn arrest van 23 februari 1994 vastgestelde geldboete.
57 Derhalve moet worden nagegaan, of, gelijk verzoekster stelt, de door de Commissie opgelegde geldboete en de door de gemeenschapsrechter in het kader van zijn volledige rechtsmacht vastgestelde geldboete juridisch gezien verschillende geldboeten zijn, en of dit de draagwijdte van de door verzoekster gestelde bankgarantie kan beperken.
58 Opgemerkt zij, dat reeds uit de formulering van artikel 17 van verordening nr. 17 blijkt, dat de volledige rechtsmacht die de gemeenschapsrechter ter zake van de toepassing van de mededingingsregels is verleend en krachtens welke deze de door de Commissie opgelegde geldboete kan intrekken, verlagen of verhogen, betrekking heeft op en beperkt is tot de door de Commissie aanvankelijk opgelegde geldboete.
59 Vervolgens dient erop te worden gewezen, dat de gemeenschapsrechter in het kader van het mededingingsrecht niet bevoegd is om een geldboete op te leggen; zijn volledige rechtsmacht houdt enkel in, dat hij kan oordelen over de door de Commissie bij beschikking vastgestelde geldboeten. Ten slotte kan verzoeksters stelling niet worden gestaafd door haar argument, dat in geval van verhoging van de geldboete, over het bedrag van de verhoging slechts rente verschuldigd is vanaf de datum van het arrest. Aangezien het bedrag waarmee de geldboete is verhoogd, zelf slechts eisbaar is vanaf de uitspraak van het arrest, kan de daarover verschuldigde rente volgens het beginsel accessorium sequitur principale immers slechts vanaf die datum beginnen lopen.
60 Het Gerecht concludeert hieruit, dat de gemeenschapsrechter in het kader van de bevoegdheden die artikel 172 van het Verdrag en artikel 17 van verordening nr. 17 hem verlenen, de door de Commissie opgelegde geldboete niet kan vervangen door een nieuwe geldboete, die daar juridisch los van staat.
61 Noch het gebruik van de term "vaststellen" in rechtsoverweging 147 en in het dictum van het arrest van het Gerecht, noch de omstandigheid dat de gemeenschapsrechter bij het opleggen van een minder hoge boete dan die welke de Commissie had opgelegd, rekening kan houden met feiten die zich na de beschikking hebben voorgedaan, kan deze conclusie aantasten.
62 Met betrekking tot het gebruik van de term "vaststellen" dient er immers aan te worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 26 april 1988, gevoegde zaken 97/86, 193/86, 99/86 en 215/86, Asteris e.a., Jurispr. 1988, blz. 2181, r.o. 27) het dictum van een arrest moet worden gelezen tegen de achtergrond van de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden, voor zover zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen.
63 Vastgesteld moet evenwel worden, dat het Gerecht in rechtsoverweging 142 van zijn arrest van 23 februari 1994 duidelijk heeft aangegeven, dat het, anders dan de Commissie, slechts één verboden mededingingsregeling ten laste van de Groupement bewezen achtte, en dat het derhalve in het kader van zijn volledige rechtsmacht diende te onderzoeken, of er termen aanwezig waren om de aan de Groupement opgelegde geldboete te verlagen. Door bovendien op grond van de overweging dat de uiteindelijk ten laste van de Groupement bewezen geachte inbreuk minder ernstig was, de geldboete op een lager bedrag te bepalen, heeft het Gerecht in zijn rechtsoverwegingen betreffende de geldboeten duidelijk te kennen gegeven, dat zijn beschikking erop gericht was de aanvankelijk door de Commissie opgelegde geldboete te verlagen en niet deze door een nieuwe aparte geldboete te vervangen. Bijgevolg kan aan de term "vaststellen" niet de betekenis worden gegeven die verzoekster eraan toekent.
64 Met betrekking tot de voor de gemeenschapsrechter bestaande mogelijkheid om op grond van elementen die van na de beschikking van de Commissie dateren, met name van de gedragslijn die een bestrafte partij na die beschikking heeft gevolgd, een minder hoge boete op te leggen dan de Commissie had gedaan, dient erop te worden gewezen, dat die omstandigheid niet van dien aard is dat de door het Gerecht vastgestelde geldboete daardoor een geldboete wordt die juridisch losstaat van de door de Commissie opgelegde geldboete. Dienaangaande behoeft slechts te worden verwezen naar het door verzoekster tot staving van haar stelling aangevoerde arrest van 6 maart 1974 (gevoegde zaken 6/73 en 7/73, Commercial Solvents, Jurispr. 1974, blz. 223), waarin het Hof de door de Commissie opgelegde geldboete juist heeft "verlaagd" op grond van het gedrag van de bestrafte partij na de beschikking.
65 Uit het voorgaande volgt, dat in het onderhavige geval de door het Gerecht vastgestelde geldboete geen nieuwe boete is die juridisch losstaat van de geldboete die de Commissie bij haar beschikking van 25 maart 1992 heeft opgelegd, en derhalve niet van dien aard is, dat zij de draagwijdte van de gevolgen van de door verzoekster gestelde bankgarantie kan beperken. De Commissie eist derhalve op goede gronden betaling van vertragingsrente vanaf de datum van de eisbaarheid van de in haar beschikking vastgestelde geldboete over de door het Gerecht in zijn arrest van 23 februari 1994 vastgestelde geldboete.
66 Mitsdien moet het middel inzake het ontbreken van rechtsgrondslag worden afgewezen.
Tweede middel: onbevoegdheid van de ondertekenaars van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994
° Argumenten van partijen
67 Verzoekster betoogt, dat het bestreden besluit, voortvloeiend uit de brieven van 7 juni en 15 juli 1994, niet kan worden gelijkgesteld met een gewone maatregel van bestuur of beheer, die krachtens een machtiging kan worden genomen, maar een principebesluit vormt (zie arrest Hof van 23 september 1986, zaak 5/85, AKZO Chemie, Jurispr. 1986, blz. 2585, r.o. 29 en 34-39), voor zover daarin een echte standpuntbepaling van de Commissie tot uiting komt die geen enkele rechtsgrondslag heeft en bovendien het recht van beroep van de justitiabelen belemmert. Haars inziens is het omstreden besluit dan ook op onwettige wijze vastgesteld doordat het is genomen door een lid van de juridische dienst en door de boekhouder van de Commissie, die gemachtigd waren om de Commissie in het kader van een beschikking te verbinden.
68 De Commissie antwoordt, dat de bestreden brieven verzoekster enkel herinneren aan de verplichting tot betaling van vertragingsrente, die deze was aangegaan door na de brief houdende kennisgeving van de beschikking van 25 maart 1992 een bankgarantie te stellen, en dat deze brieven geen beschikking in de zin van artikel 189 van het Verdrag vormen. Ter terechtzitting heeft de Commissie in antwoord op een vraag van het Gerecht gepreciseerd, dat zelfs al zouden de bestreden brieven als een voor beroep vatbare beschikking kunnen worden aangemerkt, een dergelijke beschikking in ieder geval een gewone maatregel van beheer of bestuur vormt, die krachtens een machtiging kan worden genomen.
° Beoordeling rechtens
69 Het Gerecht herinnert er allereerst aan, dat de Commissie krachtens artikel 11 van haar reglement van orde 93/492/Euratom, EGKS, EEG van 17 februari 1993 (PB 1993, L 230, blz. 15), op voorwaarde dat het beginsel van haar collegiale verantwoordelijkheid ten volle wordt geëerbiedigd, een of meer van haar leden kan machtigen in haar naam en onder haar toezicht duidelijk omschreven maatregelen van beheer of bestuur te nemen. De verlening van tekeningsbevoegdheid binnen een instelling is immers een maatregel betreffende de interne organisatie van de diensten van de gemeenschapsadministratie conform artikel 11 van het reglement van orde van de Commissie van 17 februari 1993 (zie bij voorbeeld arresten van 14 juli 1972, zaak 48/69, ICI, Jurispr. 1972, blz. 619, en 17 oktober 1972, zaak 8/72, Cementhandelaren, Jurispr. 1972, blz. 977), en ambtenaren kunnen worden gemachtigd om in naam en onder toezicht van de Commissie maatregelen van beheer of bestuur te nemen.
70 Uit de rechtspraak van het Hof en het Gerecht (arrest Hof van 15 juni 1994, zaak C-137/92 P, BASF e.a., Jurispr. 1994, blz. I-2555, r.o. 64 en 65, en arrest Gerecht van 27 februari 1992, gevoegde zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, BASF e.a., Jurispr. 1992, blz. II-315, r.o. 59) blijkt evenwel, dat de maatregelen die voor de justitiabelen rechten en plichten in het leven roepen, besluiten zijn die door de leden van de Commissie in gemeen overleg moeten worden genomen, terwijl de maatregelen waarbij die besluiten ten uitvoer worden gelegd, als accessoire maatregelen, beheersmaatregelen zijn die krachtens een machtiging kunnen worden genomen (arrest AKZO Chemie, reeds aangehaald, r.o. 38).
71 Anders dan verzoekster stelt, moet een besluit waarbij de Commissie betaling van vertragingsrente vordert na een arrest van het Gerecht houdende gedeeltelijke bevestiging van een beschikking waarbij een geldboete met in voorkomend geval vertragingsrente is opgelegd, als maatregel ter uitvoering van de aanvankelijke beschikking waarbij de geldboete en de rente zijn vastgesteld, als een gewone maatregel van bestuur of beheer worden aangemerkt.
72 Bovendien heeft verzoekster geen enkele aanwijzing verstrekt, dat de gemeenschapsadministratie van de ter zake geldende regels is afgeweken door haar juridische dienst en haar dienst boekhouding te belasten met de inning van de geldboeten.
73 Mitsdien moet het middel inzake onbevoegdheid van de ondertekenaars van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994 worden afgewezen.
Derde middel: belemmering van het recht van beroep
° Argumenten van partijen
74 Verzoekster betoogt, dat de door de Commissie toegepaste vermeerdering met rente het recht van beroep belemmert doordat die vermeerdering een marktdeelnemer bestraft voor het enkele feit dat hij een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, dat door het Gerecht nochtans grotendeels gegrond is verklaard, en een echte straf vormt, die bovenop de geldboete komt. Zij merkt op, dat voor zover het bedrag van de rente evenredig is aan de duur van de procedure voor het Gerecht, het een bijkomende straf vormt, ofschoon die duur niet kan worden toegerekend aan de partij die gebruik maakt van haar recht van beroep.
75 Vervolgens betwist verzoekster de stelling, dat zij aan de rentelast had kunnen ontsnappen door de geldboete te betalen op het ogenblik waarop deze eisbaar werd. Daar de Commissie weigert rente te betalen over ten onrechte betaalde geldboeten, zou verzoekster door de blokkering van drie miljoen ECU zonder vergoeding een financieel verlies hebben geleden, dat zij raamt op 450 000 ECU. Het stellen van een bankgarantie heeft haar derhalve enkel de kosten van de blokkering van de door de Commissie ten onrechte geëiste bedragen bespaard.
76 Verzoekster verwijt de Commissie, dat deze ter rechtvaardiging van de toepassing van een lagere rentevoet op de eerste geldboete, de onderneming die een beroep instelt en opteert voor het stellen van een bankgarantie, vergelijkt met de onderneming die geen beroep instelt en haar verplichting tot betaling van de geldboete niet nakomt. Volgens haar mag de situatie van een onderneming waarvan het beroep, zoals in het onderhavige geval, door het Gerecht grotendeels gegrond is verklaard, niet worden vergeleken met die van een onderneming die te kwader trouw weigert de boete te betalen zonder er evenwel een beroep tegen in te stellen.
77 Ten slotte betoogt verzoekster, dat het aan het Gerecht staat om bij het vaststellen van de geldboete in het kader van zijn volledige rechtsmacht te bepalen of vertragingsrente verschuldigd is, en heeft de Commissie niet het recht de gevolgen van de voor haar ongunstig uitgevallen arresten te verzachten door middel van systematische herwaardering van de door het Gerecht vastgestelde geldboete.
78 De Commissie merkt allereerst op, dat het onderscheid niet moet worden gemaakt tussen de ondernemingen die een beroep instellen en de ondernemingen die geen beroep instellen, maar tussen de ondernemingen die de hun opgelegde geldboete betalen zodra deze eisbaar wordt, en de ondernemingen die de geldboete niet betalen. De ondernemingen die er de voorkeur aan geven een bankgarantie te stellen, genieten immers een lagere rentevoet dan de ondernemingen die de opgelegde geldboete niet willen betalen. Volgens de Commissie kunnen de kosten die het stellen van een bankgarantie meebrengt, dat voordeel niet tenietdoen.
79 De Commissie wijst erop, dat de Groupement in het kader van haar beroep T-39/92 niet is opgekomen tegen het "uiterst ongunstige" karakter van de door de Commissie toegepaste rentevoet. Verzoekster had in ieder geval aan betaling van rente tegen de door de Commissie toegepaste rentevoet kunnen ontsnappen door het bedrag tegen een lagere rente te ontlenen en de geldboete te betalen zodra zij eisbaar werd.
80 De Commissie voegt eraan toe, dat verzoeksters stelling, dat de vertragingsrente slechts verschuldigd is in de gevallen waarin het beroep volledig is verworpen, tot gevolg zou hebben, dat de ondernemingen waarvan het beroep, zij het slechts voor een uiterst klein gedeelte, gegrond wordt verklaard, worden bevoordeeld ten opzichte van de ondernemingen die hun geldboete te laat betalen, daar eerstgenoemde volledig bevrijd zouden worden van de verplichting om rente te betalen, ofschoon zij toch een deel van de geldboete te laat betalen. Bovendien zou die stelling het in artikel 185 van het Verdrag neergelegde beginsel zijn inhoud ontnemen.
° Beoordeling rechtens
81 Allereerst dient eraan te worden herinnerd, dat de door artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 aan de Commissie verleende bevoegdheid om geldboeten op te leggen, de bevoegdheid impliceert om in geval van niet-betaling van de geldboete vertragingsrente te vorderen.
82 Door aan de onderneming die een beroep instelt tegen een beschikking waarbij haar een geldboete is opgelegd, de mogelijkheid te bieden de onmiddellijke betaling van de geldboete te vervangen door het stellen van een bankgarantie ter verzekering van de betaling van de geldboete en de daarover verschuldigde rente, verleent de Commissie die onderneming een voorrecht dat uit het Verdrag noch uit verordening nr. 17 voortvloeit.
83 Bovendien wijst het Gerecht erop, dat de rentevoet die de Commissie toepast ingeval een bankgarantie wordt gesteld, lager is dan die welke wordt toegepast in geval van niet-betaling van de geldboete (11,75 %), en dat de bestrafte onderneming de mogelijkheid heeft de geldboete te betalen zodra zij eisbaar wordt, en aldus aan de verplichting tot betaling van vertragingsrente te ontsnappen.
84 Verzoekster betoogt evenwel, dat de onderneming waarvoor de gemeenschapsrechter het bedrag van de geldboete heeft verlaagd, een zwaardere straf oploopt dan de onderneming die geen beroep instelt of wier beroep wordt verworpen.
85 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de onderneming wier beroep is verworpen, rente tegen de verlaagde rentevoet over het totale bedrag van de geldboete verschuldigd is, en dat de onderneming die geen beroep instelt, rente tegen de volledige rentevoet over datzelfde bedrag dient te betalen. Wanneer de gemeenschapsrechter evenwel het beroep ten dele gegrond verklaart en het bedrag van de door de Commissie opgelegde geldboete verlaagt, wordt de door de onderneming verschuldigde rente tegen de verlaagde rentevoet verhoudingsgewijs verminderd tot het bedrag van die rente over het bedrag van de aldus vastgestelde geldboete.
86 Daarbij komt nog, dat zowel de omstandigheid dat de herziening van de geldboete door de gemeenschapsrechter het rechtskarakter van de geldboete onverlet laat, als het beginsel dat een beroep geen schorsende werking heeft, zich ertegen verzet, dat de Commissie de onderneming wier beroep ten dele gegrond is verklaard, vrijstelt van de verplichting om vanaf de datum van de eisbaarheid van de door de Commissie opgelegde boete rente te betalen over het door de gemeenschapsrechter vastgestelde bedrag van de geldboete, en de werking van de door de bestrafte onderneming gestelde bankgarantie opheft.
87 Mitsdien is het middel, als zou het recht van beroep worden belemmerd door de verplichting om vertragingsrente te betalen over het bedrag van de door de gemeenschapsrechter vastgestelde geldboete, ongegrond.
88 Uit het voorgaande volgt, dat de hoofdvordering, strekkende tot nietigverklaring van de brieven van 7 juni en 15 juli 1994, moet worden afgewezen.
De subsidiaire vordering, betreffende de methode van toerekening van de door de Groupement verrichte betalingen
Argumenten van partijen
89 Verzoekster verwijt de Commissie, dat zij de door de Groupement op 5 mei 1994 verrichte betaling van 2 000 000 ECU eerst op de rente en vervolgens op het hoofdbedrag heeft toegerekend en haar daardoor verplicht rente te betalen over het saldo van het bedrag. Volgens verzoekster biedt het gemeenschapsrecht geen enkele rechtsgrondslag voor een dergelijke handelwijze. Daarbij komt, dat indien mag worden aangenomen dat de Commissie zich heeft laten leiden door het Franse recht ter zake, inzonderheid door artikel 1254 van de code civil, zij op de geldboeten geen bepaling kan toepassen die voor burgerlijke verbintenissen geldt. Verzoekster voegt eraan toe, dat indien een schuldenaar heeft verklaard dat hij ter aflossing van het hoofdbedrag betaalt, de schuldeiser die deze verklaring heeft ontvangen, de toerekening niet meer kan betwisten. Dit geldt ook wanneer uit enige handeling van de schuldeiser blijkt, dat deze ermee heeft ingestemd dat de betaling op het hoofdbedrag wordt toegerekend. In het onderhavige geval heeft de Groupement duidelijk aangegeven, dat zij ter aflossing van het hoofdbedrag betaalt, aangezien zij er in haar brief van 5 mei 1994 op heeft gewezen, dat het bedrag van 2 000 000 ECU geen rente mag kweken.
90 Ten slotte wijst verzoekster er nog op, dat waar de Commissie de aangewende methode in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer acht, zij hij haar bestuurs- en beheersfuncties verwart met haar functie als instantie die de markt reguleert. In het kader van die laatste functie heeft zij namelijk beteugelingsbevoegdheden die niet volgens de beginselen van financieel beheer kunnen worden uitgeoefend.
91 De Commissie betoogt, dat de door haar aangewende toerekeningsmethode berust op een algemeen aanvaard gebruik, waarvan het beginsel met name in het Franse burgerlijk recht is neergelegd. Aangezien het gaat om een methode die in financiële aangelegenheden algemeen wordt aanvaard, is daarvoor in het gemeenschapsrecht geen andere rechtsgrondslag nodig. Deze regel vloeit ook voort uit de bij de Commissie van kracht zijnde interne procedurevoorschriften betreffende de inning van geldboeten en dwangsommen, en is nooit op enigerlei wijze betwist. Verzoekster voert overigens geen enkel juridisch of feitelijk middel aan, volgens hetwelk de toegepaste methode naar gemeenschapsrecht ongeldig zou zijn.
92 Met betrekking tot verzoeksters argument, dat zij in haar brief van 5 mei 1994 heeft verklaard dat zij ter aflossing van het hoofdbedrag had betaald, herinnert de Commissie eraan, dat dit slechts kan worden aanvaard indien de schuldeiser ermee heeft ingestemd dat eerst het hoofdbedrag wordt afgelost. In het onderhavige geval heeft de Commissie er evenwel nooit mee ingestemd, dat het bedrag van 2 000 000 ECU eerst op het hoofdbedrag wordt toegerekend.
Beoordeling rechtens
93 Het Gerecht constateert, dat tussen partijen vaststaat dat de door de Groupement op 5 mei 1994 verrichte betaling van 2 000 000 ECU eerst op de rente en vervolgens op het hoofdbedrag is toegerekend, en dat deze methode van toerekening van betalingen in de nationale rechtsorden algemeen wordt aanvaard.
94 Het Gerecht is bovendien van mening, dat de Commissie, die bevoegd is om aan de verplichting tot betaling van de door haar opgelegde geldboeten een verplichting tot betaling van rente in geval van niet-betaling van de geldboeten te verbinden, ook bevoegd is om te bepalen, hoe de in verband met deze geldboeten verrichte betalingen zullen worden toegerekend, met dien verstande dat de regels en algemene beginselen van het gemeenschapsrecht daarbij niet mogen worden geschonden.
95 In het onderhavige geval stelt het Gerecht vast, dat verzoekster geen enkel element aanvoert waarmee zou kunnen worden aangetoond dat de Commissie een gemeenschapsrechtelijke bepaling of een algemeen rechtsbeginsel heeft geschonden door zich voor de toerekening van de betalingen te baseren op regels die in de meeste nationale rechtsorden algemeen worden aanvaard.
96 Integendeel, verzoekster verklaart, zakelijk weergegeven, dat de onderneming de mogelijkheid heeft om door betaling van het hoofdbedrag van de geldboete het bedrag van de vertragingsrente te consolideren, op grond dat in de beschikking van de Commissie van 25 maart 1992 niet is bepaald, dat de gedeeltelijke betalingen eerst op de vertragingsrente moeten worden toegerekend. Vaststaat evenwel, dat deze stelling de uit artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 voortvloeiende bevoegdheid van de Commissie om vertragingsrente te vorderen, elk nuttig effect zou ontnemen. Aangezien niet kan worden aangenomen, dat de gemeenschapswetgever dit resultaat heeft gewild, moet de stelling van verzoekster worden verworpen.
97 Met betrekking tot verzoeksters argument, dat de Commissie heeft aanvaard, dat haar betaling van 2 000 000 ECU eerst op het hoofdbedrag en vervolgens op de rente wordt toegerekend, stelt het Gerecht vast, dat dit argument niet meer dan een stelling is en door geen enkel processtuk wordt gestaafd.
98 Hieruit volgt, dat de subsidiaire vordering eveneens ongegrond moet worden verklaard.
99 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
100 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie veroordeling tot de kosten heeft gevorderd, dient verzoekster in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer ° uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy